Part 30
Jufvrouw Honour had hare jonge meesteresse naauwelijks verlaten, als iets, (want ik wilde niet als de oude vrouw in Quivedo, den Satan beleedigen door eene valsche beschuldiging,—en welligt had hij hoegenaamd met deze zaak niets te maken),—als iets, zeg ik, haar ingaf, dat zij door Sophia en al hare geheimen aan den heer Western te verraden, waarschijnlijk zich zelve zeer bevoordeelen zou. Vele beschouwingen zetten haar tot deze ontdekking aan. Het schoone vooruitzigt op eene zware belooning voor zulk eene groote en gewenschte dienst was verleidelijk voor hare geldzucht, en daarbij was hare vrees opgewekt door het gevaar van de onderneming waartoe zij zich verbonden had, door de onzekerheid omtrent den uitslag, door den angst voor den nacht, voor de koude, voor roovers en moordenaars. Dit alles werkte zoo sterk op haar, dat zij bijna vast besloten had regtstreeks bij den landjonker te gaan, en hem de heele zaak te openbaren. Zij was evenwel te regtvaardig om dadelijk een vonnis te vellen zonder beide partijen gehoord te hebben. En nu trad eerst de reis naar Londen levendig voor haar geest en pleitte zeer ten gunste van Sophia. Zij verlangde zeer eene stad te zien, waar zij zich een geluk voorspiegelde bijna even groot als een heilige in zijne vervoering in den Hemel wacht. Ten tweede, daar zij wist dat Sophia veel milder van aard was dan haar vader, had zij grooter voordeel te wachten van hare getrouwheid dan van haar verraad. Zij ging er nu toe over, om al de voorwerpen, die, van den anderen kant, hare vrees hadden opgewekt, op nieuw heel naauwkeurig te onderzoeken, en bevond eindelijk, dat ze niet veel te beteekenen hadden. En nu, toen beide schalen ongeveer even zwaar wogen, wierp zij hare liefde tot hare meesteresse aan den kant harer eerlijkheid en deed die schaal eenigzins overhellen, toen ééne omstandigheid haar plotseling voor den geest rees, die eene gevaarlijker uitwerking had kunnen hebben, als het heele gewigt er van in de andere schaal geworpen ware geweest. Dit was de tijd die er nog verloopen moest eer Sophia in staat zou zijn hare belofte te vervullen; want hoewel zij aanspraak had op het vermogen harer moeder bij haar vaders dood, en op de som van drie duizend pond, haar door een oom vermaakt, zoodra zij meerderjarig was, was dit alles nog in de verre toekomst, en vele ongelukken konden gebeuren om de bedoelde mildheid der jonge dame te verijdelen; terwijl de belooning van den heer Western te wachten, dadelijk volgen zou. Terwijl zij nog met deze bedenking bezig was, beschikte de beschermengel van Sophia, of Honours eerlijkheid, of misschien het toeval, eene gebeurtenis die hare trouw redde en haar zelfs de zaak gemakkelijk maakte.
De kamenier van mejufvrouw Western namelijk, matigde zich om vele redenen, eene groote meerderheid aan boven jufvrouw Honour. Ten eerste was zij van betere afkomst; want hare over-grootmoeder van moeders kant, was eene soort van nicht van een Ierschen pair. Ten tweede, trok zij een hooger loon. En eindelijk had zij in Londen gewoond, en dien ten gevolge meer van de wereld gezien. Zij had zich dus altijd tegenover jufvrouw Honour gedragen met die terughouding, en had van haar steeds die blijken van onderscheiding geëischt, die elke stand onder de vrouwen zelfs in acht neemt en steeds vordert in den omgang met vrouwen van minderen rang. Daar Honour echter het niet altijd eens was met deze leer, maar dikwerf inbreuk maakte op den eerbied door de andere geëischt, was de kamenier van mejufvrouw Western volstrekt niet met haar gezelschap ingenomen, en verlangde inderdaad zeer naar huis terug te keeren, waar zij den baas speelde over al de overige dienstboden van hare meesteresse. Zij had daarom eene groote teleurstelling ondervonden op den dag toen mejufvrouw Western, op het punt van te vertrekken, plotseling van voornemen veranderde,—en sedert dien tijd was zij in alles behalve een lief humeur geweest.
