Chapter 25 of 84 · 3994 words · ~20 min read

Part 25

Zij bleef een oogenblik zwijgen, als verpletterd door hare verwarring, en de oogen zachtjes tot hem opheffende, riep zij: „O, mijnheer Jones! Wat moet ik zeggen?”

„Beloof slechts, dat gij nooit aan Blifil uwe hand zult schenken,” zeide hij.

„Noem dien gehaten naam niet!” antwoordde zij. „Wees overtuigd dat hij nooit iets van mij verkrijgen zal, dat ik hem weigeren kan.”

„En nu,” smeekte hij, „dat gij mij zooveel troost schenkt,—ga iets verder, en voeg er bij, dat ik eens hopen mag!”

„Helaas!” hernam zij. „Waartoe wildet gij me brengen, mijnheer Jones? Welke hoop zou ik u kunnen schenken? Gij kent mijns vaders bedoelingen.”

„Maar ik weet ook,” antwoordde hij, „dat men u niet dwingen kan daaraan toe te geven.”

„En welke,” zeide zij, „moeten niet de gevolgen wezen van mijne verschrikkelijke ongehoorzaamheid? Mijn eigen ongeluk is het minste. Maar ik kan de gedachte niet verdragen van mijn vader ellendig te maken.”

„Hij zelf,” riep Jones, „is de oorzaak van zijn eigen ongeluk, door een gezag over u te eischen, dat de natuur hem niet geschonken heeft. Denk aan al de ellende, die mij dreigt als ik u verliezen moet, en zie dan naar welken kant de schaal van uw medelijden moet overhellen!”

„Er aan denken!” riep zij. „Verbeeldt gij u, dat ik de rampen niet besef, die ik over u zou brengen door in uwe wenschen toe te stemmen? Het is die gedachte, welke mij den moed geeft om u te smeeken mij voor altijd te vermijden en dus zelf de ellende te ontvlugten!”

„Ik vrees geene andere ellende,” hernam hij, „dan het verlies mijner Sophia;—als gij mij van de bitterste smarten bevrijden wilt, herroep dan uw wreed vonnis,—want waarlijk, waarlijk, ik kan nooit van u scheiden,—neen, nooit!”

De beide minnaren stonden nu zwijgende te beven, Sophia buiten staat om Jones hare hand te ontrukken, en hij bijna even zeer buiten staat ze vast te houden; toen het tooneel, dat welligt voor sommigen mijner lezers lang genoeg geduurd heeft, afgewisseld werd door een van zoo verschillenden aard, dat wij de beschrijving er van voor het volgende hoofdstuk bewaren zullen.

HOOFDSTUK IX.

VEEL ONSTUIMIGER VAN AARD DAN HET VORIGE HOOFDSTUK.

Eer wij voortgaan met hetgeen de beide minnenden overkwam, is het welligt noodig te verhalen wat er in den gang voorgevallen was, gedurende hunne teedere bijeenkomst. Spoedig nadat Jones, op bovenvermelde wijze, den heer Western verliet, kwam diens zuster bij hem, en vernam weldra al hetgeen er tusschen Sophia en haar vader omtrent den heer Blifil voorgevallen was.

Deze houding harer nicht beschouwde de goede dame als eene bepaalde schennis van de voorwaarde, waarop zij zich verbonden had Sophia’s liefde tot Jones geheimte houden. Zij achtte zich dus geheel vrij om alles wat zij wist dadelijk aan den landjonker te openbaren, wat zij ook onmiddellijk deed, in de duidelijkste bewoordingen en zonder eenige inleiding of omhaal van woorden.

Het denkbeeld van een huwelijk tusschen Jones en zijne dochter was nooit bij Western opgekomen, zelfs niet in zijne vurigste vlagen van genegenheid tot den jongeling, noch bij eenige andere gelegenheid. Hij beschouwde, inderdaad, gelijkheid van vermogen en stand als even physisch noodzakelijk tot het sluiten van een huwelijk als het verschil van geslacht, of eenig ander vereischte; en vreesde evenmin dat zijne dochter op een man zonder geld verlieven zou, als op eenig dier van een geheel ander geslacht.

