Chapter 17 of 84 · 3989 words · ~20 min read

Part 17

Thwackum was ook een tamelijk getrouwe bezoeker en ook hij beschouwde het ziekbed als een gepast tooneel voor zijne lessen. Zijn trant was echter strenger dan die van den heer Allworthy; hij vertelde zijn leerling, dat hij zijn gebroken arm als een Gods-oordeel over zijne zonden moest beschouwen. Dat het hem betamen zou dagelijks op de knieën den hemel te danken, dat hij slechts den arm en niet den nek gebroken had, welk laatste ongeluk, merkte hij op, „waarschijnlijk slechts tot eene latere gelegenheid uitgesteld was, die welligt niet heel ver verwijderd zou zijn. Wat hem zelven (Thwackum) betrof, hij was er dikwerf over verwonderd geweest, dat hem vroeger geene straf overkomen was; maar men kon toch aan deze zien, dat de straffe des Hemels, hoewel soms lang uitgesteld, altijd toch den zondaar treft.” Hij ried hem dus aan, „met evenveel zekerheid zich voor te bereiden op de nog grootere rampen, die komen moesten, en die hem zeker treffen zouden in zijn goddeloozen toestand. Deze,” zeide hij, „kunnen alleen afgewend worden door groot en opregt berouw, dat niet te hopen of te verwachten is bij iemand, die in zijne jeugd zoo bedorven is, en wiens hart, naar ik vrees, geheel versteend is. Evenwel, het blijft mijn pligt u tot berouw te vermanen, ofschoon het mij wel bewust is, dat alle vermaningen even ijdel en vruchteloos zullen zijn. Maar liberavi animam meam. Ik heb me geen verzuim te verwijten, en het doet me uiterst leed u den weg te zien opgaan tot eene zekere ellende in deze wereld en eene even zekere verdoemenis hier namaals.”

Square praatte in een geheel anderen trant. Hij zeide, „dat het een wijs man niet betaamde eenig gewigt te hechten aan zulke ongelukjes als een gebroken arm. Dat het meer dan genoeg was om ons te verzoenen met dergelijke kleine rampen, als men bedacht dat ook de wijsste der stervelingen daaraan onderhevig waren, en dat ze, zonder twijfel, tot het algemeen welzijn bestonden.” Hij voegde er bij, „dat het een misbruik van woorden was, om die dingen kwalen te noemen, die zedelijk niets ongepast bevatten; dat pijn, welke het ergste gevolg was van zulke toevallen, de verachtelijkste zaak ter wereld was;” met dergelijke gezegden meer, gehaald uit het tweede boek van de Tusculanae van Cicero, en uit den beroemden Lord Shaftesbury. Hij geraakte op zekeren dag zoodanig in vuur onder het vertellen van deze zaken dat hij zich ongelukkig op de tong beet en zoo erg, dat het niet slechts een einde aan zijne redevoering, maar hem tevens driftig maakte en hem een paar vloeken afperste; maar wat het ergste van alles was, deze gebeurtenis verschafte Thwackum de gelegenheid, daar hij er bij was, en dergelijke leerstellingen voor heidensch en atheïstisch hield, om hem zijn ongelukje als een godsoordeel te verwijten. Dit gebeurde met zulk een kwaadaardig gegrijns, dat het den wijsgeer, die reeds eenigzins knorrig was over hetgeen hij gedaan had, het hoofd geheel op hol bragt, en daar hij buiten staat was zijn toorn met woorden te uiten, zou hij welligt op eene meer gewelddadige wijze zich wraak verschaft hebben, als de heelmeester, die gelukkig in de kamer was, niet (wat zeer in strijd was met zijn eigen belang), tusschenbeide gekomen ware, om den vrede te doen bewaren.