Zij was dus nog in deze aangename stemming toen zij in de kamer kwam, waar Honour, op boven beschrevene wijze, nog den strijd met zich zelve voerde. Zoodra deze haar zag, sprak zij haar als volgt beleefd aan:
„Zoo, jufvrouw! Naar ik hoor zullen wij de eer van uw bijzijn langer genieten dan ik gedacht had; want ik verbeeldde me dat de ruzie tusschen mijnheer en zijne zuster ons daarvan beroofd zou hebben.”
„Ik weet volstrekt niet, jufvrouw,” hernam de andere, „wat gij met wij en ons bedoelt. Ik verzeker u dat ik geen der dienstboden hier in huis als mijns gelijken beschouw. Ik hoop dat ik altijd goed gezelschap ben voor hunne meerderen! Ik spreek niet zoo zeer van u, jufvrouw Honour; want gij zijt nog al een fatsoenlijk meisje en als ge nog iets meer van de wereld zult gezien hebben, zou ik me niet schamen mij met u in de Londensche Parks te vertoonen—”
„Hola, ho!” riep Honour. „Heeft de juffer weer een harer kuren? Jufvrouw Honour, zegt gij! Wel verpligt! Waarom noemt ge me niet bij mijn „van;” want ofschoon mijne meesteresse me Honour noemt, heb ik ook, even goed als andere menschen, een familie-naam. U niet schamen u met mij te vertoonen, zegt ge!—Met mij, die, naar ik hoop, even goed ben als gij!”
„Daar gij mijne beleefdheid op die wijze beantwoordt,” hernam de andere, „moet ik u wel zeggen, jufvrouw Honour, dat gij mijns gelijken niet zijt! Hier buiten, ja, moet men zich met allerlei volk behelpen; maar in stad ga ik alleen met fatsoenlijke menschen om. Wezenlijk, jufvrouw Honour, ik hoop dat er eenig onderscheid bestaat tusschen ons beide!”
„Dat hoop ik ook,” antwoordde Honour. „Er bestaat eenig verschil in leeftijd,—en naar ik geloof ook in uiterlijk!”
Met deze laatste woorden zeilde zij de kamenier van mejufvrouw Western voorbij met de meest uittartende minachting, den neus ophalende, met het hoofd in den nek, en met geweld haren hoepel tegen dien harer mededingster doende aanbonzen. De andere dame riep een harer kwaadaardigste glimlagchen op en zeide:
„Schepsel! Gij zijt te min voor mijn toorn! Het zou beneden mijne waardigheid zijn, scheldwoorden te gebruiken tegen zulk eene onbeschaamde, onbeschofte feeks, maar, gij heks! dat zult ge wel van mij hooren, dat uwe manieren wel de laagheid uwer afkomst en uw gebrek aan opvoeding bewijzen, en dat beide u best geschikt maken om de verachtelijke dienstbare te zijn van zoo’n landmeisje!”
„Scheld mijne jonge dame niet uit!” riep Honour. „Dat verdraag ik niet! Zij is zoo veel beter als zij jonger is dan de uwe, en tien duizendmaal mooijer!”
Hier wilde het ongeluk, of liever het geluk, dat mejufvrouw Western zelve binnen kwam en hare kamenier in tranen vond, die rijkelijk begonnen te vloeijen toen zij naderde; en zoodra zij naar de reden harer droefheid gevraagd werd, maakte zij haar dadelijk bekend, dat die tranen uitgelokt waren door de onbeschofte behandeling van „dat schepsel dáár!” waarmede Honour bedoeld werd.
