Part 10
Men moet dan weten, dat de twee geleerden, die nu op het tooneel dezer geschiedenis zoo veel plaats beslaan, sedert hunne eerste opname onder het dak van den heer Allworthy zoo veel liefde opgevat hadden, de ééne voor zijne deugd, de andere voor zijne godsdienst, dat zij beiden verlangden zich zoo naauw mogelijk met hem te verbinden.
Tot dit einde vestigden zij hunne blikken op die schoone weduwe, welke, ofschoon wij haar in den laatsten tijd niet vermeld hebben, naar wij hopen, nog niet vergeten is door den lezer. Mevrouw Blifil dan was inderdaad het voorwerp waarop beide hunne hoop vestigden.
Het zal welligt opmerkelijk schijnen, dat van vier personen, die wij in het huis van den heer Allworthy vermeld hebben, er drie hunne liefde vestigden op eene dame, die nooit zeer beroemd was om hare schoonheid, en die nu, bovendien, zekeren leeftijd bereikt had; maar het is ontegenzeggelijk, dat boezemvrienden en intieme kennissen gemeenlijk eene zekere aangeborene neiging hebben voor sommige vrouwen in het huis van hunne vrienden, bijvoorbeeld voor hunne grootmoeder, moeder, zuster, dochter, tante, of nicht, als deze rijk is, en voor hunne vrouw, zuster, dochter, nicht, beminde, of dienstmeid, als die schoon zijn.
Wij wenschten echter niet, dat de lezer zich verbeelde, dat menschen van het karakter van Thwackum en Square, iets van dien aard zouden ondernemen, dat sommige strenge zedepredikers afgekeurd hebben, eer zij het naauwkeurig onderzocht en uitgemaakt hadden, of het eene gewetenszaak was of niet. Thwackum werd tot de onderneming aangespoord door zich te herinneren, dat het nergens verboden is, zijns naasten zuster te begeeren, en hij wist dat het een regel was in de uitlegging van alle wetten, dat „expressum facit cessare tacitum.” Hetgeen beteekent, dat, als een wetgever duidelijk zijne geheele bedoeling ontwikkelt, het ons niet vrij staat hem te laten zeggen wat ons goed dunkt. Daar dus sommige vrouwen vermeld worden in de goddelijke wet, die ons verbiedt datgene te begeeren wat onzen naaste toebehoort, en er niet van eene zuster gesproken wordt, beschouwde hij dat als voor hem voldoende. En wat Square betreft, die uiterlijk, wat men noemt een fiksche kerel was, hij bragt weldra zijne wenschen in overeenstemming met de eeuwige orde der dingen.
Daar nu beide heeren ijverig elke gelegenheid waarnamen om zich bij de weduwe aan te bevelen, begrepen zij dat het één onfeilbaar middel zou zijn om hare gunst te verwerven, wanneer zij haren zoon aanhoudend de voorkeur schonken boven den anderen jongen, en daar zij inzagen, dat de goedheid en de liefde, welke de heer Allworthy dezen laatsten bewees haar hoogst onaangenaam moest wezen, twijfelden zij niet dat zij haar zeer behagen zouden door elke gelegenheid te haat te nemen om hem te vernederen en te verlagen,—omdat, daar zij den jongen haatte, zij natuurlijk al diegenen moest beminnen, die hem kwaad deden.
Op dit punt was het voordeel aan Thwackum’s zijde; want terwijl Square slechts den goeden naam van den armen jongen schenden kon, had de andere het in zijne magt hem bijna levend te villen, en inderdaad, hij beschouwde elken slag, dien hij hem gaf als een compliment aan zijne beminde: zoodat hij, met het meeste regt, den ouden regel, „castigo te non quod odium habeam, sed quod AMEM,” op zich zelven toepassen kon:—Dat is, „ik straf u niet uit haat, maar uit liefde.” En deze woorden had hij ook werkelijk telkens in den mond.
