Part 81
„Naar mijn gevoelen, zeer weinig,” hernam Sophia, „en als ik veroordeeld moest zijn om een van beiden te nemen, zou ik zeker verkiezen om mijn vader zijn zin te geven.”
„Ik begrijp dus, dat mijne wenschen zeer weinig bij u vermogen,” zei de tante; „maar die bedenking zal mij niet afschrikken. Ik handel uit meer verhevene grondbeginselen. De wensch om mijne familie te verheffen, en u in den adelstand te zien opnemen, is mijne beweegreden. Hebt gij hoegenaamd geene eerzucht? Is er niets bekoorlijks voor u in de gedachte om eene kroon boven het wapen op uwe koets te hebben?”
„Hoegenaamd niets, op mijn woord,” hernam Sophia. „Ik zou evenveel geven om een speldekussen boven het wapen.”
„Dan moet gij mij nooit meer van eergevoel spreken!” riep hare tante; „dat betaamt zulk een laaghartig wezen niet. Het spijt me, nicht, dat ge me dwingt zoo iets te zeggen; maar uwe laaghartigheid is onverdragelijk. Het bloed der Western’s vloeit niet in uwe aderen! Maar, hoe laag en verachtelijk ook uwe begrippen zijn, zal ik toch niet toelaten dat gij ook een smet op mijn goeden naam werpt. De wereld zal nooit zeggen, dat ik u aanmoedigde om eene der beste partijen in het rijk af te slaan,—een huwelijk, dat, buiten en behalve de geldelijke voordeelen, eene eer zou wezen voor bijna iedere familie in het land, en dat een titel zou aanbrengen, die niet in ons geslacht is.”
„Nu,” hernam Sophia, „ik ben zeker door de natuur misdeeld, en het ontbreekt mij aan het orgaan, dat genot vindt in ijdele klanken en vertooning;—want de menschen zouden zich niet zoo afsloven, of zooveel opofferen om iets te verkrijgen,—of zich zoo verhoovaaardigen in het bezit van iets, dat mij geheel zonder waarde schijnt,—als zij er even zoo over dachten als ik.”
„Neen, neen, mejufvrouw,” riep hare tante; „gij zijt even goed door de natuur bedeeld als andere menschen; maar ik wil u wel verzekeren, dat het u niet gegeven is, om mij voor den gek te houden, of mij, in het oog der wereld bespottelijk te maken. Dus verzeker ik u op mijn woord van eer, en ik geloof dat gij van mijne onwrikbaarheid overtuigd zijt, dat als gij er niet in toestemt Milord heden namiddag te ontvangen, ik, met eigene handen, u morgen aan mijn broeder overleveren zal, en dat ik mij in het vervolg niet meer met u bemoeijen zal, of u ooit wederzien.”
Sophia bewaarde een oogenblik het stilzwijgen na dezen uitval, die op den meest vertoornden en driftigen toon gedaan werd, maar spoedig barstte zij in tranen uit en riep: „Doe met mij wat u goeddunkt, tante;—ik ben het ongelukkigste, rampzaligste wezen ter wereld. En als mijne goede tante mij ook verlaat, waar zal ik dan iemand vinden om mij te beschermen?”
„Mijne lieve nicht,” hernam mejufvrouw Western, „gij zult een besten beschermer vinden in Milord;—een beschermer, dien gij alleen weigert, omdat gij in uw hart nog haakt naar dien ellendigen Jones.”
„Wezenlijk, tante,” antwoordde Sophia, „gij doet me groot onregt! Hoe kunt gij u, na den brief, welken gij mij getoond hebt, nog verbeelden, dat, als ik al ooit aan hem gedacht heb, ik thans niet, voor altijd, zulke denkbeelden heb laten varen! Als het u voldoen kan, ben ik ook gereed om er een eed op te zweren, dat ik hem nooit weerzien zal.”
„Maar kind,—kindlief!” riep hare tante, „kunt gij dan één redelijk bezwaar bedenken tegen Milord?”
„Me dunkt,” hernam Sophia, „dat ik u reeds een voldoend bezwaar opgenoemd heb.”
