Part 47
De waardin was al in het harnas gejaagd door deze minachting voor haar logement aan den dag gelegd; maar onderdrukte haar toorn en vergenoegde zich met te zeggen: „Dat zij den hemel dankte dat haar huis door de deftigste lieden bezocht werd.”
„De deftigste lieden!” riep de andere; „praat me daar niet van! Ik verbeeld me dat ik meer van deftige lieden weet dan gij en uws gelijken!—Maar, bid ik u, zeg me zonder me met uwe praatjes verder lastig te vallen, kortaf wat ik te eten kan krijgen; want ofschoon ik geen paardenvleesch eten kan, heb ik toch honger.”
„Wel, wezenlijk, jufvrouw,” hernam de waardin, „gij hadt het niet ongelukkiger kunnen treffen; want ik moet bekennen dat ik niets in huis heb dan een stuk koud ossenvleesch, dat de knecht van een der heeren en een postiljon bijna tot den laatsten brok opgegeten hebben.”
„Vrouw!” riep de kamenier, „maak me niet misselijk! Als ik eene maand lang gevast had, zou ik iets niet kunnen eten, dat aangeraakt was door de vuile vingers van zulke menschen. Is er dan niets goeds of zindelijks in deze verschrikkelijke plaats te krijgen?”
„Zoudt gij wat gebakken eijeren met spek lusten, jufvrouw?” zei de waardin.
„Zijn de eijeren versch? Weet ge zeker dat zij heden gelegd zijn? En zorg vooral, dat het spek lekker dun gesneden wordt; want ik kan niets lomps velen! Ik smeek u ditmaal u eenige moeite te geven, en niet te vergeten dat ge geene boerenvrouw, of iemand anders van dien aard uit uw huis, nu bij u hebt.”
De waardin greep nu naar het mes; maar de andere hield haar tegen, met de woorden: „Ik moet er op staan, vrouwtje, dat ge u eerst de handen wascht; want ik ben buitengewoon keurig, en sedert mijne kindsche dagen ben ik er altijd aan gewoon geweest alles om mij heen keurig te hebben.”
De waardin, wie het groote moeite kostte om zich te beheerschen, begon nu met de noodige toebereidselen;—want Suze werd versmaad, en met zoovele minachting, dat het der arme meid even zwaar viel de handen stil te houden, als het harer meesteresse moeite gekost had hare tong te beteugelen. Suze was echter niet geheel en al hiertoe in staat; want hoewel slechts binnen’s monds, pruttelde zij steeds: „Nu ja—kom aan! als of jij zoo veel beter waart dan ik!” met andere dergelijke blijken van verontwaardiging.
Onder het klaarmaken van het souper begon de kamenier het te betreuren dat zij het vuur niet had laten aanleggen in de zaal;—maar het was nu te laat geworden daarvoor, zeide zij. „Evenwel,” voegde zij er bij, „heeft de keuken de bekoorlijkheid van het nieuwe voor mij; want ik geloof dat het de eerste keer van mijn leven is, dat ik er in een gegeten heb.”
Zich daarop tot de postiljons wendende, vroeg zij hun, „waarom zij niet op stal waren bij hunne paarden? Als ik mijn mageren kost hier moet eten, jufvrouw,” voegde zij er bij tot de waardin: „dan moet ik verzoeken dat men de keuken vrij houde en dat ik niet omgeven zal blijven door al het gemeen volk uit de stad. Wat u betreft, mijnheer,” zeide zij tot Partridge; „gij ziet er eenigzins uit als een fatsoenlijk man, en kunt blijven zitten als u dat goed dunkt;—ik wenschte niemand dan het gemeene volk weg te jagen.”
„Ja, ja, jufvrouw, ik ben een fatsoenlijk man; dat kan ik u verzekeren;—en ik laat me ook niet zoo spoedig wegjagen. Non semper vox casualis est verbo nominativus.”
Dit Latijn hield zij voor eene beleediging en hernam: „’t Is best mogelijk mijnheer, dat gij fatsoenlijk man zijt; maar gij toont dat niet door Latijn te praten tegen eene vrouw.”
Partridge gaf haar een zacht antwoord, maar eindigde met nog meer Latijn, waarop zij den neus ophaalde, en zich vergenoegde met hem voor „een grooten geleerde” uit te schelden.