„En, jufvrouw,” ging zij voort, „ik zou alles veracht hebben wat ze mij zeide; maar zij had de onbeschaamdheid om op eene beleedigende wijze van u te spreken, en u leelijk te heeten,—ja, jufvrouw, zij noemde u eene leelijke oude kat, hier in mijn bijzijn,—en ik kan het niet verdragen u leelijk te hooren noemen!”
„Waartoe hare onbeschaamde woorden te herhalen?” zei jufvrouw Western. En zich daarop tot Honour wendende, vroeg zij haar: „Hoe zij zich verstouten durfde op eene oneerbiedige wijze van haar te spreken?”
„Oneerbiedig, jufvrouw!” riep Honour. „Ik heb in ’t geheel niet van u gesproken! Ik zeide wel dat zeker iemand niet zoo mooi was als mijne meesteresse, en dat weet de jufvrouw ook wel!”
„Zwijg!” riep de dame; „ge zijt eene ondeugende heks en ik zal u leeren, dat gij het regt niet hebt over mij te praten! Als mijn broeder u niet dadelijk de deur uitzet, wil ik geen oogenblik meer onder zijn dak doorbrengen! Ik zal hem gaan opzoeken en u dadelijk doen wegjagen!”
„Wegjagen!” riep Honour, „en wat dan? Zijn er geen andere diensten in de wereld te krijgen? Dank zij den Hemel, goede dienstboden hebben nooit gebrek aan eene dienst! En als gij allen wegjaagt, die u niet mooi vinden, zult gij spoedig gebrek aan dienstboden hebben! Dat is waar!”
Mejufvrouw Western zei, of liever bulderde iets tot antwoord; daar hare woorden echter ter naauwernood verstaanbaar waren, en wij ze dus niet letterlijk weergeven kunnen, zullen wij hier eene redevoering niet herhalen, die haar zeker weinig eer deed. Zij ging daarop haar broeder zoeken, met zulk een woedend gelaat, dat zij eerder op eene furie dan op een menschelijk wezen geleek.
De twee kamenieren, weder aan zich zelve overgelaten, begonnen nu op nieuw den twist, die weldra eindigde met een strijd van meer handtastelijken aard. Hierin bleef de overwinning aan den kant van de dame van minderen rang; maar niet zonder dat het haar wat bloed, wat haar, en wat neteldoek en batist gekost had.
HOOFDSTUK IX.
HET WIJZE GEDRAG VAN DEN HEER WESTERN ALS MAGISTRAAT. EEN WENK VOOR DE VREDEREGTERS OMTRENT DE VEREISCHTEN VAN EEN GRIFFIER;—MET VERBAZENDE VOORBEELDEN VAN VADERLIJKE DWAASHEID EN KINDERLIJKE LIEFDE.
De logici bewijzen soms meer dan zij willen door een argument, en de diplomaten foppen zich zelven soms door hunne fijne listen. Dit was bijna het geval geweest met jufvrouw Honour, die in plaats van al hare kleêren te redden, bijna belet had, dat die welke zij op het lijf had, wegkwamen; want zoodra de landjonker vernam, dat zij zijne zuster „uitgescholden had,” zwoer hij, met vele vloeken, dat zij naar de gevangenis zou.
Mejufvrouw Western was eene zeer goedaardige vrouw en gewoonlijk zeer ligt te verzoenen. Zij had onlangs de schadevergoeding aan een voerman geschonken, die haar rijtuig in een sloot gereden had;—ja, zij had zelfs de wet geschonden door te weigeren een straatroover te vervolgen, die haar beroofd had niet slechts van haar geld maar ook van een paar oorbellen, met vele scheldwoorden, terwijl hij zeide: „Zulke bl— mooije wijven als gij zijt, hebben geene juweelen noodig om zich er meê opteschikken, en de drommel zal je halen!”