„Hoe!” riep de tante; „ik kan me er geen herinneren!”
„Wel, tante,” zei Sophia, „heb ik u niet verteld dat hij mij op de ruwste, verachtelijkste wijze behandeld heeft?”
„Wezenlijk, kind,” hernam de andere, „dat heb ik niet gehoord,—of ik heb het niet verstaan.—Maar wat bedoelt gij met ruwe en verachtelijke behandeling?”
„Inderdaad tante,” antwoordde Sophia, „ik schaam me haast om daarover te spreken. Hij vatte mij in de armen, trok me op de sofa, greep me in den halsdoek en kuste me met zooveel geweld, dat gij hier er nog de sporen van zien kunt.”
„Is dat waar?” vroeg jufvrouw Western.
„Ja zeker, tante,” hernam Sophia; „maar, gelukkig kwam vader op dat oogenblik binnen, of de hemel weet hoe ver hij zijne onbeschoftheid gedreven zou hebben!”
„Ik sta verbaasd en verstomd!” riep hare tante; „geene vrouw, die den naam van Western gedragen heeft, is ooit aan zoo iets blootgesteld geweest, sedert ons geslacht bestaan heeft. Ik zou iederen Lord de oogen uitgekrabd hebben, als hij zich zulke vrijheden tegenover mij veroorloofd had. Het schijnt echter onmogelijk! Gij moet dit alles bedacht hebben, Sophia, om mijne verontwaardiging tegen hem op te wekken.”
„Ik hoop toch, tante, dat gij te goed over me denkt, om mij in staat te achten eene onwaarheid te vertellen. Op mijn woord van eer,—het is alles volkomen waar!”
„Ik zou hem een mes door het hart gestoken hebben als ik er bij ware geweest,” hernam de tante. „Maar hij kon toch niets oneerlijks bedoelen;—dat is onmogelijk:—zoo iets zou hij niet durven. Bovendien, bewijst zijn aanzoek, dat hij het eerlijk meent; want het is niet slechts zeer vereerend, maar ook tevens zeer voordeelig. Ik begrijp het niet meer:—deze eeuw staat al te veel vrijheden toe! Een deftige kus is het meeste, dat ik ooit toegelaten zou hebben eer het huwelijk gesloten was. Ik heb in mijn tijd ook vrijers gehad,—niet zoo heel lang geleden,—hoewel ik nooit iets van het huwelijk weten wilde, en ik heb hen nooit tot de minste vrijheid aangemoedigd. Geen man heeft mij ooit iets meer dan de wang gekust. Het kost al heel veel om een echtgenoot te vergunnen onze lippen aan te raken,—en werkelijk, als men mij er ooit toe had kunnen brengen om in het huwelijk te treden, twijfel ik of men mij spoedig er toe gebragt zou hebben zelfs dat te dulden!”
„Vergeef me als ik iets opmerk, tante-lief,” zei Sophia; „gij bekent zelve dat gij vele vrijers hebt gehad,—en al wildet gij dat ontkennen,—de geheele wereld is daar om u tegen te spreken. Gij hebt hen allen bedankt, en ik ben overtuigd dat er ten minste één edelman onder is geweest?”
„Ja, dat hebt gij wel geraden, lieve Sophia,” hernam zij. „Eens werd ik door een edelman gevraagd.”
„En waarom dan,” vroeg Sophia, „wilt gij mij niet vergunnen ook ditmaal er een te weigeren?”
„’t Blijft wel waar, kind,” antwoordde zij, „dat ik een edelman niet hebben wilde; maar het was zoo’n goede partij niet;—dat wil zeggen,—niet zoo heel, heel best!”
„Maar, tante,” hervatte Sophia, „gij hebt ook aanzoek gehad van heeren, die een heel groot vermogen bezaten. Het was niet het eerste, of het tweede, of zelfs het derde voordeelige huwelijk, dat gij hadt kunnen doen.”
„Dat moet ik wel bekennen,” hernam hare tante.