Het was dan voornamelijk om deze reden dat de beide heeren, zooals wij gezien hebben, overeenstemden in hunne meening omtrent de twee jongens;—en dit was, wezenlijk, bijna het eenige punt waaromtrent zij het ooit eens waren; want behalve het verschil van grondbeginselen, waren zij beide reeds lang geleden begonnen elkanders voornemen te peilen, en haatten zij elkaar met niet weinig verbittering.
Deze onderlinge vete werd niet weinig vermeerderd door de voordeelen beurtelings door beide behaald; want mevrouw Blifil begreep waar zij heen wilden lang eer zij zich dat verbeeldden, of het zelfs wenschten; want zij handelden met de meeste omzigtigheid, ten einde haar niet te beleedigen, waarna zij zeker den heer Allworthy de oogen daaromtrent zou kunnen openen. Maar zij hadden dit niet behoeven te vreezen; want eene liefde, waarvan zij zich vast voornam dat niemand dan zij zelve eenige vruchten zou plukken, mishaagde haar volstrekt niet. En de eenige vruchten, welke zij zich voorstelde, bestonden in vleijerij en vrijaadje; om welke reden zij beiden beurtelings streelde en een tijdlang in gelijke mate. Zij was inderdaad meer geneigd om de grondbeginselen van den geestelijke te begunstigen; maar Square’s uiterlijk beviel haar beter, want hij was een knap man,—terwijl de onderwijzer, wat zijne gelaatstrekken betreft, veel geleek op dien heer die, in Hogarth’s „leven van een ligtekooi,” de dames in de gevangenis de les leest.
Hetzij mevrouw Blifil walgde van de zoete huwelijksvreugden, of afgeschrikt werd door het bittere daarvan, of om eenige andere oorzaak,—dat weet ik niet, maar zij kon er niet toe komen van eenig nieuw aanzoek te hooren. Evenwel, begon zij eindelijk op zulk een gemeenzamen voet met Square omtegaan, dat eerbiedwaardige menschen dingen van haar begonnen te fluisteren, waaraan wij, uit eerbied voor de dame (en omdat zij geheel en al in strijd waren met de wetten van het regt en de orde der dingen), geen geloof hechten en waarmede wij dus ons papier niet bezoedelen zullen. Zeker is het echter, dat de meester aan het ranselen bleef, zonder één stap vooruit te komen.
Inderdaad, hij had eene groote dwaling begaan, welke Square veel eerder ontdekte dan hij. Mevrouw Blifil (zoo als de lezer welligt geraden zal hebben), was niet zeer ingenomen geweest met haar man,—ja, om eerlijk te zijn,—zij had hem bepaaldelijk gehaat, tot de dood haar eindelijk eenigzins met hem, in de herinnering, verzoende. Het zal dus niet veel verwondering baren, dat zij geene zeer hevige liefde koesterde tot zijn kroost. En, inderdaad, zij gaf zoo weinig om haar zoon, dat zij hem in zijne kindschheid slechts zelden zag, of eenige notitie van hem nam; en om die reden, na eenig tegenstribbelen, stemde zij stilzwijgend in de gunsten toe, waarmede de heer Allworthy den vondeling overlaadde, dien de goede man zijn eigen zoon noemde en in alle opzigten op gelijken voet stelde met den jongen heer Blifil. Deze toegefelijkheid van den kant van mevrouw Blifil werd door de buren en de familie beschouwd als een blijk harer inschikkelijkheid jegens haren broeder; en alle menschen geloofden, even als Thwackum en Square, dat zij den vondeling haatte; ja zelfs, hoe meer beleefdheid zij hem bewees, hoe meer zij zich verbeeldden dat zij hem haatte, en hoe langer zoo gevaarlijker plannen smeedde om hem te grond te rigten: want, daar zij begrepen dat het in haar belang was hem te haten, viel het haar zeer zwaar te bewijzen dat zij dat niet deed.
