Part 44
„Ja, dat is ook waarlijk zoo,” zeide zij; „mijnheer spreekt als een echte mijnheer, zoo als hij er werkelijk een is, gelijk ik zien kan, en ’t is waar, dit huis staat bekend als den besten naam te hebben van alle huizen langs den weg, en het wordt bezocht door lieden van den hoogsten stand, Ierschen en Engelschen. Daar zet ik iemand iets tegen te zeggen! En, gelijk ik u verzekerd heb, als ik geweten had dat mevrouw eene fatsoenlijke dame was, had ik me liever de vingers afgebrand, dan haar te beleedigen, maar waarlijk, hier, waar de groote luî komen en hun geld verteren, zou ik niet gaarne hebben, dat zij zich ergerden over een troep kaal volk, dat waar het ook heen gaat, meer luizen dan geld achter laat;—met zulke menschen heb ik nooit medelijden; want dat zou zeer dwaas zijn, en als onze overheden haar pligt deden, zouden zij ze allen het land uitjagen;—want dat is niet meer dan wat haar toekomt. Maar wat mevrouw betreft, het spijt me van ganscher harte, dat mevrouw een ongeluk overkomen is, en als mevrouw mij de eer wil aandoen om mijne kleederen te dragen, tot hare eigene aankomen, staat het beste dat ik heb, volkomen tot mevrouws dienst.”
Hetzij nu dat koude, schaamte, of de overtuigingskracht van den heer Jones bij mevrouw Waters werkte,—dat laat ik daar,—maar zij stelde zich tevreden met deze redevoering van de waardin en verwijderde zich met die goede vrouw, ten einde zich op eene passende wijze te kleeden.
De waard begon ook nu eene aanspraak tot Jones, maar werd spoedig in de rede gevallen door dien edelmoedigen jongeling, die hem hartelijk de hand drukte en hem van zijne volkomene vergiffenis verzekerde, terwijl hij er bijvoegde: „Ik verzeker u, vriend, dat als gij voldaan zijt, ik het ook ben;” en wezenlijk, in zeker opzigt, mogt de waard wel tevreden zijn; want hij had een geducht pak gekregen, terwijl Jones naauwelijks één slag ontvangen had.
Partridge, die inmiddels zijn bloedenden neus aan de pomp afgewasschen had, keerde in de keuken terug op het oogenblik dat zijn heer en de waard elkaar de hand gaven. Daar hij vreedzaam van aard was, bevielen hem deze blijken van verzoening, en hoewel zijn gelaat nog eenige sporen droeg van Suze’s vuistslagen, en nog meer van hare nagels, wilde hij liever in zijn lot berusten in den strijd dan trachten het te verbeteren door dien te hernieuwen.
De heldhaftige Suze was ook tevreden met hare overwinning, hoewel haar het ééne oog blond en blaauwgeslagen was, wat Partridge in het begin van het gevecht gedaan had. Tusschen deze beide werd er dan ook een verbond gesloten en de handen, welke pas de werktuigen van den strijd waren geweest, bezegelden nu den vrede.
Toen de rust aldus volmaakt hersteld was, betuigde de sergeant, hoe strijdig dit ook schijne met zijn beroep, zijne tevredenheid daarover, en zeide:
„Zie zoo! Dat noem ik vriendschappelijk! Ik kan het niet verdragen als ik zie dat menschen elkaar haat toedragen als zij eens met elkaar geklopt hebben. Als vrienden ruzie krijgen, blijft er niets over dan de zaak eerlijk en vriendschappelijk uit te maken, zoo als men zegt,—met de vuist, de pistool, of den degen,—ieder naar zijn zin;—en dan moet het uit zijn;—want, verdraaid! als ik ooit meer van een vriend houd, dan wanneer ik met hem aan het kloppen ben! Het lijkt eerder op een Franschman dan op een Engelschman, om wrok te koesteren!”
Hij stelde toen een drankoffer voor, als een noodzakelijk iets bij alle verbonden van dezen aard. Misschien zal de lezer hieruit opmaken dat hij zeer ervaren was in de oude geschiedenis; maar hoewel dit hoogst waarschijnlijk is, durf ik het met geene zekerheid beweren, daar hij geene autoriteiten aanhaalde om zijn eisch te ondersteunen. Het is echter ook zeer waarschijnlijk, dat zijn gevoelen op goede gronden berustte, want hij bevestigde het met eene heele reeks van vloeken.