„Nu dan,” begon weder Sophia, „en waarom mag ik ook niet hopen een tweeden vrijer te vinden, die welligt nog wenschelijker zou zijn dan deze? Gij zijt nog eene jeugdige vrouw en zoudt den eersten den besten rijken of adellijken vrijer bedanken. Ik ben zeer jong en behoef dus zeker ook niet te wanhopen.”
„Nu, mijne lieve Sophia, wat verlangt gij dan van mij?” riep mejufvrouw Western.
„Wel, tante, ik smeek u slechts, mij heden avond niet alleen te laten. Sta mij dat toe, en als het u, na hetgeen gebeurd is, nog gepast schijnt dat ik hem ontvang, zal ik mij er aan onderwerpen om dat te doen in uw bijzijn.”
„Nu, daar stem ik in toe,” riep de tante. „Gij weet best hoeveel ik van u houd, Sophia, en ik kan u niets weigeren. Gij weet ook, dat ik thans een heel gemakkelijk mensch ben. Vroeger was ik zoo gemakkelijk niet. Vroeger noemde men mij wreed,—ik bedoel natuurlijk, dat de mannen dat deden. Men heette mij de wreede Parthenissa. Ik heb menige glasruit gebroken, waarop men een vers gekrast had aan de wreede Parthenissa. Ik was wel minder schoon dan gij, Sophia, en toch, geleek ik wel op u vroeger! Nu ben ik een weinig veranderd. De koningrijken en de staten, zoo als Cicero zegt, in zijne brieven, veranderen steeds, en dat is ook het geval met de menschelijke gestalte.”
Op deze wijze draafde zij bijna een half uur lang door, over zich zelve, hare veroveringen en hare wreedheid, tot Milord verscheen, die, na een zeer vervelend bezoek, gedurende hetwelk mejufvrouw Western in het geheel geen lust betoonde om de kamer voor een enkel oogenblik te verlaten, zich weder verwijderde, evenmin voldaan over de houding der tante als over die harer nicht. Want Sophia had hare tante zoodanig bij goede luim gebragt, dat zij het bijna met alles eens was wat Sophia zeide, en toestemde, dat een weinig terughouding welligt niet te onpas kwam bij zulk een onbescheiden vrijer.
Dus verkreeg Sophia, door een weinig handige vleijerij, welke niemand in haar berispen zal, eene geringe verligting en vertraagde ten minste het booze oogenblik. En thans, dat wij onze heldin in een beteren toestand zien, dan sedert lang het geval was, zullen wij naar den heer Jones eventjes omzien, dien wij in de grootst mogelijke ellende verlieten.
HOOFDSTUK V.
JUFVROUW MILLER EN DE HEER NIGHTINGALE BEZOEKEN DEN HEER JONES IN DE GEVANGENIS.
Toen de heer Allworthy en zijn neef bij den heer Western gingen eten, liep jufvrouw Miller naar de woning van haar schoonzoon, om hem berigt te geven van het ongeluk, dat zijn vriend Jones overkomen was;—maar hij had alles al lang te voren van Partridge vernomen,—want Jones had, toen hij de kamers bij jufvrouw Miller verliet, hetzelfde huis betrokken als de heer Nightingale.
De goede vrouw vond hare dochters diep bedroefd over het lot van Jones,—en na haar zoo goed mogelijk getroost te hebben, vervolgde zij haren weg naar de gevangenis, waar Jones zich bevond, en waar mijnheer Nightingale vóór haar aangekomen was.
