Chapter 14 of 84 · 3963 words · ~20 min read

Part 14

„Vrouw Brown, en wie?” vroeg Tom, maar zonder op antwoord te wachten; want de gelaatstrekken zijner Molly herkend hebbende, in weerwil van hare ontsteltenis, sprong hij vlug van het paard, liet het dier staan en sprong over den muur om haar te helpen. Zij barstte nu voor het eerst in tranen uit, en vertelde hem hoe barbaarsch men haar behandeld had. Waarop, zonder te denken aan het geslacht van vrouw Brown, of het, misschien in zijne woede niet eens opmerkende, want, waarlijk, behalve den rok, welken hij welligt niet zag, had zij weinig vrouwelijks om haar te onderscheiden, gaf hij haar een paar klappen met zijn zweep, en daarop het graauw aanvliegende, dat gezamentlijk door Molly beschuldigd werd, deelde hij zijne slagen met zoo veel mildheid uit, dat, zonder de Muze weer in te roepen,—wat een weinig hard zou zijn voor het goedaardige schepsel, waarvan reeds zoo veel gevergd werd,—het mij onmogelijk zou zijn de slagen op te sommen die dien dag nog uitgedeeld werden.

Na de geheele omstreek van den vijand gezuiverd te hebben, even goed als ooit eenig held van Homerus, of Don Quichot, of eenig ander dolende ridder dit deed, keerde hij bij Molly terug, die hij in een toestand vond, welken het mij en den lezer pijnigen zou hier weder te beschrijven. Tom woedde als een razende. Hij sloeg zich op de borst, rukte zich de haren uit, stampte met de voeten en zwoer wraak aan iedereen, die in de zaak was betrokken geweest. Daarop trok hij den jas uit, en knoopte dien om haar lijf, zette haar zijn hoed op het hoofd, wischte haar het bloed zoo goed hij kon met den zakdoek uit het gezigt, en beval den knecht zoo spoedig mogelijk naar huis te rijden om een kussen of vrouwenzadel te halen, opdat hij haar veilig naar huis kon brengen.

De jonge Blifil had er veel tegen den knecht weg te zenden, omdat zij er slechts één bij zich hadden; daar Square echter Tom ondersteunde, moest hij ook eindigen met zijne toestemming te geven.

De man was in een oogenblik terug en Molly hare lompen, zoo goed zij kon, bijeen verzamelende, steeg achter den knecht op. Op deze wijze werd zij naar huis gebragt, terwijl Square, Blifil en Jones haar vergezelden.

Hier kreeg Jones zijn jas terug en na haar in stilte een kus gegeven te hebben, met de belofte om dien avond terug te keeren, verliet hij zijne Molly en volgde zijne makkers.

HOOFDSTUK IX.

BEVATTENDE ZAKEN VAN GEEN ZEER VREEDZAMEN AARD.

Molly was naauwelijks weder in hare dagelijksche lompen gehuld, of zij had een hevigen aanval te verduren van hare zusters;—vooral van de oudste, die haar zeide, dat zij niet meer dan haar verdiende loon gekregen had.

„Hoe durft gij u te vermeten eene japon te dragen, die jufvrouw Western aan moeder gegeven had? Als eene van ons ze droeg,” riep zij, „dan zou ik het meeste regt er op hebben, denk ik; maar gij zult u wel verbeelden, dat die u toekomt wegens uw mooi gezigt! Ge zult wel veronderstellen dat gij mooijer zijt dan ééne van ons!”

„Geef haar eens eventjes dat stukje spiegelglas van boven de kast,” riep eene andere; „ik zou het bloed van mijn gezigt gaan wasschen, eer ik van schoonheid sprak!”

„Ge zoudt beter gedaan hebben met meer naar den dominé te luisteren,” zei de oudste, „en minder naar de mannen!”

