Chapter 66 of 84 · 3944 words · ~20 min read

Part 66

Daar vele heeren, dezer dagen, alleen door middel van de verbazende kracht van hun genie, en misschien wel zelfs zonder goed te kunnen lezen, eene mooije rol gespeeld hebben in de republiek der letteren, hebben de recensenten, naar ik verneem, beweerd, dat alle geleerdheid overvloedig is bij een schrijver, en inderdaad niets anders dan eene soort van boeijen voor de aangeborene levendigheid en vlugheid van de verbeelding, die daardoor gedrukt wordt en belet om zich te verheffen in die hooge vlugt, welke zij anders nemen zoude.

Deze leer wordt, vrees ik, heden ten dage overdreven; want waarom zou het schrijven zoo veel verschillen van alle andere kunsten? De vlugheid van den dansmeester wordt niet benadeeld als men hem leert hoe zich te bewegen, en, naar ik meen, is er geen werkman, die een slechter gebruik maakt van zijne werktuigen, omdat hij ze heeft leeren hanteren.

Wat mij betreft, ik begrijp niet, dat Homerus of Virgilius met meer vuur zouden geschreven hebben, als zij, in plaats van meester te zijn van al de geleerdheid van hunne eeuw, even onwetend waren geweest als de meeste schrijvers uit onze dagen. Ik geloof ook niet dat de rijke verbeelding, het vuur en het oordeel van Pitt die redevoeringen zouden in de wereld gebragt hebben, welke onzen senaat dezer dagen tot een mededinger in welsprekendheid van Griekenland en Rome gemaakt hebben, als hij niet zoo te huis ware geweest in de geschriften van Demosthenes en Cicero, dat hij hun geheelen geest in zijne redevoeringen weêrgaf,—en met hun geest, ook hunne kennis.

Men moet dit niet opvatten alsof ik dezelfde mate van geleerdheid eischte bij mijne collega’s, als die welke Cicero eischt om een redenaar te vormen. Integendeel, ik geloof dat de dichter zeer weinig lektuur noodig heeft, de recensent nog minder, en de staatsman het minste van allen. Voor den eerste is welligt de „Dichtkunst” van Bysshe voldoende, met eenige onzer hedendaagsche poëten; voor den tweede, een redelijk stapeltje tooneelstukken, en voor den laatste, een pakje staatkundige journalen.

Om de waarheid te zeggen, eisch ik niets anders dan dat de mensch eenige weinige kennis hebbe van het onderwerp dat hij behandelt, volgens de oude regtsgeleerde stelling: quam quisque norit artem, in ea se exerceat. Met dit alleen kan een schrijver tamelijk wel volstaan;—en zonder dit, zal hem inderdaad alle andere geleerdheid ter wereld weinig baten.

Laat ons, bij voorbeeld, veronderstellen, dat Homerus, Virgilius, Aristoteles, Cicero, Thucydides en Livius bij elkaar hadden kunnen komen, en al hunne verscheidene gaven zamen smelten, om eene verhandeling over de danskunst te schrijven;—dan geloof ik toch, dat men geredelijk toestemmen zal, dat zij de uitstekende verhandeling niet geëvenaard zouden hebben, die de heer Essex over dit onderwerp geleverd heeft onder den titel van „De eerste grondbeginselen eener fatsoenlijke opvoeding.” En, werkelijk, als men den uitmuntenden heer Broughton er toe brengen kon om de vuist op het papier te zetten en bovengenoemde „eerste grondbeginselen” te volmaken, met de ware leer der Athletica, twijfel ik of de wereld reden zou hebben te betreuren, dat geen der groote schrijvers, oud of nieuw, die edele en nuttige kunst behandeld hebben.

Ten einde geen tal van voorbeelden aan te halen bij een geval, dat zoo duidelijk is, en om dadelijk tot de zaak te komen, ben ik geneigd te gelooven, dat ééne der redenen waarom het zoovelen Engelschen schrijvers mislukt is om de manieren van de groote wereld te beschrijven, waarschijnlijk is, dat zij werkelijk er niets van weten.

