Chapter 73 of 84 · 3980 words · ~20 min read

Part 73

De drukte welke Jones den geheele dag had gehad met de vrouw des huizes en haar gezin, de schrik, welken jufvrouw Honour hem aangejaagd had, en de verwarring, veroorzaakt door de onverwachte komst van Lady Bellaston, dit alles bragt hem zoodanig in de war, dat hij er geen oogenblik aan dacht om zijne rol als zieke vol te houden,—wat ook, inderdaad, zeer in strijd zou geweest zijn met zijne keurige kleeding en de bloeijende kleur op zijne wangen.

Hij ontving Milady dus eerder overeenkomstig hare wenschen dan hare verwachtingen, met den schijn van de meeste blijdschap en zonder eenige wezenlijke, of geveinsde ziekteteekenen.

Zoodra Lady Bellaston in de kamer kwam, ging zij op het bed zitten, en zeide:

„Nu, zoo als gij ziet, waarde Jones, is er niets, dat mij heel lang van u verwijderd kan houden! Misschien heb ik reden om eenigzins boos op u te zijn; want ik heb den geheelen dag niets van u gezien of gehoord; hoewel, naar ik merk, uwe ongesteldheid u niet aan huis behoefde te kluisteren;—ja, ik vermoed zelfs, dat gij den geheelen dag niet zoo opgeschikt gezeten hebt als eene groote dame, die kraamvisites wacht;—maar, denk niet dat ik met u wilde knorren; want ik zal u nooit eene aanleiding geven om u als koel echtgenoot te gedragen, door zelve den kwaden luim eener huisvrouw aan den dag te leggen.”

„Wel, Lady Bellaston,” hernam Jones, „ik ben overtuigd dat gij mij van geen verzuim beschuldigen zult, terwijl ik alleen op uwe bevelen zat te wachten. Wie, liefste, zou eigenlijk moeten klagen? Wie heeft gisteren avond eene bepaalde afspraak verzuimd en een ongelukkig mensch aan zijn zuchten, wenschen en verlangen overgelaten?”

„Spreek daar niet van, mijn waarde Jones,” zeide zij. „Als ge wist wat daartoe aanleiding gaf, zoudt gij mij beklagen. Met één woord, het is onmogelijk te beschrijven hoe eene vrouw van stand geplaagd wordt door de lastigheid van allerlei dwazen, terwijl zij toch hare rol in het kluchtspel van de maatschappij vol moet houden. Het verheugt me echter, dat al uw zuchten en wenschen u geen kwaad gedaan heeft; want ge hebt van uw leven er niet beter uitgezien. Op mijn woord, Jones, gij zijt op dit oogenblik het model van een Adonis!”

Er zijn zekere tergende woorden, die een man van eer alleen beantwoorden kan door een slag;—onder minnenden zijn er welligt zekere uitdrukkingen, waarop men alleen antwoorden kan door een kus. Het compliment door Lady Bellaston aan Jones gemaakt, was waarschijnlijk van dezen aard, vooral daar het door een blik vergezeld ging, waarmede de dame veel meer liefde uitdrukte, dan zij met woorden wel doen kon.

Jones bevond zich zeker op dit oogenblik in een der onaangenaamste en pijnlijkste toestanden mogelijk;—want, om het beeld, dat we pas gebruikt hebben, vol te houden: hoewel de uitdaging van de dame zelve kwam, kon Jones haar geene voldoening geven, of ze zelfs van haar vragen in het bijzijn van een derde, daar de wet, bij deze soort van tweegevechten, geene getuigen toelaat.

Daar dit bezwaar volstrekt niet bestond bij Lady Bellaston, die zich verbeeldde de eenige vrouw in de kamer te zijn, wachtte zij eenige oogenblikken met de meeste verbazing op het antwoord van Jones, die, zich de bespottelijke rol bewust, welke hij spelen moest, op een afstand bleef staan, en daar hij het niet waagde het gepaste antwoord te geven,—er in ’t geheel geen voor den dag bragt.