Maar thans, zoo wankelbaar is het menschelijk gemoed, en zoo zeer verschillen wij van ons zelve op verschillende oogenblikken, wilde zij van geene genade hooren, en noch al het geveinsde berouw van Honour, noch al het smeeken van Sophia ten gunste harer kamenier, konden haar overhalen om haar broeder niet ernstig te verzoeken de strengste regtvaardigheid (wat hier iets meer dan het regt beteekende) uit te oefenen.
Maar gelukkig bezat de griffier eene hoedanigheid, welke geen griffier van een vrederegter missen moest; hij bezat namelijk eenige kennis van de wetten van het land. Hij fluisterde dus den regter in het oor, dat hij zijne magt te buiten zou gaan door het meisje naar de gevangenis te zenden, daar zij niet eens iets gedaan had om de openbare rust te verstoren. „Ik vrees, mijnheer,” zeide hij, „dat gij niet wettig iemand naar de gevangenis kunt zenden, alleen wegens gebrek aan beleefdheid.”
In zaken van groot gewigt, vooral in jagtdelicten, lette de regter niet altijd op deze vermaningen van zijn griffier; want bij het toepassen der wet in diergelijke gevallen, verbeelden zich vele vrederegters dat zij eene willekeurige magt bezitten, volgens welke zij, onder voorwendsel van beslag te leggen op allerlei werktuigen om het wild te vernielen, dikwerf, zonder schroom, zelve overtredingen—of roof plegen.
Maar dit wanbedrijf was niet zoo ernstig van aard, noch zoo gevaarlijk voor de geheele maatschappij. De regter geliefde dus te luisteren naar de wenken van zijn griffier; want, inderdaad, men had hem reeds tweemaal vermaningen gezonden van eene hoogere regtbank en hij had geen lust om zich eene derde op den hals te halen.
De landjonker zette dus een heel wijs en deftig gezigt en na verscheidene malen „hm!” en „ha!” gezegd te hebben, vertelde hij zijne zuster, dat hij, na rijp overleg, van gevoelen was, „dat daar geene stoornis van de openbare rust voorgevallen was, zooals de wet,” zeide hij, „bedoelt door het openbreken eener deur, of door een gat in een heg te slaan, of in een hoofd, of eenige gewelddadigheid van dien aard, de zaak eigenlijk niet crimineel was, en geene overtreding daarstelde, noch schadevergoeding toeliet, en ze dus niet eens strafbaar was voor de wet.”
Mejufvrouw Western verklaarde beter op de hoogte van de wet te zijn, en dat zij dikwerf gezien had, dat dienstboden zeer streng gestraft werden omdat zij hunne heeren beleedigd hadden; waarop zij zekeren vrederegter te Londen noemde, „die,” gelijk zij zeide, „iederen dienstbode ter wereld naar de gevangenis zou zenden, zoodra hunne meesters of meesteressen dat verlangden.”
„Dat is best mogelijk,” riep de landjonker; „dat kan best in Londen; maar de wet luidt anders hier buiten.”
Hierop volgde er een zeer geleerde redetwist over de wet tusschen den broeder en zijne zuster, welke wij zeker beschrijven zouden als wij ons maar verbeelden konden dat de lezer er iets van begrijpen zou. Beide partijen beriepen zich echter eindelijk op den griffier, die ten gunste van den vrederegter besliste, en mejufvrouw Western moest zich dus tevreden stellen met Honour dadelijk te doen wegjagen, waartoe Sophia zeer gaarne en zeer opgeruimd hare toestemming gaf.
Het noodlot dus, volgens zijne gewoonte, zich met een paar dwaasheden vermaakt hebbende, beschikte eindelijk alles ten gunste van onze heldin, die werkelijk verwonderlijk goed slaagde in hare list, als men in aanmerking neemt, dat het voor de eerste keer was, dat zij zoo iets beproefde. En, om de waarheid te zeggen, ik heb me dikwerf verbeeld, dat de eerlijke menschen steeds de schelmen zouden kunnen foppen, als zij er toe komen konden die schuld op zich te laden, of het de moeite waard rekenden het te doen.