Ongelukkig is dit ook eene kennis, welke buiten het bereik van vele schrijvers ligt. De boeken geven er ons slechts een zeer onvolkomen denkbeeld van, en het tooneel niet veel meer; de enkele heeren die zich naar de eerste vormen, zullen meestal pedanten worden, en hij, die zich naar het laatste vormt, wordt een kwast.

De karakters naar deze voorbeelden geteekend, worden ook niet beter volgehouden. Vanburgh en Congreve copieerden de natuur; maar zij die hen copiëren, geven even weinig van de tegenwoordige eeuw terug, als Hogarth doen zou, indien hij een gezelschap of eene partij afbeeldde in de kostumen van Titiaan of van Van Dyk. Met één woord, het is niet voldoende om hier na te volgen. De schilderij moet naar de natuur zelve wezen. De ware wereldkennis wordt verkregen alleen door den omgang met menschen, en men moet de manieren der verschillende standen zien, om ze te leeren kennen.

Nu is echter het geval dat deze hoogere klasse der stervelingen niet te zien is als de overige leden van het menschelijke geslacht, om niet, op straat, in de winkels en koffijhuizen;—zij worden ook niet vertoond als vreemde dieren, tegen zoo of zooveel per stuk. Om kort te gaan, dit is een gezigt, waarbij niemand toegelaten wordt, zonder eene der volgende gaven:—namelijk geboorte of rijkdom;—of wat met beiden gelijk staat,—het eervolle beroep van speler. En, tot ongeluk van de wereld,—geven zich menschen, die deze vereischten hebben, zelden de moeite om het minvoordeelige beroep van schrijver op zich te nemen,—wat gewoonlijk overblijft voor de mindere en meer armoedige klasse,—daar het een beroep is, dat velen zich verbeelden zonder eenig kapitaal te kunnen drijven.

Vandaar die wonderlijke monsters in kant en borduurwerk, in zijde en satijn, met reusachtige pruiken en hoepelrokken, die, onder de benaming van Lords en Ladies, zich op het tooneel vertoonen, tot groot vermaak der procureurs en hunne klerken in het parterre, en der burgers en hunner leerjongens in de galerij, en die even weinig te vinden zijn in het werkelijke leven als de Centaurus, de Chimera, of eenige andere schepping der verdichting.

Maar, om den lezer in een geheim in te wijden: de kennis der groote wereld, hoe noodzakelijk ook, ten einde vergissingen te voorkomen, levert niet veel op voor iemand die blijspelen schrijft, of die soort van novellen, welke, zooals deze van mij, tot het komieke genre behooren.

Hetgeen Pope zegt van de vrouwen, is zeer toepasselijk op de meeste menschen in dezen stand, die inderdaad, zoo zeer gemaakt en vol vormen zijn, dat zij hoegenaamd geen merkbaar karakter bezitten. Ik waag zelfs te verklaren, dat het leven in de groote wereld verreweg het vervelendste is, en zeer weinig humor of vermaak oplevert. De verschillende beroepen in de lagere standen brengen, de grootste verscheidenheid van humoristische karakters te voorschijn; terwijl in de hoogere kringen, behalve de weinige eerzuchtigen, en de nog minder talrijke najagers van het genoegen, alles ijdelheid en slaafsche navolging blijft. Zich kleeden, spelen, eten en drinken, buigen en neigen, zijn de hoofdbezigheden van het leven.