De heer Blifil bezocht slechts zelden zijn vriend Jones, en nooit alleen. Deze waardige jongeling echter betuigde veel van hem te houden, en groot leedwezen te gevoelen over zijn ongeluk; maar vermeed voorzigtig den vertrouwelijken omgang met hem, opdat niet,—zoo als hij zelf dikwerf verklaarde,—de zuiverheid van zijn eigen gemoed besmet mogt worden; en hij had dan ook telkens in den mond dat spreekwoord van Salomo, hetwelk tegen slechten omgang gerigt is. Hij was echter niet zoo bitter als Thwackum; want hij drukte toch steeds eenige hoop uit, dat Tom zich op den duur beteren zoude, „wat te weeg gebragt moest worden,” zeide hij, „als hij niet geheel en al reddeloos verloren is, door de onvergelijkelijke goedheid van zijn oom: maar,” voegde hij er bij, „als Jones zich ooit later weder te buiten gaat, zal het mij onmogelijk wezen één woord ten zijnen gunste te spreken.”

Wat den heer Western betreft, die was zelden uit de ziekenkamer, tenzij hij op de jagt was, of bij de flesch zat. Ja, hij kwam er zelfs soms, om er zijn glas bier te drinken, en het kostte eenige moeite hem te beletten Jones ook het bier op te dringen; want nooit heeft een kwakzalver meer geloof gehad in eenig medicament, dan hij in dit algemeene geneesmiddel, dat, volgens hem, beter was dan alle kruiden van den apotheker. Door veel smeeken echter, bragt men hem zoover, dat hij van de toediening er van afzag; maar het was onmogelijk hem te beletten den zieke elken morgen onder het venster met eene serenade op zijn jagthoren te begroeten, en hij vergat ook nooit het luidruchtige „Hola, ho!” waarmede hij in elk gezelschap trad, als hij Jones bezocht, zonder zich er over te bekommeren of de lijder sliep of niet.

Deze luidruchtigheid, die volstrekt met geen kwade bedoeling gepaard ging, deed ook gelukkig geen kwaad, en werd ruimschoots vergoed, zoodra Jones opzitten kon, door het bijzijn van Sophia, die haar vader medebragt om hem te bezoeken;—en het duurde ook niet lang eer Tom in staat was haar naar de klavecimbel te volgen, waar zij de goedheid had hem uren achtereen met de heerlijkste muzijk te betooveren, tenzij de oude heer goed vond haar te storen door om eene ballade, of een zijner geliefkoosde oude liederen te vragen.

Niettegenstaande de groote voorzigtigheid, welke Sophia zich beijverde in haar gedrag in acht te nemen, kon zij niet nalaten tusschenbeide eenige kleine blijken van liefde te laten doorschemeren; want de liefde gelijkt ook hierin op eene ziekte, dat als ze niet op de eene plaats uitbreekt, zij zeker zich ergens anders een uitweg banen zal. Wat hare lippen dus verzwegen, werd verraden door hare blikken, haar blozen en allerlei onwillekeurige kleine aandoeningen.

Op zekeren dag toen Sophia op de klavecimbel speelde, en Jones naar haar zat te luisteren, trad haar vader in de kamer, met den uitroep: „Nu, Tom, ik ben voor jou slaags geweest daar beneden met den dikken dominé Thwackum. Hij vertelde aan Allworthy terwijl ik er bij was, dat de gebroken arm een godsoordeel over u was! „Wel verdraaid!” riep ik, „hoe kan dat waar zijn? Kreeg hij ’t ongeluk niet toen hij een jong meisje bijstond? Een godsoordeel! Wel ja! Als hij nooit iets gemeeners doet dan dat, zal hij eerder in den Hemel komen dan al de dominés in het land! Hij heeft eerder reden om er trotsch op te zijn, dan zich er over te schamen.”

„Wezenlijk, mijnheer,” zei Jones, „ik heb noch tot het een noch het ander reden; maar als het uwe dochter redde, zal ik het altijd als het gelukkigste ongeluk van mijn leven beschouwen.”

