Part 9
Maar hoewel hij, zooals gezegd is, zijne voorbeelden nam uit de Platonische school, was hij het volmaakt eens met het gevoelen van Aristoteles, als die een groot man eerder beschouwt als een wijsgeer, of speculatieven geest, dan als een wetgever. Dit gevoelen dreef hij zeer ver;—zelfs zoo ver, dat hij alle deugd slechts beschouwde als theorie. ’t Is waar, dat hij dit nooit tegen iemand beweerde, voor zoo ver ik weet, maar met een oog op zijn gedrag, kan ik niet nalaten te denken dat het zijn wezenlijk gevoelen was, waardoor ook eenige, anders schijnbare tegenstrijdigheden in zijn karakter best verklaard worden.
Deze mijnheer en de heer Thwackum ontmoetten elkaar haast nooit zonder te twisten, daar hunne leerstellingen inderdaad lijnregt tegenover elkaar stonden. Square hield de menschelijke natuur voor de volmaaktheid der deugd, en beschouwde de ondeugd als eene afwijking van de natuur, te vergelijken bij ligchamelijke mismaaktheid. Thwackum integendeel, beweerde, dat de menschelijke geest, sedert Adams val, niets was dan een vat vol boosheid, tot het gezuiverd en weder gered werd door de goddelijke genade. Slechts op één punt waren zij het eens, en dat was, nooit in hunne wijsgeerige gesprekken van „het goede” te spreken. De geliefkoosde spreekwijze van den eerste was: „de natuurlijke schoonheid der deugd;” van den laatste: „de goddelijke magt der genade.”
De eene beoordeelde alle handelingen volgens de onveranderlijke wetten van het regt en de eeuwige orde der dingen; de andere besliste alles volgens „de autoriteiten;” maar hierin gebruikte hij steeds de schrift en hare uitleggers, even als een regtsgeleerde doet met zijne wetboeken, wanneer de commentarie beschouwd wordt niet minder gezag te hebben dan de tekst.
Na deze korte inleiding, zal de lezer de goedheid hebben zich te herinneren, dat de geestelijke geëindigd was met de zegevierende vraag, welke, naar hij meende, geene tegenspraak te vreezen had:
„Kan er eenige eer zijn, zonder godsdienst?”
Hierop hernam Square, dat het onmogelijk was wijsgeerig over de woorden te praten, eer hunne juiste beteekenis bepaald was; dat er naauwelijks twee woorden bestonden, die meer onbepaald en onzeker van beteekenis waren dan de twee, welke hij pas gebruikt had, want dat er bijna evenveel begrippen van eer als van godsdienst bestonden.
„Maar,” vervolgde hij, „als gij door eer de ware natuurlijke schoonheid der deugd verstaat, dan houd ik vol, dat die bestaan kan zonder eenige godsdienst hoegenaamd. Ja,” voegde hij er bij, „gij zult zelf bekennen, dat ze bestaan kan onafhankelijk van alle godsdiensten, op ééne na;—en dat zal eveneens de mohammedaan, de jood, en met één woord iedere volgeling van iedere sekte ter wereld doen.”
Thwackum hernam dat dit redeneren was op de wijze van alle kwaadaardige vijanden van de eenige kerk. Hij zeide, er niet aan te twijfelen, dat alle ketters en heidenen ter wereld, de eer, als zij er maar kans toe zagen, beperken zouden tot hunne eigene bespottelijke dwalingen en verfoeijelijke bedriegerijen; „maar,” ging hij voort, „daarom is de eer niet veelsoortig, omdat zoo vele ongerijmde denkbeelden daarvan bestaan; en de godsdienst kan toch maar één zijn, in weerwil van alle sekten en ketters ter wereld; als ik van godsdienst spreek, dan bedoel ik de christelijke godsdienst, en niet slechts de christelijke godsdienst, maar ook de protestantsche godsdienst, en niet slechts de protestantsche godsdienst, maar de kerk van Engeland. En als ik van eer spreek, bedoel ik die mate van goddelijke genade, die niet slechts bestaanbaar is met, maar die ook afhankelijk is van deze godsdienst, en geene andere eer. En te zeggen, dat die eer, welke ik bedoel, en die, naar ik meende, de eenige eer was, welke bedoeld kon worden, iemand veroorloven kan niet alleen eene onwaarheid te zeggen, maar hem dit zelfs tot pligt maakt, is eene ongerijmdheid, te stuitend om begrepen te worden.”
