Part 33
Daar Jones echter volhield, dat hij hem zien moest, gelukte het eindelijk een hardschreeuwenden knecht om hem te wekken, en hem de boodschap van Jones over te brengen. Zoodra de sergeant ze begreep, stond hij op, en daar hij al gekleed was, ging hij dadelijk mede. Jones achtte het niet raadzaam den sergeant zijn voornemen dadelijk mede te deelen, hoewel hij dit veilig had kunnen doen, daar de onderofficier zelf man van eer was en in een tweegevecht zijn man gedood had. Hij zou dus het geheim trouw bewaard hebben,—of eenig ander geheim, op welks ontdekking geen belooning uitgeschreven stond. Daar Jones echter, na zulke korte kennismaking, deze deugden niet kende, was zijne voorzigtigheid welligt prijzenswaardig en loffelijk.
Hij begon dus met den sergeant te zeggen dat, daar hij nu tot het leger behoorde, hij zich schaamde het noodzakelijkste werktuig van den soldaat, namelijk het zwaard, te missen, terwijl hij er bijvoegde, dat hij hem zeer dankbaar zou wezen, als hij hem er een kon verschaffen.
„Ik zal u er een redelijken prijs voor geven,” zeide hij, „en ik sta er niet op, dat het gevest van zilver zij, als de kling maar goed is en het een wapen is waarover een soldaat zich niet behoeft te schamen.”
De sergeant, die wel wist wat er gebeurd was en die gehoord had dat Jones in een zeer gevaarlijken toestand verkeerde, maakte dadelijk op uit zijne boodschap, zoo laat in den nacht, en van iemand in dien staat, dat hij wat ligt in het hoofd was. En daar de sergeant nog al bij de hand was, nam hij zich voor om zijn voordeel te doen met deze gril van den zieke.
„Mijnheer,” zeide hij, „ik meen dat ik u helpen kan. Ik heb een uitmuntend wapen hier. Het gevest is werkelijk niet van zilver, wat, gelijk gij zegt, een soldaat niet betamen zou; maar het ziet er toch heel goed uit en de kling is eene der beste in geheel Europa;—’t is eene kling die,—eene kling;—maar ik zal het zwaard dadelijk halen en gij kunt het zelf keuren.—Het doet me van harte genoegen te zien dat mijnheer zoo geheel en al weer genezen is.”
Hierop haalde hij dadelijk den degen en gaf dien aan Jones over, die hem uit de schede trok, den sergeant vertelde dat die goed was en hem verzocht den prijs daarvan te noemen.
De sergeant begon nu over de kostbaarheid van het wapen uit te weiden. Hij zeide (wat hij ook met een eed bekrachtigde), dat de kling op een Fransch officier van hoogen rang in den slag bij Dettingen veroverd was. „Ik greep het zelf van hem weg,” betuigde hij, „na hem de hersens ingeslagen te hebben. Het had toen een goud gevest. Dat verkocht ik aan een onzer groote heeren, want er zijn er, met uw verlof, die meer prijs stellen op het gevest dan op de kling.”
Hier viel hem de andere in de rede en verzocht hem maar den prijs te bepalen. De sergeant, die dacht dat Jones bepaaldelijk ligt in het hoofd was, en spoedig sterven zou, vreesde zich te benadeelen door te weinig te vragen. Na een oogenblik geaarzeld te hebben, vroeg hij dan slechts twintig guinjes, zwerende dat hij het zijn eigen broeder niet goedkooper laten zou.
„Twintig guinjes!” riep Jones verbaasd. „Ge houdt me zeker voor krankzinnig, of verbeeldt u dat ik nooit van mijn leven een kling gezien heb! Twintig guinjes! Wel! Ik dacht niet dat gij trachten zoudt mij te bedriegen! Hier—neem den degen maar weder mede! Neen! Ik bedenk me:—ik zal het wapen zelf bewaren en het morgen vroeg den luitenant laten zien en hem zeggen welken prijs gij er voor gevraagd hebt!”
De sergeant, die, gelijk wij reeds gezegd hebben, zeer bij de hand was, en nu duidelijk inzag dat Jones niet zoo gek was als hij zich verbeeld had, veinsde nu evenzeer verwonderd te zijn als de andere en zeide: „Mijnheer, ik ben overtuigd dat ik u niet te veel gevraagd heb. Gij moet ook bedenken, dat het de eenige degen is, dien ik bezit, en ik moet de kans loopen van de ontevredenheid van mijn officier op te wekken door zelf ongewapend te gaan. Als gij dit alles in aanmerking neemt, geloof ik waarlijk niet dat twintig shillings te veel is.”
