Chapter 31 of 84 · 3952 words · ~20 min read

Part 31

Hier eindigde de Kwaker met een zwaren zucht, en Jones hernam strakjes: „Het spijt me zeer, mijnheer, te vernemen dat gij ongelukkig zijt,—om welke reden ook.”

„De reden is—mijne eenige dochter,” hernam de Kwaker. „Een meisje dat mijne eenige vreugde ter wereld uitmaakte, en dat, in den loop dezer week weggeloopen en tegen mijn zin getrouwd is. Ik had een geschikten man voor haar gevonden, een bedaard mensch, en iemand die wat heeft in de wereld; maar zij wilde hare eigene keuze volgen, en is op den loop gegaan, met een jongen die geen duit bezit. Als zij gestorven ware, zoo als ik veronderstel dat met uw vriend het geval is, zou ik me gelukkig gevoeld hebben.”

„Dat luidt toch vreemd, mijnheer,” zei Jones.

„Wel! zou het niet beter voor haar zijn dood te wezen dan te bedelen?” vroeg de Kwaker; „want, gelijk ik zeide, die vent heeft geen duit ter wereld, en zij kan niet wachten dat ik haar ooit een stuiver geven zal. Neen! Daar zij uit liefde getrouwd is, moet zij van de liefde leven als zij dat kan, en zien of iemand haar zilver- of kopergeld daarvoor geven wil.”

„Gij weet best wat u te doen staat, mijnheer,” hernam Jones.

„Wel!” vervolgde de Kwaker, „het moet een lang vooraf beraamd plan geweest zijn om mij te foppen; want zij hebben elkaar van kindsbeen af gekend, en ik heb haar altijd tegen de liefde gewaarschuwd,—en haar wel duizendmaal gezegd dat het allemaal onzin en boosheid was. En de sluwe heks gaf voor, naar mij te luisteren en alle verleiding des vleesches te verachten; maar toch is zij eindelijk uit een venster ontsnapt, twee verdiepingen hoog; want ik begon haar te verdenken in den laatsten tijd, en sloot haar voorzigtig op, met het voornemen om haar den volgenden morgen naar mijn zin uit te huwelijken. En zij fopte me in slechts weinige uren, en ontsnapte naar den minnaar, dien zij zelve gekozen had, die ook geen tijd verspilde; want zij waren getrouwd en lagen zamen te bed binnen het uur. Maar dat zal het treurigste uur voor hen zijn, dat zij ooit gesleten hebben; want, voor mijn part mogen zij verhongeren, bedelen of stelen! Ik zal geen van beide ooit een duit geven!”

Hier sprong Jones op en riep: „Gij moet het mij waarlijk niet kwalijk nemen;—ik wilde nu alleen blijven.”

„Kom, kom, vriend!” zei de Kwaker; „geef niet toe aan uwe neerslagtigheid. Gij ziet dat gij niet de eenige ongelukkige zijt.”

„Ik zie dat er waanzinnigen, dwazen en schurken in de wereld zijn,” riep Jones. „Maar laat mij u een goeden raad geven. Zend om uwe dochter en uw schoonzoon, en maak niet zelf diegene ongelukkig, die gij voorgeeft lief te hebben!”

„Om haar en haar man zenden!” riep de Kwaker. „Ik zou liever zenden om de twee ergste vijanden die ik in de wereld heb!”

„Nu, ga dan maar zelf naar huis,—of waarheen u goed dunkt,” antwoordde Jones; „want ik verkies niet meer in zulk gezelschap te blijven!”

„Zoo vriend!” hernam de Kwaker, „en ik verkies niet mijn gezelschap aan wien ook op te dringen!”

Hij wilde nu de beurs te voorschijn halen; maar Jones dreef hem met eenig geweld de kamer uit.

Door het onderwerp waarover de Kwaker gesproken had, was Jones zoodanig ontroerd geweest, dat hij onder het gesprek steeds met woeste blikken rondgekeken had. Dit had de Kwaker opgemerkt, en gevoegd bij zijn overigens vreemd gedrag, had het den braven man met het denkbeeld bezield dat zijn makker werkelijk niet bij zijn verstand was. In plaats dus van de beleediging te wreken, gevoelde zich de Kwaker met medelijden vervuld voor den ongelukkige en, na zijne overtuiging aan den waard medegedeeld te hebben, verzocht hij hem voor zijn gast zorg te dragen en hem met de meeste beleefdheid te behandelen.