De standvastigheid en getrouwheid van een echten vriend zijn zoo buitengewoon streelend voor menschen die onder eenig ongeluk gebukt gaan, dat, zoo’n ramp zelve, als die slechts tijdelijk en te verhelpen is, meer dan opgewogen wordt door dezen troost. En voorbeelden van dezen aard zijn volstrekt niet zóó schaars als eenige oppervlakkige en onnaauwkeurige waarnemers meenen opgemerkt te hebben. Gebrek aan medelijden behoeft niet geteld te worden onder onze algemeene gebreken. De zwartste ondeugd welke onze ziel besmet, is de nijd. Van daar, vrees ik, dat wij zelden het oog opslaan naar diegenen welke blijkbaar grooter, beter, wijzer of gelukkiger zijn dan wij, zonder eenige kwaadwilligheid in onzen blik; terwijl wij gewoonlijk op de geringen en ongelukkigen nederzien met medelijden en welwillendheid. Ik heb, inderdaad, opgemerkt, dat de meeste gebreken, welke ik ooit in de vriendschap ontdekt heb alleen uit nijd ontstaan zijn,—eene helsche ondeugd,—en toch eene van welke ik slechts weinige menschen geheel vrij heb gevonden. Maar genoeg over een onderwerp, dat anders, als ik er over uitweidde, me al te ver van den weg af zou brengen.
Hetzij vrouw Fortuna vreesde, dat Jones bezwijken zou onder het gewigt zijner rampen, en dat zoodoende de gelegenheid verloren zou gaan om hem in de toekomst te kwellen,—of dat zij wezenlijk eenigzins ten zijnen opzigte vermurwd was, scheen zij, voor het oogenblik hare vervolgingen te willen staken, door hem het gezelschap te zenden van twee getrouwe vrienden, en (wat nog zeldzamer is) van een getrouwen dienstbode. Want Partridge, hoe vele gebreken hij ook had, was geen verrader, en hoewel zijne vreesachtigheid hem belet zou hebben, om zich voor zijn meester te laten opknoopen, zou men hem met alle schatten ter wereld niet hebben kunnen omkoopen om hem te verzaken.
Terwijl Jones zijne vreugde uitdrukte over het bijzijn zijner vrienden, bragt Partridge het berigt dat de heer Fitzpatrick nog leefde, hoewel de heelmeester slechts zeer weinig hoop koesterde op zijne genezing. Hierop slaakte Tom een zwaren zucht, en Nightingale zeide:
„Mijn waarde Tom, waarom zijt gij zoo bedroefd om een ongeluk dat,—welke gevolgen het ook hebbe,—u geen gevaar aanbrengen kan, en waarbij uw geweten u niet beschuldigen kan van iets misdaan te hebben? Als die vent sterft,—wat dan? Gij hebt niets anders gedaan, dan uit zelfverdediging een schurk te dooden. Bij de lijkschouwing zal dit zeker uitgemaakt worden; men zal u, tegen borgstelling, dadelijk in vrijheid stellen, en hoewel gij dan, bij wijze van formaliteit, vóór de regtbank zult moeten komen, is er menigeen, die om een schelling te verdienen uwe plaats zou willen innemen.”
„Kom, kom, mijnheer Jones,” voegde jufvrouw Miller er bij, „houd maar goeden moed! Ik wist wel, dat gij den eersten slag niet gegeven zoudt hebben, en dat heb ik ook aan mijnheer Allworthy gezegd,—en hij zal dat ook zelf moeten bekennen eer hij met mij gedaan heeft.”
Jones hernam, zeer ernstig, „dat wat ook zijn eigen lot mogt wezen, hij het steeds betreuren zou, als eene der grootste rampen welke hem ooit overkomen kon, dat hij eens menschen bloed gestort had. Maar ik heb een ander ongeluk ondervonden van den treurigsten aard.—O, jufvrouw Miller, ik heb alles verloren wat mij het dierbaarste op aarde was.”
„Dat is zeker eene beminde,” hernam jufvrouw Miller; „maar houd moed, zeg ik weêr! Ik weet meer dan gij u verbeeldt!” (Partridge had dan ook werkelijk alles bij haar verbabbeld) „Ik heb meer gehoord dan u bekend is; en ik verzeker u dat de zaken een beteren keer nemen dan gij veronderstelt. Ik zou dien Blifil geen duit geven voor zijne kans om de jonge dame te krijgen.”
„Gij weet wezenlijk volstrekt niet, lieve vriendin, welke reden ik tot droefheid heb,” hernam Jones. „Indien gij alle omstandigheden van de zaak kendet, zoudt gij moeten toegeven, dat mij geene hoop overblijft. Ik vrees niets van Blifil. Ik heb mij zelven te grond gerigt.”