Thwackum werd te meer in dit gevoelen bevestigd, omdat zij hem meer dan eens Tom Jones had doen afrossen als de heer Allworthy, die een vijand van die ligchaamsoefening was, niet te huis was, zonder dat zij ooit eenig bevel van dien aard gegeven had ten opzigte van den jongen heer Blifil. En dit had Square ook gefopt.
En geen wonder, want hoewel zij zeker haar eigen zoon haatte,—iets waarvan, hoe afschuwelijk dit ook zij, zij niet het eenige voorbeeld is,—scheen zij toch, in weerwil van allen uiterlijken schijn, in haar hart zeer ontevreden met de gunst door den heer Allworthy aan den vondeling bewezen. Hierover klaagde zij dikwerf achter den rug van haar broeder, tegen Thwackum en Square, ja, verweet het wel eens Allworthy zelven, als er soms een kleine twist, of woordenwisseling tusschen hen ontstond.
Naarmate echter Tom opgroeide en blijken gaf van dien hoffelijken aard, welke de mannen zoo zeer bij de vrouwen aanbeveelt, verminderde langzamerhand de afkeer, welken zij voor hem als kind gekoesterd had, en zij toonde eindelijk zoo duidelijk dat hare liefde tot hem verre die, welke zij haar eigen zoon toedroeg, overtrof, dat het onmogelijk was zich verder daaromtrent te vergissen. Zij verlangde zoo dikwijls om hem te zien, en toonde zoo veel genoegen en voldoening in zijn omgang, dat eer hij achttien jaren oud was hij een mededinger werd van Square en Thwackum, en wat nog erger is, alle buren even luide begonnen te spreken over hare neiging tot Tom als vroeger over die welke zij jegens Square aan den dag had gelegd, om welke reden deze den onverzoenlijksten haat koesterde voor onzen armen held.
HOOFDSTUK VII.
WAARIN DE SCHRIJVER ZELF HET TOONEEL BETREEDT.
Hoewel de heer Allworthy zelf niet spoedig de dingen in een slecht licht zag, en vreemd bleef aan de openbare geruchten, welke zelden het oor van een broeder of een echtgenoot bereiken, werkte toch de liefde, welke mevrouw Blifil jegens Tom aan den dag legde, en de voorkeur, welke zij hem blijkbaar boven haar eigen zoon schonk, zeer tot zijn nadeel.
Want zoo groot was de mate van medelijden, welke den heer Allworthy bezielde, dat niets dan het staal der geregtigheid het ooit deed bezwijken. Op de eene of andere wijze ongelukkig te zijn (mits dat met geen ondeugd gepaard ging), was genoeg om de schaal van het medelijden in zijne hand te doen overslaan, en om zijne vriendschap en welwillendheid te verwerven.
Zoodra hij dus duidelijk ontwaarde dat de jonge heer Blifil gehaat werd (en dat was het geval) door zijne eigene moeder, begon hij, alleen om die reden, hem met medelijden te beschouwen, en hoe het medelijden werkt op een goed en welwillend hart, behoef ik hier niet aan de meerderheid mijner lezers uitteleggen.
Van dit oogenblik af zag hij elken schijn van deugd in dien jongen door een vergrootglas, en al zijne gebreken door een verkleinglas, zoodat ze naauwelijks zigtbaar werden. Dit mag welligt, wegens den beminnelijken aard van het medelijden, loffelijk wezen, maar de volgende stap is alleen te verontschuldigen door de zwakheid van de menschelijke natuur; want naauwelijks had hij ontdekt, dat mevrouw Blifil de voorkeur aan Tom schonk, of deze arme jongen (hoe onschuldig ook) begon in zijne schatting te dalen, naarmate hij in de hare rees. Het is waar, dat dit alleen Jones niet ten eenemale uit zijn hart zijne plaats zou hebben doen verliezen, maar het benadeelde hem zeer, en bereidde den geest van den heer Allworthy voor op die indrukken, welke later die gewigtige gebeurtenissen veroorzaakten, die in deze geschiedenis herdacht zullen worden, en waartoe men bekennen moet, dat de ongelukkige jongen door zijne ligtzinnigheid, ongeregeldheid en gebrek aan voorzigtigheid, slechts al te veel bijdroeg.