Hij was dus verpletterd bij het aanhooren van het verhaal zijner zuster. In het begin was hij buiten staat om eenig antwoord te geven, daar hij bijna ademloos werd door de hevigheid zijner aandoening. Weldra echter herstelde hij, en zoo als gewoonlijk, in dergelijke gevallen, barstte zijne woede, na de eerste stilte, met verdubbelde hevigheid los.

Het eerste gebruik, dat hij van zijn spraakvermogen maakte zoodra hij herstelde van de plotselinge uitwerking der verbazing, was om eene geheele reeks van vloeken en verwenschingen uit te braken. Hierop begaf hij zich met den meesten spoed naar het vertrek waar hij de minnaren hoopte te vinden, zijne wraakzuchtige voornemens mompelende, of liever, uitbulderende met elken stap, dien hij deed.

Even als twee tortels—of houtduiven, of als Strephon en Phyllis,—want die komen er digter bij,—zich naar een aangenaam eenzaam boschje terugtrekken, om den tijd met den heerlijken kout van Amor te slijten,—die bedeesde jongen, die in het openbaar niet spreken kan, en die alleen gezellig is als er slechts twee menschen bijeen zijn,—en dat daar, terwijl alles kalm schijnt, de heesche donder plotseling door de verscheurde wolken breekt, en rollend rammelt langs het zwerk, waarop het verschrikte meisje opvliegt van het weeke mos, of van de groene zodenbank,—terwijl de bleeke doodskleur de rozen der liefde, die hare wangen sierden vervangt;—de vrees haar doet sidderen, en haar minnaar de bevende gestalte naauwelijks meer ondersteunen kan;—

Of, even als twee heeren, die onbekend met den spotvogel der plaats, te zamen te Salisbury, in de eene of andere herberg, bij de flesch zitten, en de Groote Dowdy, die de rol van een waanzinnige even goed speelt als sommige zijner opstokers die van gekken, plotseling met de ketenen rammelt, en in den gang zijn verschrikkelijk dof gesteun doet hooren,—zoodat de verraste vreemdelingen verbleeken, versteend bij het verschrikkelijk geluid en eene schuilplaats zoeken tegen het dreigende gevaar, en als de gesloten vensters het toelieten, het gevaar zouden trotseren van den nek te breken, om de woede die hen dreigt te ontsnappen,—zoo ook beefde de arme Sophia; zoo ook verbleekte zij, toen zij het geraas vernam, door haar vader gemaakt, die met eene verschrikkelijke stem, vloekende en razende en Jones den dood zwerende, naderde. En, om de geheele waarheid te zeggen, ik geloof ook dat die jongeling, de ingevingen der voorzigtigheid volgende, liefst op dat oogenblik eene andere verblijfplaats zou gezocht hebben, indien zijn angst voor Sophia hem de vrijheid gelaten had om aan zich zelven te denken, dan in zoo verre zijn lot met het hare in het naauwste verband was.

Zoodra de landjonker echter de deur opengesmeten had, ontwaarde hij iets, dat dadelijk al zijne woede tegen Jones opschortte,—en dit was het angstwekkende voorkomen van Sophia, die in de armen van haren minnaar in zwijm gevallen was. Zoodra de heer Western dit aandoenlijk gezigt ontdekte, verliet hem al zijne woede; hij brulde zoo hard hij kon om hulp, liep eerst op zijne dochter toe en dan weder naar de deur, om water roepende, en dan weder naar Sophia terug, zonder te bedenken in wiens armen zij lag, en zonder zich zelfs welligt te herinneren dat er zoo iemand als Jones bestond; want de oogenblikkelijke nood waarin zijne dochter verkeerde, was nu het eenige waarvoor hij vatbaar bleef.