Men kan zich niets komieker noch tragischer dan dit tooneel voorstellen, als het iets langer geduurd had. De dame was reeds een paar maal van kleur veranderd, was al van het bed opgestaan, en had er weer op plaats genomen, terwijl Jones wenschte dat de aarde zich openen mogt om hem te verslinden, of dat het huis instorten en hem verpletteren mogt, toen een wonderlijk toeval hem uit eene verlegenheid redde, waaruit noch de welsprekendheid van een Cicero noch de diplomatie van een Machiavelli hem anders had kunnen redden.

Dit was niets anders dan de aankomst van den jongen Nightingale, die stom dronken was, of liever in dien dronken toestand, welke de mensch van het gebruik van de rede berooft, zonder hem het gebruik zijner ledematen te benemen.

Jufvrouw Miller en hare dochters lagen al te bed, en Partridge zat zijne pijp te rooken bij het keukenvuur, zoodat hij de deur van de kamer van Jones zonder eenig bezwaar bereikt had. Hij stiet die ook open, en wilde zonder pligtpleging binnenstormen, toen Jones opsprong, en hem tegenhield,—zoo krachtig dat Nightingale niet ver genoeg binnen drong om te kunnen zien wie op het bed zat.

Hij had inderdaad, de kamer van Jones voor de zijne gehouden, en drong er dus te stelliger op aan om binnen gelaten te worden, zwerende dat men hem niet beletten zou naar zijn eigen bed te gaan. Jones echter wist hem te bepraten en leverde hem aan Partridge over, die bij het geraas op de trap naar boven gekomen was, om zijn meester te helpen.

En thans moest Jones, hoe ongaarne ook, naar zijne eigene kamer terug keeren, waar hij, op het oogenblik van zijn binnentreden, van Lady Bellaston een gesmoorden uitroep vernam, en terzelfder tijd zag hoe zij zich op een stoel wierp, in eene ontroering, waarbij eene dame van een zwakker gestel, het op de zenuwen gekregen zou hebben.

Het ware van de zaak was dat de dame, verschrikt door de worsteling tusschen de twee mannen, en welker uitslag zij niet voorzien kon, vooral daar zij Nightingale met vele vloeken hoorde zweren, dat niemand hem uit zijn bed houden zou, eene toevlugt poogde te zoeken op de haar van vroeger bekende verbergplaats, welke zij echter, tot hare groote verbazing, reeds door eene andere bezet vond.

„Is zulk eene behandeling te dragen, mijnheer Jones?” riep de dame.—„Gij verraderlijkste der mannen!—Wie is de ellendige aan wie gij mij op die wijze bloot gegeven hebt?—”

„De ellendige!” riep Honour, in hevige woede uit haren schuilhoek te voorschijn komende. „Welnu, kom aan! De ellendige, zegt zij! Al ben ik ellendig arm, ben ik toch een eerlijk mensch! En dit kunnen sommige menschen, die nog zoo rijk zijn, niet van zich zelve zeggen!”

Jones, in plaats van zich te beijveren om jufvrouw Honours toorn te doen bedaren, zooals een meer ervarene minnaar gedaan zou hebben, begon zijn hard lot te verwenschen, en zich te beklagen als de ongelukkigste mensch ter wereld,—en zich daarop tot Lady Bellaston wendende, begon hij op de meest bespottelijke wijze zijne onschuld te betuigen. Inmiddels, daar de dame haar verstand weer volkomen meester was,—dat zij (vooral in een dergelijk geval), met de meeste vlugheid wist te gebruiken, zeide zij heel bedaard:

„Mijnheer, gij behoeft u niet te verontschuldigen;—ik zie nu wie ik voor me heb;—ik herkende jufvrouw Honour niet op het eerste oogenblik, maar nu ik zie wie het is, veronderstel ik natuurlijk niets verkeerds tusschen u en haar, en ik ben overtuigd dat zij ook veel te verstandig is, om eenigen verkeerden uitleg te geven aan mijn bezoek bij u. Ik ben haar altijd zeer gunstig gezind geweest, en ik zal het welligt in mijne magt hebben, haar dat later duidelijk te doen blijken.”