„Twintig shillings!” riep Jones. „Wel! straks vroegt ge me twintig guinjes!”
„Hoe!” riep de sergeant. „Mijnheer heeft me zeker verkeerd verstaan,—of ik heb me versproken,—en inderdaad, ik ben nog maar half wakker;—twintig guinjes! Wel! Geen wonder dat mijnheer zoo driftig werd! Ik zou twintig guinjes vragen? Neen, neen, ik bedoelde twintig shillings, dat verzeker ik u. En als mijnheer alles in aanmerking neemt, hoop ik dat hij dat niet te veel zal vinden. ’t Is wel waar, dat men een wapen dat er even goed uitziet, voor minder geld kan krijgen,—maar—”
Hier viel Jones hem in de rede met te zeggen: „Ver van daarover te kibbelen, zal ik u een shilling meer geven dan gij vraagt.”
Hij betaalde hem daarop een guinje, beval hem weder naar bed te gaan, en wenschte hem goede reis, er bijvoegende dat hij hoopte hen in te halen eer zij Worcester bereikt hadden.
De sergeant nam zeer beleefd afscheid van hem, zeer voldaan over zijn handel, en niet weinig tevreden over de behendigheid, waarmede hij zich gered had uit de valsche positie, waarin zijne overtuiging van de zwakheid van hoofd van den zieke hem gebragt had.
Zoodra de sergeant weg was, stond Jones op en kleedde zich geheel aan, zonder den rok te vergeten, die licht van kleur zijnde, zeer duidelijk de bloedvlekken vertoonde, welke er op gevallen waren, en daarop, met het nieuw gekochte wapen in de hand, was hij op het punt van zijne kamer te verlaten, toen hij zich begon te herinneren, dat hij welligt op het punt was van binnen weinige minuten een mensch van het leven te berooven, of om zelf het zijne te verliezen.
„En,” vroeg hij zich zelven af, „in welke zaak waag ik mijn leven? Wel, in die der eer! En wie is mijn vijand? Een schelm die mij beleedigd en mishandeld heeft, zonder eenige aanleiding van mijn kant. Maar is de wraak niet door den Hemel verboden?—Ja; maar ze wordt door de wereld aanbevolen. Moet ik echter de wereld, tegen de bepaalde voorschriften van den Hemel, gehoorzamen? Zou ik me den goddelijken toorn op den hals halen, liever dan me te hooren uitschelden voor—een lafaard,—een laaghartige?—Bah! Ik wil er niet meer over nadenken;—ik heb mijn besluit genomen:—hij moet met mij vechten!”
De klok had nu den middernacht aangekondigd en iedereen in huis sliep, behalve de schildwacht bij Northerton’s deur, toen Jones zachtjes uit zijne kamer tredende, er op uitging om zijn vijand te zoeken, omtrent wiens verblijf hij van den knecht de meest voldoende inlichtingen verkregen had. Men kan zich niet ligt eene schrikwekkender gestalte voorstellen dan de zijne op dit oogenblik. Hij droeg, gelijk wij zeiden, een lichtkleurigen jas, met bloed bevlekt. Zijn gezigt, hetwelk dat bloed miste, en twintig ons op den koop toe, door den heelmeester afgetapt, was doodsbleek. Rondom zijn hoofd was een groot verband gewikkeld, dat er als eene soort van tulband uitzag. In de regterhand voerde hij een sabel; in den linker een blaker. De bebloede verschijning van Banquo was niets, bij hem vergeleken. Wezenlijk, ik geloof niet dat er ooit op een kerkhof, of in de verbeelding van eenige goede menschen, die in Somersetshire bij het Kersvuur bij elkaar zitten, eene verschrikkelijker verschijning opgeroepen werd.
Toen de schildwacht onzen held uit de verte zag naderen, begon zijn haar langzamerhand zijn beerenmuts van zijn hoofd op te ligten, en op hetzelfde oogenblik sloegen zijne knieën tegen elkaar aan. Straks begon hij over het heele lijf te beven, erger dan in een vlaag van de koorts. Hij schoot toen zijn geweer af en wierp zich plat op het aangezigt neder.