Mejufvrouw Western, met een groot aantal bedienden, kwamen nu spoedig aan ter hulpe van Sophia en bragten water, versterkende druppels en alles mede, wat bij die gelegenheid vereischt wordt. Men wendde deze middelen met zoo goed gevolg aan, dat Sophia binnen weinige minuten begon te herstellen, en teekens van leven vertoonde. Hierop werd zij spoedig door mejufvrouw Western en hare eigene kamenier weggebragt,—en de goede dame verwijderde zich niet zonder vooraf haren broeder eenige heilzame waarschuwingen gegeven te hebben omtrent de verschrikkelijke uitwerkselen van zijne drift,—of zoo als zij het noemde,—zijn waanzin.

Misschien begreep de landjonker dezen goeden raad niet, daar die door middel van dubbelzinnige wenken, schouderophalingen en afgebrokene woorden uitgedrukt werd; en als hij hem begreep, maakte hij er in elk geval weinig gebruik van; want zoodra hij verlost was van alle onmiddellijke vrees omtrent zijne dochter, verviel hij tot zijne vorige woede, die zeker dadelijk een gevecht met Jones ten gevolge zou gehad hebben, als dominé Supple, die zeer sterk was, niet tegenwoordig geweest ware, en met geweld den landjonker belet had om gewelddadigheden te plegen.

Zoodra Sophia zich verwijderd had, naderde Jones den heer Western in eene smeekende houding, en bad hem te bedaren, daar het onmogelijk was, zoo lang hij zoo driftig bleef, hem eenige voldoende verklaring te geven van hetgeen gebeurd was.

„Voldoende verklaring!” hernam de andere; „ik zal voldoening van jou hebben! Trek je rok maar uit! Ge zijt maar half een mensch, en ik zal jou een pak slagen geven, zoo als je jou leven nog niet gehad hebt.”

Hij overlaadde nu den jongeling met een stortvloed van die taal, welke gebruikelijk is onder landjonkers die met elkaar twisten, met herhaalde uitnoodigingen er bij, om dat gedeelte van zijn ligchaam te kussen, dat gewoonlijk zoo dikwerf vermeld wordt bij alle twisten onder Engelschen van minderen rang, bij gelegenheid van wedrennen, hanengevechten en andere publieke vermakelijkheden. Toespelingen op dit ligchaamsgedeelte worden dikwijls ook alleen uit „aardigheid” gedaan. En hier, geloof ik, dat men de geestigheid gewoonlijk verkeerd opvat. En werkelijk, bestaat ze daarin, dat men een ander uitnoodigt zijn —— te kussen,—na pas gedreigd te hebben hem zelf op die plaats een schop te geven: want ik heb zeer naauwkeurig waargenomen, dat niemand een ander ooit verzoekt hem onder het zijne een trap te geven,—of aanbiedt om dit ligchaamsgedeelte van een ander te kussen.

’t Zal ook, welligt, verwonderlijk schijnen, dat bij de vele uitnoodigingen van dien aard, welke alle die met landjonkers veel omgaan, zeker gehoord hebben, niemand, naar ik geloof, ooit één voorbeeld gezien heeft van de toestemming in het gedane verzoek. En dit is een groot blijk van onbeleefdheid: want in de stad is er niets gewoners, dan dat men de groote heeren deze plegtigheid ziet waarnemen ten opzigte hunner meerderen, zonder dat men hen eens om die gunst verzocht heeft.

Op al deze geestige uitvallen gaf Jones zeer kalm tot antwoord:

„’t Is mogelijk, mijnheer, dat deze behandeling van uwe zijde tegen alle verpligtingen opweegt, welke ik vroeger aan u had; maar er is er eene, die gij me niet kunt doen vergeten, en al uwe scheldwoorden zullen me niet overhalen om de hand op te heffen tegen den vader van Sophia.”

Bij deze woorden werd de landjonker nog driftiger dan te voren; zoodat de dominé Jones smeekte zich te verwijderen.