„Beleefdheid!” riep de waard, „neen! die denk ik niet veel jegens hem te gebruiken! Het schijnt, in weerwil van zijn mooije kleêren, dat hij niet meer een heer is dan ik zelf, en niets anders dan een arme bastaard uit het dorp, die opgevoed werd bij een grooten mijnheer, zoo wat een uur of tien van hier, en die nu de deur uitgezet is,—zeker niet om het goed dat hij gedaan heeft!—en ik zal hem zoodra mogelijk hier het huis uit zien te krijgen! Als ik zijne vertering verlies, zal ik blij zijn dat ik er zoo goedkoop afkom! Een jaar geleden ben ik een zilveren lepel kwijt geraakt!”

„Wat zegt gij? Een arme bastaard?” hernam de Kwaker. „Gij vergist u zeker in den persoon.”

„Volstrekt niet,” hernam de waard. „De gids die hem zeer goed kent, heeft het me verteld.”

En, inderdaad, naauwelijks was de gids in de keuken bij het vuur gezeten, of hij maakte het heele gezelschap bekend met al wat hij wist van Jones, of ooit van hem gehoord had.

Zoodra dus de Kwaker door dezen kerel ingelicht was omtrent de geboorte en het lot van Jones, verdween al het medelijden dat hij met hem gevoeld had en hij ging naar huis, even verontwaardigd als een hertog, die van zulk een wezen eene beleediging ondergaan had.

De waard zelf gevoelde niet minder verachting voor zijn gast, zoodat toen Jones schelde en naar eene slaapkamer vroeg, hem gezegd werd, dat hij er geene krijgen kon. Behalve de minachting, koesterde de waard Robert ook levendige verdenkingen omtrent de voornemens van zijn gast, die, naar hij veronderstelde, slechts op eene gunstige gelegenheid loerde om het huis te bestelen. Hij had echter op dit punt gerust kunnen wezen na de voorzorgen zijner vrouw en dochter, die reeds alles medegepakt hadden wat draagbaar was; maar hij was achterdochtig van aard, en was dit te meer geworden sedert het verlies van zijn lepel. Met één woord, de vrees van bestolen te worden, deed hem de prettige troostreden vergeten,—dat hij niets bezat dat men stelen kon.

Jones vernomen hebbende, dat hij geen bed kon krijgen, strekte zich zeer tevreden uit op eene groote rustbank, op wat stroo, waar de slaap, die in betere omstandigheden hem in den laatsten tijd steeds ontweken was, hem op zijne nederige rustplaats een edelmoedig bezoek bragt.

Wat den waard betreft, de angst hield hem van den slaap terug. Hij keerde dus naar het keukenvuur terug, van waar hij een oog kon houden op de eenige deur, die toegang verschafte tot de kamer, of liever, tot het hok, waar Jones zich bevond; en wat het venster in dat vertrek aangaat, het was onmogelijk voor eenig wezen, grooter dan eene kat, om daaruit te ontsnappen.

HOOFDSTUK XI.

DE AVONTUREN VAN EEN TROEP SOLDATEN.

De waard plaats genomen hebbende vlak tegenover de deur van de kamer, besloot om er den geheelen nacht op de wacht te blijven. De gids en een ander mensch deelden de dienst met hem een heelen tijd, zonder echter zijne verdenkingen te kennen, of er zelve eenige te koesteren. Hunne wacht eindigde echter door dezelfde oorzaak, waardoor ze begonnen was, namelijk door de sterkte en goede kwaliteit van het bier, waarvan zij eene groote hoeveelheid dronken, die hen eerst luidruchtig en druk maakte, en hen later in slaap wiegde.

Maar geen drank was bij magte om den angst van Robert te verdrijven. Hij bleef dus steeds wakker op zijn stoel, met de oogen onwrikbaar gevestigd op de deur, leidende naar de kamer van den heer Jones, tot een hevig geklop op de huisdeur hem van zijne zitplaats deed opstaan, en hem noodzaakte om open te doen,—wat pas geschied was, toen de keuken opgevuld werd met heeren in roode rokken, die even onstuimig op hem aandrongen, als of zij voornemens waren zijne kleine veste te bestormen.

De waard moest nu zijn post verlaten, ten einde zijne talrijke gasten van bier te voorzien, dat zij met veel ongeduld eischten, en toen hij ten tweeden of derden male uit den kelder terug keerde, zag hij den heer Jones voor het vuur staan te midden der soldaten; want men zal wel willen gelooven, dat de aankomst van zoo veel goed gezelschap een einde moest maken aan elken slaap, behalve dien, waaruit de laatste bazuin ons opwekken zal.