„Ik vermeed voorbedachtelijk,” hernam Square, „eene gevolgtrekking te maken, die, naar het me toescheen, blijkbaar was uit hetgeen ik zeide; maar als gij die opgemerkt hebt, is het zeker, dat gij niet getracht hebt ze te weêrleggen. Maar, om de kwestie van godsdienst daar te laten, geloof ik, dat het duidelijk blijkt uit uwe woorden, dat wij verschillende begrippen omtrent de eer koesteren;—of hoe komt het dat wij het niet eens zijn in de verklaring daarvan? Ik heb beweerd, dat de ware eer en de ware deugd bijna synoniemen zijn, en dat beide gegrond zijn op de onveranderlijke wetten van het regt en van de eeuwige orde der dingen;—en daar eene onwaarheid bepaaldelijk daarmede tegenstrijdig en vijandig is, is het ook zeker, dat de ware eer geene onwaarheid goedkeuren kan. Hierin geloof ik dus dat wij het beide eens zijn; maar dat men zou willen volhouden, dat deze eer gegrond kan zijn op de godsdienst, hoewel zij ouder is dan deze, indien men door godsdienst eenige stellige wet bedoelt,—”
„Ik het met u eens!” riep Thwackum, met veel drift, „en dat met iemand, die durft te beweren dat de eer ouder is dan de godsdienst!—mijnheer Allworthy, ik beroep me op u,—heb ik toegestemd—?”
Hij wilde voortgaan, toen de heer Allworthy hem in de rede viel en zeer bedaard zeide, dat zij hem beide verkeerd begrepen hadden; want dat hij van waar eergevoel niet gesproken had.—Het is echter mogelijk dat hij de twistenden niet gemakkelijk tot bedaren gebragt zou hebben, daar beide even driftig waren geworden, als er niet iets anders tusschenbeide gekomen ware, dat voor het oogenblik voor goed een einde maakte aan het gesprek.
HOOFDSTUK IV.
BEVATTENDE EENE NOODZAKELIJKE VERONTSCHULDIGING VOOR DEN SCHRIJVER EN EENE KINDERACHTIGE GEBEURTENIS, WELKE WELLIGT OOK EENE VERONTSCHULDIGING EISCHT.
Eer ik verder ga, moet ik de vrijheid nemen elke verkeerde uitlegging te voorkomen, waartoe de ijver van sommige lezers hen welligt verleiden kon; want ik wenschte volstrekt niet wien ook te grieven,—vooral niet dezulken die voor de deugd of de godsdienst ijveren.
Ik hoop dus dat niemand door een grof misverstand, of verkeerde opvatting mijner bedoeling, mij ten onregte beschuldigen zal van een streven om de grootste volmaaktheden waarvoor de menschelijke natuur vatbaar is, bespottelijk te maken;—daar juist die alleen in staat zijn het hart te zuiveren en te veredelen en den mensch boven het dier te verheffen. Neen, ik waag het, de verzekering aan den lezer te geven (en hoe beter mensch hij is, des te gemakkelijker zal hij mij kunnen gelooven), dat ik liever dan aan één dier heerlijke dingen afbreuk te doen, de gevoelens van de twee menschen in kwestie gaarne voor eeuwig aan de vergetelheid zou ten prijs gegeven hebben.