Het souper werd nu op tafel gezet en de kamenier at, voor zulk een keurig mensch, er zeer smakelijk van; en terwijl, op haar bevel, een tweede schotel gereed gemaakt werd, zeide zij:
„Dus, volgens uw beweren, jufvrouw, wordt uw huis door heel deftige menschen bezocht?”
Dit werd door de waardin bevestigd, die zeide dat er op het oogenblik zeer vele aanzienlijke lieden onder haar dak waren;—„waaronder de jonge mijnheer Allworthy, zoo als mijnheer, die daar zit, best weet.”
„En mag ik u vragen wie die deftige mijnheer, die jonge mijnheer Allworthy is?” vroeg de kamenier.
„Wel! wie zou het anders zijn dan de zoon en erfgenaam van den rijken mijnheer Allworthy in Somersetshire?” hernam Partridge.
„Op mijn woord,” zeide zij, „ge vertelt me vreemd nieuws; want ik ken mijnheer Allworthy in Somersetshire best, en ik weet dat hij geen zoon heeft.”
De waardin spitste de ooren bij deze woorden en Partridge toonde eenige verlegenheid. Na een oogenblik geaarzeld te hebben, hernam hij echter:
„’t Is waar, jufvrouw, dat hij niet algemeen bekend is als de zoon van mijnheer Allworthy, die nooit met zijne moeder gehuwd was;—maar zijn zoon is hij toch, en zal, zoo waar hij Jones heet, zijn erfgenaam zijn!”
Bij het hooren van deze woorden liet de kamenier het stukje spek vallen, dat zij naar haren mond bragt, en riep uit: „Ik sta verstomd, mijnheer! Zou het mogelijk zijn! Is mijnheer Jones hier in huis?”
„Quare non?” hernam Partridge. „Het is niet alleen mogelijk, maar ook zeker dat hij hier is.”
De kamenier haastte zich nu om haar maal ten einde te brengen, en ging toen naar hare meesteresse, met wie zij het gesprek had, dat men in het volgende hoofdstuk lezen kan.
HOOFDSTUK V.
AANTOONENDE WIE DE BEMINNELIJKE DAME EN HARE ONBEMINNELIJKE KAMENIER WAREN.
Even als wanneer in de maand Junij de bloeijende roos, welke door toeval onder de leliën groeit, haar rood met de witte kleuren in het rond vermengt;—of als wanneer eene speelzieke vaars in de aangename Meimaand den geurigen adem over de groene weide verspreidt;—of, als wanneer in de bloeijende Aprilmaand, de zachtaardige, teedere tortelduif, op een schoonen tak zittende, van haar beminde droomt,—zoo lag Sophia (want zij was het) met honderde bekoorlijkheden en even vele geuren, met de gedachten op haren Jones gevestigd, met een hart even goed en onschuldig als haar gelaat schoon was, met het hoofd in de hand te rusten, toen hare kamenier in de kamer trad en dadelijk naar het bed loopende, uitriep:
„Jufvrouw! Jufvrouw! Wie denkt ge dat hier in huis is?”
Sophia sprong op en riep uit: „Ik hoop toch niet dat mijn vader ons ingehaald heeft?”
„Neen, jufvrouw; het is iemand die honderd vaders waard is;—mijnheer Jones zelf is op dit oogenblik hier!”
„Mijnheer Jones!” riep Sophia, „dat is onmogelijk! Zou ik zoo gelukkig zijn!”
Het meisje hield vol dat het zoo was en werd spoedig door hare meesteresse weggezonden, om hem te laten roepen, daar zij besloten had hem dadelijk te zien.
Mejufvrouw Honour had naauwelijks de keuken op boven beschrevene wijze verlaten, toen de waardin hevig over haar begon te klagen. Het hart van de arme vrouw was inderdaad een heelen tijd vol geweest van vuile taal, welke nu over hare lippen vloeide, even als de modder uit eene vuilniskar, als men de plank wegneemt. Partridge wierp ook zijn schop vol lastertaal er bij en bespotte niet slechts de kamenier (maar wat welligt den lezer verrassen zal) hij trachtte zelfs een smet te werpen op Sophia’s onberispelijken naam.
„Ze is geen duit beter dan de andere,” zeide hij; „„noscitur a sociis” is een waar woord. Men moet wel bekennen dat de fraai opgeschikte vrouw de beleefdste van beide is; maar ik zou er voor durven instaan, dat geene van beide heel veel deugt. Ik houd haar beide voor een paar van die fortuinzoeksters uit Bath;—de groote luî rijden ook niet op dezen tijd van den nacht zonder dienstboden rond.”