Het gezelschap nu zoo wat genoeg gedronken hebbende, bleef er niets over dan de rekening te betalen, eene zaak, welke dikwerf veel ontevredenheid en last veroorzaakt onder menschen van den minderen stand, die er veelal groot bezwaar in vinden om de juiste som voor iedereen te bepalen, op de meest billijke wijze,—die eischt dat iedereen naar verhouding van zijne vertering betalen zal. Dit bezwaar deed zich bij deze gelegenheid ook voor, en was des te grooter omdat sommige heeren in de groote haast, na den eersten dronk vertrokken waren, en geheel vergeten hadden iets bij te dragen tot betaling der rekening.

Er ontstond nu een hevige twist, waarin men zeggen kan, dat elk woord sterk bekrachtigd werd, daar het getal vloeken ten minste gelijk stond met het aantal andere woorden die uitgebraakt werden. Bij dezen twist spraken alle menschen door elkaar en iedereen scheen er op gesteld te zijn de som te verminderen welke hij betalen moest, zoodat het waarschijnlijkste einde dat te voorzien was, bleek te zijn, dat een groot gedeelte van de rekening ter betaling van den waard zou overblijven, of (wat op het zelfde nederkwam) niet betaald zou worden.

Inmiddels was de heer Jones in een gesprek gewikkeld met den sergeant; want deze heer bleef geheel buiten den twist, en volgens de gewoonte sedert onheugelijke tijden, vrij van alle betaling.

De twist werd nu zoo hevig, dat die op het punt scheen van door de wapenen te zullen worden beslist, toen Jones voor trad en dadelijk het rumoer deed bedaren door te verklaren dat hij zelf de geheele rekening zou betalen, die inderdaad niet meer dan drie shillings en eenige stuivers bedroeg.

Deze verklaring verschafte Jones de dankbetuigingen en lofspraken van het geheele gezelschap. Hij heette: „Een edele, grootmoedige, echte gentleman,” en zelfs de waard begon een gunstiger denkbeeld omtrent hem te koesteren en bijna te twijfelen aan hetgeen de gids van hem verteld had.

De sergeant had den heer Jones verteld dat zij op marsch waren tegen de rebellen, en dat zij waarschijnlijk aangevoerd zouden worden door den beroemden hertog van Cumberland. Hieruit zal de lezer zien (wat wij vroeger verzuimden mede te deelen), dat dit alles voorviel ten tijde toen de opstand ten gunste der Stuarts op zijn gevaarlijkst was, en inderdaad, de rooverbenden drongen nu uit Schotland in Engeland door, naar men meende, met het voornemen om ’s konings leger aan te vallen en tot de hoofdstad door te trekken.

Jones had iets krijgshaftigs in zijn karakter en was een hartelijke voorstander van de roemrijke zaak der vrijheid en der protestantsche leer. Geen wonder dus, dat in omstandigheden, welke een veel romantischer en dolzinniger onderneming gewettigd zouden hebben, de gedachte bij hem opkwam om als vrijwilliger aan dezen togt deel te nemen.

De bevelvoerende onderofficier had alles gezegd wat hij bedenken kon om deze loffelijke neiging aan te moedigen, zoodra hij zich verzekerd had dat ze bestond. Thans maakte hij het edele besluit van Jones luide bekend, dat ook met groot genoegen door het geheele gezelschap gehoord werd, terwijl allen riepen: „Leve de koning! Leve mijnheer!” en met vele vloeken er bij voegden: „Wij zullen u tot in den dood volgen!”

Een andere mijnheer die den heelen avond in de herberg had zitten drinken, werd door den korporaal overgehaald om het handgeld aan te nemen en om den togt mede te maken, en nu werd het reisvaliesje van den heer Jones op den bagagewagen geworpen en de troepen wilden zich juist in beweging stellen, toen de gids, Jones naderende, zeide:

„Mijnheer, ik hoop dat ge niet vergeten zult dat de paarden den heelen nacht uitgebleven zijn, en dat wij een grooten omweg hebben moeten maken!”

Jones stond verstomd over dezen onbeschaamden eisch, en legde de zaak aan de soldaten uit, die zich eenparig tegen den gids verklaarden, die het waagde een fatsoenlijk man te willen opligten. Sommigen zeiden dat hij verdiende krom gesloten te worden; anderen wilden hem door de spitsroeden doen loopen: en de sergeant zwaaide zijn stok tegen hem en wenschte dat hij hem maar onder zijne orders had, met een krachtigen vloek verklarende, dat hij hem tot een voorbeeld zou stellen.