Zoodra Jones het voorstel vernam, stemde hij volmaakt in met den geleerden sergeant, en bestelde eene kom, of liever eene groote kan vol van het vocht dat bij die gelegenheid gebruikt wordt:—waarop hij zelf de plegtigheid begon. Hij legde de regterhand in die van den waard, en de kan met de linker grijpende, sprak hij de gebruikelijke woorden uit en bragt toen zijn drankoffer. Hierop volgden alle aanwezigen zijn voorbeeld. Inderdaad, het is niet noodig om de geheele plegtigheid uitvoerig te beschrijven, daar ze weinig verschilde van die drankoffers, die zoo dikwerf vermeld zijn door de ouden en hunne hedendaagsche naschrijvers. Het voornaamste verschil bestond in twee punten: ten eerste, goot het aanwezige gezelschap zich het vocht alleen in de keel, en ten tweede dronk, de sergeant, die als priester optrad, het laatste; maar, naar ik meen, bleef hij het oude gebruik getrouw, door zelf het meeste van allen te drinken, terwijl hij ook de eenige der aanwezigen was, die niets anders tot de onkosten bijdroeg, dan zijne goede diensten bij de plegtigheid.
De goede menschen gingen nu rondom het keukenvuur zitten, waar de goede luim onbeperkt scheen te heerschen en Partridge niet alleen zijne schandelijke nederlaag vergat, maar deed alsof hij dorst had in plaats van honger, en weldra buitengewoon grappig werd. Wij moeten echter een tijdlang dit aangenaam gezelschap verlaten en den heer Jones volgen naar de kamer van mevrouw Waters, waar het middagmaal, dat hij besteld had, op tafel gezet werd. Inderdaad, het vorderde niet veel tijd om het gereed te maken, daar het al drie dagen van te voren klaar was geweest en er niets aan te doen viel, dan het op te warmen.
HOOFDSTUK V.
EENE VERONTSCHULDIGING VOOR ALLE HELDEN DIE EENE GOEDE MAAG HEBBEN, EN DE BESCHRIJVING VAN EEN STRIJD VAN VERLIEFDEN AARD.
De helden, niettegenstaande het verheven denkbeeld dat zij zelve, of de wereld, van hen koesteren moge door middel van hunne vleijers, hebben zeker veel meer sterfelijks dan onsterfelijks over zich. Hoe verheven hun geest ook zij, is hun ligchaam (wat het voornaamste is bij de meesten van hen), aan de treurigste zwakheden onderhevig, even als aan de laagste behoeften der menschelijke natuur. Onder deze laatsten behoort de verrigting van het eten, dat door vele wijze mannen als zeer laag en vernederend voor de waardigheid van den wijsgeer beschouwd wordt, en toch eenigzins in acht moet genomen worden zelfs door den grootsten vorst, held, of wijsgeer ter wereld;—ja, de natuur is soms zelfs zoo grillig geweest, dat zij van deze verhevene menschen veel meer ten dezen opzigte gevorderd heeft dan van anderen van den laagsten stand.
Om de waarheid te zeggen, daar er geen bekende bewoner van deze aarde bestaat, die boven den mensch verheven is, zoo behoeft zich ook niemand te schamen, als hij zich onderwerpt aan hetgeen de behoeften van den mensch van hem eischen; maar, als voormelde verhevene wezens zich verwaardigen dergelijke dingen tot zich zelven te willen beperken;—bij voorbeeld, als zij door geld opleggen, of vernieling, begeerig schijnen om anderen het eten te beletten, dan worden zij zeker ook gemeen en verachtelijk.
Na deze korte inleiding, achten wij het volstrekt niet onzen held tot schande te vermelden, met welk buitengewonen ijver hij op dit oogenblik toetastte. Werkelijk, valt het te betwijfelen of Ulysses, die ter loops gezegd, de beste maag van alle helden van dat eet-gedicht, de Odyssee, schijnt gehad te hebben, ooit een beter maaltijd deed;—want ten minste drie pond van het vleesch, dat vroeger tot het ligchaam van een os behoord had, wedervoer nu de eer van opgenomen te worden in het ligchaam van den heer Jones.
Wij achten ons verpligt deze bijzonderheid te vermelden, welke onzen held verontschuldigt als hij tijdelijk zijne schoone dame verwaarloosde, die slechts zeer weinig at, en die werkelijk met beschouwingen van geheel anderen aard zich bezig hield, wat door Jones onopgemerkt bleef, tot hij in alle opzigten aan den eetlust voldaan had, welken vier-en-twintig uren vastens hem bezorgd had: maar naauwelijks was zijn middagmaal afgeloopen, of hij begon op andere zaken te letten, waarmede wij thans den lezer bekend zullen maken.