Er zijn echter sommigen in dezen stand, op wie de hartstogten hunne dwingelandij uitoefenen, en hen ver buiten de grenzen slepen, door de welvoegelijkheid gesteld;—en onder dezen onderscheiden zich de dames evenzeer door edele stoutmoedigheid en zekere hooghartige minachting der deugd, van de zwakke vrouwen van den minderen stand, als eene deugdzame vrouw van hoogen rang door de sierlijkheid en fijnheid harer gevoelens verheven is boven de eerlijke vrouw van den pachter of den winkelier. Lady Bellaston was iemand van dezen onversaagden aard; maar mijne lezers op het platte land moeten daaruit niet opmaken, dat zulks het algemeen gedrag is der vrouwen in den hoogeren stand, of dat wij het als zoodanig hebben willen voorstellen. Men zou even goed zich kunnen verbeelden dat Thwackum de vertegenwoordiger was van alle predikanten, en de vaandrig Northerton die van alle krijgslieden.

Er bestaat inderdaad geene grootere dwaling, dan die welke algemeen heerscht onder het volk, hetwelk zijne meening vormende uit de werken van sommige onwetende hekeldichters, deze eeuw als bij uitstek losbandig beschouwen. Integendeel: ik ben vast overtuigd, dat er nooit minder zucht naar liefdes-intrigues heerschte onder de groote luî dan heden ten dage. Onze hedendaagsche vrouwen hebben van hare moeders geleerd, om hare gedachten te vestigen op eerzucht en ijdelheid, en om de genoegens der liefde te minachten, als harer onwaardig, en later, juist door de zorg harer moeders, uitgehuwd zijnde, zonder eigenlijk mannen te bezitten, schijnen zij tamelijk goed overtuigd van de juistheid dezer gevoelens, en stellen zich, voor het overige vervelende gedeelte van haar leven tevreden, met het najagen van vermaken, die wèl onschuldiger, maar, naar ik vrees, ook kinderachtiger zijn, en welker bloote vermelding hier slecht passen zou met de waardigheid dezer geschiedenis. Volgens mijn nederig gevoelen, is het ware kenmerk der hedendaagsche groote wereld, eerder dwaasheid dan ondeugd, en de eenige bijnaam, welken zij verdient, is die van „beuzelachtig.”

HOOFDSTUK II.

BEVATTENDE BRIEVEN EN ANDERE LIEFDE-ZAKEN.

Jones was pas te huis gekomen toen hij den volgenden brief ontving:

„Ik ben nooit van mijn leven meer verbaasd geweest, dan toen ik ontdekte dat gij weggegaan waart. Toen gij de kamer verliet, verbeeldde ik me volstrekt niet, dat gij het huis ook zoudt verlaten zonder mij gezien te hebben. Uw gedrag is zeer consequent en leert me hoezeer ik een hart minachten moest, dat dweept met een onnoozel meisje;—schoon ik haast niet weet wat ik meer bewonderen moet,—hare sluwheid of hare eenvoudigheid:—beiden zijn verbazend! Want hoewel zij geen woord begreep van hetgeen tusschen ons voorviel, heeft zij toch de handigheid, de onbeschaamdheid,—de—hoe zal ik het noemen?—om mij in het aangezigt vol te houden, dat zij u noch kent, noch ooit van te voren gezien heeft!

„Was dit een reeds tusschen u beraamd plan? Hebt gij de laagheid gehad om mij te verraden?—O, wat veracht ik haar, u en de geheele wereld,—maar voornamelijk mijzelve, die,—maar ik durf datgene niet opschrijven, wat mij tot waanzin zou brengen, als ik het herlas! Vergeet echter niet dat ik even bitter haten als teeder beminnen kan!”

Jones had slechts weinig tijd gehad om over dezen brief na te denken, toen hem een tweede gebragt werd, van dezelfde hand, en dezen geven wij ook woordelijk:

„Als ge u de ontroering voorstelt, waarin ik u schreef, zult gij u niet verwonderen over eenige uitdrukkingen in mijn laatste briefje.—Bij nader inzien, kan het zijn, dat ze wat al te driftig waren.—Ik wilde ten minste, zoo mogelijk, alles toeschrijven aan die akelige komedie en aan de lastigheid van een gek, die me langer van huis hield, dan ik gedacht had. Hoe gemakkelijk valt het niet, wèl te denken van hen die wij beminnen!—Misschien verlangt gij dat ik zóó over u denken zou? Ik heb besloten u heden nacht nog te zien.—Kom dus dadelijk bij mij!