„En dan maar zijn best te doen om Allworthy daarom tegen je op te stoken!” zei de landjonker. „Verdraaid! Als de dominé zijne toga niet aan had gehad, dan zou ik hem eens van mijn stok hebben laten proeven; want ik houd veel van jou, jongen, en de drommel zal me halen, als er iets in mijne magt is, dat ik voor jou niet doen zou! Ge zult morgen vroeg de keuze hebben uit al de paarden, die ik op stal heb, met uitzondering alleen van den Chevalier en Miss Slouch.”

Jones bedankte hem, maar weigerde gebruik te maken van zijne aanbieding.

„Nu dan,” hernam Western, „ge zult de merrie hebben, die Sophia bereed. Ze kostte me vijftig guinjes en is nog geen zes jaar oud.”

„Al had ze me er nog duizend gekost,” riep Jones driftig, „ik zou haar aan de honden gegeven hebben!”

„Kom, kom!” hernam Western, „alleen omdat ze jou den arm gebroken heeft? Ge moet leeren te vergeten en te vergeven. Ik hield jou voor te veel mans om wraak te koesteren tegen een stom dier!”

Hier maakte Sophia een einde aan het gesprek door verlof van haar vader te vragen om iets voor hem te spelen:—een verzoek dat hij nooit afsloeg.

Het gelaat van Sophia had eene verandering ondergaan gedurende het pas vermelde gesprek, en zij schreef waarschijnlijk de hartstogtelijke drift, door Jones aan den dag gelegd tegen het paard, aan eene oorzaak toe, die veel verschilde van diegene waarvan ze door haar vader afgeleid werd. Zij was ook op dit oogenblik blijkbaar ontroerd, en speelde zoo erbarmelijk slecht, dat als Western niet spoedig in den dut geraakt ware, hij het zeker opgemerkt zou hebben. Jones echter, die wakker genoeg was, en wien het evenmin aan gehoor ontbrak als aan oogen, vond gelegenheid om eenige opmerkingen te maken, die gevoegd bij al hetgeen vroeger gebeurd was, en dat de lezer kent, hem, bij rijper nadenken, tamelijk vast verzekerden dat Sophia’s teeder hart op de eene of andere wijze aangedaan was. Ik twijfel ook niet dat sommige jonge heeren zeer verbaasd zullen wezen, dat hij dit niet veel vroeger ontdekt had. Maar, om de waarheid te zeggen, hij vertrouwde zich zelven niet genoeg, en was niet verwaand genoeg om de ingenomenheid eener jonge dame te zien; een gebrek, dat alleen genezen kan worden door eene opvoeding in de hoofdstad, zoo als nu zoo zeer in de mode is.

Zoodra echter deze gedachten bij Tom opkwamen, bragten ze bij hem zulk eene ontroering te weeg, dat in een minder rein en standvastig gemoed de gevolgen,—vooral op zulk een tijd,—zeer gevaarlijk hadden kunnen zijn. Hij besefte geheel en al Sophia’s waarde. Hij bewonderde hare schoonheid zeer, en niet minder hare gaven, terwijl hij zeer getroffen was door hare beminnelijkheid. En waarlijk, daar hij nooit eenige gedachte had gekoesterd om haar eens de zijne te kunnen noemen, en nooit, met zijn weten, zijne neiging tot haar aangekweekt had, gevoelde hij veel meer liefde tot haar dan hij zelf wel wist. Zijn hart verried hem nu den geheelen omvang van dat geheim, terwijl het hem verzekerde dat de aangebedene zelve voor zijne liefde niet ongevoelig was gebleven.

HOOFDSTUK III.

BEVATTENDE,—VOOR ALLEN DIE GEEN HART HEBBEN,—VEEL GESCHREEUW EN WEINIG WOL.