Door sommigen daarvan op te teekenen,—als men ons niet verkeerd begrijpt, zullen wij eene zeer nuttige les geven aan die jongelieden van goeden aanleg, die later ons werk zullen lezen; want zij zullen daaruit leeren, dat goedheid van harte en een open gemoed, hoewel zij veel inwendigen troost mogen opleveren, en zij gevoelen dat zij daar trotsch op mogen wezen, helaas volstrekt, niet geschikt zijn om hen in de wereld vooruit te helpen. Zelfs de beste menschen kunnen de voorzigtigheid en de bedaardheid niet missen. Deze zijn inderdaad, als het ware, de wachters der deugd, zonder welke zij nooit veilig is. Het is niet genoeg, dat uwe voornemens, of zelfs uwe daden, in zich zelve goed zijn;—gij moet ook zorg dragen dat zij dit schijnen. Laat het inwendige nog zoo schoon zijn, het uiterlijke moet ook schoon wezen. Hiervoor moet men aanhoudend zorg dragen, of de kwaadwilligheid en de nijd zullen zich beijveren alles zoodanig te bezwalken, dat de wijsheid en goedheid van een Allworthy niet in staat zullen zijn dat te doorzien en de inwendige schoonheden te ontdekken. Vergeet nooit, jeugdige lezer, den stelregel, dat geen mensch goed genoeg kan wezen om de voorschriften der voorzigtigheid te verwaarloozen, en dat de deugd zelve niet bekoorlijk schijnen zal, wanneer ze de uiterlijke versierselen der welvoegelijkheid en der betamelijkheid versmaadt. Ik geloof, mijne waarde discipelen, dat, als gij slechts met oplettendheid leest, gij de bevestiging dezer regels zult vinden op de volgende bladzijden van dit boek.
Ik vraag vergiffenis, dat ik voor een oogenblik zelf, opgetreden ben, bij wijze van koor. Dat deed ik wezenlijk, om mijn eigen wil, opdat, terwijl ik de rotsen aantoon, waarop de onschuld en de deugd dikwerf schipbreuk lijden, men niet denke, dat ik juist de middelen, waardoor zij te gronde zouden gaan, aanbeveel. Daar ik nu geen mijner persoonaadjes overhalen kon dit te zeggen, was ik genoodzaakt het zelf te verklaren.
HOOFDSTUK VIII.
EEN KINDERACHTIG VOORVAL, WAARUIT MEN ECHTER HET GOEDAARDIGE KARAKTER VAN TOM JONES ZIEN KAN.
De lezer zal zich herinneren, dat de heer Allworthy Tom Jones een hit gegeven had, als eene soort van vergoeding voor de straf, welke deze schijnbaar onschuldig had moeten ondergaan.
Deze hit had Tom meer dan een halfjaar gehad, toen hij naar eene naburige paardenmarkt reed en het dier daar verkocht.
Bij zijne terugkomst werd hij door Thwackum ondervraagd over de wijze, waarop hij het geld dat hij voor het paard gekregen had, besteed had en verklaarde ronduit, dat hij het niet zeggen wilde.
„O, ho!” riep Thwackum; „Ge wilt niet? Nu, dan zal ik het heel spoedig uit je —— slaan!”—zijnde deze de plaats waar hij altijd, als er eenige twijfel bestond, naar berigten zocht.
Tom werd nu door een knecht op de schouders geheschen, en alles was voor de strafoefening gereed, toen de heer Allworthy in de kamer trad, den beschuldigde uitstel van executie schonk en hem met zich nam naar een ander vertrek, waar hij, met Tom alleen zijnde, hem dezelfde vraag deed als Thwackum.
Tom hernam, dat het zijn pligt was hem niets te weigeren; maar wat dien tirannieken schurk betrof, hij hem alleen met een knuppel antwoorden zou, waarmede hij spoedig hoopte in staat te zijn hem al zijne wreedheden te betalen.