Jufvrouw Honour was even spoedig te verzoenen als het gemakkelijk was hare drift op te wekken. Zoodra zij dus den vriendelijken toon van Lady Bellaston begreep, verzachtte zij ook den haren.

„Wel, Milady,” zeide zij, „ik weet zeker, dat ik steeds uwe goedheid voor mij erkend heb;—want, werkelijk, ik heb nooit meer goedheid ondervonden van wien ook, dan van Milady! En nu ik zie dat gij het zijt, Milady, zou ik mij de tong willen afbijten, na al wat ik gezegd heb.—Ik eene verkeerde uitlegging geven aan iets dat Milady doet!—Wel! Het betaamt eene arme dienstmeid, zooals ik ben, volstrekt niet zich het hoofd te breken met hetgeen eene groote dame verkiest te doen!—Maar ik moest liever zeggen, dat betaamt niet aan iemand, die eene dienstmeid geweest is;—want nu heb ik geene dienst meer;—ik ongelukkige! Ik heb de beste meesteresse verloren!”—En hiermede begon Honour te snikken.

„Schrei niet, kind,” zei de goede dame; „men kan er welligt iets op bedenken om u dat te vergoeden. Kom morgen vroeg bij mij!”

Hierop nam zij haren waaijer op, die op den grond lag, en zonder Jones zelfs aan te zien, verliet zij de kamer met de meeste deftigheid, daar er eene zekere waardigheid ligt in de onbeschaamdheid van eene dame van hoogen rang, welke hare minderen, in zaken van dezen aard, te vergeefs zouden trachten aan te nemen.

Jones volgde haar naar beneden, haar herhaaldelijk de hand biedende, welke zij bepaaldelijk weigerde aan te raken, en klom in haren draagstoel, zonder eenige acht op hem te slaan, terwijl hij voor haar diep stond te buigen.

Zoodra hij weder naar boven kwam, had hij een lang gesprek met Honour, terwijl zij herstelde van de ontroering van het voorgaande tooneel. Het onderwerp daarvan was zijn ontrouw aan hare meesteresse, waarover zij met de meeste verbittering uitweidde; maar Jones vond eindelijk de middelen om haar te verzoenen, en niet alleen om dat te doen, maar ook om eene belofte van haar af te persen om zijn geheim heilig te bewaren, terwijl zij haar best zou doen om Sophia den volgenden morgen op te sporen en om hem verder berigt te brengen van de handelwijze van den landjonker.

Dus liep dit ongelukkige avontuur af, tot voldoening alleen van mejufvrouw Honour; want een geheim,—zooals welligt sommige mijner lezers uit ondervinding weten,—is dikwerf een zeer kostbaar iets, niet alleen voor diegenen die het trouw weten te bewaren, maar soms ook voor hen, die het aan iedereen influisteren, behalve aan den onwetende, die hen betaalt voor het veronderstelde verbergen van iets dat algemeen bekend is.

HOOFDSTUK VIII.

KORT EN ZOET.

Niettegenstaande al hare verpligtingen aan Jones, kon jufvrouw Miller niet nalaten om hem eenige zachte verwijten te doen over den storm op zijne kamer den vorigen avond. Ze luidden echter zoo zacht en vriendschappelijk, terwijl zij betuigde werkelijk niets dan het beste van den heer Jones zelven te bedoelen, dat hij, verre van zich beleedigd te gevoelen, met dank de vermaningen der goede vrouw aanhoorde, veel berouw uitdrukte over hetgeen er gebeurd was, zich verontschuldigde zoo goed hij kon, en beloofde nooit meer eenige onrust van dien aard in huis te zaken.