„P.S. Ik heb voor niemand anders te huis gegeven dan voor u.

„P.S. De heer Jones mag er op rekenen dat ik hem in zijne verdediging bijstaan zal; want ik geloof niet dat hij meer verlangend kan wezen om mij te bedriegen, dan ik om bedrogen te worden.

„P.S. Kom onmiddellijk!”

Mannen, die aan intrigues gewoon zijn, mogen beslissen of de toornige of de teedere brief Jones het meest verontrustte. Zeker is het, dat hij geene hevige neiging gevoelde om dien avond eenig bezoek af te leggen, tenzij bij ééne persoon. Evenwel, beschouwde hij zich als door zijn eer verpligt, en al ware dit geen voldoende beweegreden geweest, zou hij het niet gewaagd hebben, Lady Bellaston tot die drift aan te hitsen, waartoe hij haar in staat achtte, en welker gevolg, naar hij vreesde, eene ontdekking zou wezen aan Sophia, welke hij boven alles ter wereld duchtte. Na eenige malen dus knorrig in de kamer heen en weer geloopen te zijn, maakte hij zich juist gereed om te vertrekken, toen de dame hem vriendelijk voorkwam,—niet door een derden brief,—maar door zelve bij hem te verschijnen. Zij trad in een zeer ontredderd toilet, en met groote ontroering in hare blikken, in de kamer, wierp zich op een stoel, en tot adem gekomen zijnde, zeide zij:

„Zoo als ge ziet, mijnheer,—als eene vrouw eens te ver gegaan is, weet zij van geen ophouden. Als mij iemand met de meeste zekerheid, eene week geleden voorspeld had, dat ik hier zou zijn, zou ik hem niet hebben willen gelooven!”

„Ik hoop,” hernam Jones, „dat de bekoorlijke Lady Bellaston het even moeijelijk zal vinden om iets te gelooven, ten nadeele van iemand, die zoo gevoelig is voor de vele verpligtingen van haar, onder welke hij gebukt gaat.”

„Zoo!” riep zij: „„Gevoelig voor verpligtingen!” Zulke koele taal verwachtte ik niet van den heer Jones!”

„Vergeef me, lieve engel,” zeide hij, „als na uwe brieven, de schrik voor uwen toorn, hoewel het me onbekend is hoe ik me dien op den hals gehaald heb—”

„Heb ik dan,” vroeg zij met een glimlach, „zulk een vertoornd gelaat?—Zie ik er wezenlijk zóó boos uit?”

„Zoo waar ik eerlijk man ben,” hernam hij, „heb ik niets gedaan om uwen toorn te verdienen. Gij herinnert u onze afspraak?—Dientengevolge ging ik bij u;—”

„Wat ik u bidden mag,” antwoordde zij, „spaar mij de hatelijke herhaling! Antwoord me slechts op ééne vraag, en ik zal geheel gerust gesteld wezen.—Hebt gij mijne eer aan haar niet prijs gegeven?”

Jones viel voor haar op de knieën en begon met de driftigste verklaringen, toen Partridge springende en dansende als een van vreugde dronken mensch in de kamer stoof, uitroepende: „Zij is gevonden! Zij is gevonden!—Hier, mijnheer! hier!—Jufvrouw Honour komt de trap op!”

„Houd haar een oogenblik tegen!” beval Jones.—

„Hier, mevrouw, verberg u achter het bed;—ik heb geene andere kamer of kast, of plaats ter wereld, waar ik u verbergen kan! Zóó’n verwenscht ongeluk—”

„Ja, verwenscht inderdaad!” riep de dame, zich op de aangewezene wijze verbergende, op het oogenblik dat jufvrouw Honour in de kamer trad.