De heer Allworthy verweet den jongen zeer streng deze onbetamelijke en oneerbiedige uitdrukkingen omtrent zijn leermeester; maar nog meer zijne aan den dag gelegde wraakzucht. Hij dreigde hem met het geheele verlies zijner gunst, als hij ooit iets van dien aard weder van hem vernam; want hij verklaarde een aterling nooit te willen ondersteunen of beschermen.
Door deze en dergelijke gezegden, wekte hij iets bij Tom op dat naar berouw zweemde, in welks uiting echter hij niet al te opregt was; want hij peinsde er wezenlijk over, hoe hij den onderwijzer de pijnlijke gunstbewijzen zou vergelden, waarmede deze hem overladen had. De heer Allworthy echter bragt hem er toe om eenig leedwezen te toonen over zijn wrok tegen Thwackum, en na eenige heilzame vermaningen, verzocht hij hem verder te vertellen; wat hij in de volgende woorden deed:
„Inderdaad, waarde heer, ik bemin en eerbiedig u meer dan wien ook ter wereld:—ik besef mijne groote verpligtingen jegens u, en zou mijzelven haten, als ik me tot eenige ondankbaarheid in staat achtte. Als het hitje, dat gij me gaaft, spreken kon, zou het dier u zeker vertellen, hoe zeer ik ingenomen was met uw geschenk, want ik vond het nog prettiger het te voeden dan het te rijden. Wezenlijk, mijnheer, het ging me aan het hart om er van te scheiden, en ik zou het om alles ter wereld, zonder die eene reden, die me er toe overhaalde, niet verkocht hebben. Ik ben ook overtuigd, mijnheer, dat gij, in mijn geval, ook zoo zoudt gehandeld hebben;—want geen mensch is gevoeliger dan gij voor de rampen van anderen. En hoe zoudt gij u gevoelen, mijnheer, als gij dacht, dat gij het zelf veroorzaakt hadt?—Inderdaad, mijnheer, ongelukkiger menschen dan die—”
„Dan wie, jongen?” vroeg de heer Allworthy. „Wat bedoelt ge?”
„O, mijnheer,” hernam Tom; „de arme jager en zijn huisgezin, sedert ze door u weggejaagd zijn, vergaan van ellende, koude en honger. Ik kon echter deze ongelukkigen niet in lompen gehuld en in gebrek zien, en terzelfder tijd bedenken, dat ik de oorzaak was geweest van al hun lijden.—Dat kon ik niet verdragen!—mijnheer, dat kon ik, op mijn woord van eer niet doen!” (Hier biggelden hem de tranen langs de wangen en hij hervatte): „Het was om hen van den geheelen ondergang te redden, dat ik scheidde van uw kostbaar geschenk, niettegenstaande mijne ingenomenheid daarmede:—ik verkocht het paard om hunnentwil en heb hun àl het geld, tot den laatsten duit toe, gegeven.”
De heer Allworthy bleef eenige oogenblikken zwijgen, en eer hij sprak welden hem de tranen in de oogen. Eindelijk zond hij Tom met een zacht verwijt weg, terwijl hij hem den raad gaf in de toekomst, zich in gevallen van nood liever tot hem te wenden, dan tot zulke buitengewone hulpmiddelen zijn toevlugt te nemen.
Deze zaak leverde stof tot velerlei twisten tusschen Thwackum en Square. Thwackum hield vol dat het verzet was tegen den heer Allworthy, wiens voornemen het was den jager voor zijne ongehoorzaamheid te straffen. Hij zeide, dat in sommige gevallen, hetgeen de wereld milddadigheid noemde, hem toescheen verzet te zijn tegen den wil van God, die eenige personen aangewezen had, die te gronde moesten gaan; en dat het ook tevens oppositie was tegen den heer Allworthy;—terwijl hij, op zijne gewone wijze—eindigde met eene toepassing der roede aan te bevelen.