Ik neem niet op me te zeggen, of vrees of moed hem vuur deed geven,—evenmin of hij op den naderende aanlegde. Als hij dat deed, echter, had hij het geluk om mis te schieten.
Toen Jones den kerel zag vallen, begreep hij de reden van zijn angst, en kon een glimlach niet bedwingen, terwijl hij volstrekt niet aan het gevaar dacht, waaraan hij pas ontsnapt was. Hij liep hem toen voorbij, zonder dat de soldaat zich verroerde en trad de kamer binnen, waar, gelijk hij vernomen had, Northerton in arrest zat. Dáár, in de meest volstrekte eenzaamheid, vond hij—eene leêge bierkan op de tafel, waarop wat vocht gestort was, zoodat het er uitzag, alsof de kamer onlangs bewoond was geweest; maar voor het oogenblik was ze geheel leeg.
Jones dacht dat ze toegang verschafte tot een ander vertrek; maar toen hij ze rondzag, ontdekte hij geene andere deur dan die door welke hij binnen gekomen was, en waar de schildwacht gestaan had. Hij riep nu Northerton herhaaldelijk bij zijn naam, wat echter tot niets diende dan om de schildwacht in zijn angst te bevestigen, die nu overtuigd was dat de vrijwilliger gestorven was aan zijne wonden en dat zijn geest gekomen was om den moordenaar te halen; hij bleef dus liggen, door den angst gefolterd, en ik wenschte van ganscher harte, dat eenige van die tooneelspelers, die de rol van een doodelijk verschrikt mensch te spelen hebben, hem gezien hadden, ten einde de natuur trouw te kunnen navolgen, in plaats van allerlei bespottelijke streken en gebaren te gebruiken, die de toeschouwers in de galerij tot vermaak en vreugde strekken.
Toen onze held begreep dat de vogel gevlogen was, of ten minste, toen hij wanhopen moest om hem te vinden, en te regt bevreesd werd, dat het geheele huis door het schot in rep en roer zou gebragt worden, blies hij zijne kaars uit, en sloop weder zachtjes naar zijne kamer en naar zijn bed, wat hem niet gelukt zou zijn zonder ontdekt te worden, als er iemand anders in dat gedeelte van het huis gelogeerd had dan één mijnheer, die door de jicht aan zijn bed gekluisterd was; want eer hij zijne kamer bereikte, was de gang, waar de schildwacht gestaan had, volgepropt met menschen, sommigen slechts half gekleed, en allen elkaar met belangstelling vragende, wat er te doen was?
Men vond nu den soldaat in dezelfde positie liggen, waarin wij hem gelaten hebben. Terwijl eenigen zich moeite gaven om hem weder op de beenen te helpen, hielden anderen hem voor dood, maar zagen spoedig hunne vergissing in: want hij worstelde niet slechts tegen diegenen die hem aanpakten, maar begon ook als een stier te brullen. Hij verbeeldde zich dan ook werkelijk, dat booze geesten of duivels hem aanpakten; want zijne verbeelding, vervuld met den schrik voor het spook, herschiep alles wat hij zag of gevoelde, in geesten en schimmen.
Eindelijk, door de overmagt vermeesterd, werd hij op de beenen gezet, en toen men licht bragt, en hij een stuk of wat van zijne kameraden aanwezig zag, bedaarde hij een weinig. Zoodra men hem echter vroeg wat hem scheelde, antwoordde hij:
„Ik ben er om koud,—dat is zeker! Ik ga dood, daar kunt ge op aan! Ik kan er niet van opkomen. Ik heb hem gezien!”
„Wien hebt ge gezien, Jaap?” vroeg een der soldaten.
„Wel! den jongen vrijwilliger, die gisteren dood geslagen werd!” En nu, met eene reeks verschrikkelijke vloeken, hield hij vol met te verklaren, dat hij den vrijwilliger gezien had, bloedende uit zijne wonden, vuur spuwende uit den mond en de neusgaten, en dat hij hem voorbijgegaan was naar de kamer van den heer Northerton, waar hij dien officier bij de keel vatte en onder een zwaren donderslag met hem verdwenen was.
Dit verhaal werd met groote graagte door de toehoorders verslonden. Alle vrouwen die aanwezig waren, hechtten er vast geloof aan, en baden den hemel haar voor een moord te bewaren. Onder de mannen vond het verhaal ook geloof; hoewel sommigen er om spotten en een sergeant die tegenwoordig was, zeer koelbloedig zeide:
„Kereltje, gij zult er nog meer van hooren dat ge op post in slaap valt en droomt!”