Integendeel: het was met het oogmerk om deugd en godsdienst te bevorderen, dat ik op me nam het leven en de handelingen van twee harer valsche en gewaande voorvechters te beschrijven. Een verraderlijke vriend is de gevaarlijkste vijand; en ik vrees niet te verklaren, dat beide, godsdienst en deugd, wezenlijk meer benadeeld zijn door huichelaren, dan door de geestigste losbollen en ongeloovigen. Ja zelfs, even als deugd en godsdienst, als ze zuiver zijn, met regt genoemd worden de band der burgerlijke maatschappij, en inderdaad de grootste der zegeningen zijn, zoo zijn ze ook, wanneer ze verpest of bedorven worden door bedrog schijn, en uitwendig vertoon, de ergste vloeken onzer zamenleving, die den mensch er toe gebragt hebben om zijn eigen geslacht op de wreedaardigste wijze, sedert onheugelijke tijden, te kwellen.
Ik twijfel ook niet of men zal over het algemeen mijne satire wel begrijpen; mijne voornaamste vrees blijft echter, dat, daar er onder hetgeen die beide personen spraken, veel juists en waars was, men het een met het ander verwarren zal, en zich verbeelden dat ik alles tegelijk wilde bespotten. De lezer moge echter bedenken, dat daar deze twee mannen volstrekt niet dom waren, men ook niet veronderstellen kon, dat zij niets dan verkeerde grondbeginselen voorstonden, of niets dan ongerijmdheden uitten. Ik zou hen dus zeer onjuist voorgesteld hebben, als ik niets dan het slechte uit hunne gesprekken uitgezocht had,—terwijl hunne redeneringen ook verschrikkelijk ellendig en verminkt zouden geschenen hebben.
Over het algemeen dus, worden noch godsdienst noch deugd, maar het gebrek aan beide ten toon gesteld. Als Thwackum de deugd en Square de godsdienst niet te zeer verwaarloosd had, ten einde hunne verschillende stelsels te schragen, en als beide niet heel en al alles wat aangeborene goedheid van harte genoemd mag worden verloochend hadden, dan zouden zij nooit bespot zijn geworden in de geschiedenis, waarmede ik nu voortga.
De zaak dan, die een einde maakte aan het dispuut in het vorige hoofdstuk vermeld, was niets minder dan een twist tusschen den jongen heer Blifil en Tom Jones, waarvan het gevolg was dat de eerste een stomp kreeg, die hem den neus aan het bloeden bragt; want ofschoon de jonge heer Blifil, hoewel de jongere, toch de grootste van beide was, was Tom veel bedrevener dan hij in de edele box-kunst.
Tom echter vermeed voorzigtig alle twisten met den anderen jongen, want in weerwil van zijne schelmen-streken, was hij wezenlijk een goedaardige jongen en hield werkelijk veel van Blifil, terwijl de gedachte ook dat deze den heer Thwackum altijd in den rug had, genoeg zou geweest zijn om hem tot den vrede te stemmen.
Maar zekere schrijver heeft met regt gezegd, dat geen sterveling ten allen tijde wijs is;—geen wonder dan dit ook het geval is met een jongen.
Bij een verschil, dat onder het spelen tusschen de jongens ontstond, noemde de jonge heer Blifil Tom een bastaard, waarop deze, die eenigzins driftig van aard was, onmiddellijk den anderen, op de wijze welke wij reeds vermeld hebben, het gezigt teekende.
De jonge heer Blifil nu, terwijl het bloed stroomde van zijn neus en de tranen uit zijne oogen het naliepen, verscheen voor zijn oom en den ontzagwekkenden Thwackum. Voor deze regtbank werd nu eene klagt ingediend wegens ligchamelijke beleediging en feitelijke mishandeling tegen Tom, die ter zijner verontschuldiging alleen de provocatie kon aanvoeren,—wat het eenige punt was dat de jonge heer Blifil in zijn verhaal van de zaak uitgelaten had.
Het is echter mogelijk, dat deze omstandigheid door hem vergeten was; want in zijn antwoord hield hij stellig vol dat hij dien scheldnaam niet gebruikt had, er bijvoegende, „De Hemel verhoede, dat hij ooit gebruik zou maken van zulke ondeugende woorden.”
Tom, hoewel zulks tegen alle vormen streed, repliceerde en betuigde de waarheid gezegd te hebben.