Honour speelde hare rol volmaakt. Zoodra zij zich bewaard zag voor het gevaar van de gevangenis,—een woord, dat de verschrikkelijkste denkbeelden bij haar opgeroepen had,—gaf zij zich weder al die airs, welke haar angst vroeger wat verminderd had,—en zij legde hare betrekking neder met evenveel geveinsde tevredenheid en minachting als men ooit zag vertoonen bij het nederleggen van ambten van veel meer belang. Met verlof van den lezer, zeggen wij echter dat zij haar ambt nederlegde,—wat altijd synoniem is geweest, met ontslagen of weggejaagd zijn.
De heer Western echter beval haar zich te haasten met pakken, daar zijne zuster verklaard had geen nacht meer onder hetzelfde dak met zulk een onbeschaamde feeks te willen doorbrengen. Zij ging dus aan het werk met zoo veel goeden wil, dat alles reeds vroeg in den avond gereed was, en na haar loon ontvangen te hebben, trok zij met pak en zak op, tot de algemeene voldoening, maar vooral tot die van Sophia, die haar kamenier bevolen hebbende op het spookachtige en schrikbarende middernachtelijke uur haar op zekere plek, digt bij het huis te ontmoeten, zich nu begon voor te bereiden voor haar eigen vertrek.
Maar eerst moest zij twee pijnlijke gesprekken houden, het een met hare tante, het andere met haren vader. Mejufvrouw Western zelve nam een veel meer gebiedenden toon aan dan vroeger; maar haar vader sprak haar zoo woedend en dolzinnig toe, dat zij, uit angst, veinzen moest hem zijn zin te willen geven; wat den goeden landjonker zoo zeer behaagde, dat zijne sombere blikken in glimlagchen veranderden—zijne bedreigingen in beloften, terwijl hij zwoer dat hij haar als zijn leven lief had en dat hare toestemming (hij had hare woorden: „Gij weet wel, vader, dat ik de kracht niet bezit om uwe stellige bevelen tegen te spreken,” aldus opgevat), hem tot den gelukkigsten der stervelingen maakte.
Voorbeelden van een dergelijk gedrag bij ouders zijn zoo algemeen, dat de lezer, zonder twijfel, weinig verwonderd zal zijn over de houding van den heer Western. Als dat echter niet het geval is, beken ik het niet te kunnen verklaren; daar ik het voor onbetwistbaar houd, dat hij zijne dochter hartelijk lief had. En dus, hebben ook vele anderen gehandeld, die op dezelfde wijze hunne kinderen diep ongelukkig gemaakt hebben,—wat, hoe algemeen ook hij ouders, mij altijd voorgekomen is een der onverklaarbaarste ongerijmdheden te zijn in dat wonderbaarlijk en verbazend wezen, de mensch.
De laatst aangenomene houding van den heer Western maakte zooveel indruk op Sophia’s liefderijk hart, dat het eene gedachte bij haar opwekte, welke noch de sophismen van hare diplomatieke tante, noch al de bedreigingen van haar vader, ooit bij haar hadden doen ontstaan. Zij koesterde zooveel vromen eerbied voor haar vader en beminde hem zoo hartstogtelijk, dat zij naauwelijks eenig grooter geluk kende, dan hetgeen ontstond uit het deel hetwelk zij zoo dikwerf had in het bijdragen tot zijne genoegens—en soms ook tot zijne hoogere voldoening; want hij kon nooit het genot verbergen, dat hij smaakte als hij haar hoorde roemen, wat hem bijna elken dag te beurt viel.
Het denkbeeld dus van het oneindige geluk dat zij haren vader schenken zou, door in dit huwelijk toe te stemmen, maakte grooten indruk op haar hart. En bovendien werkte de gedachte aan het verdienstelijke van zoo vele gehoorzaamheid zeer sterk op haar godsdienstig gemoed. Eindelijk, de overweging van hoeveel zij zelve te lijden zou hebben, door zich als slagtoffer te stellen, of als martelaresse van kinderlijke liefde en pligt, deed bij haar eene aangename tinteling van zekeren kleinen hartstogt ontstaan, die hoewel noch aan godsdienst noch aan deugd verwant, dikwijls de goedheid heeft om veel bijstand aan beide te verleenen in het bereiken harer doeleinden.