De lezer zal zich welligt nu verbeelden, dat de gevoelens, waarmede Jones bezield was, zoo zoet en verrukkelijk waren, dat ze eerder strekken moesten om eene heldere kalmte in zijn geest te doen ontstaan, dan eenige van die gevaarlijke uitwerkingen, welke wij reeds opgesomd hebben; maar, inderdaad, gewaarwordingen van dien aard, hoe heerlijk ook, zijn, als men ze eerst ondervindt, zeer onstuimig, en hebben zeer weinig kalmerends. In het onderhavige geval, werd het genot er ook van verbitterd door zekere omstandigheden, die met zoetere bestanddeelen vereenigd, bij elkaar een mengsel vormden, dat men wel bitter-zoet mogt noemen;—het onaangenamste voor den smaak en, in den overdragtelijken zin, het nadeeligste voor het gemoed dat men zich verbeelden kan.

Want, ten eerste, hoewel er grond genoeg bestond voor hem, om zich te vleijen met hetgeen hij in Sophia opgemerkt had, was hij niet geheel overtuigd dat hij niet medelijden, of, op zijn best, achting, aanzag voor iets van meer vurigen aard. Het was er verre af, dat hij die levendige overtuiging koesterde, dat Sophia zooveel liefde tot hem koesterde, als noodig was om hem die uitkomst te verzekeren, welke zijne eigene neiging, als hij die aankweekte, eindelijk begeeren zou. Bovendien, al mogt hij hopen geene bezwaren te vinden bij de dochter, meende hij zeker te zijn ze bij den vader te ontmoeten; die hoewel slechts een ruwe landjonker, wat zijn vriendschap betrof, heel en al een man van de wereld was in al wat geldzaken aanging, die daarbij de vurigste liefde tot zijne eenige dochter koesterde en dikwijls, over de wijnflesch, het genoegen had te kennen gegeven, dat het hem verschaffen zou haar met een der rijkste mannen van het graafschap te zien trouwen. Jones was niet ijdel en onverstandig genoeg om te verwachten dat Western zich ooit door eenige neiging voor hem zou laten overhalen, om zijne plannen ten voordeel zijner dochter op te geven. Hij wist wel dat het geld gewoonlijk de hoofd- zoo niet de eenige drijfveer der ouders is in dergelijke beschikkingen; want de vriendschap maakt ons zeer ijverig om de belangen van anderen te bevorderen; maar laat ons zeer koel ten opzigte van de bevrediging hunner hartstogten.

En inderdaad, om het geluk te beseffen, hetwelk daaruit voortvloeijen kan, is het een vereischte, dat wij zelve die hartstogten kennen.

Daar hij dus geene hoop koesterde om de toestemming van haar vader te krijgen; begreep hij, dat hij door pogingen aan te wenden om zijn doel te bereiken zonder deze, misbruik zou maken van de gastvrijheid en zich zeer ondankbaar zou betoonen voor de vele kleine gunsten, die (op welke ruwe wijze dan ook) Western hem bewezen had. Terwijl hij aan dergelijke gevolgen met schrik en afschuw dacht, werd hij nog meer getroffen als hij zich den heer Allworthy voorstelde, aan wien hij reeds meer dan kinderlijke verpligtingen had en voor wien hij eene meer dan kinderlijke liefde koesterde. Hij wist dat die waardige man zoo afkeerig was van al wat op laagheid of valschheid geleek, dat het geringste blijk van de eene of de andere dier ondeugden den schuldige voor altijd verachtelijk in zijne oogen zou maken, terwijl hij nooit weder diens naam zou willen hooren noemen.

Reeds de schijn van dergelijke onoverkomelijke bezwaren zou genoeg geweest zijn omhem aan eenig goed gevolg te doen wanhopen, hoe vurig ook zijne liefde was; maar deze werd ook nog beteugeld door zijn medelijden met eene andere vrouw. Het beeld van de schoone Molly drong zich steeds aan hem op. Hij had, in hare armen, haar eeuwige trouw gezworen, en zij had even dikwijls gezworen, dat zij het niet overleven zou als hij haar verliet.