Maar, hoewel jufvrouw Miller zich niet onthouden kon van hem onder vier oogen te vermanen bij hunne eerste ontmoeting, werd hij dienzelfden morgen naar beneden geroepen voor eene veel aangenamer zaak; hij moest namelijk de rol van bruidsvader vervullen bij mejufvrouw Nancy, welke met den heer Nightingale trouwen zou, die reeds gekleed was en zoo nuchter als vele mijner lezers zich verbeelden zullen dat een man behoeft te zijn, die op zulk eene onberadene wijze eene vrouw neemt.

Wat was er echter den vorigen avond gebeurd. Toen de oom met zijn neef te huis gekomen was, had hij—gedeeltelijk om zijn eigen wil,—want hij hield veel van de flesch,—en gedeeltelijk om zijn neef buiten staat te stellen om zijn plan onmiddellijk uittevoeren, wijn op tafel laten zetten, en den jongenheer zoo druk ingeschonken, dat deze,—die hoewel hij gewoonlijk niet zeer veel dronk, toch niet zulk een sterken afkeer van den wijn koesterde, dat hij zich aan ongehoorzaamheid of gebrek aan beleefdheid jegens zijn oom schuldig zou maken,—weldra, zooals men zegt, „de hoogte,” kreeg.

De oom had pas deze overwinning behaald, en een bed voor zijn neef gereed laten maken toen een bode aankwam met eene tijding, die hem zoo zeer deed ontstellen en van zijn stuk bragt, dat hij zijn neef dadelijk vergat, en voor niets anders dan zijne eigene zaken vatbaar was.

Deze onverwachte en bedroevende tijding was niets minder dan dat zijne dochter gebruik had gemaakt van bijna het eerste oogenblik van zijne afwezigheid en zich had laten schaken door een jong predikant,—en ofschoon er niets tegen deze was in te brengen dan zijn gebrek aan geld, had zij goedgevonden hare liefde tot hem zoo geheim te houden, zelfs voor haren vader, en had alles zoo slim overlegd, dat niemand er iets van vermoed had tot nu alles afgeloopen was.

Zoodra de oude heer Nightingale dit berigt ontving, bestelde hij dadelijk, in de meeste ontroering, postpaarden, en zijn neef aan de zorg van een bediende overgelaten hebbende, verliet hij het huis, haast zonder te weten wat hij deed of waarheen hij ging.

Na het vertrek van den oom, kwam de knecht om den neef naar bed te brengen, wekte hem tot dat einde, en bragt hem eindelijk aan het verstand dat zijn oom vertrokken was. De jonge Nightingale echter, in plaats van de vriendelijk aangebodene hulp aan te nemen, beval dat men een draagstoel voor hem halen zoude, en daar de knecht geene bepaalde bevelen ontvangen had om dit niet te doen, gehoorzaamde hij zonder bezwaar, en de jonge heer aldus naar het huis van jufvrouw Miller gebragt zijnde, strompelde naar de kamer van den heer Jones, zoo als wij reeds gemeld hebben.

Daar nu de lastige oom uit den weg was,—hoewel de jonge Nightingale nog niet wist waarom hij vertrokken was,—en daar alle partijen spoedig gereed waren, stapten de moeder, de heer Jones, de heer Nightingale en zijne beminde in eene huurkoets en reden naar Doctor’s Commons, waar jufvrouw Nancy, in de woorden van het volk, spoedig tot „eene eerlijke vrouw” en de arme moeder, in de ruimste beteekenis van het woord, tot een der gelukkigste wezens op aarde gemaakt werd.

De heer Jones aldus zijne goede diensten jegens die arme vrouw en haar gezin bekroond ziende, begon zich thans op zijne eigene zaken toe te leggen;—maar hier, ten einde te beletten dat vele mijner lezers zijne dwaasheid berispen, omdat hij zich dus de belangen van anderen aantrok, en om te voorkomen dat enkelen gelooven zouden dat hij nog onbaatzuchtiger handelde dan wezenlijk het geval was, acht ik het noodig de verzekering te geven, dat hij verre van geen belang bij deze zaak te hebben, er werkelijk zeer op gesteld was om ze tot een gelukkig einde te brengen.