„Dat is wezenlijk waar, kind,” riep de moeder snikkende; „zij heeft ons allen schande aangebragt. Zij is de eerste van de familie, die zich ooit slecht gedroeg.”

„Dat hoeft gij me niet te verwijten, moeder,” hernam Molly; „ge waart zelve nog geene week getrouwd, toen ge van zuster dáár bevielt!”

„Ja, spook!” riep de vertoornde moeder, „dat is zoo; maar wat doet dat er toe? Ik werd weder tot eene eerlijke vrouw gemaakt door mijn huwelijk,—en als gij ooit weder tot eene eerlijke vrouw kondt gemaakt worden, zou het mij niet zoo boos maken. Maar gij, gemeene feeks, gij legt het met de groote heeren aan! Gij zult een bastaard krijgen, dat zult ge,—en dat kan geen mensch van mij zeggen!”

Het was in dezen toestand dat de Zwarte George zijn huisgezin vond, toen hij met het reeds gemelde doel naar huis kwam.

Daar zijne vrouw met hare drie dochters allen te gelijk schreeuwden, en gedeeltelijk ook weenden, duurde het een tijdlang eer hij zich kon doen verstaan; maar zoodra hem dat gelukte, maakte hij de aanwezigen bekend met hetgeen Sophia hem voorgesteld had.

Vrouw Seagrim begon nu op nieuw hare dochter uit te schelden.

„Daar!” zeide zij. „Ge hebt ons in een leelijk parket gebragt, dat is zeker! Wat zal de jufvrouw zeggen van zoo’n dikken buik? O, dat ik ooit dien dag beleven moest!”

Molly echter vroeg, met veel moed: „En wat is dat voor eene mooije plaats, die ge voor me gekregen hebt, vader?” (want zij had niet best begrepen wat Sophia gezegd had van haar bij zich zelve te nemen). „’t Zal wel zijn om onder de keukenmeid te staan; maar ik wil voor niemand ter wereld de schotels en borden omspoelen! Mijn mijnheer zal beter voor mij zorgen! Zie wat hij me heden middag gaf; hij heeft beloofd dat ik nooit aan iets gebrek zal lijden, moeder en gij zult ook geen gebrek aan geld hebben, als gij maar weet te zwijgen en te begrijpen wat goed voor u is.”

Met deze woorden haalde zij verscheidene goudstukken te voorschijn en gaf er hare moeder één.

De goede vrouw had naauwelijks de aanraking van het goud gevoeld, of hare drift begon te bekoelen,—zoo groot is de magt van dat algemeene geneesmiddel.

„Wel, man!” zeide zij. „Geen mensch dan zoo’n domkop als gij zijt, zou eene dienst van dien aard aangenomen hebben, zonder er meer van te weten! Misschien, gelijk Molly zegt, zou het in de keuken zijn, en waarachtig, ik verkies niet, dat mijne dochter daar het slavenwerk doe! Want, hoe arm ook, ik blijf toch fatsoenlijke vrouw. En hoewel ik genoodzaakt was, (omdat mijn vader, de dominé, minder dan niemendal bij zijn dood naliet, en me dus geen duit meêgeven kon), onder mijn stand te trouwen door zoo’n armen kerel als gij zijt tot man te nemen, wilde ik toch wel, dat gij u herinnerdet, dat ik eigenlijk boven dergelijke gemeenheden verheven ben. Wel ja! Het zou gepaster zijn voor jufvrouw Western hare eigene afkomst niet te vergeten en zich te herinneren wie haar grootvader was! ’t Is best mogelijk, dat sommige menschen van mijne familie in hun eigen koets reden, terwijl de grootvaders van anderen te voet liepen! Zij zal zich zeker verbeelden dat zij iets heel moois deed, toen zij ons die oude japon zond; sommige leden van mijne familie zouden zoo iets op straat niet willen oprapen! Maar zoo gaat het altijd! De armen moeten maar vertrapt worden! De menschen hadden zich niet zoo boos op Molly behoeven te maken! Ge hadt hun moeten zeggen, kind, dat uwe grootmoeder nog kostbaarder gekleed ging,—alles nieuw uit den winkel!”