Hierop riep de jonge heer Blifil uit, dat dit hem volstrekt niet verwonderde, „want iemand, die eens een leugen verteld heeft, zal wel tot een tweeden komen. Als ik mijn meester zoo voorgelogen had als gij, dan zou ik hem niet meer durven aanzien.”
„Welke onwaarheid bedoelt ge, kind?” vroeg Thwackum, met eenige drift.
„Wel! Hij vertelde u, dat er niemand met hem op de jagt was, toen hij die patrijs schoot; maar hij weet heel goed” (en hier barstte hij in tranen uit), „ja, hij weet best, want hij heeft het me zelf bekend, dat de Zwarte George, de jager, bij hem was! Ja, hij zeide zelfs,—ja, dat hebt ge gedaan!—dat kunt ge niet loochenen,—„dat ge de waarheid niet bekend zoudt hebben, al had men u dood geslagen!””
Hier schoot het vuur uit Thwackum’s oogen en hij riep zegevierend uit:
„O! Zie zoo! Dit heet dus een verkeerd begrip van eer! Dit is de jongen, die niet meer gekastijd mogt worden!”
Maar de heer Allworthy wendde zich met meerdere vriendelijkheid tot den knaap en zeide:
„Is dit waar, kind? Hoe kwaamt ge er toe zoo stijfhoofdig de onwaarheid vol te houden?”
Tom zeide, „dat niemand meer dan hij een leugen verachtte; maar dat hij zich door de eer verpligt rekende te handelen zooals hij gedaan had; want hij had den armen jager beloofd diens schuld geheim te houden, waartoe,” voegde hij er bij, „hij zich te meer verpligt rekende, omdat de jager hem gesmeekt had de grenzen niet te overschrijden en eindelijk alleen bezweken was ten gevolge van Tom’s volhouden.” Hij betuigde dat dit de geheele waarheid was, en eindigde met den heer Allworthy zeer hartstogtelijk te smeeken, medelijden met den armen man en zijn huisgezin te hebben, vooral daar hij, Tom, de eenige schuldige was, en de andere slechts met de grootste moeite overgehaald was geworden om hetgeen hij gedaan had te begaan. „Inderdaad, mijnheer,” zeide hij, „men kan naauwelijks volhouden dat ik een leugen vertelde; want de arme man was geheel onschuldig in deze zaak. Zonder hem, zou ik alleen de vogels vervolgd hebben;—ja, ik ging zelf eerst alleen, en hij volgde slechts om grooter kwaad te voorkomen. Ik bid u, mijnheer, laat mij maar straffen; neem het hitje weer weg,—maar om alles ter wereld, mijnheer, schenk den armen George uwe vergiffenis!”
De heer Allworthy aarzelde eenige oogenblikken en zond toen de jongens weg, met den raad, om verder maar vriendschappelijk en vreedzaam te leven.
HOOFDSTUK V.
DE GEVOELENS VAN DEN GODGELEERDE EN DEN WIJSGEER OMTRENT DE TWEE KNAPEN; MET EENIGE REDENEN VOOR HUNNE MEENINGEN, EN ANDERE DINGEN DAARBIJ.
Het is mogelijk, dat de jonge Blifil door dit geheim te openbaren, dat hem in het stiptste vertrouwen medegedeeld was door zijn kameraad, dezen redde van een fiksch pak slagen; want de stomp dien hij den anderen op den neus gegeven had, zoude reeds op zich zelven genoeg zijn geweest om Thwackum tot deze straf te doen overgaan; maar dit werd nu vergeten in de beschouwing van de meer gewigtige zaak, ten opzigte van welke de heer Allworthy in stilte verklaarde, dat, naar zijn gevoelen, de jongen eerder belooning dan straf verdiende; zoodat Thwackum’s hand weerhouden werd door de algemeene amnestie.