„Wanhoop niet,” hernam jufvrouw Miller. „Ge weet niet wat eene vrouw vermag, en als er iets in mijne magt is, beloof ik u dat ik niets zal verzuimen wat u van dienst kan zijn. Dat is niet meer dan pligt! Mijn schoonzoon, die goede Nightingale, die mij verteld heeft welke verpligtingen hij aan u heeft, weet dat dit mijn pligt is. Zal ik zelve bij de dame gaan? Ik zal haar alles overbrengen wat gij haar wenscht mede te deelen.”
„Gij zijt de beste der vrouwen!” riep Jones hare hand grijpende;—„praat niet van mij dank schuldig te zijn!—Maar, nu gij de goedheid hebt gehad daarvan te spreken, is er welligt ééne dienst, welke gij mij bewijzen kunt. Ik zie inderdaad, zonder te begrijpen hoe,—dat gij weet welke dame mijn hart bezit. Als gij er een middel op kondt vinden om haar dit te doen geworden,”—en hij haalde een brief uit den zak,—„zoude ik u ten eeuwigen dage dankbaar blijven.”
„Geef maar hier,” zei jufvrouw Miller; „als ik haar het briefje niet zelve in handen geef eer ik slapen ga,—moge ik nooit weder wakker worden! Houd moed beste mijnheer! Laten vroegere dwaasheden u maar tot waarschuwing strekken, en ik sta er u borg voor, dat alles best gaan zal, en ik u nog gelukkig zal zien met de bekoorlijkste vrouw ter wereld,—want dat is zij, volgens iedereen, die haar kent!”
„Geloof mij, jufvrouw,” hernam hij, „ik spreek volstrekt niet de gewone huichelaarstaal van een mensch in mijn ongelukkigen toestand; maar eer dit vreesselijk ongeluk gebeurde, had ik al vast besloten eene leefwijze, welker slechtheid en dwaasheid ik had leeren inzien, vaarwel te zeggen. Ik verzeker u, dat, niettegenstaande al de onrust, welke ik ongelukkig bij u in huis veroorzaakte, en waarvoor ik van ganscher harte uwe vergiffenis inroep,—ik volstrekt geen losbandig mensch ben. Hoewel ik me door de ondeugd heb laten medeslepen, houd ik niet van het kwaad, en van heden af, zal ik het vermijden.”
Jufvrouw Miller scheen zeer voldaan met deze betuigingen, aan welker opregtheid zij verklaarde volstrekt niet te twijfelen, en het overige van het gesprek bevatte niets dan de vereenigde pogingen van die goede vrouw en van den heer Nightingale om Jones eenigzins moed in te spreken,—wat in zoo ver gelukte, dat zij hem veel opgeruimder en geruster verlieten dan hij bij hunne komst geweest was. Niets had zoo zeer tot deze gelukkige verandering bijgedragen als de vriendelijke belofte van jufvrouw Miller om zijn brief aan Sophia te bezorgen, wat hem anders hopeloos scheen; want toen de Zwarte George het laatste schrijven van Sophia bragt, had hij Partridge verteld, dat de jonge dame hem bepaaldelijk gelast had om haar geen antwoord terug te brengen,—op straffe van aan haar vader overgeleverd te worden. Bovendien was Jones niet weinig blijde met de ontdekking dat de goede vrouw,—werkelijk een der beste schepselen ter wereld,—zoo vurig zijne zaak bepleitte bij den heer Allworthy zelven.
Nadat de dame een uur bij hem gezeten had (Nightingale was er veel langer geweest), namen beide afscheid van hem, met de belofte van spoedig terug te komen, als wanneer jufvrouw Miller zeide, dat zij hoopte hem goede tijding van zijne beminde te brengen, terwijl de heer Nightingale beloofde onderzoek te gaan doen naar de wond van mijnheer Fitzpatrick en ook sommige der menschen op te sporen, die getuigen van den strijd waren geweest.
Jufvrouw Miller begaf zich nu onmiddellijk naar Sophia, bij wie wij haar dadelijk zullen volgen.