„Kom aan, mijnheer Jones!” riep deze; „wat is hier te doen?—Die onbeschofte vlegel, uw knecht, wilde me naauwelijks de trap op laten komen. Ik hoop niet om dezelfde reden waarom hij me niet bij u toelaten wilde te Upton?—Ge zult wel naauwelijks verwacht hebben mij hier te zien;—maar ge hebt zeker de jufvrouw behekst! Het arme, lieve kind! Werkelijk, ik houd van haar als van eene zuster! De hemel zij u genadig, als gij geen goed man voor haar wordt,—ja, als gij dat niet wordt, weet ik niet wat gij verdient!”

Jones smeekte haar slechts te fluisteren, „omdat er eene dame op de kamer daarnaast op sterven lag.”

„Eene dame!” riep zij; „ja wel! Het zal wel eene rare dame zijn! O mijnheer Jones, er zijn maar al te veel van die dames in de wereld! Ik vrees dat wij in het huis van eene er van geraakt zijn;—want ik weet zeker, dat die Lady Bellaston ook niet veel deugt!”

„Stil, stil!” smeekte Jones; „men kan alles hier naast hooren!”

„Daar geef ik geen duit om,” hernam Honour. „Ik spreek kwaad van geen mensch ter wereld;—maar hare eigene dienstboden ontzien zich volstrekt niet te vertellen dat Milady de heeren gaat ontmoeten in een vreemd huis, dat in naam bewoond is door eene behoeftige dame;—maar Milady betaalt de huur, en het wijf krijgt nog bovendien allerlei van haar!”

Jones, die de meeste ongerustheid liet blijken, wilde toen zijne hand op hare lippen leggen.

„Wel ja, mijnheer Jones! Mag ik dan den mond niet open doen? Kwaad spreken doe ik niet;—ik herhaal slechts wat ik van anderen gehoord heb;—en ik denk wel eens bij mij zelve, die arme dame zal niet veel aan de voordeelen hebben, die zij op zulk eene slechte wijze magtig wordt! Neen! ’t is beter arm en eerlijk te blijven!”

„De bedienden zijn schurken en beschuldigen hunne dame onregtvaardig!” zei Jones.

„O ja, de dienstboden zijn altijd schelmen,—dat zegt mijne meesteresse ook en wil er geen woord van hooren!”

„Ja,” zei Jones, „ik ben ook overtuigd dat mijne Sophia er ver boven verheven is naar zulke vuige lastertaal te luisteren!”

„Maar laster is het toch niet, naar ik meen,” hernam Honour: „want waarom zou zij heeren gaan ontmoeten in een vreemd huis?—Dat is zeker met geen goed doel;—want, als zij het voornemen koesterde om zich op eene wettige wijze het hof te laten maken,—en het staat aan iedere ongehuwde vrouw vrij, om zich om die reden met de mannen op te houden,—waar zou het toch ter wereld toe dienen om—”

„Ik verklaar,” zei Jones, „dat ik dit niet aanhooren kan van eene deugdzame dame, die eene verwante van Sophia is;—bovendien zult gij de arme zieke hier naast dol maken!—Laat ik u bidden:—ga met mij naar beneden!”

„Neen, mijnheer! Als gij mij niet aan ’t woord wilt laten komen, schei ik er uit! Daar, mijnheer! Daar hebt gij een brief van mijne meesteresse;—hoeveel zouden niet sommige mannen geven, om zoo iets te krijgen! Maar, gij, mijnheer Jones, ik geloof niet dat gij bijzonder mild zijt,—en toch heb ik sommige dienstboden hooren zeggen;—maar, wat mij betreft, gij zult zeker mij het regt laten wedervaren van te bekennen, dat ik nooit een duit van u gekregen heb!”

Jones greep nu haastig den brief, en drukte haar vijf goudstukken in de hand. Daarop bedankte hij zijne dierbare Sophia duizend maal,—fluisterende,—en smeekte Honour om hem alleen te laten om den brief te lezen, waarop de kamenier dan ook spoedig vertrok, echter niet zonder vooraf hare gevoeligheid over zijne groote mildheid uitgedrukt te hebben.

