Chapter 49 of 84 · 3968 words · ~20 min read

Part 49

Niettegenstaande de vele lieve kunstjes, welke de vrouwen soms in praktijk brengen, om bij elke nietige gelegenheid hare angstvalligheid aan den dag te leggen,—en die bijna zoo talrijk zijn als die welke het sterkere geslacht bezigt, om de zijne te verbergen,—is er zekere graad van moed, die niet slechts de vrouw betaamt, maar die ook dikwerf vereischt wordt, om haar in staat te stellen haren pligt te doen. Woestheid alleen, en geenszins ware moed, ontsiert het vrouwenkarakter;—want wie kan de geschiedenis van de te regt beroemde Arria lezen, zonder een even verheven denkbeeld te koesteren van hare zachtheid en teederheid als van hare geestkracht? Terzelfder tijd is welligt menige vrouw, die het uitgilt op het gezigt van eene muis of van eene rat, in staat om haar echtgenoot te vergiftigen;—of wat nog erger is, om hem er toe te brengen zich zelven te vergiftigen.

Sophia, met de meest mogelijke vrouwelijke zachtzinnigheid, bezat ook den meesten moed. Toen zij dus op de bepaalde plaats aankwam, en in plaats van, volgens afspraak, hare kamenier daar te vinden, een man op zich zag toerijden, gilde zij niet, noch viel zij in zwijm, ofschoon haar pols wat sneller sloeg dan anders, want zij gevoelde wel in ’t begin eenige vrees en angst, die echter bijna even zoo spoedig verdwenen als ze ontstaan waren, toen de man den hoed opligtte en haar zeer onderdanig vroeg,—„of zij welligt niet verwachtte eene andere dame dáár te vinden?” Waarop hij voortging met haar te zeggen, dat hij gezonden was om haar bij die dame te brengen.

Sophia kon, na dit gehoord te hebben, onmogelijk eenig verraad vreezen; zij klom dus moedig achter den man te paard, die haar veilig bragt naar eene ongeveer anderhalf uur verwijderde stad, waar zij de voldoening smaakte van de goede jufvrouw Honour te vinden;—want daar de geheele ziel van de kamenier vervuld was met de kleeren, waarin zij gewoon was haar ligchaam te hullen, kon zij er volstrekt niet toe komen ze uit hare oogen te laten. Zij bewaakte ze dus zelve, terwijl zij voornoemden bode zond, na hem behoorlijk ingelicht te hebben, om hare meesteresse te halen.

Zij overlegden nu wat zij doen moesten om aan de vervolging van den heer Western te ontgaan, die, zoo als zij wel wisten, binnen een paar uren haar nazetten zoude. De weg naar Londen had zooveel bekoorlijks voor Honour, dat zij verlangde om dadelijk verder te gaan, en beweerde dat, daar men Sophia eerst om acht of negen uur den volgenden morgen missen zou, hare vervolgers niet meer in staat zouden zijn haar in te halen, zelfs al wisten zij welken weg zij ingeslagen had. Maar Sophia had te veel op het spel gezet om iets aan het toeval over te laten, en waagde het ook niet te veel te vertrouwen op hare eigene zwakke ledematen in een wedstrijd, die alleen door meerdere vlugheid beslist moest worden. Zij besloot dus dwars door het land te rijden, ten minste een uur of zes zeven, en dan den grooten weg naar Londen te volgen. Daarom huurde, zij paarden om zeven uren den éénen kant uit te gaan, terwijl zij zich voorgenomen had om juist de andere rigting te volgen, en vertrok, met denzelfden gids achter wien zij gereden had van haar vaders huis, terwijl de man nu op zijn paard, in plaats van Sophia, een veel zwaarderen en minder schoonen last voerde,—namelijk een groot koffer, goed gevuld met die uiterlijke sieraden, door middel van welke de bekoorlijke Honour vele veroveringen en eindelijk fortuin hoopte te maken in de hoofdstad.