„Gelijk gij ziet, mijnheer,” zeide hij; „hij geraakt hoe langer zoo meer in toorn in uw bijzijn. Ik smeek u dus nu niet te toeven. Zijne woede is te hevig dan dat gij nu met hem zoudt kunnen redeneren. ’t Zou dus beter zijn, als gij nu een einde aan uw bezoek wildet maken, en op eene andere gelegenheid wachten, om hetgeen gij nog te zeggen hebt in het midden te brengen.”

Jones nam dezen raad dankbaar aan en verwijderde zich onmiddellijk. De landjonker herkreeg nu zijne persoonlijke vrijheid en zooveel zelfbeheersching, dat hij eenige voldoening liet blijken over den dwang, welken men hem opgelegd had, daar hij verklaarde, dat hij, zonder twijfel, Jones de hersenen ingeslagen zou hebben en er bij voegde: „’t Zou toch spijtig zijn om den wille van zulk een wezen aan de galg te komen.”

De predikant begon nu vreugde te scheppen in zijne pogingen om den vrede te bewaren en ving eene lange redevoering aan tegen den toorn, die welligt bij driftige menschen dien hartstogt eerder opgewekt dan gebluscht zou hebben. Hij versierde zijne verhandeling met vele kostelijke aanhalingen uit de oude schrijvers,—vooral uit Seneca, die inderdaad dit onderwerp zoo goed behandeld heeft, dat niemand dan een zeer driftig mensch het zonder veel nut en genoegen lezen kan. De godgeleerde eindigde deze toespraak met het bekende verhaal van Alexander den Groote en Clitus,—daar ik het echter vermeld vind onder het hoofd van „Dronkenschap”—in mijne aanteekeningen, zal ik het hier niet inlasschen.

De landjonker luisterde niet naar dit verhaal,—en welligt naar niets van hetgeen de andere zeide; want hij viel hem in de rede, eer hij er mede ten einde gekomen was, door om een kan bier te roepen,—met de opmerking (die welligt niet minder waar is dan eenige andere omtrent deze aandoening van den geest), „dat de toorn ’n mensch dorstig maakt.”

Zoodra de heer Western eene fiksche teug gedronken had, hervatte hij het gesprek over Jones, en verklaarde dat hij voornemens was den volgenden morgen vroeg bij Allworthy te gaan, om hem alles mede te deelen. Zijn vriend wilde het hem afraden; maar zijne pogingen daartoe dienden tot niets, dan om een stortvloed van vloeken en verwenschingen uit te lokken, die allerakeligst luidden in de ooren van den vromen Supple, zonder dat hij het evenwel waagde te ijveren tegen iets, dat de landjonker als het onbetwistbaar regt van een vrijgeboren Engelschman beschouwde. Om de waarheid te zeggen, de dominé onderwierp er zich aan om zijn gehemelte tusschenbeide te streelen aan Westerns tafel, op kosten van zijne ooren. Hij stelde zich dus tevreden met de gedachte dat hij deze verachtelijke gewoonte niet bevorderde, en dat zijn gastheer er geen vloek minder om zou doen hooren, al kwam de dominé nooit over zijn drempel. Ofschoon hij zich dus niet aan de onbeleefdheid schuldig maakte van een fatsoenlijk man in zijn eigen huis te berispen, zette hij het hem toch zijdelings betaald van den kansel,—wat, hoewel het den landjonker zelven niet beterde, in zoover zijn geweten wakker maakte, dat hij de wetten zeer streng tegenover alle andere menschen handhaafde zoodat, de magistraat zelf de eenige persoon was in de gemeente die ongestraft vloeken kon.

HOOFDSTUK X.

DE HEER WESTERN BEZOEKT DEN HEER ALLWORTHY.