Hij stelde zich haar voor, stervende op de meest verschrikkelijke wijze; of nog erger, hij dacht aan al de ellende van een losbandig leven, waaraan zij onderhevig zou zijn, en waarvan hij de dubbele schuld moest dragen van haar eerst verleid en later verlaten te hebben; want hij was wel bekend met den haat welken de buren en zelfs hare eigene zusters haar toedroegen, en hoe gereed zij zouden zijn om haar te mishandelen. Inderdaad, hij had haar nog meer aan nijd dan aan schande blootgesteld;—of liever, aan de laatste door den eersten. Want vele vrouwen veroordeelden haar ligtzinnig gedrag, terwijl zij haar om den minnaar en den opschik benijdden, en zelve gaarne, voor denzelfden prijs, beide zouden verkregen hebben. Hij begreep dus, dat als hij haar verliet, het arme meisje te grond gerigt zou zijn, en deze gedachte ging hem zeer aan het hart. De armoede en de nood schenen niemand het regt te geven beide deze rampen te verergeren. Haar nederige stand maakte, in zijne oogen, hare ellende niet minder beteekenend, en scheen hem ook niet zijne schuld uit te wisschen of te verminderen, daar hij haar die ellende berokkend had. Maar waarom spreek ik van regt geven? Zijn eigen hart liet hem niet toe een menschelijk wezen te gronde te rigten, dat, naar hij zich verbeeldde, hem beminde en aan die liefde zijne onschuld opgeofferd had. Zijn eigen goed hart pleitte voor haar, niet als een koele, betaalde advokaat, maar als iemand, die belang had bij de uitspraak, en die een groot deel zou moeten dragen van de kwellingen welke een ander zou ondergaan.

Toen deze krachtige advokaat het medelijden van Jones genoegzaam opgewekt had, door de arme Molly af te schilderen als het slagtoffer van allerlei rampen, riep die pleitbezorger zeer listig de hulp in van andere driften en stelde hem het meisje voor in al de schoone kleuren van jeugd, gezondheid en schoonheid,—des te verleidelijker voor de zinnen, ten minste van een regtgeaard mensch, omdat zij tegelijker tijd zijn medelijden verdiende.

Te midden van deze gedachten sleet de arme Jones een langen en slapeloozen nacht, en de uitslag was, dat hij ’s morgens besloot bij Molly te blijven en niet meer aan Sophia te denken.

Bij dit deugdzame voornemen bleef hij den geheelen dag, tot den avond, steeds de herinnering aan Molly koesterende en die aan Sophia verbannende; maar op dien noodlottigen avond werd al zijn hartstogt weder door eene zeer onbelangrijke gebeurtenis opgewekt, waardoor zulk een geheele ommekeer in zijn gemoed bewerkt werd, dat wij het noodzakelijk achten dit in een nieuw hoofdstuk mede te deelen.

HOOFDSTUK IV.

EEN KLEIN HOOFDSTUKJE, VOOR EENE KLEINE GEBEURTENIS.

Onder andere bezoekers, die hunne opwachting maakten bij den jongen heer gedurende zijne ziekte, bevond zich ook juffer Honour. De lezer zal zich welligt, als hij zich eenige uitdrukkingen herinnert, die haar ontvallen waren, verbeelden, dat zij zelve eene bijzondere neiging koesterde tot den heer Jones;—maar dat was volstrekt niet het geval.