De soldaat hernam: „Gij kunt me natuurlijk straffen, als gij dat verkiest; maar ik was even wakker als op dit oogenblik, en de duivel hale mij, even als hij den vaandrig gehaald heeft, als ik den vermoorde niet zag, zoo als ik u verteld heb, met oogen zoo groot en gloeijende als fakkels!”
De opperbevelhebber van de troepen en de vrouw van het huis waren inmiddels beide aangekomen; want de eerste, die wakker was geweest, had het schot gehoord, en hield het voor pligt om dadelijk op te staan, hoewel hij geen groot kwaad vermoedde, terwijl de andere grooten angst uitstond dat hare lepels en vorken, zonder order, op marsch konden gaan.
De arme schildwacht, die evenzeer schrikte bij het verschijnen van zijn officier als bij dat van het spook, dat hij pas gezien had, herhaalde nu weder zijne verschrikkelijke geschiedenis, met bijvoeging van nog meer bloed en vuur; maar zonder het geluk te hebben geloof te vinden bij deze beide personen; want de officier, hoewel een godsdienstig mensch, kende geen bijgeloof van dezen aard, en Jones zoo pas verlaten hebbende in den toestand die ons bekend is, kon hij ook volstrekt niet denken dat hij dood was. Wat de waardin betreft, hoewel zij niet zeer vroom van aard was, gevoelde zij geen afkeer van de leer der spoken; maar er was ééne omstandigheid in het verhaal, die zij wist dat niet waar was,—zoo als de lezer straks vernemen zal.
Maar hetzij Northerton te midden van donder en vuur verdwenen was, of hoe ook, het bleek nu ten duidelijkste dat hij niet meer te vinden was. En nu maakte de luitenant eene gevolgtrekking, die niet zeer veel verschilde van die, welke wij pas van den sergeant vermeld hebben, en beval dadelijk den schildwacht in arrest te zetten. Dus, door eene wonderlijke ommekeer van zaken (wat echter niet zeer vreemd is in het militaire leven), werd de bewaker nu de bewaakte.
HOOFDSTUK XV.
SLOT VAN HET VORIGE AVONTUUR.
Behalve dat de luitenant den armen schildwacht verdacht van geslapen te hebben, koesterde hij nog een ergere verdenking tegen hem, namelijk, dat hij zich aan ontrouw schuldig gemaakt had; want terwijl hij geen woord geloofde van het verhaal omtrent de verschijning, verbeeldde hij zich dat het alles bedacht was ten einde hem te bedriegen, en dat de soldaat wezenlijk door Northerton omgekocht was, om hem te laten ontsnappen. Dit scheen te waarschijnlijker, daar de angst hem zeer onnatuurlijk voorkwam bij iemand, die den naam had van een der dapperste mannen van het geheele regiment te zijn, die meermalen in het vuur was geweest, verscheidene wonden ontvangen had, en in één woord, zich steeds met de meeste dapperheid gekweten had.
Ten einde den lezer te beletten een verkeerd denkbeeld op te vatten omtrent zoo iemand, zullen wij er dadelijk toe overgaan, om hem van allen blaam te zuiveren.
Wij hebben reeds gezegd dat de heer Northerton ruimschoots voldaan was met den roem welken hij in deze zaak behaald had. Hij had ook welligt ondervonden, of gehoord, of gegist, dat de nijd den roem steeds vergezelt. Niet dat ik hier te kennen geven wilde, dat hij als een echte Heiden geneigd was aan de Godin Nemesis te gelooven, of haar te aanbidden;—want, ik ben wezenlijk overtuigd, dat hij haar nooit had hooren noemen. Maar hij was zeer levendig van aard, en gevoelde een sterken tegenzin in de geslotene winterkwartieren op het kasteel te Gloucester, waar de regter hem welligt opsluiten zou. Hij was ook niet geheel vrij van sommige pijnlijke overdenkingen, betreffende zeker houten stellaadje, dat ik niet noemen wil, uit achting voor de menschen, die, naar ik me verbeeld, die uitvinding eerder prijzen dan zich daarover schamen moesten, daar ze van meer nut is, of van meer nut kon zijn voor de maatschappij, dan bijna elke andere openbare instelling. Met één woord, om geene verdere redenen voor zijn gedrag op te sporen, de heer Northerton verlangde reeds dien avond te vertrekken, en niets bleef hem over dan de wijze te beramen hoe dat gedaan te krijgen, wat wel eenigzins moeijelijk scheen.