De heer Jones, van wiens uiterlijke gaven wij tot dus ver slechts weinig gezegd hebben, was werkelijk een der schoonste mannen ter wereld. Zijn gelaat, buiten en behalve dat het een beeld der gezondheid opleverde, droeg den duidelijksten stempel van zachtheid en van een goed humeur. Deze hoedanigheden waren, inderdaad, zoo kenmerkend, dat terwijl het geestige en het gevoelige in zijne blikken (hoewel een scherpe waarnemer het had moeten ontdekken) onopgemerkt had kunnen blijven bij iemand, die minder naauwkeurig toezag, zijne goedaardigheid zoo sterk uitgedrukt was op zijn gezigt, dat ze bijna iedereen, die hem zag in het oog viel.
Het was misschien evenzeer hieraan toe te schrijven als aan eene zeer doorschijnende huid, dat zijne gelaatstrekken iets bijna onbeschrijfelijk fijns hadden, dat hem welligt eenigzins verwijfd had doen schijnen, zoo dit alles niet vereenigd ware geweest met de meest manhaftige gestalte en houding, die hem het voorkomen gaven van een Herkules, even als zijn gelaat dat van een Adonis. Bovendien was hij vlug, fatsoenlijk, opgeruimd en zoo levenslustig, dat hij elk gezelschap waarin hij zich bevond, opvrolijkte.
Als de lezer behoorlijk nagedacht heeft over al de bekoorlijkheden, welke in onzen held vereenigd waren, en hij tevens bedenkt welke groote verpligtingen hij mevrouw Waters pas opgelegd had, zal hij meer preutsch dan opregt zijn, als hij een slecht denkbeeld van haar koestert, omdat zij eene zeer gunstige meening van Jones opvatte.
Maar, hoe men haar ook berispe,—het blijft mijn pligt de feiten zoo te verhalen als ze gebeurden. Mevrouw Waters dan koesterde niet slechts eene zeer gunstige meening omtrent onzen held,—maar gevoelde zich sterk door hem aangetrokken. Ronduit gezegd: zij was op hem verliefd, in de thans algemeen aangenomene beteekenis van dat woord, volgens welke men liefde toedraagt aan al de begeerlijke voorwerpen van onze driften, lusten en hartstogten,—of, eene zekere voorkeur toont voor het eene voedsel boven het andere.
Maar, hoewel de liefde tot deze verschillende voorwerpen welligt in alle gevallen van dezelfde soort is, moet men bekennen dat hare uitwerkselen verschillend zijn; want hoezeer we ook verliefd mogen zijn op eene heerlijke ossenrib, of eene flesch Bourgogne, op eene bloeijende roos, of eene Cremonasche viool, geven wij ons toch niet de moeite om daartegen te glimlagchen, of teedere blikken daarop te werpen, of om ons opteschikken, of te vleijen, of eenige andere kunsten of listen te gebruiken, om de liefde te winnen van genoemde ossenrib, enz. Wij mogen welligt soms zuchten; maar dat is gewoonlijk in de afwezigheid en niet in het bijzijn van het beminde voorwerp. Want anders zouden wij misschien klagen over zijne ondankbaarheid en ongevoeligheid, met even veel reden als Pasiphae over haren stier klaagde, dien zij trachtte te lokken door al de coquetterie, welke met zulk een goed gevolg gebruikt wordt in de receptiezaal, om de meergevoelige en teedere harten van de groote heeren daar aanwezig te treffen. Het tegendeel is het geval met die liefde welke heerscht tusschen personen van hetzelfde ras maar van verschillend geslacht. Als wij eens op die wijze verliefd zijn, wordt het ons hoofddoel om de genegenheid van het beminde voorwerp te boeijen. Want, waartoe anders leert onze jeugd al de kunsten om zich aangenaam te maken? Als het niet was met een oog op deze liefde, dan twijfel ik of één van die handwerken, die dienen moeten om het menschelijke ligchaam op te sieren, ooit eene kostwinning zoude opleveren. Ja, zelfs de groote beschavers onzer manieren, die, volgens de meening van velen, ons dat leeren, wat ons hoofdzakelijk van de dieren onderscheidt, namelijk de dansmeesters, zouden hunne plaats in de maatschappij missen. Met één woord, al de aanvalligheden welke jonge heeren en dames van anderen leeren, en de vele bekoorlijkheden welke zij zich zelven geven, met behulp van den spiegel, zijn inderdaad die spicula et faces amoris zoo dikwerf door Ovidius vermeld;—of zoo als men anders soms zegt, ze behooren tot het arsenaal der liefde.