Jones vergenoegde zich echter met eene negatieve bestraffing, en trok op met zijne nieuwe kameraden, aan den gids de armzalige wraak latende, om hem te verwenschen en uit te schelden,—aan welk laatste de waard ook deel nam, zeggende:

„Ja, ja! ’t Is me er een! Daar sta ik borg voor! Een lieve jongen, dat is waar, om soldaat te worden! Ja, ja, hij moet maar een mooijen rok dragen! ’t Is een oud woord en een waar woord, „dat het niet alles goud is, wat er blinkt!” Ik ben blijde dat ik hem hier uit het huis kwijt ben!”

Dien geheelen dag marscheerden de sergeant en de nieuwe soldaat zamen; en de eerste, die een slimme guit was, vertelde hem vele vermakelijke avonturen uit zijne veldtogten, hoewel hij er eigenlijk geene beleefd had; want hij was slechts onlangs in dienst getreden, en had zich, door zijne behendigheid, zoodanig in de gunst zijner officieren aanbevolen, dat hij sergeant was geworden, voornamelijk wegens zijne verdiensten in het rekruteren, waarin hij ook wezenlijk uiterst bedreven was.

Op marsch waren de soldaten buitengewoon vrolijk en opgeruimd; zij herdachten de vele avonturen in hunne laatste kwartieren, en iedereen bespotte, met de meeste vrijmoedigheid, zijne officieren, met grappen die niet fijn van aard waren en niet veel van lastertaal verschilden. Dit herinnerde onzen held aan de gewoonte van welke hij gelezen had onder de Grieken en Romeinen, die, bij zekere feestelijke en plegtige gelegenheden den slaven de vrijheid vergunden om op de meest ongedwongene wijze tot hunne meesters te spreken.

Het kleine leger, uit twee kompagniën infanterie bestaande, bereikte eindelijk de plaats waar men overnachten zou en de sergeant meldde nu aan den luitenant, die het bevel voerde, dat zij den vorigen dag op marsch nog twee kerels opgeloopen hadden, één van welke (bedoelende den dronkaard) een der knapste menschen was die hij ooit gezien had, want hij was bijna zes voet lang, welgemaakt en krachtig, terwijl de andere (Jones bedoelende) heel goed was voor het tweede gelid.

De rekruten werden nu aan den officier voorgesteld, die den zesvoeter bekeken hebbende, welke hem eerst gebragt werd, zich daarna tot Jones wendde; op het eerste gezigt van dezen kon de luitenant echter niet nalaten eenige verwondering te laten blijken; want behalve dat hij zeer goed gekleed was en eene natuurlijke fatsoenlijkheid over zich had, was er iets bijzonder waardigs in zijne houding, wat men zelden vindt onder het gemeene volk, maar wat inderdaad ook niet onafscheidelijk is van den rang hunner meerderen.

„Mijnheer,” zei de luitenant, „mijn sergeant vertelt me, dat gij verlangt dienst te nemen bij de kompagnie, welke ik op het oogenblik onder mijne bevelen heb;—als dat nu waar is, zullen wij zeer blijde zijn een heer daarin op te nemen, die de kompagnie eer zal aandoen door zich bij haar in te laten lijven.”

Jones hernam, „dat hij er volstrekt niet aan gedacht had dienst te nemen; dat hij echter vurig gehecht was aan de goede zaak voor welke zij gingen strijden, en dat het zijn wensch was als vrijwilliger mede te gaan.” Hij eindigde met eenige beleefde woorden aan den luitenant, waarbij hij zijn genoegen te kennen gaf om onder hem te mogen dienen.

De luitenant beantwoordde zijne beleefdheid op dezelfde wijze, roemde zijn besluit, gaf hem de hand en noodigde hem uit om met hem en de overige officieren te eten.

HOOFDSTUK XII.

DE AVONTUREN VAN EENIGE OFFICIEREN.

De luitenant, dien wij in het vorige hoofdstuk vermeldden, en die deze troep aanvoerde, was nu bijna zestig jaren oud. Hij was zeer jong in dienst gegaan, en was, als vaandrig, bij den slag bij Tannières geweest, waar hij twee wonden ontvangen en zich zoodanig onderscheiden had, dat hij dadelijk naden slag door den Hertog van Marlborough tot luitenant bevorderd was.