Om deze schijnbare tegenstrijdigheid dadelijk op te lossen, herinner ik, dat hij iemand was, die werkelijk met den man bij Terentius zeggen kon: „Homo sum et nil humani a me alienum puto.” Hij bleef nooit een onverschillig toeschouwer van de ellende of het geluk van wien ook, en gevoelde beide des te dieper naar mate hij zelf daartoe bijgedragen had. Het was hem dus niet mogelijk om een geheel huisgezin te helpen opheffen uit de diepste ellende tot het hoogste geluk, zonder zelf zich zalig te gevoelen,—zaliger welligt dan de meest wereldsche menschen worden door den zwaarsten arbeid of dikwerf door een modderpoel van slechtheid te doorwaden.

Die lezers, welke denzelfden aard bezitten als hij, zullen zich welligt verbeelden dat dit korte hoofdstuk overvloed aan stof bevat, terwijl anderen waarschijnlijk wenschen zullen, dat hoe kort het ook is, het geheel weggelaten ware geworden, als eene afwijking van de hoofdzaak,—welke denkelijk, volgens hen, daarin bestaat, dat de heer Jones aan de galg gebragt worde,—of zoo mogelijk tot een nog ellendiger uiteinde.

HOOFDSTUK IX.

BEVATTENDE MINNEBRIEVEN VAN VERSCHILLENDEN AARD.

Bij zijne te huiskomst vond de heer Jones onderstaande brieven op zijne tafel, die hij gelukkig, in de behoorlijke volgorde opende:

1ste BRIEF.

„Ik ben zeker op eene vreemde wijze betooverd;—ik kan mijne besluiten, hoe standvastig ze ook schijnen, of hoe billijk ze ook zijn,—geen oogenblik volhouden. Gisteren nacht besloot ik u nooit weder te zien; heden morgen ben ik gereed te vernemen of het waar is, zoo als gij zegt, dat gij deze zaak ophelderen kunt? En toch weet ik dat zoo iets onmogelijk is. Ik heb mij zelve reeds alles gezegd, wat gij bedenken kunt.—Misschien, ten minste!—Welligt hebt gij eene sterkere verbeelding dan ik.—Kom dus bij me oogenblikkelijk na ontvangst van deze letteren. Als gij eene verontschuldiging kunt bedenken, kan ik u bijna beloven ze aan te nemen. Maar verraden te zijn—ik wil niet meer denken!—Kom dadelijk bij mij.—Deze is de derde brief dien ik schrijf:—de beide eersten zijn verbrand.—Ik heb haast lust om ook dezen op het vuur te werpen.—Ik hoop maar dat ik niet waanzinnig word!—kom spoedig tot mij!”

2de BRIEF.

„Als gij ooit op vergiffenis hoopt,—of zelfs om den voet bij mij in huiste zetten,—kom dan oogenblikkelijk bij mij.”

3de BRIEF.

„Ik verneem thans dat gij niet te huis waart toen mijne brieven bezorgd werden. Ik wacht u oogenblikkelijk na ontvangst van deze regels:—ik zal zelve de deur niet uitgaan, en niemand ontvangen dan—u! Zeker zult gij nu niet lang meer uitblijven!”

Jones had pas deze drie briefjes gelezen, toen de heer Nightingale in de kamer trad.

„Nu, Tom,” zeide hij, „hebt ge na het avontuur van gisteren avond niets van Lady Bellaston vernomen?”

Want het was thans voor niemand in huis een geheim meer wie de dame was.

„Lady Bellaston?” vroeg Jones, zeer ernstig.

„Kom, mijn waarde Tom,” riep Nightingale, „speel niet meer den geheimzinnige met uwe beste vrienden! Hoewel ik te dronken was om haar gisteren avond te zien, zag ik haar wel op de maskerade. Gelooft ge werkelijk dat ik niet weet wie de Feeënkoningin was?”

„Hebt ge haar dan werkelijk op het bal herkend?” vroeg Jones.