Tom was een knap jong mensch, en voor dat slag van mannen had juffer Honour eenige achting; maar dit was van zeer algemeenen aard; want gedwarsboomd zijnde in hare liefde tot den knecht van zekeren edelman, die haar op eene laaghartige wijze verlaten had, na beloofd te hebben haar tot zijne vrouw te maken, had zij de verbrijzelde brokken van haar hart voortaan zoo zorgvuldig bewaard, dat geen stukje er van sedert dien tijd ooit in het bezit van eenigen man was geweest. Zij beschouwde alle schoone mannen met die gelijkmatige achting en welwillendheid, welke een geregelde en deugdzame geest voor al wat goed is, gevoelt.—Men kon inderdaad van haar zeggen dat zij dezelfde liefde gevoelde voor de mannen in het algemeen als Socrates voor de menschheid; den een de voorkeur gevende boven den anderen voor ligchamelijke, even als hij het deed voor geestelijke hoedanigheden; maar zonder ooit toe te laten dat deze voorkeur eenige stoornis te weeg bragt in de wijsgeerige kalmte van haar gemoed.

Den dag nadat de heer Jones tegen zich zelven den strijd gevoerd had, door ons in het vorige hoofdstuk beschreven, kwam juffer Honour hij hem in de kamer, en hem alleen vindende, begon zij als volgt:

„Wel, mijnheer! Waar denkt gij dat ik heen ben geweest? Ik wed dat gij het in geen vijftig maal raden kunt. En al deedt ge het, dat zou toch niet helpen; want ik mag het u niet zeggen.”

„O, als het iets is, dat ge me niet zeggen moet,” zei Jones, „dan zal ik juist zoo vrij zijn daarnaar te vragen;—want ik weet dat ge niet hardvochtig genoeg zijt, om mij te leur te stellen.”

„Ik weet ook eigenlijk niet, waarom ik u teleurstellen zoude,” zeide zij; „want, wat dat betreft, gij zult er wel niet verder van praten. En al deedt gij dat, het zou toch niets te zeggen hebben, als gij niet wist, wat ik daar doen moest. Maar, voor mijn part, weet ik niet waarom het een geheim zou blijven;—want zooveel is zeker, dat zij het liefste meisje ter wereld is!”

Hierop begon Jones ernstig te smeeken in het geheim ingewijd te worden, met de stellige belofte van het niet te verklappen, waarop zij hervatte:

„Nu, dan moet gij weten, mijnheer, dat mijne jonge dame mij zond om naar Molly Seagrim te zien, en te vragen of het meisje iets noodig had;—’t is waar, daar had ik weinig zin in; maar dienstboden moeten doen wat hun bevolen wordt.—Hoe kondt gij u toch zoo verlagen mijnheer Jones?—Nu! mijne meesteresse beval me er heen te gaan en haar wat linnengoed en het een en ander te brengen.—Zij is werkelijk al te goed! Als men zulke gemeene feeksen naar het verbeterhuis zond, zou dat beter voor haar zijn!—Ik zei tegen de jufvrouw,—jufvrouw, zei ik, dat is wel degelijk de luiheid aanmoedigen—”

„Ach! heeft mijne Sophia die goedheid gehad!” riep Jones.

„Mijne Sophia! Heere mijn tijd!” hernam Honour. „En toch, als gij alles wist,—wezenlijk, als ik mijnheer Jones was, zou ik wat hooger uitzien dan naar zulke sletten als die Molly Seagrim.”

„Wat beteekent dat: „als ik alles wist?”” vroeg Jones.

„O ik weet wel wat ik zeg,” hernam Honour.—„Herinnert gij u niet eens de handen gestoken te hebben in de mof van de jufvrouw?—Wezenlijk, ik zou het haast over het hart kunnen krijgen het u te vertellen, als ik maar zeker was, dat de jufvrouw er niets van vernemen zou.”

Hierop legde Jones de plegtigste geloften af, en Honour ging voort:

„Nu dan, de jufvrouw had me het mofje gegeven; en later, toen zij vernam wat gij gedaan hadt,—”

„Dus hebt gij dat over verteld?” viel haar Jones in de rede.