Zoodra zij ongeveer twee honderd pas van het logement gekomen waren op den weg naar Londen, reed Sophia op den gids toe, en met eene stem, die veel honigzoeter was dan die van Plato, hoewel men zijn mond bij een bijenkorf vergeleken heeft, smeekte zij hem den eersten weg in te slaan, die naar Bristol voerde.

Ik ben, lezer, volstrekt niet bijgeloovig en hecht niet veel aan hedendaagsche wonderen. Hetgeen nu volgt geef ik dus volstrekt niet als eene onbetwistbare waarheid; want ik kan het zelf naauwelijks gelooven; maar de getrouwheid van den geschiedschrijver noodzaakt mij te herhalen hetgeen stellig beweerd wordt;—en dat is, dat het paard waarop de gids reed, zoodanig bekoord werd door Sophia’s stem, dat het halt maakte en ongewillig scheen om verder te gaan.

Misschien echter, is het feit op zich zelf waar en minder wonderbaarlijk dan men veronderstellen zou, daar er eene natuurlijke oorzaak daarvoor bestaat; want, daar de gids op dat oogenblik ophield met het gedurige gebruik van zijn gewapenden regterhiel (want, even als Hudibras, droeg hij slechts één spoor), is het zeer mogelijk, dat dit verzuim alleen het paard deed stilstaan, te meer daar dit dikwerf het geval was met het dier ook bij andere gelegenheden.

Maar, had de stem van Sophia al wezenlijk eenige uitwerking op het paard, ze vermogt niet veel bij den ruiter. Hij antwoordde eenigzins knorrig: „Dat zijn meester hem bevolen had dien weg te volgen, en dat hij zijne dienst kwijt zou wezen, als hij een anderen insloeg.”

Sophia, bevindende dat hare overredingskracht niets uitwerkte, begon nu onweerstaanbare bekoorlijkheden aan hare stem bij te zetten,—bekoorlijkheden waaraan men in nieuwere tijden die onoverwinnelijke magt toegeschreven heeft, welke de ouden aan de volmaakte welsprekendheid toekenden. Met één woord, zij beloofde hem ruimschoots te beloonen.

De jongen was niet geheel doof voor deze beloften; maar hield niet van het „onbepaalde” er van; want hoewel hij denkelijk dit woord niet kende, was dat inderdaad wat hem tegenstond.

„De groote luî,” zeide hij, „dachten niet om het geringe volk. Men had hem een dag of wat geleden bijna weggejaagd, omdat hij van den grooten weg afgegaan was met een heer, die van mijnheer Allworthy’s huis kwam,—en hem niet naar behooren beloond had.”

„Met wien?” vroeg Sophia driftig.

„Met een heer, die van mijnheer Allworthy kwam,” hernam de jongen. „Met zijn zoon, geloof ik, dat men hem heet.”

„Waarheen,—welken weg is hij ingeslagen?” vroeg Sophia.

„Wel, zoo wat den kant van Bristol uit,—omtrent een uur of zeven van daar,” antwoordde de jongen.

„Breng mij naar die plaats,” zei Sophia, „en ik zal u een guinje geven,—of twee, als één niet genoeg is.”

„Nu,” hernam de jongen, „’t is zeker een paar guinjes waard als de jufvrouw bedenkt hoeveel gevaar ik loop; maar als gij mij zeker twee guinjes belooft, zal ik het wagen. ’t Is waar, het is schande om zoo overal rond te trekken met de paarden van den baas;—maar één troost is het, dat men niet meer kan doen dan mij wegjagen, en twee guinjes zullen het me gedeeltelijk vergoeden.”