Thwackum echter, wiens overpeinzingen meestal over de geesselroede liepen, voer hevig hiertegen uit, als eene zwakheid, welke hij, gelijk hij zeide, niet schroomde eene kwalijk geplaatste barmhartigheid te noemen. Hij beweerde, dat zulke misdaden niet te bestraffen, zoo goed was als ze aan te moedigen. Hij sprak zeer uitvoerig over de tucht der kinderen, en haalde vele spreuken aan van Salomo en anderen, welke reeds in zoo vele boeken te vinden zijn, dat zij in dit boek niet behoeven herhaald te worden. Daarop weidde hij uit over het liegen, omtrent welk punt hij evenveel geleerdheid uitte als omtrent het andere.
Square zeide, dat hij zijn best gedaan had om het gedrag van Tom overeen te brengen met zijn denkbeeld van staatsburgerlijke deugd; maar dat hem niet gelukken wilde. Hij bekende, dat er iets was in zijne handelwijze, dat op het eerste gezigt naar standvastigheid zweemde; daar echter, deze eene deugd was, en de onwaarheid, eene ondeugd, kon hij ze volstrekt niet met elkaar rijmen. Hij voegde er bij, dat, door zoo iets, deugd en ondeugd met elkaar verward werden, en gaf hij den heer Thwackumin bedenking, of juist om die reden de straf niet te strenger moest wezen.
Even als deze beide geleerde mannen het eens waren om Jones te berispen, zoo ook roemden zij eenparig den jongen heer Blifil. De geestelijke beweerde, dat het pligt was voor ieder godsdienstig mensch om de waarheid aan het licht te brengen; en de wijsgeer verklaarde, dat dit volmaakt overeenkomstig was met de wetten van het regt en de eeuwige en onveranderlijke orde der dingen.
Dit alles woog echter niet zwaar bij den heer Allworthy. Men kon hem er niet toe overhalen het vonnis voor de executie van Jones te onderteekenen. Er was iets in zijn eigen hart, dat veel beter overeenstemde met de onwrikbare standvastigheid van den jongen, dan met de godsdienst van Thwackum of de deugd van Square. Daarom beval hij streng den eerstgenoemde, om Tom niet ligchamelijk te straffen voor hetgeen gebeurd was. De onderwijzer was genoodzaakt aan deze bevelen te gehoorzamen, maar niet zonder grooten tegenzin en veel gemompel, dat de jongen stellig en zeker bedorven zou worden.
Onze waardige vriend was veel strenger ten opzigte van den jager.
Hij liet den armen kerel dadelijk bij zich roepen, en na vele bittere verwijten, gaf hij hem zijn loon en ontsloeg hem uit zijne dienst; want de heer Allworthy merkte te regt op, dat er een groot verschil bestond tusschen het zich schuldig maken aan eene onwaarheid, om zich zelven, of om iemand anders te redden. Hij gaf ook op, als de hoofdbeweegreden tot zijne groote strengheid in dit geval, dat de jager op eene schandelijke wijze toegelaten had, dat Tom Jones om zijnentwil zulk eene zware straf had ondergaan, welke hij had moeten voorkomen door zelf de waarheid aan het licht te brengen.
Zoodra deze zaak publiek werd, verschilden vele menschen van Square en Thwackum in het beoordeelen van het gedrag der beide jongens. Men noemde den jongen heer Blifil over het algemeen een kruipenden schelm, een lagen ellendeling, met meer dergelijke bijnamen, terwijl Tom vereerd werd met den titel van „brave jongen,” „beste vent,” en „eerlijke kerel.”
Vooral had zijne houding tegenover den Zwarten George hem genade doen vinden in de oogen van al de dienstboden; want hoewel de jager vroeger algemeen gehaat was, werd hij nu algemeen beklaagd zoodra hij zijn ontslag kreeg, terwijl de vriendschap en de moed van Tom Jones door allen ten hoogste geroemd werden, en de jonge heer Blifil zoo luide als men dit wagen durfde, zonder gevaar te loopen van zijne moeder te vertoornen, berispt werd.