Lady Bellaston trad nu van achter de gordijnen te voorschijn. Hoe zal ik hare woede beschrijven? Zij kon in ’t begin geen woord er uitkrijgen; maar bliksemstralen schoten uit hare oogen,—en niet zonder reden; want haar hart vlamde. En thans, zoodra zij hare stem meester was, in plaats van eenige verontwaardiging uit te drukken over Honour of hare eigene dienstboden, begon zij met een aanval op den armen Jones:

„Gij ziet,” zeide zij, „wat ik aan u opgeofferd heb: mijn goeden naam, mijne eer—reddeloos verloren! En hoe wordt mij dat vergolden? Ik word verwaarloosd, bespot, om een boerendeern,—om een onnoozel wicht—”

„Hoe heb ik u verzuimd, of bespot, mevrouw?” riep Jones; „waaraan heb ik me schuldig gemaakt?”

„Het veinzen is te vergeefs, mijnheer Jones,” hernam zij; „als gij mij werkelijk gerust stellen wilt, moet gij haar geheel opgeven en tot bewijs uwer opregtheid mij haren brief toonen.”

„Welken brief, mevrouw?” vroeg Jones.

„Wel!” riep zij; „gij zult toch niet de onbeschaamdheid hebben te loochenen dat gij door de meid die hier was, een brief hebt ontvangen?”

„En zoudt gij, Milady,” riep hij, „iets van me vergen, dat ik niet zonder oneer zou kunnen toestaan? Heb ik ten uwen opzigte zóó gehandeld? Zou ik er toe besluiten kunnen om dit arm, onschuldig meisje aan u op te offeren, zonder dat gij mij verdacht hieldt van even verraderlijk ten uwen opzigte te zullen handelen? Ik ben zeker, dat slechts weinig nadenken u overtuigen zal dat een man, voor wien de geheimen eener vrouw niet heilig zijn, het verachtelijkste wezen ter wereld moet zijn!”

„Best!” hernam zij; „ik behoef er niet op te staan, dat gij in uwe eigene oogen zulk een verachtelijk wezen zoudt worden; want de inhoud van den brief zou me toch niets kunnen leeren, dat ik nu niet al weet. Ik begrijp best op welken voet gijlieden met elkaar zijt!”

Hierop volgde een lang onderhoud, dat de niet al te nieuwsgierige lezer mij dank zal weten hier niet te herhalen. Genoeg, als ik hem vertel dat Lady Bellaston langzamerhand bedaarde en eindelijk geloofde, of veinsde te gelooven, zijne verzekeringen dat de ontmoeting met Sophia dien avond geheel toevallig was geweest,—even als alle andere omstandigheden, welke den lezer reeds bekend zijn, en die Jones haar in het helderste licht voorstelde, om haar te bewijzen,—wat zeer duidelijk was,—dat zij werkelijk geen regt had om op hem vertoornd te zijn.

In haar hart echter was zij niet geheel voldaan over zijne weigering om haar den brief te toonen,—zoo doof blijven wij voor de meest gezonde rede, als die in strijd is met onze overheerschende hartstogten. Zij gevoelde zich inderdaad overtuigd dat Sophia de eerste plaats bekleedde in het hart van Jones,—en toch, hoe hoogmoedig en verliefd van aard deze dame ook was, onderwierp zij zich er aan om de tweede plaats in te nemen,—of, om eene regtsgeleerde uitdrukking te bezigen: zij vergenoegde zich met het vruchtgebruik van het eigendom van eene andere.

Eindelijk kwam men overeen, dat Jones in het vervolg haar huis bezoeken zoude; want dat Sophia, hare kamenier en al de dienstboden, deze bezoeken op rekening van Sophia zouden schrijven,—en dat men het daarvoor houden zou dat Lady Bellaston zelve de bedrogene was.