Zoodra de koop gesloten was, sloeg de jongen den weg naar Bristol in, en Sophia ondernam om Jones te volgen, zeer tegen den zin van mejufvrouw Honour, die veel verlangender was om Londen dan om den heer Jones te zien; want inderdaad, zij begunstigde hem niet zeer bij hare meesteresse, daar hij zich schuldig had gemaakt aan het verzuim van zekere geldelijke beleefdheden, die, volgens de gewoonte in alle liefdezaken, vooral in die van geheimen aard, bewezen moeten worden aan de kameniers. Dit schrijven we eerder toe aan zijn onbedachtzamen aard dan aan eenig gebrek aan mildheid; hoewel zij welligt aan dit laatste de schuld gaf;—zeker is het echter dat zij hem bitter haatte om die reden, en besloot geene gelegenheid te verzuimen om hem bij hare meesteresse te benadeelen. Het was dus een groot ongeluk voor haar, dat zij juist in dezelfde stad en dezelfde herberg gekomen waren van waar Jones vertrokken was, en nog ongelukkiger dat zij toevallig denzelfden gids namen, waardoor Sophia de toevallige ontdekking gedaan had.

Onze reizigers bereikten Hambrook [11] bij het aanbreken van den dag, waar Honour, zeer tegen haar zin, gelast werd onderzoek te doen naar den weg door den heer Jones gevolgd.

Dit had haar de gids zelf ook best kunnen mededeelen; maar Sophia, om welke reden is mij onbekend, deed hem die vraag niet.

Zoodra jufvrouw Honour terug kwam met het berigt van den waard, kreeg Sophia met veel moeite eenige slechte paarden, welke haar bragten naar de herberg waar Jones opgehouden was geworden, eerder door het ongeluk van een heelmeester dan dat van een gat in zijn hoofd gekregen te hebben.

Hier werd Honour weder gelast onderzoek te doen, en had pas de waardin aangesproken, en het uiterlijk van den heer Jones beschreven, toen die slimme vrouw, om het heel plat uit te drukken, lont begon te ruiken. Zoodra dus Sophia in de kamer trad, wendde zich de waardin tot de meesteresse, in plaats van de kamenier te antwoorden, en sprak haar als volgt aan:

„Hemelsche tijd! Wel kom aan! Wie zou zoo iets gedacht hebben! Wis en zeker, het schoonste paar dat ik ooit gezien heb! Wel! Geen wonder dat mijnheer zoo dweept met de jufvrouw. Hij zei me dan ook dat gij de schoonste dame ter wereld waart,—en dat is ook zeker waar! Goede hemel! Wat had ik medelijden met de arme ziel toen hij zijn hoofdkussen aan het hart drukte en het zijne dierbare Sophia noemde!—Ik deed mijn best om hem af te raden naar den oorlog te gaan, dat is zeker;—ik zei hem ook, dat er mannen genoeg waren, die tot niets anders geschikt waren dan om zich te laten doodschieten, en die door geene schoone dames bemind werden.”

„Wel,” riep Sophia, „de goede vrouw is zeker niet bij zinnen!”

„Neen, neen,” hernam de waardin; „ik ben niet gek! Gelooft de jufvrouw, dat ik er niets van weet?”

„Welk onbeschaamd mensch heeft u ooit iets van mijne meesteresse verteld?” vroeg Honour.

„Het was geen onbeschaamd mensch,” antwoordde de waardin, „maar de jonge heer zelf, naar wien ge vraagt;—en hij is een zeer knap jong mensch ook, en bemint jufvrouw Sophia Western van ganscher harte.”

„Hij! mijne meesteresse beminnen! Ge moet begrijpen, vrouw, dat zij niet iemand is van zijne gading!”

„Kom, kom, Honour,” viel haar Sophia in de rede, „maak u niet boos op de goede vrouw; ik ben overtuigd dat zij geen kwaad bedoelt.”

„Neen, dat doe ik ook niet,” hernam de waardin, aangemoedigd door Sophia’s vriendelijke woorden,—waarop zij een lang verhaal opdischte, te vervelend om hier herhaald te worden, en waarin eenige volzinnen voorkwamen, die Sophia een weinig en hare kamenier nog veel meer aanstoot gaven de; laatste maakte dus van deze gelegenheid gebruik om den armen Jones bij hare meesteresse zwart te maken zoodra zij zich weder alleen bevonden, terwijl zij zeide, „dat het toch een ellendig mensch moest wezen, en dat hij eene dame volstrekt niet beminnen kon, wier naam hij aldus in eene gemeene kroeg ten beste gegeven had.”