In dezen rang had hij sedert (dat is bijna veertig jaren) gediend, gedurende welken tijd hij ontelbare menschen had zien bevorderen, terwijl men hem voorbijging, en hij moest het nu verdragen dat jonge lieden hem kommandeerden, wier vaderen kinderen waren toen hij in dienst trad.

Deze tegenspoed in de dienst was niet alleen daaraan toe te schrijven, dat hij geene invloedrijke vrienden bezat. Hij had het ongeluk daarbij om den kolonel te mishagen, die vele jaren lang het bevel voerde over het regiment. Hij had zich den onverzoenlijken haat, welken deze heer hem toedroeg, niet op den hals gehaald door eenig pligtverzuim als officier, noch inderdaad door eenige schuld van zijn kant; maar alleen door de onvoorzigtigheid zijner vrouw, die zeer schoon was, en die, hoewel zij bijzonder veel van haar man hield, zijne bevordering niet koopen wildeten koste van zekere gunstbewijzen, welke de kolonel van haar eischte.

De arme luitenant was des te ongelukkiger, omdat, terwijl hij de uitwerkselen van de vijandigheid van zijn kolonel ondervond, hij nooit wist, noch vermoedde, dat die bestond; want hij kon geen onwil veronderstellen, waartoe hij zich niet bewust was op eenige wijze aanleiding gegeven te hebben, terwijl zijne vrouw, bevreesd voor hetgeen haar mans fijn eergevoel, geëischt zou hebben, zich te vreden stelde met hare deugd te bewaren, zonder op hare overwinning te pogchen.

Deze ongelukkige officier (want zoo, dunkt me, moet men hem heeten), bezat vele goede hoedanigheden behalve zijne verdiensten als krijgsman; want hij was godsdienstig, eerlijk, goedhartig en had zich zoo voortreffelijk gehouden in de dienst, dat hij hooggeacht en bemind was, niet slechts door de soldaten zijner eigene kompagnie, maar ook door het geheele regiment.

De andere officieren die met hem marscheerden waren een Fransche luitenant, die lang genoeg uit zijn eigen land geweest was om de Fransche taal te vergeten, maar niet lang genoeg in Engeland om de landtaal aan te leeren; zoo dat hij eigenlijk geene taal sprak en zelfs in dagelijksche zaken zich naauwelijks kon doen verstaan. Er waren ook twee vaandrigs, beide zeer jonge menschen, van wie de eene opgevoed was door een zaakwaarnemer en de andere de zoon was van de vrouw van den keldermeester van zekeren edelman.

Na afloop van de tafel, vertelde Jones van de grappen onder de soldaten op marsch, „en toch,” zeide hij, „in weerwil van al hun geschreeuw, geloof ik wel dat zij zich vóór den vijand, eerder als Grieken dan als Trojanen gedragen zullen.”

„Grieken en Trojanen!” riep een der vaandrigs. „Wie drommel zijn dat? Ik heb wel eens alle troepen in Europa hooren noemen,—maar die nooit!”

„Wend niet voor onwetender te zijn dan werkelijk het geval is, mijnheer Northerton,” zei de waardige luitenant. „Ge zult toch wel eens van de Grieken en van Troja gehoord hebben, ofschoon u welligt Pope’s vertaling van Homerus onbekend is, die, als ik me goed herinner, de Trojanen op marsch vergelijkt met eene vlugt kakelende ganzen, en de stilte der Grieken zeer roemt. En, wezenlijk, onze vrijwilliger heeft groot gelijk.”

„Par Dieu! Ik herinner mij goed,” zei de Fransche luitenant. „Ik heb gelezen van hen, in de school, dans Madame Dacier! Die Grieken en Trojanen,—oui, oui,—zij vochten om eene vrouw! Ik heb gelezen dat alles!”

„Naar de maan, met Homo—of hoe hij heet zeg, ik!” riep Northerton. „Ik draag nog likteekens van hem—niet juist op mijn rug! Daar hebt ge Thomas, van ons regiment, die heeft altijd zoo’n Homos op zak. Verdraaid, als ik er bij kom, als ik hem niet op het vuur smijt! Daar was ook nog Cordelius, een ander verwenscht duivelskind, die mij menig pak slagen bezorgd heeft!”

„Dus hebt ge toch school gelegen, mijnheer Northerton?” vroeg de luitenant.