„Ja, voor den duivel!” riep de waardin, „zoo is het! Ge hebt den spijker op den kop geslagen; want de groote luî komen ook niet in een logement zonder een souper te bestellen, of zij honger hebben of niet.”
Terwijl zij dus praatten, keerde jufvrouw Honour terug en voldeed aan Sophia’s bevel, door de waardin te gelasten om onmiddellijk den heer Jones te roepen en hem te zeggen dat er eene dame was, die hem verlangde te spreken. De waardin verwees haar naar Partridge, zeggende dat hij de vriend was van mijnheer Jones, en dat, wat haar zelve betrof, zij nooit de mannen, en vooral geene heeren ging roepen.
Honour wendde zich nu tot Partridge; maar ook hij weigerde; „want mijn vriend,” zeide hij, „is zeer laat naar bed gegaan, en hij zou zeer boos zijn als hij zoo spoedig gewekt werd.”
Jufvrouw Honour stond er echter op dat men hem roepen zou, bewerende, dat zij overtuigd was, dat in plaats van kwaad te wezen, hij zich ten hoogste gelukkig zou gevoelen, als hij maar eens wist waarom.
„Dat zou eene andere keer best het geval kunnen wezen,” riep Partridge; „maar, non omnia possumus omnes. Eéne vrouw tegelijk is genoeg voor een redelijk mensch.”
„Wat bedoelt ge met uw „ééne vrouw tegelijk,” schelm?” riep Honour.
„Noem mij niet schelm!” hernam Partridge, die daarop haar duidelijk uitlegde dat Jones bij eene vrouw te bed lag—een woord gebruikende, veel te onkiesch om hier herhaald te worden, maar waarover jufvrouw Honour zoodanig verontwaardigd was, dat zij hem een ezel noemde, en in geweldige haast bij hare meesteresse terugliep, die zij met den uitslag harer boodschap bekend maakte, welke zij, zoo mogelijk nog overdreef, daar zij even kwaad op Jones was alsof hij al de woorden gebruikt had, door Partridge geuit. Zij stortte dus een heelen vloed van scheldnamen over diens meester uit, en raadde Sophia aan, om alle gedachten aan een man op te geven, die haar nooit waardig was geweest. Zij haalde de geschiedenis van Molly Seagrim weer op en gaf de kwaadaardigste wending er aan dat Jones vroeger zelf Sophia verlaten had;—al hetgeen, dat moet ik bekennen, niet weinig bevestigd werd door de omstandigheden van het oogenblik.
Sophia was eerst te veel door verdriet overmeesterd om de woordenrijkheid harer dienaresse te stremmen. Eindelijk echter viel zij haar in de rede en zeide:
„Ik kan dit niet gelooven; de een of andere schelm heeft hem gelasterd. Gij zegt dat gij het van een vriend van hem hebt; maar zeker is het geen vriendendienst om zulke geheimen te verklappen!”
„Ik verbeeld me,” hernam Honour, „dat die kerel zijn medepligtige moet wezen; want een gemeener schelm heb ik nooit ontmoet. Bovendien schamen zich zulke losbollen als mijnheer Jones volstrekt niet over zoo iets.”
Om de waarheid te zeggen, was dit gedrag van den heer Partridge naauwelijks te verdedigen; maar hij was nog niet uitgeslapen van den roes van den vorigen avond, waarop hij des morgens vroeg weer eene halve flesch wijn, of liever sterken drank gezet had; want de bessenwijn was volstrekt niets anders. Daar nu dat gedeelte van zijn hoofd hetwelk de natuur tot vergaderplaats van den drank bestemd had, zeer ondiep was, vloeide een klein gedeelte van het vocht over, en zette de sluizen van zijn hart open, zoodat al de geheimen, welke daarin bewaard waren, er uit stroomden. Deze sluizen waren dan inderdaad ook zeer zwak van aard. Om zijn karakter op de meest gunstige wijze te beschrijven, moeten wij zeggen dat hij een zeer eerlijk mensch was; want even als hij de nieuwsgierigste der stervelingen was, die altijd de geheimen van anderen zocht na te pluizen, zoo betaalde hij er ook eerlijk voor, door weerkeerig al wat hij te weten kwam, aan anderen mede te deelen.