„Maar denk er eens over wat ik aan de jufvrouw zeggen moet,” riep George.

„Ik weet niet wat ge zeggen moet,” hernam de moeder. „Ge brengt uwe heele familie telkens in allerlei bezwaren. Herinnert ge u nog den patrijs, dien ge schoot? Was dat niet de aanleiding tot al onze ellende? Had ik u niet aangeraden nooit op de jagt van mijnheer Western te komen? Heb ik u niet jaren geleden voorspeld, wat er van komen zou? Maar ge wildet altijd uw eigen zin hebben,—ja dat is zoo! Gij gemeene kerel!—”

De Zwarte George was over het algemeen een vreedzaam mensch, en niet bepaald driftig of heethoofdig; maar hij was eenigzins tot toorn geneigd, gelijk men zegt, wat zijne vrouw, als zij met iets meer wijsheid begaafd ware geweest, ontzien zou hebben. Hij had ook al lang geleden de ondervinding opgedaan, dat als de storm zeer hoog liep, redeneringen slechts gelijk waren aan de winden, die eerder dienen om hem aan te wakkeren dan om hem te doen verminderen. Hij was dus meestal voorzien van een stokje,—een geneesmiddel van wonderbaarlijke kracht, zooals hem dikwijls gebleken was, en het woord „gemeene kerel” vatte hij op als een wenk om het toe te passen.

Zoodra hij dit woord dus vernam, nam hij zijne toevlugt tot gezegd middel, en hoewel het, zooals gewoonlijk het geval is met alle zeer krachtige middelen, in den beginne de kwaal scheen te verergeren, veroorzaakte het spoedig eene groote kalmte, en bragt de zieke volkomen tot rust en vrede.

Dit is echter een soort van paardenmiddel, dat alleen toegepast kan worden op een zeer sterk gestel, en daarom alleen goed voor het gemeene volk, met ééne uitzondering echter, namelijk, waar er van meerderheid van afkomst sprake is. In dit geval zouden wij het niet ongepast achten, dat ieder echtgenoot het toepaste, indien niet de toepassing op zich zelve zoo verachtelijk ware, dat ze, even als sommige andere geneeskundige operatiën, welke niet nader vermeld behoeven te worden, de hand, die daartoe gebezigd wordt, zoodanig besmet en bezoedelt, dat geen fatsoenlijk man aan zoo iets laags en verachtelijks denken kan.

De geheele familie werd dus spoedig tot rust gebragt; want de werking van dit geneesmiddel, even als die der electriciteit, wordt dikwijls medegedeeld door één persoon aan velen, die door het werktuig zelf niet aangeraakt worden. En daar beide door middel van wrijving werken, mag men wel vragen, of er niet eenige analogie tusschen beide bestaat, waarnaar de heer Freke wèl zou doen een onderzoek in te stellen, eer hij eene nieuwe uitgave van zijn boek bezorgt.

Een raad werd nu belegd, waarin men, na veel heen en weer praten, daar Molly volhield, dat zij niet wilde uitgaan dienen, eindelijk besloot dat vrouw Seagrim zelve hare opwachting bij Sophia zou maken, en trachten de dienst voor hare oudste dochter te krijgen, die zich zeer gereed toonde ze aan te nemen; maar het noodlot, dat een bepaalde vijand van deze kleine familie scheen te zijn, belette spoedig dat het meisje deze bevordering kreeg.

HOOFDSTUK X.

EEN VERHAAL, GEDAAN DOOR DEN PREDIKANT, DEN HEER SUPPLE. HET DOORZIGT VAN DEN HEER WESTERN. ZIJNE GROOTE LIEFDE TOT ZIJNE DOCHTER, EN HOE DIE VERGOLDEN WERD.