De heer Allworthy was pas van het ontbijt opgestaan met zijn neef, zeer tevreden met het berigt van het eerste voorspoedige bezoek van dien jongen heer bij Sophia (want hij verlangde vurig naar het huwelijk, meer om den wille van het karakter dan om de rijkdommen van de jonge dame), toen de heer Western hen overviel en zonder pligtpleging als volgt begon:

„Wel! Gij hebt een schoon stuk werk gedaan! Waarachtig! Gij hebt uw bastaard mooi groot gebragt!—Niet, dat ik zeggen wil, dat gij het met opzet gedaan hebt, om zoo te zeggen,—maar daar is wat moois van gegroeid bij mij aan huis!”

„Wat ter wereld is er te doen, mijnheer Western?” vroeg Allworthy.

„O, er is genoeg te doen, dat weet de hemel! Mijne dochter heeft het zich in de hersenen gezet op uw bastaard verliefd te worden;—dat is er te doen;—maar ik geef haar geen duit mede,—neen, niet eens een halve duit! Ik heb altijd het mijne gedacht over dien onzin van een bastaard als een fatsoenlijk man op te voeden en hem bij de menschen aan huis te brengen! ’t Is maar een geluk voor hem dat ik hem niet aan ’t lijf kon komen; ik zou hem afgerost hebben; ik zou een einde aan zijn vrijen gemaakt hebben;—ik zou dien gemeenen vent geleerd hebben de oogen op te heffen naar menschen die zijne meerderen zijn! Hij zal nooit een bete broods van mij krijgen! En ook geen duit om er een te koopen. Als zij met hem mede wil gaan, laat haar maar in haar hemd gaan,—tot eenig uitzet! Ik zou liever mijn geld aan het gouvernement geven, om het naar Hannover te zenden,—waar zij ons volk daarmede omkoopen!”

„Het doet me van harte leed,—” hernam Allworthy.

„De drommel hale jou leed! Dat zal mij wat helpen nu dat ik mijn eenig kind verloren heb, mijne arme Sophia, die de vreugde van mijn leven was, de hoop en de troost van mijn ouden dag:—maar dat doet er niet toe;—ik heb vast besloten haar de deur uit te zetten; zij mag bedelen en verhongeren en op straat verrotten! geen duit, zeg ik, geen duit zal zij van mij krijgen! Die schelm wist altijd een haas in het leger op te sporen,—die hond! Ik begreep toen niet op wat wild hij jagt maakte;—maar het zal de slechtste jagt zijn, waarop hij van zijn leven uit is geweest! Hij zal niet meer dan het aas krijgen met het vel er over heen,—daar! En dat kunt ge hem gerust zeggen!”

„Ik sta verstomd over hetgeen ge me vertelt,” riep Allworthy, „na hetgeen er pas gisteren tusschen de jonge dame en mijn neef voorgevallen is.”

„Ja, mijnheer!” hernam Western; „het was na hetgeen tusschen uw neef en haar voorgevallen was, dat de zaak aan ’t licht kwam. Mijnheer Blifil daar, was pas de deur uit, toen die gemeene schelm in huis kwam rondsnuffelen. Ik dacht weinig toen ik als jager hart voor hem kreeg, dat hij bij mij kwam stroopen naar mijne dochter!”

„’t Is waar;” zei Allworthy, „het spijt mij dat gij hem zoo dikwerf de gelegenheid bij haar gegeven hebt, en gij zult mij het regt doen te bekennen, dat ik er altijd tegen was,—ofschoon ik erken niets van dien aard vermoed te hebben!”

„Wat drommel!” riep Western, „wie is er die zoo iets had kunnen vermoeden? Wat ter wereld had zij met hem te maken? Hij kwam niet aan huis om haar het hof te maken; hij kwam er om met mij te jagen.”

„Maar, is het mogelijk,” vroeg Allworthy „dat gij, die hen zoo dikwerf bij elkaar gezien hebt, nooit iets van hunne verliefdheid opgemerkt hebt?”