Sophia was verrukt door de beschouwing van zulk eene heldhaftige handelwijze, en begon zich met voorbarige vleijerij vele complimenten daarover te maken, toen Amor, die in hare mof verborgen lag, plotseling te voorschijn kwam, en even als Polichinel in de poppenkast, alles wat hem in den weg zat, wegschopte. Inderdaad,—want wij wilden volstrekt niet den lezer foppen, of het karakter van onze heldin verfraaijen door hare handelingen aan bovennatuurlijke ingevingen toe te schrijven,—vernielde de gedachte aan haren beminden Jones, en eenige hoop (hoe flaauw ook) welke hem vooral aanging, spoedig al wat de kinderlijke liefde, de vroomheid en de hoogmoed met vereenigde krachten gestreefd hadden te bewerken.
Maar eer wij Sophia verder vergezellen, moeten wij tot den heer Jones terugkeeren.
HOOFDSTUK X.
BEVATTENDE ONDERSCHEIDENE ZAKEN, DIE WELLIGT HEEL NATUURLIJK—MAAR DIE OOK GEMEEN ZIJN.
De lezer gelieve zich te herinneren dat wij den heer Jones bij het begin van dit boek op weg naar Bristol verlieten, van waar hij zijn geluk op zee wilde zoeken, of liever zijn ongeluk aan wal ontloopen.
Het gebeurde, en dat is niets zeer ongewoons, dat de gids die hem er brengen moest, ongelukkig zelf den weg niet wist, en van het regte spoor afgekomen zijnde, daar hij zich schaamde naar den weg te vragen, heen en weder dwaalde tot de avond viel en het donker begon te worden. Jones, die de waarheid vermoedde, sprak den gids er over aan; maar deze hield vol dat zij op het regte pad waren, en voegde er bij, dat het toch al heel vreemd zou zijn als hij den weg niet vinden kon naar Bristol, hoewel het eigenlijk veel vreemder zou geweest zijn, als hij hem gekend had, daar hij nooit van zijn leven daar geweest was.
Jones stelde niet genoeg vertrouwen in zijn gids om niet bij zijne aankomst in een dorp den eersten den besten dien hij ontmoette, te vragen of zij op den weg waren naar Bristol?
„Waar komt ge van daan?” vroeg de kerel.
„Dat doet er niet toe,” hernam Jones, eenigzins knorrig; „ik wilde maar weten of dit de weg is naar Bristol?”
„De weg naar Bristol?” herhaalde de andere zich achter het oor krabbende. „wel, mijnheer, ik geloof haast niet dat ge van avond naar Bristol zult komen langs dezen weg.”
„Maar zeg ons dan, vriend,” zei Jones, „welken weg wij inslaan moeten?”
„Wel, mijnheer,” riep de boer, „ge moet, de hemel weet hoe ver, afgedwaald zijn! Dit is de weg naar Gloucester!”
„Nu! En welken kant moet ik uit, om naar Bristol te komen?” vroeg Jones.
„Wel, ge gaat nu van Bristol af,” antwoordde de andere.
„Dus moeten wij terug?” zei Jones.
„Wel zeker!” hernam de boer.
„En als wij weer boven op den heuvel gekomen zijn, welken kant moeten wij dan uitgaan?”
„Ge moet maar den regten weg volgen.”
„Maar ik herinner me dat er twee wegen zijn: één regts en de andere links.”
„Nou,—ge moet regts gaan en dan regt uit; maar vergeet niet eerst regts in te slaan, en dan weêr links, en dan nog eens regts; en dan komt ge bij het heerenhuis, en daarvan daan moet ge regt toe gaan en links inslaan.”