Sophia echter zag zijn gedrag niet in dit slecht licht, en schepte welligt meer behagen in de hevige vlagen zijner liefde (welke de waardin evenzeer overdreven had als al het overige), dan dat zij zich beleedigd gevoelde door andere zaken, en inderdaad, zij schreef het geheel toe aan de buitensporigheid en overmagt zijner liefde, en aan zijne openhartigheid.

Deze gebeurtenis echter, welke zij zich later weder herinnerde, en die door Honour in het meest hatelijke licht geplaatst werd, diende slechts om de ongelukkige dingen die te Upton gebeurd waren, te kleuren en te bekrachtigen, en hielp de kamenier in hare pogingen om hare meesteresse uit het logement te doen vertrekken zonder Jones te willen zien.

Daar de waardin begreep dat Sophia niet langer blijven wilde dan tot de paarden gereed waren, en ook niets eten of drinken, ging zij weldra heen, en Honour begon met hare meesteresse de les te lezen,—want inderdaad zij matigde zich de grootste vrijheid tegenover haar aan,—en na eene lange aanspraak, waarin zij haar herinnerde aan haar voornemen om naar Londen te gaan, en haar vele wenken gaf omtrent het ongepaste van een jongen heer na te loopen, eindigde zij met deze ernstige vermaning:

„In ’s Hemels naam, jufvrouw, bedenk wat ge doet, en waarheen ge gaat!”

Deze raadgeving aan eene dame die reeds een uur of twaalf gereden had, en dat in geen aangenaam jaargetijde, zal wel tamelijk dwaas schijnen. Men mag veronderstellen dat zij dit rijpelijk en wel overlegd en besloten had,—ja, naar de wenken welke zij gaf, scheen zich jufvrouw Honour dit te verbeelden, en ik twijfel ook niet, dat dit het denkbeeld is van vele lezers, die waarschijnlijk reeds lang geleden de voornemens onzer heldin begrepen hebben, en haar als een zeer ligtzinnig wezen veroordeeld hebben.

Maar dit was werkelijk niet het geval. Sophia was in den laatsten tijd zoodanig tusschen hoop en vrees geslingerd geworden, tusschen pligt en liefde tot haar vader, afkeer van Blifil, medelijden en (waarom zou men de waarheid verbloemen?) neiging tot Jones, welk laatste gevoel door het gedrag van haar vader, van hare tante en van iedereen—en vooral van Jones zelven tot eene lichte, laaije vlam aangeblazen was, dat zich haar geest in dien verwarden toestand bevond, waarin men met waarheid zeggen kan, dat wij onwetend zijn van hetgeen we doen, en waarheen we gaan,—of liever, dat wij onverschillig worden voor de gevolgen van ons doen en laten.

De voorzigtige en wijze raadgevingen van hare kamenier bragten er haar echter toe om de zaak kalmer te overleggen, en eindelijk besloot zij naar Gloucester te gaan, en van daar regtstreeks naar Londen.

Ongelukkig echter, een uurtje eer zij die stad binnenreed, ontmoette zij den beunhaas, die, zoo als wij verhaald hebben, dáár met den heer Jones gegeten had. Daar deze vent jufvrouw Honour goed kende, maakte hij halt en sprak haar aan, waarop Sophia, op het oogenblik, weinig acht gaf, en alleen vroeg wie het was.