Nu was deze jonge heer, hoewel eenigzins scheef van karakter, volmaakt regt van gestalte, en daarbij sterk en welgevormd. Zijn gelaat werd ook door de meeste vrouwen schoon gevonden, want het was gevuld en blozend, met redelijk schoone tanden. Zulke bekoorlijkheden moesten wel indruk maken op de waardin, die veel ophad met deze soort van schoonheid. Zij gevoelde ook opregt medelijden met den jongeling, en toen zij van den heelmeester vernam dat het slecht stond met den vrijwilliger, begon zij te vermoeden dat het niet best zou afloopen voor den vaandrig. Zij kreeg dus verlof om bij hem te gaan, en vond hem in eene zeer droevige stemming, die zij niet weinig verergerde door hem te vertellen, dat er weinig hoop bestond om den vrijwilliger het leven te redden, waarop zij hem eenige wenken gaf, welke de andere dadelijk en gaarne begreep, zoo dat zij elkaar spoedig verstonden, en men eindelijk overeen kwam dat de vaandrig op zeker teeken wachten zou om in den schoorsteen te klimmen, die met dien van de keuken ineen liep, waar hij naar beneden kon dalen, terwijl zij hem de gelegenheid daartoe zou geven, door daar ruim baan voor hem te houden.
Opdat onze lezers echter, die in karakter van haar verschillen, niet deze gelegenheid onbedachtzaam te baat nemen om alle medelijden als dwaasheid te veroordeelen, wijl het der menschelijke zamenleving zeer nadeelig kan zijn, moeten wij nog eene andere bijzonderheid vermelden, welke, mogelijk, ook iets tot deze zaak bijdroeg. De vaandrig bezat toevallig op dit oogenblik de som van vijftig pond sterling, welke echter aan de kompagnie toebehoorde; want de kapitein, die twist had met den luitenant, had de betaling van de kompagnie aan den vaandrig opgedragen. Hij vond evenwel goed dit geld in handen der waardin te stellen, welligt bij wijze van borgstelling dat hij later terug komen zou, om op alle beschuldigingen tegen hem ingebragt, te antwoorden; maar, onder welke voorwaarde ook, zeker is het, dat zij het geld en dat de vaandrig zijne vrijheid kreeg.
De lezer zal welligt verwachten, uit den medelijdenden aard van deze goede vrouw, dat, toen zij zag hoe de arme schildwacht in arrest gezet werd voor een feit, waaraan zij wel wist dat hij onschuldig was, zij ook dadelijk voor hem in de bres sprong; maar, of zij reeds al haar medelijden uitgeput had, of dat de gelaatstrekken van den soldaat, die zeer veel verschilden van die van den vaandrig, haar medelijden niet opwekken konden, wil ik niet beslissen; maar ver van tusschenbeide te komen, ten behoeve van dezen gevangene, drong zij op zijne schuldigverklaring aan bij den officier, met opgehevene blikken en handen betuigende, dat zij, om alles ter wereld, niets zou willen bijdragen om een moordenaar te helpen ontvlugten.
De rust was nu eindelijk hersteld en de meeste menschen keerden naar hun bed terug; maar de waardin, die, hetzij uit aangeborene levendigheid van aard, of uit vrees voor haar tafelzilver, zich niet geneigd voelde om te slapen, haalde de officieren over, daar zij binnen een uur op marsch moesten gaan, om dien tijd bij haar te slijten, onder een glas punch.
Jones was inmiddels wakker gebleven, en had veel van de drukte en het rumoer in huis gehoord, en was nu nieuwsgierig eenige bijzonderheden dienaangaande te vernemen. Hij greep dus naar het schellekoord, waaraan hij minstens twintigmaal vruchteloos trok, want de waardin had het zoo druk met haar vrolijk gezelschap, dat geen geklep dan het hare hoorbaar was, en de knecht en de werkmeid, die zamen zaten in de keuken,—want hij durfde niet alleen opblijven en zij niet alleen naar bed gaan,—werden hoe langer hoe angstiger naarmate de bel harder luidde, en bleven, als het ware, op hunne plaatsen vast gespijkerd.