Den volgenden morgen ging Tom Jones op de jagt met den heer Western en werd bij de tehuiskomst door dien heer genoodigd om te blijven eten.

De schoone Sophia schitterde dien dag met meer dan gewone vrolijkheid en opgeruimdheid. Hare batterijen waren zeker tegen onzen held gerigt, hoewel ik geloof, dat zij het zelve niet wist; maar indien zij eenig voornemen koesterde om hem te bekoren, is het zeker, dat haar dat nu gelukte.

De heer Supple, de predikant van de gemeente van den heer Allworthy, was onder het gezelschap. Het was een goedaardig, waardig mensch, voornamelijk bekend wegens zijn stilzwijgen aan tafel, hetgeen echter niet zeggen wil dat hij den mond niet open deed. Met één woord, hij bezat den besten eetlust ter wereld. Zoodra echter het dessert op tafel was, haalde hij zijn schade weder in; want hij was zeer gezellig van aard, en hetgeen hij vertelde, was dikwerf zeer vermakelijk en nooit aanstootelijk.

Bij zijne komst, juist op het oogenblik dat het vleesch op tafel gezet werd, had hij te kennen gegeven, dat hij iets nieuws te vertellen had, en was pas begonnen met te zeggen, dat hij regtstreeks van het huis van den heer Allworthy kwam, toen het gezigt van het gebraden ossenvleesch hem deed verstommen, hem alleen kracht genoeg latende om te bidden, en te verklaren dat hij nu eerst zijne hulde aan de spijzen moest bewijzen.

Na het eten, toen Sophia hem aan zijn nieuws herinnerde, begon hij als volgt:

„Ik denk, mejufvrouw, dat gij gisteren in de namiddag dienst, een meisje in de kerk opgemerkt zult hebben, uitgedost in een uwer uitheemsche gewaden;—ten minste, ik verbeeld u zoo iets te hebben zien dragen. Evenwel zijn dergelijke kleeren hier buiten:

„Rara avis in terris nigroque simillima cygno,”

wat zeggen wil, mejufvrouw: „Een zeldzame vogel op aarde, als ’t ware een zwarte zwaan.”

„Dit is een gezegde van Juvenalis. Maar ik keer tot mijn onderwerp terug. Ik zeide, dat dergelijke kleeren iets zeldzaams hier zijn, en misschien viel dit te meer in het oog, omdat zij die het droeg niemand anders was, naar men mij vertelt, dan eene der dochters van uw jager, den Zwarten George, wiens ongelukken, dunkt me, hem hadden moeten leeren verstandiger te zijn, dan om zijne meisjes zoo bont op te schikken. Zij veroorzaakte zulke drukte in de kerk, dat als de heer Allworthy geene stilte verkregen had, de dienst gestoord zou zijn geworden; want, eens, te midden van het eerste gebed, was ik op het punt van uit te scheiden. Evenwel, na kerktijd, en toen ik al naar huis gegaan was, gaf dit aanleiding tot een strijd op het kerkhof, waar, onder andere ongelukken, een reizende muzijkant nog al zwaar aan het hoofd gewond werd. Heden morgen kwam die vent bij mijnheer Allworthy klagen en het meisje werd door hem gedagvaard. Hij wilde echter de zaak bijleggen, toen, zie daar! (Ik moet uwe vergiffenis vragen, jufvrouw, dat ik in uw bijzijn van dergelijke zaken spreken moet),—het meisje op het punt scheen van te bevallen. De heer Allworthy vroeg naar den vader van het kind; maar zij weigerde standvastig eenig antwoord te geven, zoo dat hij op het punt stond van haar naar de gevangenis te zenden, toen ik het huis verliet.”

„En bestaat nu al het nieuws, dat ge ons te vertellen hadt, daarin, dat een meisje een onecht kind krijgt?” riep Western. „Ik had me verbeeld dat ge ons eene belangrijke zaak, die het heil der natie aanging, te melden hadt.”