„Ja! Op mijn woord van eer!” hernam Nightingale, „en ik heb u sedert dien tijd menigen wenk gegeven dat ik het gedaan had, hoewel ge altijd zoo kwetsbaar op dat punt schijnt, dat ik niet ronduit wilde spreken. Ik verbeeld me, vriend, uit uwe groote kieschheid in deze zaak, dat ge minder bekend zijt met het karakter dan met de persoon der dame. Maak u niet kwaad, Tom; maar werkelijk, ge zijt niet de eerste jongen dien zij verleid heeft. Haar goede naam loopt geen gevaar,—daar kunt ge op rekenen!”

Hoewel Jones geene reden had zich te verbeelden, dat de dame eene Vestaalsche maagd was toen zijn avontuur met haar begon, begreep hij echter, daar hij te Londen geheel onbekend was, nog weinig van het karakter van eene vrouw, die eene intrigue aanknoopte met iederen man, die haar bevalt, terwijl zij den naam en den schijn der deugd bewaart, en die, hoewel sommige zeer moeijelijke dames haar niet willen zien, „bezoeken ontvangt,” gelijk men zegt, van de geheele stad,—terwijl inderdaad iedereen weet dat zij is, wat niemand haar ronduit noemen wil.

Zoodra hij dus inzag, dat Nightingale met de geheele zaak bekend was, en hij daarom begon te veronderstellen, dat hij schroomvalliger was geweest dan vereischt werd, gaf hij zijn vriend volmaakte vrijheid en verzocht hem onbewimpeld alles te zeggen wat hij van de dame wist of gehoord had.

Nightingale, die ook in andere opzigten iets vrouwelijks in zijn aard had, was zeer geneigd tot babbelen. Zoodra hij dus van Jones vrijheid van spreken kreeg, begon hij een lang verhaal over de dame, dat wij, daar het vele bijzonderheden bevatte, welke haar tot groote schande strekten, uit eerbied voor alle vrouwen van hoogen stand, liefst niet herhalen. Wij wilden dan ook met de meeste voorzigtigheid elke gelegenheid vermijden om latere commentatoren van ons boek aanleiding te verschaffen, om iets kwaads te zeggen, en om ons te dwingen, tegen onzen zin, de verspreiders van laster te worden,—wat nooit bij ons opgekomen is.

Nadat Jones zeer aandachtig geluisterd had naar al wat Nightingale vertelde, loosde hij een diepen zucht, wat door den andere opgemerkt werd, die riep:

„Hola! Ge zijt toch niet verliefd, hoop ik? Als ik me had kunnen verbeelden dat gij zoo aangedaan zoudt zijn door mijn verhaal, dan verzeker ik u dat ik het verzwegen zou hebben!”

„O mijn waarde vriend,” hernam Jones, „ik ben zoodanig in de strikken van deze vrouw geraakt, dat ik niet weet hoe ik me er uit redden zal! Verliefd op haar? Neen, vriend! Maar ik heb verpligtingen,—zeer groote verpligtingen aan haar! Daar ge al zoo veel weet, zal ik u alles uitleggen. Het is welligt alleen aan haar te danken, dat ik op dit oogenblik een mondvol broods heb. Hoe zou ik het over mij verkrijgen om zulk eene vrouw te verlaten?—En toch moet ik dat doen, of me schuldig maken aan de meeste ondankbaarheid jegens eene andere, die oneindig meer van me vorderen mag dan zij;—een meisje, Nightingale, tot wie ik eene liefde koester, die weinige menschen begrijpen kunnen. Ik ben half gek van onzekerheid hoe ik handelen moet.”

„En is deze andere eene eerlijke liefde?” vroeg Nightingale.

„Eerlijk!” riep Jones. „Met geen enkel woord is haar goede naam ooit in twijfel getrokken! De reinste lucht is niet reiner,—de doorschijnende beek niet zuiverder dan hare eer. Zij is naar ligchaam en ziel, in alle opzigten volmaakt! Zij is het schoonste meisje ter wereld, en toch is zij begaafd met zulke edele, verhevene hoedanigheden, dat hoewel er geen oogenblik voorbij gaat zonder dat ik aan haar denk,—ik mij hare schoonheid nooit voorstel als ik ze niet voor oogen heb.”