Om dit een en ander werd de arme Tom echter zwaar naar het ligchaam gestraft; want, ofschoon Thwackum verboden werd de hand opteheffen tegen hem, om die ééne zaak, is het toch, gelijk het spreekwoord zegt, gemakkelijk een stok te vinden, enz.—Het viel ook niet moeijelijk eene roede te vinden, en inderdaad, de onmogelijkheid om er eene magtig te worden, was het eenige, dat Thwackum lang had kunnen weerhouden om den armen Jones te kastijden.
Indien niets anders dan het genot dat hij in het straffen zelf vond den onderwijzer daartoe aangespoord had, is het waarschijnlijk dat de jonge heer Blifil ook zijn deel gekregen zou hebben; maar hoewel de heer Allworthy hem dikwijls aanbevolen had geen onderscheid tusschen hen te maken, bleef Thwackum steeds even zachtaardig en vriendelijk jegens dezen jongen, als hij hard, ja, zelfs barbaarsch was, tegen den anderen.
Om de waarheid te bekennen, Blifil had in hooge mate de toegenegenheid van zijn leermeester verworven, gedeeltelijk door den diepen eerbied, welken hij dikwijls toonde voor zijn persoon, maar nog meer door den betamelijken ijver, waarmede hij zijne leerstellingen omhelsde; want hij had de spreekwijzen van zijn meester van buiten geleerd, en herhaalde ze dikwijls, en handhaafde al de godsdienstige grondbeginselen van zijn onderwijzer met een ijver, die verbazend was in iemand van zijn jeugdigen leeftijd, en die hem zeer dierbaar maakte aan zijn leeraar.
Tom Jones, van den anderen kant, bleef niet slechts in gebreke in uiterlijke teekenen van eerbied,—maar lette in ’t geheel niet op de leer en de voorschriften van zijn onderwijzer. Hij was inderdaad een onnadenkende, ligtzinnige jongen, die zeer weinig bedaardheid liet blijken in zijn gedrag en nog minder op zijn gelaat,—en hij plagt dikwijls, op de meest onbetamelijke en onbeschofte wijze, zijn makker uit te lagchen over diens ernstige houding.
De heer Square had dergelijke redenen ook om meer van Blifil te houden, want Jones toonde niet meer ontzag voor de geleerdheid, welke deze heer soms aan hem verspilde, dan voor de vermaningen van Thwackum. Hij waagde het zelfs eens te spotten over „de eeuwige wetten van het regt,” en zeide, bij eene andere gelegenheid, dat er geene wetten ter wereld bestonden, volgens welke zulk een man als zijn vader (want de heer Allworthy liet toe dat hij hem zoo noemde), geschapen kon worden.
Daarentegen bezat de jonge heer Blifil op zestienjarigen leeftijd behendigheid genoeg om zich tegelijkertijd bij beide partijen aan te bevelen. Bij den één was hij zuiver godsdienst; bij den andere zuiver deugd. En als beide tegenwoordig waren, bewaarde hij een diep stilzwijgen, dat beiden tot hun en zijn voordeel uitlegden.
Blifil vergenoegde zich ook niet met deze beide heeren slechts in hun bijzijn te vleijen; hij zocht vele gelegenheden om hen achter hun rug bij Allworthy te roemen, tegen wien, als zij alleen waren, en zijn oom het een of ander godsdienstig of deugdzaam gevoelen prees,—waartoe hij dikwerf aanleiding gaf,—hij zelden naliet dit toe te schrijven aan de goede lessen van Thwackum en Square. Hij wist namelijk, dat zijn oom alle dergelijke complimenten overbragt aan diegenen voor wie ze bestemd waren, en hij leerde, door ondervinding, den grooten indruk kennen, welken zij maakten, beide op den wijsgeer en den theologant; want zeker is het, dat geene vleijerij zoo onweerstaanbaar is, als die, welke ons uit de derde hand bereikt.
Daarenboven ontdekte weldra de jonge heer hoe buitengewoon aangenaam al deze lofspraken op zijne onderwijzers klonken in de ooren van den heer Allworthy zelven, daar ze het vreemde opvoedingstelsel schenen aantebevelen, hetwelk hij zelf aangenomen had. Want daar de waardige man de onvolmaaktheid der openbare scholen kende en de vele ondeugden, welke de jongens daar aanleeren konden, had hij besloten zijn neef, even als zijn aangenomen zoon, op eene wijze optevoeden, waarop hunne zeden minder gevaar liepen van bedorven te worden, dan op eene publieke school of akademie.