Mevrouw Waters en onze held hadden echter naauwelijks plaats genomen naast elkaar, toen de dame hare artillerie begon te gebruiken tegen hem. Maar hier, daar wij op het punt staan van eene tot dusver, zoo min in prosa als in poëzy, ooit beproefde beschrijving te doen, achten wij het noodig de hulp in te roepen van zekere hemelsche wezens, die, zonder twijfel, bij deze gelegenheid ons niet in den steek zullen laten.
Vermeldt dan, gij Gratiën, die uw hemelsch verblijf houdt op Seraphina’s gelaat; want gij zijt waarlijk goddelijk, zijt steeds in haar bijzijn, en kent best de kunst om te betooveren; vermeldt dan welke wapens gebruikt werden om het hart van den heer Jones te treffen.
Eerst, uit twee prachtige blaauwe oogen, welke als de bliksem schitterden, schoten twee verliefde schichten. Maar tot het geluk van onzen held troffen ze slechts een groot stuk ossenvleesch, dat hij bezig was met op zijn bord te leggen, en hunne kracht werd aldus verspild. De schoone Amazone ontwaarde dat zij mis geschoten had en slaakte dadelijk uit de blanke borst een diepen zucht. Een zucht, welken niemand zonder aandoening had kunnen hooren en die krachtig genoeg was om een dozijn minnaren te vellen; zoo zacht, zoo zoet, zoo teeder, dat de doordringende lucht zich een weg had moeten banen naar het hart van onzen held, als ze niet uit zijne ooren geweerd ware geweest door het harde geklots van wat schuimend bier, dat hij bezig was met zich in te schenken. Vele andere wapenen beproefde zij; maar de God des etens (als die bestaat;—wat ik niet vast beweren wil), redde zijn volgeling; of misschien was het niet dignus vindice nodus, en de veiligheid van Jones zou welligt op de meest natuurlijke wijze kunnen verklaard worden; want even als de liefde ons dikwerf voor den honger bewaart, kan het ook wezen, in sommige gevallen, dat de honger ons van de liefde redt.
De schoone, woedend over hare vele teleurstellingen, besloot om den strijd een oogenblik te staken, en gebruikte den tusschentijd om alle mogelijke verliefde wapenen gereed te maken, ten einde den aanval te hernieuwen, zoodra het eten gedaan was.
Zoodra dus de tafel afgenomen was, begon zij weder den aanval. Eerst, het regteroog op den heer Jones gerigt hebbende, schoot zij uit den hoek er van een zeer doordringenden blik af, die, hoewel er veel van de kracht verloren ging onderweg, niet geheel zonder uitwerking bleef op onzen held. De schoone, zoodra zij dit zag, wendde de oogen af en sloeg ze neder, alsof zij leed gevoelde over hetgeen zij gedaan had,—hoewel zij hierdoor hem alleen overrompelen wilde en hem de oogen doen openen, door welke zij voornemens was tot in zijn hart te dringen. Dus zachtjes weder die schitterende oogen opslaande, die reeds eenigen indruk op den armen Jones gemaakt hadden, gaf zij hem plotseling de volle laag van al hare kleine bekoorlijkheden, in één streelenden glimlach. Het was geen glimlach van vrolijkheid of vreugde; maar een glimlach der liefde, welken de dames steeds tot hare beschikking hebben, en die tevens strekt om haar goed humeur, de lieve kuiltjes harer wangen en hare witte tandjes te doen zien.
Deze glimlach trof onzen held vlak in de oogen, met zoo veel kracht dat hij dadelijk begon te wankelen. Hij ving aan de plannen zijner vijandin te begrijpen, en inderdaad het welslagen er van te ondervinden. Onderhandelingen werden nu geopend tusschen de partijen, gedurende welke de listige schoone den aanval zoo sluw en ongevoelig voortzette dat zij het hart van onzen held bijna overrompeld had eer zij weder tot openlijke vijandelijkheden overging. Om de waarheid te zeggen, vrees ik dat de heer Jones zich slechts zeer flaauwhartig verdedigde en de wapenen neerlegde, zonder behoorlijk te denken aan de trouw, welke hij de schoone Sophia verschuldigd was. Met één woord zoodra, de verliefde onderhandeling afgebroken was, en de dame de hoofdbatterij ontmaskerd had, door achteloos het halsdoekje te laten afvallen, bezweek het hart van den heer Jones en de schoone overwinnaresse plukte de gebruikelijke vruchten van hare zege.