„Nooit van mijn leven, zoo waar ik hoop zalig te worden!” riep Western. „Ik heb niet eens gezien dat hij haar ooit één kus gegeven heeft, en verre van haar het hof te maken, plagt hij slechts iets stiller te wezen als zij er bij was dan anders; en wat het meisje betreft, zij was altijd iets minder voorkomend jegens hem dan jegens ieder anderen jongen die aan huis komt. Wat dat aangaat, ik laat me niet ligter foppen dan een ander, en dat behoeft ge u niet te verbeelden, buurman!”

Allworthy kon bij dit alles zijn lagchen naauwelijks bedwingen; maar deed zijn best het niet te toonen, want hij kende de menschen heel goed en was te wel opgevoed en te goedaardig om den landjonker nu te willen grieven. Hij vroeg hem dan, wat hij wenschte dat hij in deze omstandigheden zou doen? waarop de andere hernam:

„Dat hij verlangde, dat hij dien schelm belette bij hem aan huis te komen, en dat hij zelf zijne dochter opsluiten zoude; want, of zij wilde of niet, hij had zich vast voorgenomen haar met den heer Blifil te doen trouwen.”

Daarop drukte hij Blifil de hand, en betuigde, met een eed, dat hij alleen zijn schoonzoon zou worden. Kort daarna vertrok hij, verklarende dat de boel bij hem aan huis zoodanig in de war was, dat het noodzakelijk was voor hem spoedig aanwezig te zijn, ten einde te beletten, dat zijne dochter de deur uitliep,—en wat Jones betrof, hij zwoer, dat als hij hem ooit in zijn huis vond, hij zich niet ontzien zou hem zoodanig toe te takelen, dat hij verder voor alle verliefdheid ongeschikt zou zijn.

Toen Allworthy en Blifil alleen bleven, volgde er eene lange stilte, alleen afgebroken door de zuchten van den jongen heer, welke gedeeltelijk uit teleurstelling, maar nog meer uit haat voortkwamen; want de voorspoed van Jones was pijnlijker voor hem dan het verlies van Sophia.

Eindelijk vroeg hem zijn oom, wat hij voornemens was te doen, en hij antwoordde als volgt:

„Helaas, oom, kan men er aan twijfelen wat een minnaar doen zal als de rede en de liefde verschillende wegen aanwijzen? Ik vrees dat het maar al te zeker is, dat hij in dien nood, altijd aan de stem van deze laatste gehoor zal geven. De rede gebiedt mij alle gedachte op te geven aan een meisje, dat hare neiging op iemand anders gevestigd heeft;—mijne liefde doet mij hopen, dat zij, met ter tijd, ten mijnen gunste veranderen zal. Hiertegen, weet ik dat men één bezwaar zou kunnen opperen, dat, als ik het niet dadelijk overwinnen kon, mij van alle verdere aanzoek afschrikken moest. Ik bedoel de onregtvaardigheid van de poging om iemand anders te verdringen in een hart, dat hij reeds schijnt te bezitten; maar het bepaalde besluit van den heer Western bewijst, dat ik, in dit geval, door zoo te handelen, het geluk zal bevorderen van allen die in deze zaak betrokken zijn,—niet slechts van den vader, die uit de diepste ellende gered zal worden, maar ook van de beide anderen, die door een dergelijk huwelijk te gronde gaan zouden. De jonge dame zou zeker in alle opzigten diep ongelukkig zijn, want behalve het verlies van het grootste gedeelte van haar eigen vermogen, zou zij niet slechts getrouwd zijn met een bedelaar, maar zij zou het ook moeten aanzien, dat hij het weinige geld, dat haar vader haar niet onthouden kan, verspilde aan het meisje waarmede hij steeds nog omgaat.—Ja,—dat zou slechts eene kleinigheid zijn;—maar ik ken hem als een der slechtste menschen ter wereld;—en had mijn goede oom slechts dat geweten, wat ik zoo lang getracht heb te verbergen, dan zou hij al lang den losbandigen ellendeling verzaakt hebben.”

„Hoe!” riep Allworthy; „heeft hij nog slechtere dingen gedaan dan die mij bekend zijn? Deel me alles mede,—dat verlang ik!”