Nadat hij zich dus voorgenomen had hen aan de zorgen van een gouverneur toe te vertrouwen, werd hem voor dit ambt de heer Thwackum aanbevolen, door een vertrouwden vriend, op wiens oordeel de heer Allworthy hoogen prijs stelde en op wiens eerlijkheid hij meende te kunnen rekenen.
Deze Thwackum had op eene beurs gestudeerd aan eene der akademiën, waar hij bijna altijd woonde, waar hij gepromoveerd was, en grooten naam gemaakt had van wege zijne geleerdheid, godsdienstigheid en onberispelijken wandel. Het waren ook, zonder twijfel, al deze vereischten, welke den vriend van den heer Allworthy er toe bragten om hem aan te bevelen; ofschoon inderdaad, deze vriend eenige verpligtingen had aan de familie van Thwackum, die tot de aanzienlijkste menschen behoorden in een plaatsje, waarvoor die heer zitting had in het parlement.
Bij zijne aankomst maakte Thwackum zich zeer aangenaam, en beantwoordde werkelijk in het begin aan den goeden naam, welken hij medebragt. Bij nadere kennismaking echter, en in den loop van een meer vertrouwelijken omgang, ontdekte de waardige Allworthy zwakheden in den gouverneur, welke hij gaarne gemist zou hebben, hoewel, daar ze meer dan opgewogen schenen door zijne goede hoedanigheden, ze den heer Allworthy volstrekt niet geneigd maakten om hem weg te zenden. Ze zouden ook eene dergelijke handelwijze niet gewettigd hebben; want de lezer zou zich zeer vergissen als hij zich verbeeldde, dat de heer Thwackum zich aan den heer Allworthy vertoonde in hetzelfde licht als dat, waarin hem de lezer ziet in deze geschiedenis. Hij vergist zich evenzeer, als hij zich verbeeldt, dat de intiemste kennis met den geestelijke, hem die dingen zouden geopenbaard hebben, welke wij, door onze inspiratie, in staat zijn in te zien en bloot te leggen.
Van lezers, die om zulke redenen, de wijsheid of de scherpzinnigheid van den heer Allworthy in twijfel trekken, schroom ik niet te zeggen, dat zij een zeer slecht en ondankbaar gebruik maken van de kennis, welke wij hun medegedeeld hebben.
Deze blijkbare dwalingen in Thwackum’s leer dienden echter om de tegenovergestelde dwalingen in die van Square, welke onze waardige vriend ook inzag, te verzachten. Hij verbeeldde zich inderdaad, dat de uiteenloopende gebreken dezer heeren elkander onderling verbeteren zouden, en dat van beide, vooral met zijn behulp, de beide jongens genoegzame begrippen zouden krijgen van echte godsdienst en deugd. Zoo de uitslag zijne verwachtingen niet regtvaardigde, is dit waarschijnlijk toe te schrijven aan eenig gebrek in zijn stelsel zelf, hetwelk ik den lezer verlof geef zelf te ontdekken als hij dat kan; want het is ons voornemen niet, eenig onfeilbaar karakter in dit boek in te voeren, waarin wij hopen niets te laten zien, dat tot nog toe niet in de menschelijke natuur gevonden werd.
Maar, om tot de zaak terug te komen: de lezer zal nu, denkelijk, niet verwonderd staan, dat het verschillende gedrag van de beide jongens, de verschillende uitwerkingen had, van welke hij reeds één voorbeeld gezien heeft, en bovendien, bestond er nog eene reden voor de houding van den wijsgeer en den onderwijzer, die wij echter, als van groot belang, pas in het volgende hoofdstuk zullen openbaren.
HOOFDSTUK VI.
BEVATTENDE EENE NOG BETERE REDEN VOOR DE VOORMELDE GEVOELENS.