„Ik vrees inderdaad, dat zoo iets maar al te dikwerf voorkomt,” hernam de geestelijke, „om als iets bijzonders aangemerkt te worden; maar ik achtte het toch de moeite waard om het hier te vertellen. Wat de algemeene belangen aangaat,—die kent gij, mijnheer, beter dan ik. Ik bemoei me met niets dan mijne eigene gemeente.”

„Nu, ja” hernam de gastheer; „het is wel waar dat ik op de hoogte ben van het een en het ander, zoo als gij zegt; maar, komaan, Tom! drink eens uit! De flesch staat naast u!”

Tom verzocht verschoond te worden, daar hij iets dringends te doen had, en van tafel opstaande, ontsnapte hij uit de handen van den gastheer, die opstoof om hem vast te houden, en liep weg met zeer weinige pligtplegingen.

Western zond hem een vloek achterna, en zich daarop tot den dominé wendende, riep hij uit:

„Daar ben ik achter! Daar ben ik achter! Tom is zeker de vader van het kind! Wat drommel, dominé, ge weet wel hoe hij mij haar vader opdrong! Wel verdraaid! ’t Is een sluwe rakkert! Ja, ja, zoo zeker als twee maal twee vier is, is hij de vader van het kind!”

„Dat zou me toch spijten,” zei de geestelijke.

„Je spijten?” riep Western. „En waarom? Wat! Wilt ge me doen gelooven, dat jou zelven nooit zoo iets overkomen is? Wel! Dan is dat meer geluk dan wijsheid; want verdiend hebt ge het zeker wel honderdmaal!”

„Ge gelieft te schertsen, mijnheer,” hernam de predikant; „maar ik spreek niet slechts van de zondige daad,—hoe berispenswaardig die ook zij,—ik vrees tevens dat zoo iets hem zeer benadeelen zou bij mijnheer Allworthy. En waarlijk, hoewel hij den naam heeft van wat onnadenkend te zijn, ik heb nooit eenig kwaad in den jongeling gezien,—en heb ook geen kwaad van hem gehoord,—dan hetgeen gij, mijnheer, nu zelf van hem vermoedt. Ik wilde wel, dat hij iets geregelder was in zijn bezoeken van de kerk, maar over het algemeen schijnt hij:

„Ingenui vultus puer, ingenuique pudoris.”

„Dat is eene klassieke aanhaling, mejufvrouw, en beteekent zoo veel als: „een jongen van een argeloos uiterlijk en eene onschuldige zedigheid,” eene deugd, die evenzeer geacht werd door de Latijnen als de Grieken. Ik moet zeggen dat de jonge heer,—want in weerwil zijner afkomst mag ik hem zoo noemen,—mij een zeer bescheidene, beleefde jongen toeschijnt, en het zou mij zeer spijten als hij iets deed, dat hem in de meening van den heer Allworthy benadeelen kon.”

„Bah!” riep Western. „Hem bij Allworthy benadeelen! Wel, Allworthy zelf houdt van een knappe meid! Begrijpt niet iedereen wiens zoon Tom eigenlijk is? Kom mij daarmede niet aan boord! Ik herinner me Allworthy aan de akademie!”

„Ik dacht,” zei de geestelijke, „dat hij nooit op de akademie geweest was.”

„Ja, ja, dat was hij wel!” riep Western; „en wij hebben meer dan eens zamen de meisjes nageloopen. Er was geen grooter meisjes gek dan hij vijf mijlen in den omtrek! Neen, neen! Dat zal den jongen geen kwaad doen bij hem;—dat behoeft ge niet te vreezen!—Het zal hem ook bij niemand anders kwaad doen! Vraag maar eens aan Sophia!—niet waar, meid, gij zoudt niet minder van een jongen houden, omdat hij welligt een buitenbeentje had,—hé, meisje? Neen, neen! De vrouwen zullen hem maar des te aardiger vinden!”