„En als ik dat gedaan heb, mijnheer,” hernam zij, „behoeft gij u niet kwaad te maken. Menigeen zou zijn leven er voor gegeven hebben, om zoo iets aan de jufvrouw te doen oververtellen, als zij maar geweten hadden,—want zeker de eerste edelman van het land zou er trotsch op kunnen zijn,—maar ik verklaar, dat ik meer dan half lust heb u er niets van te vertellen.”

Jones begon weder te smeeken en haalde haar weldra over aldus voort te gaan.

„Ge moet dan weten, mijnheer, dat de jufvrouw me die mof gegeven had; maar een dag of wat nadat ik haar die geschiedenis verteld had, begint ze me ontevreden te zijn met hare nieuwe mof,—het mooiste dingetje, dat ge u wel voorstellen kunt. „Honour,” zei zij tegen me, „deze is eene afschuwelijke mof; ze is me veel te groot. Ik kan ze niet gebruiken. Tot ik eene andere krijg, moet ge me de oude maar weer geven, en ge kunt deze hier in de plaats daarvan krijgen”;—want zij is veel te goed, dat verzeker ik u, om iets te geven en het dan weer terug te nemen. Dus ging ik ze maar voor haar halen en ik geloof dat zij ze sedert dien tijd altijd aan den arm heeft gehad, en ik sta er voor in dat zij ze menigen kus gegeven heeft als er niemand bij was!”

Hier werd het gesprek afgebroken door den heer Western, die Jones naar de klavecimbel kwam roepen, waarheen de arme jongen bleek en bevend ging. Dit merkte Western wel op, maar jufvrouw Honour ziende, schreef hij het aan eene verkeerde reden toe, en half lagchende, half in ernst, beval hij hem met een zwaren vloek, om buiten ’s huis jagt te maken, en niet op zijn gebied te stroopen.

Sophia schitterde dezen avond in al hare schoonheid, en wij kunnen wel aannemen, dat het hare bekoorlijkheden niet weinig verhoogde in de oogen van den heer Jones, om nu juist de mof, waarvan sprake geweest was, op haar regter arm te zien.

Zij speelde juist een van haar vaders lievelingsdeuntjes, terwijl deze achter op haar stoel leunde, toen de mof over hare vingers zakte en haar spel stoorde. Dit maakte haar vader zoo driftig, dat hij de mof opgreep en ze met een vloek op het vuur wierp.

Sophia echter sprong dadelijk op en redde ze met de meeste drift uit de vlammen.

Hoewel deze gebeurtenis slechts beuzelachtig zal schijnen aan vele onzer lezers maakte ze evenwel zulk een geweldigen indruk op den armen Jones, dat wij ons verpligt rekenden ze te vermelden. Inderdaad, onverstandige schrijvers laten dikwerf maar al te vele kleine omstandigheden onvermeld, waaruit de meest gewigtige gebeurtenissen voortgevloeid zijn. In het algemeen toch moet de wereld beschouwd worden als eene machine, welker groote raderen eerst in beweging gezet worden door de kleine die bijna onzigtbaar zijn voor alle, behalve voor de allersterkste oogen.

Dus waren al de bekoorlijkheden van de onvergelijkelijke Sophia, het schitterende vuur en de kwijnende zachtheid harer oogen, de welluidendheid harer stem, hare schoonheid, evenmin als hare geestigheid, goedheid, of beminnelijkheid in staat geweest zoo bepaaldelijk het hart van den armen Jones te veroveren en in boeijen te slaan, als deze ééne kleine gebeurtenis met de mof! Dus zingt ook de dichter zoo bekoorlijk van Troje:

„—Captique dolis lachrymisque coactis Quos neque Tydides, nec Larissaeus Achilles, Non anni domuere decem, non mille carinae.”

„—De stad die Diomeed en Thetis’ grooten Zoon, Een lang beleg van tiental jaren weerstond, En duizend schepen fier trotseerde, viel Door vleijend taal en valsche tranen magt.”