Square hield het tegenovergestelde vol; welligt om tegen Thwackum te opponeren, of uit toegefelijkheid jegens den heer Allworthy, die, hetgeen Jones gedaan had ten zeerste scheen goed te keuren. Wat aangaat hetgeen hij bij deze gelegenheid aanvoerde, daar ik overtuigd ben, dat de meeste mijner lezers, zelve nog de zaak van Jones beter bepleiten kunnen dan ik, is het onnoodig het hier te herhalen. Inderdaad, het viel niet moeijelijk eene daad, die van de wetten van het onregt niet afteleiden was, met die van het regt overeen te brengen.
HOOFDSTUK IX.
BEVATTENDE EENE VEEL SCHANDELIJKER GEBEURTENIS, MET DE AANMERKINGEN VAN THWACKUM EN SQUARE.
Het is door iemand aangemerkt, die een veel grooter naam heeft voor wijsheid dan ik, dat een ongeluk zelden alleen komt.
Ik geloof dat men hiervan een voorbeeld ziet in die heeren, die het ongeluk hebben eenige van hunne schelmenstreken te zien ontdekken; want de ontdekking wordt dan zelden gestuit tot alles aan het licht komt. Dit was ook het geval met den armen Tom, die pas vergiffenis verkregen had voor het verkoopen van het paard, toen het uitlekte dat hij korten tijd van te voren een schoonen bijbel verkocht had, hem door den heer Allworthy geschonken, en dat hij het geld daarvoor op dezelfde wijze besteed had. Deze bijbel was door den jongen heer Blifil aangekocht, hoewel hij zelf een dergelijk boek bezat, gedeeltelijk uit eerbied voor het werk zelf, gedeeltelijk uit vriendschap voor Tom, daar hij niet wilde dat de bijbel voor half geld in vreemde handen kwam. Hij gaf hem dus die som zelf; want het was een zeer voorzigtige jongen, die zoo goed op zijn geld paste, dat hij bijna elken stuiver oplegde van al hetgeen hij van den heer Allworthy kreeg.
Men heeft wel eens opgemerkt, dat er sommige menschen zijn, die alleen in hun eigen boek kunnen lezen. Maar het tegendeel scheen het geval te zijn met den jongen heer Blifil; want zoodra hij Tom’s bijbel kreeg, gebruikte hij nooit een anderen. Ja, men zag hem er zelfs veel meer in lezen, dan hij ooit in zijn eigen boek gedaan had. Daar hij ook dikwijls Thwackum verzocht hem moeijelijke passages daarin uit te leggen, merkte die heer ongelukkig Tom’s naam op, hier en daar in het boek geschreven. Dit gaf aanleiding tot een onderzoek, waardoor de jonge heer Blifil genoodzaakt was de geheele zaak te ontdekken.
Thwackum besloot dat eene misdaad van dezen aard, die hij heiligschennis noemde, niet ongestraft zou blijven. Hij ging dus onmiddellijk tot de strafoefening over en daarmede niet voldaan, maakte hij den heer Allworthy bij hunne eerste ontmoeting daarna, met deze, naar het hem toescheen schandelijke misdaad bekend, te gelijker tijd in de hevigste bewoordingen Tom berispende, en hem vergelijkende bij de kooplieden, die uit den tempel gedreven werden.
Square bekeek de zaak uit een geheel ander oogpunt. Hij zeide er geene zwaardere misdaad in te zien, of men het ééne boek of het andere verkocht. Het verkoopen van bijbels was geheel wettig,—volgens goddelijke en menschelijke instellingen, en dus was er niets ongepast in. Hij vertelde aan Thwackum, dat diens groote toorn bij deze gelegenheid hem herinnerde aan het verhaal van de zeer vrome vrouw die uit zuiveren godsdienstzin Tillotson’s preken stal van eene dame, die zij kende.