Maar, later te Gloucester, vertelde haar Honour meer van dezen mensch, en toen zij hoorde van zijne vlugge wijze van reizen,—waarvoor (gelijk reeds gemeld is), hij bijzonder vermaard was, en toen zij zich ook herinnerde, dat zij jufvrouw Honour hem had hooren vertellen dat zij naar Gloucester gingen, begon zij te vreezen dat haar vader, door middel van dezen mensch, haar naar die stad zou kunnen nasporen, en dat als zij dáár den weg insloeg naar Londen, hij best in staat zou zijn haar in te halen. Zij veranderde dus van besluit, en na paarden gehuurd te hebben, om eene week lang te reizen in eene geheel andere rigting dan zij voornemens was te volgen, vertrok zij, na eenige ververschingen gebruikt te hebben, zeer tegen het verlangen en de ernstige gebeden harer dienaresse en niet minder tegen de levendige vermaningen van mejufvrouw Whitefield zelve in, die uit beleefdheid, of welligt uit welwillendheid,—want de jonge dame scheen zeer vermoeid, sterk er op aandrong dat zij dien avond te Gloucester zou blijven.

Na zich dus slechts met wat thee verkwikt en een paar uren te bed gelegen te hebben, terwijl de paarden in gereedheid gebragt werden, verliet zij stoutmoedig het huis van mejufvrouw Whitefield tegen elf uur ’s avonds, en dadelijk den weg naar Worcester inslaande, bereikte zij binnen de vier uren het logement, waar wij haar het laatst ontmoetten.

Na onze heldin aldus op den voet gevolgd te zijn van haar vertrek af tot aan hare aankomst te Upton, zullen wij, in zeer weinige woorden, haren vader tot diezelfde plaats brengen. Na eerst op het spoor gebragt te zijn door den postiljon, die zijne dochter naar Hambrook gebragt had, spoorde hij haar zeer gemakkelijk verder na tot Gloucester, van waar hij haar naar Upton volgde, daar hij vernomen had dat Jones daarheen gegaan was,—want Partridge,—om de uitdrukking van den landjonker te bezigen,—liet overal eene sterke lucht achter, en hij twijfelde niet, dat Sophia, ook dien weg volgde, of zoo als hij het uitdrukte, in hetzelfde spoor liep. Hij bezigde inderdaad eene zeer grove uitdrukking hiervoor, die het niet noodig is hier in te lasschen, daar de vossenjagers, die ze alleen verstaan zouden, ze zich ook gemakkelijk verbeelden kunnen.

BOEK XI.

Bevattende ongeveer drie dagen.

HOOFDSTUK I.

EEN HAPJE VOOR DE RECENSENTEN.

Men zal welligt denken dat wij in ons laatste inleidende hoofdstuk dat geduchte menschenras, dat men „recensenten” noemt, met eene onbetamelijke vrijheid behandeld hebben, daar zij de grootste nederigheid eischen en ook gewoonlijk vinden bij den schrijver. Wij zullen dus de reden van ons gedrag hier ophelderen jegens dit eerbiedwaardig corps, en zullen hen welligt in een licht plaatsen, waarin men hen tot dusver niet gezien heeft.

Het woord criticus, is afgeleid van een Grieksch woord, dat „oordeel” beteekent. Vandaar, veronderstel ik, dat zekere menschen, die het oorspronkelijke niet verstaan, en slechts de vertaling er van kennen, er uit opgemaakt hebben, dat het oordeel beteekende in den regtsgeleerden zin, waarin het dikwerf voorkomt als gelijkluidend met „veroordeeling.”

Ik hel te meer tot dit gevoelen over, daar men in de laatste jaren de meeste critici onder de regtsgeleerden gevonden heeft. Vele dezer heeren, uit wanhoop welligt van ooit den regterstoel te beklimmen in het Paleis van Justitie, hebben dien beklommen in den schouwburg, waar zij hun ambt uitoefenen en hun oordeel,—of, veroordeeling—zonder genade uitspreken.