Een andere mensch naderde nu en vroeg waarheen de heeren gingen? Zoodra hij dit van Jones vernomen had, krabde hij zich ook eerst achter het oor en dan, leunende op een staak, die hij droeg, zeide hij: „Dat hij den weg regts omstreeks een half uur moest volgen,—of zoo wat,—en dat hij dan op eens links moest afslaan, eer hij voorbij het huis van mijnheer Jan Barnes kwam.”
„Maar hoe zal ik het huis van mijnheer Jan Barnes kennen?” vroeg Jones.
„Mijn hemel!” riep de kerel, „kent gij mijnheer Jan Barnes niet? Waar komt ge dan van daan?”
Deze twee kerels hadden het geduld van Jones bijna uitgeput, toen een eenvoudig, fatsoenlijk er uitziend mensch (een Kwaker) naderde en hem aldus aansprak: „Vriend, naar ik merk, zijt ge verdwaald, en als gij goeden raad volgen wilt, moet ge heden nacht niet trachten verder te komen. Het is al bijna donker en de weg is moeijelijk te vinden;—bovendien hebben er in den laatsten tijd verschillende aanrandingen plaats gehad tusschen hier en Bristol. Vlak in de buurt is er echter eene zeer fatsoenlijke herberg, waar gij en uw paarden het best hebben zult tot morgen vroeg.”
Na zich een weinig bedacht te hebben, besloot Jones tot den volgenden morgen daar te blijven, en zijne nieuwe kennis bragt hem naar de herberg.
De waard, een zeer beleefd mensch, zeide tot Jones, „dat hij hoopte dat hij het slechte onthaal voor lief zou willen nemen; want dat zijne vrouw van huis was en bijna alles opgesloten en de sleutels medegenomen had.” Het ware van de zaak was echter dat hare lievelings-dochter pas getrouwd was, en dat deze en hare moeder den armen man bijna van alles beroofd hadden,—zijn geld daarbij;—want hoewel hij verscheidene kinderen had, was deze dochter de eenige gunsteling der moeder,—en om aan de luimen van dit eene kind te voldoen, zou zij met genoegen al de overige kinderen en haar man op den koop toe, opgeofferd hebben.
Hoewel Jones zich niet geschikt gevoelde voor eenig gezelschap, en verkozen zou hebben alleen te blijven, kon hij de lastigheid van den goeden Kwaker niet ontloopen, die des te te begeeriger scheen om bij hem te blijven, daar hij de droefheid opgemerkt had, welke zigtbaar was op zijn gelaat en in zijne houding en die de waardige Kwaker door zijn omgang eenigzins dacht te verzachten.
Nadat zij eenigen tijd aldus met elkaar gesleten hadden, gedurende welken de eerlijke vreemdeling zich had kunnen verbeelden bij eene stille Kwakers vergadering tegenwoordigte zijn, begon de Kwaker door den een of anderen geest, waarschijnlijk die der nieuwsgierigheid, bezield te worden, en zeide: „Vriend, ik zie dat u het eene of andere treurig ongeval overkomen is; maar, bid ik u, wees getroost! Misschien hebt gij een vriend verloren. Zoo ja, vergeet niet dat wij allen sterfelijk zijn. En waarom zoudt gij treuren, terwijl gij weet, dat zulks uw vriend niet baten zal? Wij zijn allen voor het ongeluk geboren. Ik zelf heb mijne ongelukken te dragen, even goed als gij,—en zeer waarschijnlijk nog grootere rampen. Hoewel ik een zuiver vermogen heb van honderd pond sterling ’s jaars, wat zooveel is als ik noodig heb, en mijn geweten, dank zij den Hemel, mij niets verwijt,—en daarbij mijn gestel sterk en gezond is, en geen mensch iets van mij te vorderen heeft, noch mij van iets beschuldigen kan,—toch, vriend, zou het mij spijten, als ik u voor zoo rampzalig moest houden als ik ben.”