Dit was eene wreede vraag voor de arme Sophia. Zij had opgemerkt hoe Jones bij het verhaal van den dominé van kleur veranderde; en dit, met zijn overhaast en plotseling vertrek, gaf haar aanleiding genoeg te denken, dat haar vaders vermoedens niet ongegrond waren. Haar hart verklapte haar nu op eens het groote geheim, dat zoo lang bezig geweest was met zich langzamerhand te openbaren, en zij begreep, dat zij groot belang bij die zaak had. In dezen toestand, toen de ongepaste vraag van haar vader plotseling geopperd werd, bragt dit woord verschijnselen bij haar voort, welke een ergdenkend mensch verontrust zouden hebben; maar, om den landjonker regt te doen, dat was zijn gebrek niet. Toen zij dus van haar stoel opstond, en hem zeide, dat een wenk van hem genoeg was om haar te doen begrijpen, dat het tijd was voor haar om de heeren alleen te laten, liet hij haar heengaan en merkte toen met den meesten ernst op, „dat het beter was eene al te bescheidene, dan eene al te onbeschaamde dochter te hebben,”—een gevoelen, dat zeer toegejuicht werd door den predikant.

Er volgde nu tusschen den gastheer en den geestelijke een zeer belangrijk onderhoud over de staatkunde, geput uit de couranten en politieke vlugschriften, gedurende hetwelk zij vier flesschen als plengoffer ledigden op het heil van het vaderland; waarop, daar de gastheer vast in slaap geraakte, de dominé zijne pijp opstak, te paard steeg en naar huis reed.

Zoodra de landjonker zijn dutje van een half uur gedaan had, riep hij zijne dochter naar de klavecimbel; maar zij verontschuldigde zich voor dien avond wegens zware hoofdpijnen. Dit uitstel werd haar dadelijk geschonken; want inderdaad, het was zelden noodig dat zij hem twee malen om iets vroeg, daar hij haar zoo hartelijk beminde, dat het gewoonlijk hem zelven de grootste vreugde verschafte als hij aan hare wenschen kon voldoen. Zij was dan ook wezenlijk wat hij haar zoo dikwerf noemde, zijne kleine lieveling, en verdiende het ook te zijn; want zij vergold ruimschoots zijne liefde. Zij nam haar pligten jegens hem in alles getrouw in acht; en hare liefde tot hem maakte haar dit niet slechts gemakkelijk, maar zoo aangenaam, dat toen eene harer vriendinnen haar uitlachte, wegens hare al te strenge inachtneming der kinderlijke gehoorzaamheid, zoo als die jonge dame het noemde, Sophia hernam: „Ge vergist u zeer, als ge u verbeeldt, dat ik me daarop eenigzins beroem; want, behalve dat ik ter naauwernood mijn pligt doe, verschaf ik mij zelve genoegen. Ik kan, naar waarheid, zeggen dat ik geen geluk ken dat gelijk staat met dat van bijtedragen tot het geluk van mijn vader, en als ik trotsch op mijzelve ben, lieve, is het omdat ik dit vermogen bezit,—en niet omdat ik er gebruik van maak.”

Dit was echter eene voldoening, welke de arme Sophia dien avond niet smaken mogt;—zij verlangde ook niet alleen ontslagen te worden van de verpligting om muzijk te maken, maar smeekte ook om ’s avonds van tafel te mogen wegblijven. Hierin stemde de heer Western ook toe, hoewel niet zonder tegenzin, want hij liet haar naauwelijks één oogenblik uit zijne oogen, tenzij hij bezig was met de paarden, de honden, of de flesch. Hij stemde echter in het verlangen zijner dochter toe, hoewel de arme man terzelfder tijd genoodzaakt was om zijn eigen gezelschap te ontloopen (als ik het zoo uitdrukken mag), door een pachter uit de buurt te laten halen, om bij hem te komen zitten.

HOOFDSTUK XI.