Eindelijk, bij eene gelukkige pauze in het gesprek, bereikte het geluid der schel de ooren der goede waardin, die dadelijk de stem verhief, waarop hare beide dienstboden zamen verschenen.
„Jozef,” zei de vrouw, „hoort ge niet dat mijnheer schelt? Waarom gaat ge niet naar boven?”
„’t Is mijn werk niet,” hernam de knecht, „om op de slaapkamers te bedienen. Dat is de dienst van Bet!”
„Wat dat betreft,” hernam de meid; „’t is mijne dienst niet bij de heeren op de slaapkamer te komen. Ik heb het wel eens gedaan, dat is waar;—maar ik bedank er verder voor om dat ooit weder te doen, nu dat door Jozef van me gevergd wordt!”
Daar de schel steeds nog luide klonk, geraakte de huisvrouw in blakende drift, en zwoer dat als de knecht niet dadelijk naarboven ging, zij hem op staanden voet wegjagen zou.
„Als ge dat wilt doen, jufvrouw,” zeide hij, „kan ik het niet beletten. Maar ik wil het werk der andere dienstboden niet doen.”
Daarop wendde zich de waardin tot de meid en trachtte haar door zachtheid over te halen; maar te vergeefs. Bet bleef even onverbiddelijk als Jozef. Beiden bleven volhouden dat het hun werk niet was en dat zij het niet wilden doen.
De luitenant begon hier te lagchen en zeide: „Kom, ik zal maar een einde aan dezen twist maken!” en zich daarop tot de dienstboden wendende, roemde hij hunne standvastigheid, dat zij bij hun gevoelen bleven; maar voegde er bij, dat hij overtuigd was, dat als de eene ging, de andere hem vergezellen zou. Dit voorstel werd dadelijk aangenomen; zij gingen dus zeer vriendschappelijk en digt naast elkaar naar boven. Zoodra zij weg waren, bragt de luitenant den toorn der waardin tot bedaren, door haar uit te leggen om welke reden zij ongeneigd waren alleen te gaan.
Zij keerden spoedig terug en meldden aan hunne meesteresse dat de zieke mijnheer, verre van dood te zijn, even krachtig scheen als een gezond mensch en de complimenten zond aan den luitenant, met beleefd verzoek dat hij hem bezoeken wilde voor zijn vertrek.
De goede luitenant voldeed dadelijk aan dezen wensch en plaats nemende naast zijn bed, beschreef hij hem het tooneel dat beneden in huis voorgevallen was, eindigende met zijn vast besluit te kennen te geven, om de schildwacht zeer streng te straffen.
Hierop maakte hem Jones met de geheele waarheid bekend, en smeekte hem ernstig den armen soldaat niet te straffen, „die,” zeide hij, „daarvan ben ik overtuigd, even onschuldig is aan de ontvlugting van den vaandrig als aan eenige onwaarheid of poging ten deze om u te bedriegen.”
De luitenant aarzelde een oogenblik en hernam daarop:
„Nu dat gij hem van een gedeelte der beschuldiging vrij gepleit hebt, zal het onmogelijk wezen hem van het overige te overtuigen, daar hij de eenige schildwacht heden avond niet geweest is. Maar ik heb grooten lust den schelm voor zijne lafhartigheid te straffen. Evenwel, wie kan de uitwerking van de vrees op zulk een verstand als het zijne, nagaan? En werkelijk, vóór den vijand, heeft hij zich steeds goed gehouden. Kom aan! Het is goed als men eenig blijk van godsdienstigheid bij deze soort van menschen ziet;—dus beloof ik u dat hij in vrijheid gesteld zal worden zoodra wij van hier afmarscheren. Maar, luister! Daar slaat het appel! Laat me u nog eenmaal omhelzen, waarde jongen! Ge moet u niet opwinden of ongerust worden; maar de christelijke deugd van geduld beoefenen, en ik sta u borg, dat ge spoedig in staat zult wezen om u regt te verschaffen en u op eene eervolle wijze te wreken op den kerel die u beleedigd heeft.”
De luitenant vertrok met deze woorden en Jones trachtte wat rust te nemen.
BOEK VIII.
Bevat een tijdvak van meer dan twee dagen.
HOOFDSTUK I.
EEN VERBAZEND LANG HOOFDSTUK OVER HET WONDERBAARLIJKE;—VERREWEG HET LANGSTE INLEIDENDE HOOFDSTUK IN HET GEHEELE WERK.