Dit plan werd door de dame zelve bedacht, en ten hoogste goedgekeurd door Jones, die inderdaad, zeer verheugd was om, op welke wijze dan ook, bij zijne Sophia te worden toegelaten, en de dame zelve was niet weinig in haar schik met de foppaadje van Sophia, welke Jones (naar zij zich overtuigd hield), om zijn eigen wil voor haar verbergen moest.

De volgende dag werd voor het eerste bezoek bepaald, en na de behoorlijke pligtplegingen keerde Lady Bellaston huiswaarts.

HOOFDSTUK III.

BEVATTENDE ALLERLEI.

Zoodra Jones zich alleen bevond, brak hij driftig den brief open en las als volgt:

„Mijnheer. Het is onmogelijk voor mij om u te zeggen al wat ik geleden heb sedert gij dit huis verlaten hebt; en daar ik reden heb te gelooven, dat gij voornemens zijt om weer te komen, heb ik Honour gezonden, (die me zegt uwe woning te kennen), zelfs op dit late uur,—om u dat te beletten. Ik eisch van u, om den wille der achting welke gij voor mij koestert, om er niet aan te denken, hier als bezoeker te verschijnen;—want alles zou zeker ontdekt worden;—ja, ik vrees haast, uit enkele gezegden, welke Milady zich heeft laten ontvallen, dat zij reeds eenige verdenkingen koestert.—Welligt zullen de zaken een gunstiger keer nemen;—wij moeten het met geduld afwachten; maar ik smeek u nogmaals, als gij iets overhebt voor mijne zielerust om er niet aan te denken hier weder in huis te komen.”

Deze brief verschafte ongeveer denzelfden troost aan Jones als die, welken Job vroeger van zijne vrienden ontving. Behalve de teleurstelling van de hoop om Sophia te zien, verkeerde hij in eene zeer lastige positie tegenover Lady Bellaston; want er zijn zekere verpligtingen, welker verzuim, zoo als hij wel wist, geene verontschuldiging gedoogen;—en geene magt ter wereld zou hem toch dwingen, na het strenge verbod van Sophia,—om daar aan huis te gaan. Eindelijk, na veel getob, waardoor de slaap dien nacht vervangen werd, besloot hij te veinzen ziek te zijn;—want dit was het eenige middel, dat hij bedenken kon om het beloofde bezoek uit te stellen, zonder Lady Bellaston te krenken, wat hij meer dan ééne reden had, om niet te willen doen.

Het eerste echter wat hij den volgenden morgen deed, was een antwoord te zenden aan Sophia, ingesloten in een brief aan Honour. Daarop schreef hij aan Lady Bellaston, zich op bovengemelde wijze verontschuldigende, en ontving spoedig van haar onderstaand antwoord:

„Het spijt me u heden namiddag hier niet te zullen zien;—vooral om de reden. Wees zeer voorzigtig met uwe gezondheid; laat de beste geneeskundige hulp inroepen, en ik hoop dat gij alle gevaar voorkomen zult.—Ik word heden morgen door zoo vele lastige menschen geplaagd, dat ik naauwelijks één oogenblik kan vinden om u een enkel woord te schrijven.

„P.S. Ik zal trachten heden avond bij u te komen, om negen uur.—Zorg zeker alleen te zijn!”

De heer Jones ontving nu een bezoek van jufvrouw Miller, die, na eene deftige inleiding, hem aldus toesprak:

„Het spijt me zeer, mijnheer, u om eene dergelijke reden lastig te moeten vallen; maar ik hoop dat gij bedenken zult, welke kwade gevolgen het hebben zou voor mijne arme meisjes, als het eens zoo ver kwam dat mijn huis een slechten naam kreeg. Ik hoop dus, dat gij het niet onbescheiden van mij achten zult, als ik u beleefdelijk verzoek geene dames meer zoo laat ’s avonds bij u te zien. De klok had al twee geslagen, toen de laatste er van weder weg ging.”

„Ik verzeker u, jufvrouw,” zei Jones, „dat de dame die het langste hier bleef (de andere bragt me slechts een brief), eene hoogst fatsoenlijke dame, eene mijner naaste aanverwanten is.”