MOLLY SEAGRIM ONTLOOPT TER NAAUWERNOOD HET GEVAAR; MET EENIGE OPMERKINGEN, WAARNAAR WIJ IN DE DIEPTE VAN HET MENSCHELIJK HART HEBBEN MOETEN VISSCHEN.

Tom Jones had dien morgen een der paarden van den heer Western op de jagt gereden, zoodat hij, nu er geen van zijn eigen dáár op stal hebbende, genoodzaakt was te voet naar huis te gaan. Dit deed hij zoo snel, dat hij een uur afstands in minder dan een half uur aflegde.

Juist toen hij bij den hoofdingang van het huis van den heer Allworthy aankwam, ontmoette hij den geregtsdienaar met zijn gevolg, die Molly bragten naar dat verblijf, waar de mindere menschen ééne goede les kunnen krijgen, namelijk die van eerbied en ontzag voor hunne meerderen; daar zij er uit leeren moeten welk groot onderscheid door het noodlot gemaakt wordt tusschen diegenen, welke voor hunne euveldaden moeten gestraft worden en diegenen, met wie dat niet moet gebeuren;—en als zij deze goede les niet leeren, vrees ik dat zij in een verbeterhuis er geene andere leeren, en niets dat voor hunne zedelijkheid bevordelijk kan zijn.

Een regtsgeleerde zal welligt denken, dat de heer Allworthy zijne magt wat te buiten ging in dit geval. En, om de waarheid te zeggen, daar er geene geregelde klagt ingediend was, twijfel ik ook of zijn gedrag stipt naar de regels was. Daar echter zijn voornemen wezenlijk regtvaardig was, moet men hem in foro conscientiae vrijspreken; terwijl er zoo vele overheidspersonen zijn, die dagelijks willekeur plegen, zonder zelfs deze verontschuldiging te kunnen aanvoeren.

Zoodra Tom van den geregtsdienaar vernam waarheen zij gingen,—wat hij ook spoedig genoeg giste,—greep hij Molly in de armen op en haar teeder omhelzende in aller bijzijn, zwoer hij den eersten te vermoorden, die haar aanraakte. Hij smeekte haar hare tranen af te droogen en getroost te zijn; want, waar zij ook heenging, hij zou haar volgen. Zich daarop tot den geregtsdienaar wendende, die met den hoed in de hand stond te beven, verzocht hij hem, zeer vriendelijk, slechts een oogenblik met hem terug te keeren bij zijn vader (want zoo noemde hij Allworthy), daar hij verzekerd was, zeide hij, dat zoodra hij alles aangevoerd had, wat hij in haar voordeel kon bijbrengen, het meisje weder op vrije voeten gesteld zou worden.

De geregtsdienaar, die zonder twijfel de gevangene op Tom’s eisch dadelijk in vrijheid gesteld zou hebben, stemde zeer gaarne in zijn verzoek toe.

Zij keerden dus allen terug tot in het voorhuis van den heer Allworthy, waar Tom hen verzocht op zijne terugkomst te wachten en zelf den waardigen man ging zoeken. Zoodra hij hem gevonden had, wierp zich Tom aan zijne voeten en hem smeekende om hem geduldig aan te hooren, bekende hij zelf de vader te zijn van het kind waarvan Molly toen zwanger was. Hij bad hem medelijden te hebben met het arme meisje, en in aanmerking te nemen dat als er bij iemand schuld was in dit geval, hij die voornamelijk dragen moest.

„Als er schuld is?” riep Allworthy driftig. „Zijt ge dan zóó losbandig en onbeschaamd, dat ge er aan twijfelen kunt of er schuld bestaat in het schenden van de goddelijke en menschelijke wetten en in het verleiden van een ongelukkig meisje? Ik zie inderdaad dat de schuld voornamelijk op u rust, en die is zoo zwaar, dat ge verwachten moest daaronder verpletterd te worden!”