Dit verhaal deed al het bloed stroomen naar het gezigt van den geestelijke, dat op zich zelf nooit al te bleek was, en hij was op het punt van met groote drift en toorn te antwoorden, toen mevrouw Blifil, die bij dezen twist tegenwoordig was, tusschenbeide kwam. Die dame trok zeer bepaaldelijk partij voor Square. Zij redeneerde inderdaad zeer geleerd om zijn gevoelen te ondersteunen, en eindigde met te zeggen, dat zij bekennen moest dat haar eigen zoon even schuldig scheen; want dat zij geen onderscheid zien kon tusschen kooper en verkooper,—welke beide uit den tempel gedreven moesten worden.
Daar mevrouw Blifil nu eenmaal haar gevoelen had geuit, was er een einde aan den twist. Square’s overwinning zou al zijne welsprekendheid gestuit hebben, als hij die noodig had gehad, en Thwackum, die om voormelde redenen het niet waagde de dame te mishagen, stikte bijna van verontwaardiging. Wat de heer Allworthy aangaat, hij zeide, dat daar de jongen reeds gestraft was, hij zijne meening omtrent de geheele zaak voor zich houden zou; en ik laat het aan den lezer zelven over te beslissen, of hij vertoornd was of niet op den jongen.
Kort hierop werd de jager geregtelijk vervolgd door den heer Western,—den heer op wiens jagt de patrijs geschoten werd,—wegens meer dergelijke delicten. Dit was een zeer ongelukkig iets voor den armen vent, daar het niet slechts genoeg was op zich zelf om hem geheel te grond te rigten, maar ook wezenlijk belette, dat de heer Allworthy hem weder in zijne gunst opnam; want toen die heer op zekeren avond met den jongen heer Blifil en Tom Jones wandelde, wist deze laatste hem op eene listige wijze voorbij de woning van den Zwarten George te brengen, waar de familie van den armen man, namelijk zijne vrouw en kinderen, in al de ellende gevonden werden, welke koude, honger en gebrek aan kleeding den mensch doen uitstaan; want, wat het geld betreft, dat zij van Jones gekregen hadden, dat was bijna geheel en al door oude schulden verslonden.
Een dergelijk tooneel kon zijne uitwerking niet missen op het hart van den heer Allworthy. Hij schonk de moeder dadelijk een paar goudstukken en beval haar daarmede hare kinderen op nieuw te kleeden. De arme vrouw barstte in tranen uit over deze weldaad, en terwijl zij hem bedankte kon zij niet nalaten hare erkentelijkheid jegens Tom te uiten, die, gelijk zij zeide, haar en de haren zoo lang voor den hongerdood bewaard had.
„Wij hebben,” zeide zij, „geen brok eten, en geen enkel kleedingstuk dat wij niet aan zijne goedheid te danken hebben.”
En werkelijk, behalve het paard en den bijbel, had Tom nog een nachthemd en andere kleinigheden ten behoeve van het ongelukkige huisgezin opgeofferd.
Bij hunne terugkomst, bezigde Tom al zijne welsprekendheid, om de ellende dezer menschen af te schilderen, alsmede het berouw van den Zwarten George zelven, en hierin slaagde hij zoo goed, dat de heer Allworthy zeide, dat hij zich verbeeldde dat de man genoeg gestraft was voor het verledene; dat hij hem nu vergeven zou en middelen beramen om hem en zijne familie verder te bezorgen.
Jones was zoo verrukt over deze toezegging, dat hoewel het al donker was bij hunne tehuiskomst, hij in een regenbui terugdraafde, eene mijl ver, om de heugelijke tijding aan de arme vrouw over te brengen; maar even als andere overhaaste verspreiders van berigten, haalde hij zich slechts de moeite op den hals van het te moeten gaan tegenspreken, want het vijandige noodlot maakte juist gebruik van de afwezigheid van den vriend van den Zwarten George om alles weder in de war te brengen.
HOOFDSTUK X.
WAARIN DE JONGE HEER BLIFIL EN TOM ZICH IN EEN ZEER VERSCHILLEND LICHT DOEN ZIEN.