Hier vinden het de Gratiën gepast om verder te zwijgen, en wij achten het gepast, om ook een einde aan het hoofdstuk te maken.
HOOFDSTUK VI.
EEN VRIENDSCHAPPELIJK GESPREK IN DE KEUKEN, DAT OP EENE ZEER GEWONE, HOEWEL NIET AL TE VRIENDSCHAPPELIJKE WIJZE AFLIEP.
Terwijl onze minnenden zich op de wijze vermaakten, welke in het vorige hoofdstuk gedeeltelijk beschreven is, verschaften zij tevens vermaak aan hunne goede vrienden in de keuken. En dit in eene dubbele beteekenis, door hun tegelijk stof tot spreken en iets te drinken te geven, en zich zoodoende wat op te vrolijken.
Rondom het keukenvuur waren nu bijeen gekomen, behalve de waard en de waardin, die telkens heen en weer liepen, de heer Partridge, de sergeant en de voerman, die de jonge dame en haar kamenier gereden had.
Zoodra Partridge het gezelschap medegedeeld had wat de oude man van den Berg hem verteld had van den toestand waarin mevrouw Waters door Jones gevonden werd, ging de sergeant er toe over om zoo veel van hare geschiedenis als hem bekend was, mede te deelen.
Hij zeide, dat zij de vrouw was van zekeren kapitein Waters van zijn regiment, en dikwijls hem op marsch vergezeld had. „Sommige menschen,” ging hij voort, „twijfelen wel eens, of zij ooit wettig in de kerk getrouwd zijn of niet. Maar, wat mij betreft, dat gaat mij niet aan, en ik moet bekennen, dat als ik er een eed op afleggen moest, ik geloof dat zij niet veel meer is dan een van ons;—en dat, als de zon eens schijnt bij een betrokken lucht, de kapitein ook in den hemel zal komen. Maar of hij dat doet, of niet, daarover behoeven wij ons niet te bekommeren;—aan gezelschap zal het hem niet ontbreken. En de dame, om van den duivel geen kwaad te spreken, is een best soort van mensch, en houdt van den soldatenstand, en verlangt dat er ook niemand verongelijkt wordt; want zij is voor menigen armen soldaat een goede voorspraak geweest, en, met haar zin, zou er nooit iemand gestraft worden. Maar waar is het dat zij en de vaandrig Northerton elkaar heel goed kenden,—dat is onloochenbaar; maar de kapitein, die weet daar niets van, en zoo lang hij maar tevreden is, raakt dat niemand! Hij houdt geen greintje minder van haar daarom, en ik weet zeker dat hij iedereen overhoop zou steken, die kwaad van haar sprak;—dus zal ik, van mijn kant, dat wel laten. Ik herhaal maar wat anderen zeggen;—en ’t is zeker, als iedereen wat zegt, moet er iets van waar zijn.”
„Ja, ja, een heele boel! Daar sta ik voor in,” riep Partridge. „Veritas odium parit.”
„Allemaal lastertaal en onzin!” hernam de huisvrouw. „Ik verklaar, nadat zij gekleed is, dat zij er als eene echte dame uitziet,—en zij gedraagt zich ook als eene; want zij gaf me een guinje voor het gebruik mijner kleêren.”
„’t Is eene echte dame, dat is waar,” zei de waard, „en als gij niet wat al te driftig waart geweest, zoudt ge in ’t begin ook geen ruzie met haar gekregen hebben.”
„Gij moest waarlijk daarvan zwijgen!” antwoordde zij: „zonder uwe dwaasheid, zou er niets gebeurd zijn. Maar gij moest u bemoeijen met wat u niet aanging en met uwe malle praatjes er tusschenkomen!”
„Nou, nou!” zeide hij; „gedane zaken nemen geen keer; en daarmede uit!”
„Ja,” riep zij, „daarmede uit,—voor het oogenblik! Maar zal het altijd zoo blijven? ’t Is de eerste keer niet, dat ik voor uwe zotte praatjes heb moeten boeten! Ik wilde maar dat gij in huis altijd zwijgen kondt, en u buiten ’s huis alleen bemoeidet met hetgeen u aangaat! Weet gij niet meer wat er zoo ongeveer zeven jaren geleden gebeurd is?”