Die heeren zouden welligt genoegzaam in hun schik zijn, als wij het er bij lieten na hun ambt dus vergeleken te hebben bij een der meest aanzienlijke en gewigtige in het rijk, en als wij voornemens waren naar hunne gunst te dingen, zouden wij het ook daarbij laten; daar wij echter van plan zijn om opregt en openhartig met hen om te gaan, moeten wij hen aan een anderen ambtenaar der Justitie herinneren, met wien zij ook eenige flaauwe gelijkenis vertoonen, daar zij niet slechts hun vonnis vellen, maar het ook ten uitvoer leggen.

Bovendien is er een ander licht, waarin men met het meeste regt en de grootste billijkheid deze hedendaagsche critici stellen kan, namelijk, indien men hen beschouwt als gemeene lasteraars. Als, namelijk, een persoon, die het karakter zijner naasten bespiedt, met geen ander doel dan om hunne gebreken te ontdekken en ze aan de wereld bekend te maken, den naam verdient van een menschenlasteraar, waarom zou de recensent, die met hetzelfde kwaadwillige oogmerk leest, niet even goed een boekenlasteraar genoemd worden?

De ondeugd heeft, geloof ik, geen onderdaniger slaaf; de maatschappij brengt geen hatelijker ongedierte voort; de Satan zelf kan geen gast ontvangen, die hem waardiger is, of hem bij mogelijkheid meer genoegen oplevert, dan een lasteraar.

En toch vrees ik, dat de wereld dit monster niet met half zoo veel afkeer beschouwt als hij wel verdient, en ik aarzel nog meer om den oorsprong aan te toonen van de misdadige zachtzinnigheid, waarmede hij behandeld wordt;—evenwel is het onbetwistbaar, dat de dief bij hem onschuldig schijnt; ja, zelfs de schuld van den moordenaar kan zelden de zijne evenaren; want de laster is een wreeder wapen dan het staal, en de wond, welke de eerste toebrengt, blijft steeds onheelbaar. Er is echter ééne wijze van te moorden, de laagste en verfoeijelijkste van alle, die eene zeer naauwkeurige overeenkomst heeft met de ondeugd waarvan hier sprake is,—en dat is het vergif;—eene zoo verachtelijke en tevens zoo verschrikkelijke wraakoefening, dat ze vroeger, zeer wijsselijk, door de wetten onderscheiden werd van alle overige moordaanslagen en met bijzondere strengheid gestraft werd.

Behalve het ontzettende kwaad door den laster verrigt, en de laagheid der middelen, die hij bezigt, zijn er nog andere omstandigheden, die hem des te verfoeijelijker maken;—want dikwerf bestaat er geene aanleiding daartoe, en ook geen vooruitzigt op belooning, tenzij het eene belooning moge wezen voor de eene of andere zwarte en duivelsche ziel om zich te kunnen verheugen in de gedachte dat zij de ellende en den ondergang van anderen bewerkt heeft.

Shakespeare heeft eene schoone toespeling op deze ondeugd gemaakt, als hij zegt:

„Wie mij mijn geld ontsteelt, steelt drek; ’t is iets,—’t is niets; ’t Was mijn, werd het zijne, en diende duizenden: Maar hij die mij mijn goeden naam ontrooft, Ontvreemdt mij iets dat hem niet rijker maakt, En mij volstrekt verarmt.” [12]

Tegen dit alles zal de vriendelijke lezer wel niets in te brengen hebben; maar veel er van zal hem zonder twijfel te scherp schijnen om toegepast te worden op den lasteraar van boeken. Men bedenke echter, dat beider wanbedrijven uit denzelfden boosaardigen gemoedsaard voortspruiten, en evenmin door iets verleidelijks daarin te verontschuldigen zijn. Wij zullen ook niet kunnen beweren, dat de laatste slechts zeer weinig schade toebrengt, als wij het boek van den schrijver beschouwen als zijn kind,—als het kind van zijn brein.