HOOFDSTUK VI.
WAARIN JUFVROUW MILLER EEN BEZOEK AFLEGT BIJ SOPHIA.
Het was volstrekt niet moeijelijk om toegang tot de jonge dame te krijgen; want, daar zij nu op den meest vriendschappelijken voet met hare tante leefde, had zij volmaakte vrijheid, om zoo vele bezoekers, als zij verkoos, te ontvangen.
Sophia was juist bezig met zich te kleeden, toen men haar kwam zeggen, dat er eene dame beneden was, die haar verlangde te spreken. Daar zij niet vreesde om iemand van haar eigen geslacht te ontvangen en niets had waarvoor zij zich behoefde te schamen, werd jufvrouw Miller dadelijk boven gelaten.
Nadat de gewone groeten en pligtplegingen tusschen vrouwen, die elkaar vreemd zijn, gewisseld waren, zeide Sophia:
„Ik heb toch niet het genoegen van u te kennen, jufvrouw?”
„Dat is zoo, mejufvrouw,” antwoordde de andere, „en ik moet u wel verschooning vragen als ik u kom lastig vallen. Maar als gij weet, wat mij genoopt heeft om bij u te komen—”
„Wel, wat is er tot uwe dienst?” vroeg Sophia, al eenigzins ontroerd.
„Mejufvrouw, ik zou u gaarne onder vier oogen spreken,” hernam jufvrouw Miller, zachtjes.
„Betsy, ga maar naar beneden,” zei Sophia.
Zoodra de kamenier weg was, zeide jufvrouw Miller:
„Een jonge heer, die zeer ongelukkig is, verzocht mij u dezen brief over te geven.”
Sophia verbleekte toen zij het adres las, daar zij het schrift wel kende, en zeide eindelijk aarzelende:
„Naar uw uiterlijk te oordeelen, jufvrouw, zou ik me niet verbeeld hebben, dat gij mij iets van dezen aard te zeggen hadt. Van wien ook dezen brief kome, ik zal hem niet open maken. Het zou mij spijten iemand onbillijk te verdenken;—maar gij zijt mij geheel onbekend.”
„Als ik niet te veel van uw geduld verg, jufvrouw,” hernam de andere, „zal ik u zeggen wie ik ben en hoe ik aan dien brief ben gekomen.”
„Ik ben hoegenaamd niet nieuwsgierig, jufvrouw,” hernam Sophia, „en moet er op staan, dat gij den brief terug brengt aan den persoon, die hem u gegeven heeft.”
Jufvrouw Miller viel nu op de knieën, en riep met de meeste hartstogtelijkheid haar medelijden in; waarop Sophia zeide:
„Wel, jufvrouw, ik sta verbaasd, dat gij zooveel belang stelt in dien persoon! Ik zou niet willen denken, dat—”
„Gij moet niets denken dan de waarheid, jufvrouw!” riep de andere; „ik zal u alles vertellen en gij zult u er niet over verwonderen dat ik belang in hem stel. Hij is de goedaardigste mensch ter wereld!”—Hierop ging zij voort met het verhaal van hetgeen er met Henderson was gebeurd.—Daarna vervolgde zij met te zeggen: „Dit, jufvrouw, is slechts één staaltje van zijne goedheid; maar ik heb nog verpligtingen van veel teederder aard aan hem. Hij heeft mijne dochter van den ondergang gered.”—En hiermede, onder vele tranen, verhaalde zij alles, alleen met uitzondering van die omstandigheden, welke hare dochter benadeeld zouden hebben, en eindigde met te zeggen: „En nu, jufvrouw, laat ik het aan u over te oordeelen, of ik ooit genoeg kan doen voor zulk een vriendelijken, goedigen, edelmoedigen jongeling,—die zeker de beste en waardigste der menschen is!”