„Wel, verd....!—Ja zeker!” hernam hij. „De drommel hale den ouden heer, dat hij mij er ooit heen zond! De oude man wilde een steek van mij maken; maar, verdraaid! dacht ik bij mij zelven, dat zal ik je wel afleeren, oude sul! Ge zult mij van je leven niemendal van jou onzin inprenten! Daar hebt ge ook nog Jaapje Oliver van ons regiment, die ter naauwernood er aan ontsnapte om steek te worden; de Satan zal mij halen, als hij niet een der knapste kerels ter wereld is;—maar hij lapte het den ouden heer beter dan ik;—want Jaapje kan lezen noch schrijven!”

„Gij roemt uw vriend zeer,” zei de luitenant, „en ik twijfel er niet aan dat hij het verdient; maar, Northerton, ik bid u, laat die dwaze gewoonte en vloek niet zoo veel, want ik verzeker u dat ge u vergist als ge het voor geestig of beleefd houdt. Ik wilde ook dat gij mijn raad wildet volgen, om niet altijd op de geestelijken te schelden. Scheldwoorden en minachting van een geheel corps zijn steeds onvergeefelijk; maar vooral als ze menschen gelden, die een heilig beroep uitoefenen; en ik laat het aan u over te oordeelen hoe ongerijmd zulk eene handelwijze is in mannen die juist te velde trekken om de protestantsche godsdienst te beschermen.”

De heer Adderly, zoo als de andere vaandrig heette, die tot dusver met de beenen op zijn stoel had zitten te schommelen, schijnbaar zonder naar het gesprek te luisteren, zeide nu:

„O, Monsieur, on ne parle pas de religion dans la guerre.”

„Heel goed, Jaap!” riep Northerton. „Als het alleen om de religion te doen was, dan konden de dominé’s voor mijn part zelve te velde trekken.”

„Ik weet niet hoe gij er over denkt, heeren,” zei Jones; „maar ik verbeeld me dat niemand eene heiligere zaak kan vinden dan die zijner godsdienst, en uit de weinige geschiedenis, welke ik gelezen heb, meen ik opgemerkt te hebben dat geene soldaten zoo dapper gestreden hebben als die, welke door godsdienstijver bezield zijn geweest;—wat mij betreft, hoewel, naar ik hoop, niemand vuriger dan ik gehecht is aan Koning en Vaderland, heeft de protestantsche zaak toch veel er toe bijgedragen om mij naar de wapenen te doen grijpen.”

Northerton knipoogde nu tegen Adderly en fluisterde hem stilletjes in het oor: „Wij moeten dien kwast eens uithooren, Adderly!” waarop hij zich tot Jones wendende, tot hem zeide: „Het doet me genoegen, mijnheer, dat gij ons regiment uitgezocht hebt om er als vrijwilliger bij te dienen; want als onze veldprediker soms eens een glaasje te veel gebruikt, zie ik dat gij hem best zult kunnen vervangen. Ik veronderstel, mijnheer, dat gij gestudeerd hebt;—mag ik zoo vrij wezen te vragen, welke akademie gij bezocht hebt?”

„Mijnheer,” hernam Jones, „verre van ooit eene hoogeschool bezocht te hebben, heb ik niet eens het geluk gehad, zoo als gij, op school te gaan.”

„Mijne veronderstelling was gegrond op de blijken van uwe groote geleerdheid,” riep de vaandrig.

„O, mijnheer,” hernam Jones; „het is even goed mogelijk dat men iets leere zonder op school te gaan, als het mogelijk is op school te gaan en er niets te leeren.”

„Bravo, jeugdige vrijwilliger!” riep de luitenant. „Op mijn woord, Northerton, ge zoudt wel doen met hem in rust te laten; want ge zijt niet tegen hem opgewassen.”

Northerton was zeer vertoornd over de ironie van Jones, maar gevoelde dat de terging niet groot genoeg was, om hem te regtvaardigen als hij die wreken wilde met een slag, of een „gemeene vent!” of een „schurk!” welke de eenige antwoorden waren, die hem invielen. Hij zweeg dus voor een oogenblik; maar besloot om de eerste gelegenheid waar te nemen om zich op Jones te wreken.

Deze was nu aan de beurt om een toast in te stellen, en hij kon niet nalaten den naam zijner beminde Sophia bij die gelegenheid te noemen. Dit deed hij des te onbeschroomder, daar hij zich niet verbeelden kon, dat het voor iemand der aanwezigen mogelijk zou zijn te gissen wie hij daarmede bedoelde.