De lezer, wiens Muze tot dusver in een maagdelijken toestand verkeert, kan slechts een zeer onvolkomen begrip hebben van deze soort van vaderliefde. Jegens zoo iemand mogen wij den teederen uitroep van Macduff parodieren, en tot hem uitroepen: „Helaas! Gij hebt geen boek geschreven!” Maar de schrijver, wiens Muze vruchtbaar is geweest, zal mijn aandoenlijken toon vatten, en me welligt met zijne tranen volgen,—vooral indien zijn lieveling reeds overleden is,—als ik spreek van den angst waarmede de zwangere Muze haren last ronddraagt, van de pijnen welke zij in barensnood uitstaat, en eindelijk, van de zorg en de liefde waarmede de teedere vader zijn lieveling koestert, tot die zoo ver gekomen is, dat hij in de wereld kan gebragt worden.

Er is ook geene andere soort van vaderlijke liefde, welke minder steunt op het bloote instinkt, of beter met de wereldsche wijsheid in overeenstemming is, dan deze. Deze kinderen mogen met regt de schatten van hun vader genoemd worden, en vele daarvan hebben met echt kinderlijke liefde hun vader in zijn ouden dag gevoed, zoo dat niet slechts liefde, maar ook tevens het belang van den schrijver zeer benadeeld kan worden door die lasteraars, welke zijn boek een ontijdigen dood doen ondergaan.

Eindelijk: de lasteraar van een boek is, naar waarheid, de lasteraar van den schrijver; want even als men niemand voor een onecht kind uitschelden kan, zonder ook diens moeder te beleedigen, zoo kan men ook geen boek brandmerken als „louter onzin,” „niets dan wartaal,” zonder den schrijver een domkop te heeten;—wat, hoewel het in een zedelijken zin minder erg is, dan dat men hem een schurk noemt, welligt zijne wereldsche belangen nog meer benadeelt.

En hoe belagchelijk dit alles aan sommige menschen toeschijnen moge, zullen toch anderen, zonder twijfel, de waarheid er van beseffen en erkennen;—ja, zullen zich welligt verbeelden, dat ik de zaak met te weinig betamelijke plegtigheid behandeld heb; maar, waarom zou men de waarheid niet spreken met een lagchend gelaat? En werkelijk, het is, op zijn zachtst gezegd, een zeer kwaadaardig iets als men noodeloos, of met boos opzet, een boek afbreekt, en een grommende, hatelijke recensent mag wel, geloof ik, voor een slecht mensch gehouden worden.

Ik zal dus in het overige gedeelte van dit hoofdstuk de kenmerken van zijn karakter trachten te schetsen, en aan te toonen welke soort van kritiek ik hier wenschte te laken;—want, alleen de bedoelde personen zelve zullen mijn gezegde in dien zin willen opvatten alsof ik geene gepaste beoordeelaren van een letterkundig werk erkende, of uit het gemeenebest der letteren die edele recensenten wilde uitsluiten, aan wier arbeid de geleerde wereld zooveel te danken heeft. Zoodanigen waren Aristoteles, Horatius en Longinus, onder de ouden; Dacier en Bossu onder de Franschen, en welligt ook enkelen onder de Engelschen, die zeker het regt verkregen hebben om in Foro literario een vonnis te vellen.

Maar, zonder al de vereischten van een recensent op te sommen, die ik ook elders ter loops besproken heb, geloof ik onbevreesd protest te mogen aanteekenen tegen de afkeuring, door wien ook, van werken, welke hij zelf niet gelezen heeft. Zulke veroordeelingen als deze, hetzij men volgens vooraf opgevatte gissingen spreke, of de meening en de berigten van anderen naprate, mogen, met regt, als laster beschouwd worden van het boek dat afgekeurd wordt.

Men kan ook gerust als lasteraars bestempelen al diegenen, welke, zonder eenige bepaalde gebreken aan te wijzen, het geheel afkeuren in algemeene minachtende woorden, zoo als, bij voorbeeld, „gemeen, saai, vervloekte onzin enz.”—en vooral door het gebruik van het woordje „plat,” dat niemand het regt heeft uit te spreken, tenzij hij zelf zeer verheven zij.