„Neen,” hernam Blifil; „het is nu alles voorbij en misschien zal hij er berouw over gevoeld hebben,”

„Het is uw pligt, en ik beveel u,” zei Allworthy, „om mij alles mede te deelen.”

„Ge weet wel, oom, hernam Blifil, dat ik u steeds gehoorzaamd heb; maar het spijt me dat ik er nu van sprak, daar men dit ligt aan wraakzucht zou kunnen toeschrijven, die, God dank, nooit bij mij opgekomen is,—en als ge me nu dwingt alles te ontdekken, moet ik ook smeeken dat ge hem alles vergeven zult.”

„Ik wil van geene voorwaarden hooren,” hernam Allworthy. „Ik geloof dat ik hem liefde genoeg bewezen heb,—en meer misschien, dan gij zult goed gevonden hebben.”

„Of liever meer dan hij verdiende,” riep Blifil; „want op den dag zelven toen gij in het grootste gevaar verkeerdet, terwijl ik en de heele familie onze tranen niet bedwingen konden, vulde hij het huis met luidruchtigheid en losbandigheid. Hij dronk en zong en brulde het uit, en toen ik hem een zachten wenk gaf omtrent het ongepaste zijner handelwijze, geraakte hij in drift, braakte eene reeks van vloeken uit, noemde mij een schurk en sloeg mij.”

„Hoe!” riep Allworthy, „heeft hij het gewaagd de hand aan u te slaan?”

„O”, zeide Blifil, „dat heb ik hem vergeven,—al lang geleden,—zeker! Ik wilde maar dat ik hem even gemakkelijk zijne ondankbaarheid kon vergeven jegens zijn grootsten weldoener,—en toch hoop ik, dat gij het hem zult vergeven, daar hij zeker door een boozen geest bezield was; want juist dien avond, terwijl de heer Thwackum met mij een mondvol versche lucht schepte in de velden, en wij ons verheugden over de eerste teekenen van beterschap, die zich toen bij u vertoonden, zagen wij hem met een meisje bezig op eene wijze, die ik niet beschrijven kan. De heer Thwackum, met meer stoutheid dan voorzigtigheid, naderde, om hem dat te verwijten, toen (het spijt me zoo iets te moeten zeggen), hij den waardigen man aanviel en hem zoo schandelijk mishandelde, dat het me niet verwonderen zou als hij nog de gevolgen daarvan ondervond. Ik bleef ook weder niet verschoond van zijne kwaadaardigheid toen ik mijn best deed om mijn leermeester te beschermen;—maar dit heb ik hem al lang vergeven. Ja, ik heb zelfs mijnheer Thwackum overgehaald hem te vergeven, en u iets te verzwijgen dat misschien noodlottige gevolgen voor Jones zou kunnen hebben. En nu, oom, daar ik zoo onvoorzigtig, mij iets van deze zaak liet ontvallen en uwe bevelen mij noodzaakten om u alles mede te deelen, laat mij ook bij u voor hem pleiten.”

„Wel, kind!” riep Allworthy, „ik weet niet of ik uwe goedheid roemen of afkeuren moet, dat gij me zoo iets één oogenblik verzwegen hebt;—maar waar is mijnheer Thwackum? Niet dat ik eene bevestiging eisch van hetgeen gij me verteld hebt; maar ik zal deze zaak zoo grondig onderzoeken, dat iedereen mij geregtvaardigd zal achten als ik zulk een monster tot een voorbeeld voor anderen straffe!”

Thwackum werd nu gehaald en verscheen spoedig. Hij bevestigde al wat de andere medegedeeld had;—ja, hij liet zelfs op zijne borst het handschrift van den heer Jones zien, dat nog zeer leesbaar, blond en blaauw te zien was. Hij eindigde met te zeggen dat hij al lang geleden den heer Allworthy met alles bekendgemaakt zou hebben, indien Blifil hem niet door zijn ernstig smeeken daarvan afgehouden had.