Alle veranderingen op het gelaat van Sophia, waren, tot dusver, voornamelijk op kosten harer schoonheid geweest, daar ze haar sterk hadden doen verbleeken;—maar nu bloosde zij, zoo mogelijk, rooder dan karmozijn, en riep uit:
„Ik weet werkelijk niet wat ik zeggen moet!—Zeker, kan men u niets kwalijk nemen, wat gij alleen uit dankbaarheid doet;—maar, ik begrijp niet, waartoe het dienen zou als ik dezen brief van uw vriend las, daar ik vast besloten heb—”
Hier begon jufvrouw Miller op nieuw met smeeken, en zeide, Sophia’s vergiffenis inroepende, dat zij den brief toch niet terugnemen kon.
„Nu, jufvrouw,” hernam Sophia, „het is mijne schuld niet als gij mij het schrijven opdringen wilt!—Het staat aan u den brief hier te laten of niet,—met of tegen mijn zin!”
Wat Sophia bedoelde, en òf zij iets bedoelde, waag ik niet te beslissen; maar jufvrouw Miller vatte dit als een wenk op, en den brief op tafel nederleggende, nam zij afscheid van haar, na eerst verlof gevraagd te hebben om nog eens bij haar te mogen aankomen,—een verzoek waarop Sophia ja noch neen zeide.
De brief echter bleef alleen zoo lang op tafel liggen tot jufvrouw Miller weg was; want toen greep Sophia daarnaar en brak hem open.
Het schrijven baatte Jones echter zeer weinig; want het bevatte weinig meer dan de bekentenis van zijne eigene onwaardigheid, en bittere, wanhopige klagten, tegelijk met de plegtigste verklaringen van onveranderlijke getrouwheid aan Sophia,—waarvan, zooals hij zeide, hij haar hoopte te overtuigen, als hem ooit weder het geluk beschoren werd haar onder de oogen te treden;—terwijl hij hoopte den brief aan Lady Bellaston zoodanig te kunnen verklaren, dat hoewel hij geen regt kon doen gelden op vergiffenis, hij vertrouwen mogt, dat zij hem die uit barmhartigheid zou schenken. Hij eindigde met te zweren, dat hij nooit eenig voornemen gekoesterd had om met Lady Bellaston in het huwelijk te treden.
Hoewel Sophia den brief tot tweemaal toe, met de meeste aandacht overlas, bleef haar zijne bedoeling toch raadselachtig, en kon zij, hoe zij ook hare verbeelding inspande, geene verontschuldiging voor Jones bedenken. Zij bleef ook zeker zeer boos op hem, hoewel Lady Bellaston zelve in zulk eene hevige mate het voorwerp van haren toorn geworden was, dat er slechts weinig van overbleef ten behoeve van anderen.
Die dame zou, ongelukkig, juist dien dag bij mejufvrouw Western aan tafel komen, en ’s namiddags zouden alle drie op de receptie gaan bij Lady Hatchett. Sophia zou zich gaarne overal verontschuldigd hebben, maar wenschte hare tante niet te ergeren, en wat eene voorgewende ziekte betreft,—het veinzen was iets zoo vreemds aan haar karakter, dat zij daar niet eens aan dacht.
Zoodra zij gekleed was, ging zij dus naar beneden, zich onderwerpende aan al de kwellingen, die haar dien dag nog te wachten stonden,—en die dan ook bleken niet gering te zijn; want Lady Bellaston nam iedere gelegenheid waar om haar hoogst beleefd en onder water een steek toe te brengen, terwijl zij te neerslagtig was om zich te verweren,—en inderdaad, om de waarheid te bekennen, ten allen tijde slechts heel middelmatig de kunst verstond om een scherp antwoord te geven.
Een ander ongeluk voor de arme Sophia was het bijzijn van Lord Fellamar, dien zij in de opera ontmoetten en die haar naar de receptie volgde. En hoewel beide plaatsen te druk bezocht waren dan dat hij haar afzonderlijk spreken kon, en zij verder verligt werd door de muzijk in de ééne en het kaartspel op de andere plaats, kon zij zich echter niet op haar gemak gevoelen in zijn gezelschap; want er is zekere kieschheid in de vrouw, welke haar belet om gerust te zijn in de tegenwoordigheid van een man, die, zooals zij weet, aanspraken op haar maakt, welke zij niet geneigd is te begunstigen.