„En kunt gij, waarde vriend,” vroeg Jones, „met zulke verpligtingen op u, één oogenblik aarzelen omtrent het verlaten van zulk eene—”

„Houd op!” riep Jones. „Spreek geen kwaad meer van haar, Ik verfoei de ondankbaarheid!”

„Bah!” hernam de andere; „gij zijt de eerste niet, wien zij dergelijke verpligtingen opgelegd heeft. Zij is bijzonder mild zoolang zij met iemand ingenomen is; maar ik moet u toch zeggen, dat hare gunsten zoo voorzigtig uitgedeeld worden, dat zij eerder de ijdelheid streelen dan de dankbaarheid opwekken moesten.”

Met één woord, Nightingale zei zooveel omtrent dit onderwerp en deelde zijn vriend zoovele verhalen van de dame mede, met de betuiging dat ze de stipste waarheid bevatten, dat hij spoedig alle achting voor haar uit het hart van Jones uitwischte, terwijl zijne dankbaarheid naar verhouding verminderde. Inderdaad, hij begon al de gunstbewijzen, welke hij ontvangen had, eerder als loon dan als weldaden te beschouwen,—wat niet alleen haar maar ook hem zelven vernederde in zijne eigene meening, en hem even ontevreden maakte met haar als met zich zelven. In deze mismoedige stemming, was het een natuurlijke overgang om van haar op Sophia te komen, op hare deugd, hare reinheid, hare liefde tot hem, haar lijden om zijnentwil, dat hem thans geheel vervulde en zijn omgang met Lady Bellaston in een nog verachtelijker licht deed uitkomen. De slotsom van dit alles was, dat hoewel hij door zijn ontslag te nemen uit hare dienst (want als zoodanig beschouwde hij nu zijne betrekking tot haar), zijn dagelijksch brood kwijt zou raken, hij toch besloot om haar op te geven, als hij slechts een deugdelijk voorwendsel daartoe kon vinden,—en dit voornemen deelde hij aan zijn vriend Nightingale mede, die, na zich een oogenblik bedacht te hebben, zeide:

„Ik heb het gevonden, mijn jongen! Ik weet een zeker middel! Stel haar voor met u te huwen,—en ik laat me hangen als dat niet helpt!”

„Haar voorstellen met mij te huwen?” riep Jones.

„Wel zeker!” hernam Nightingale. „Stel haar een huwelijk voor en zij zal dadelijk neen zeggen! Ik ken een jongen, dien zij vroeger onderhield, die haar dat in goeden ernst voorstelde en dien zij dadelijk, om die reden, wegjoeg.”

Jones verklaarde de proef niet te durven wagen.

„Misschien,” zeide hij, „zou haar een dergelijk voorstel minder verschrikkelijk voorkomen van den een dan van den andere. En als zij mij bij het woord nam,—waar zou ik dan blijven? Ik zou in den kuil gevallen zijn, dien ik zelf gegraven had, en voor altijd ongelukkig zijn.”

„Neen!” riep Nightingale, „niet als ik u een middel aan de hand geef, waardoor gij u des noods altijd redden kunt.”

„En wat is dat middel?” vroeg Jones.

„Het volgende,” antwoordde Nightingale. „De jongen, van wien ik u sprak,—een mijner meest vertrouwde vrienden, is zoo kwaad op haar, wegens eenige slechte diensten, welke zij hem later bewezen heeft, dat ik overtuigd ben, dat hij zonder bezwaar u inzage zou geven van hare brieven, waarna gij zeer welvoegelijk met haar zoudt kunnen breken, en u van haar los maken eer de huwelijksknoop digt getrokken was,—als zij in zoo iets toestemde,—wat zij, daarvan ben ik overtuigd, niet doen zou.”