„Kom, kom, vrouwtje,” hernam hij; „we moeten geene oude koeijen uit de sloot halen! Komaan! alles is best afgeloopen en ik heb berouw over hetgeen ik gedaan heb”
De vrouw wilde hierop antwoorden, maar werd in de rede gevallen door den vredelievenden sergeant, tot groot verdriet van Partridge, die veel hield van hetgeen men een grap noemt, en een groot bevorderaar was van die onschuldige twisten, welke nog meer tot komische dan tot tragische gebeurtenissen aanleiding geven.
De sergeant vroeg aan Partridge, waarheen hij met zijn heer reisde?
„Praat me niet van heer!” hernam Partridge. „Ik verzeker u dat ik niemands knecht ben; want hoewel ik mijne ongelukken te dragen heb gehad, ben ik een fatsoenlijk man, en arm en eenvoudig als ik schijne, heb ik toch eens eene school bestuurd! Sed, heu mihi! non sum quod fui!”
„Neem het me niet kwalijk, mijnheer,” zei de sergeant; „mag ik dan zoo vrij zijn om te vragen, waarheen gij met uw vriend reist?”
„Zoo drukt ge ’t goed uit”, hernam Partridge. „Amici sumus. En ik verzeker u dat mijn vriend een der grootste heeren in het land is”. Bij deze woorden spitsten de waard en zijne huisvrouw de ooren. „Hij is de erfgenaam van mijnheer Allworthy.”
„Hoe? van dien heer die zoo veel goed doet overal in den omtrek?” riep de waardin.
„Juist!” zei Partridge.
„Nu, dan heeft hij wel een boel geld te wachten, daar sta ik u borg voor!” hernam zij.
„Wel zeker,” antwoordde Partridge.
„Nu,” zei de waardin, „het eerste oogenblik dat ik hem zag, dacht ik dat hij een echt fatsoenlijk uiterlijk had; maar mijn man hier, die natuurlijk de wijsheid in pacht heeft—”
„Ik beken gaarne, vrouwtje, dat ik me vergiste,” viel hij in.
„U vergissen!” riep zij. „Hebt ge ooit van uw leven gezien dat ik me vergiste?”
„Maar hoe komt het toch, mijnheer,” vroeg de waard, „dat zulk een groote mijnheer zoo te voet het land doortrekt!”
„Dat weet ik niet,” hernam Partridge. „De groote luî hebben soms rare kuren! Hij heeft nu wel een dozijn bedienden en paarden te Gloucester; maar gisteren avond kreeg hij het in de hersenen, daar hij het zeer warm had, om zich af te koelen door eene wandeling dien hoogen heuvel daar op, en ik ging mede, om hem gezelschap te houden;—maar men zal mij er nooit weer snappen;—want ik ben van mijn leven zoo bang niet geweest! Wij hebben daar den raarsten vent ontmoet dien ik ooit gezien heb.”
„Wat drommel!” riep de waard; „dat zal zeker de oude man van den Berg geweest zijn, zoo als hij heet,—als het maar een man is: maar ik ken een boel menschen, die meenen dat het de Satan zelf is.”
„O ja,” zei Partridge, „dat kan ook best. En nu ge me er aan doet denken, geloof ik wezenlijk dat het de Satan zelf was; hoewel ik de gespleten hoef niet zag; maar misschien heeft hij de magt om die te verbergen; daar de booze geesten alle gestalten kunnen aannemen die zij goed vinden.”
„En mag ik u vragen, mijnheer, zonder onbescheidenheid, wat soort van mensch de duivel is? Want ik heb vele onzer officieren hooren beweren, dat hij niet bestond; en dat hij alleen een uitvinding der dominés is, om te beletten dat zij uit de dienst weggejaagd worden; want als het algemeen bekend was dat er geen duivel bestaat, zouden de geestelijken van even weinig nut wezen als wij soldaten in vredestijd.”
„Die officieren zullen wel groote geleerden zijn!” zei Partridge.
„Neen; groote geleerden zijn het niet,” antwoordde de sergeant; „ik geloof niet dat zij half zoo geleerd zijn als gij, mijnheer; en ’t is waar, in weerwil van al hunne praatjes,—ofschoon er een van kapitein was,—dacht ik bij mij zelven dat er wel een duivel zijn moest;—want, zoo redeneerde ik, als er geen duivel is, hoe zal hij dan de boosdoeners halen?—En dat heb ik toch in een boek gelezen.”