Terwijl Sophia, door angst gefolterd, niet wist wat zij gelooven moest, of welk besluit te nemen, kwam Suze met den warmen wijn aan. Jufvrouw Honour raadde hare meesteresse fluisterend aan, om dit meisje uit te hooren, dat haar waarschijnlijk omtrent alles zou kunnen inlichten.
Sophia keurde dit goed en begon als volgt:
„Kom eens hier, meisje, en antwoord me eerlijk op hetgeen ik u ga vragen, en ik beloof u eene goede belooning. Is er hier in huis een zeer knappe jonge heer, die—” Hier bloosde Sophia en stamelde.
„Een jonge heer,” riep Honour, „die hier gekomen is met dien onbeschoften schelm, die nu in de keuken zit?”
Suze hernam, dat dit wel het geval was.
„Weet ge ook iets van eene dame?” ging Sophia voort. „Van eene dame, zeg ik. Ik vraag u niet, of zij schoon is of niet;—misschien is dat niet het geval; maar dat doet er niet toe;—maar weet gij iets van eene dame?”
„Wel, jufvrouw,” riep Honour, „gij verstaat niet best de kunst om iemand uit te hooren! Hoor eens, meisje,” ging zij voort: „ligt die jonge heer nu niet te bed met de eene of andere gemeene landloopster?”
Hier glimlachte Suze, maar bleef zwijgen.
„Antwoord maar op hetgeen u gevraagd is, en ik zal u een guinje geven,” zei Sophia.
„Een guinje, jufvrouw!” riep Suze; „wat heb ik aan een guinje? Als mijne meesteresse het te weten kwam, zou ik op het oogenblik mijn dienst kwijt zijn!”
„Hier hebt ge er nog één,” zei Sophia, „en ik beloof u plegtig dat uwe meesteresse er nooit iets van vernemen zal.”
Suze, na zich een oogenblik bedacht te hebben, nam het geld en vertelde alles, terwijl zij eindigde met te zeggen:
„Als gij er heel veel belang in stelt, jufvrouw, kan ik zachtjes naar zijne kamer sluipen en zien of hij in bed is, of niet.”
Dit deed zij nu op verzoek van Sophia en keerde terug met een ontkennend berigt.
Sophia beefde nu en verbleekte. Jufvrouw Honour echter smeekte haar zich te troosten en niet meer aan zulk een onwaardig mensch te denken.
„Wel, wel!” zei Suze; „ik hoop dat de jufvrouw het me toch niet kwalijk nemen zal;—maar heet u niet mejufvrouw Sophia Western?”
„Hoe is het mogelijk, dat gij mij kent?” hernam Sophia.
„Wel, die man, die uwe kamenier in de keuken sprak, vertelde ons van u gisteren avond;—maar de jufvrouw moet mij dat niet kwalijk nemen.”
„Wezenlijk, meisje,” hernam Sophia, „ik neem het u volstrekt niet kwalijk; vertel me maar alles, en ik beloof u, dat ik u dat vergoeden zal.”
„Nu dan, jufvrouw,” ging Suze voort, „die man in de keuken vertelde ons allen dat jufvrouw Sophia Western,—wezenlijk,—ik weet niet hoe ik het er uitbrengen zal.”—Hier brak zij af, tot zij, na door Sophia weer aangemoedigd te zijn, terwijl jufvrouw Honour sterk bij haar er op aandrong, op deze wijze hervatte:
„Hij vertelde ons, jufvrouw, hoewel het zeker gelogen was, dat de jufvrouw doodelijk verliefd was op den jongen heer, en dat hij naar den oorlog trok om u kwijt te worden;—ik dacht toen al bij mij zelve dat hij een verraderlijke schelm moest wezen;—maar nu, dat ik zulk eene schoone, rijke, deftige jonge dame als gij zijt, verlaten zie om zulk een gemeen wijf; want dat is zij zeker, en een ander mans vrouw op den koop toe;—dat is iets vreemds en onnatuurlijks,—zou ik zeggen.”
Sophia gaf haar nu een derde guinje, en haar verzekerende dat zij haar zou blijven beschermen als zij niets verklapte van hetgeen gebeurd was, en aan niemand vertelde wie zij was, ontsloeg zij het meisje met het bevel aan den postiljon om dadelijk de paarden klaar te maken.
Zoodra zij zich weder alleen bevond met hare getrouwe dienaresse, verzekerde zij haar, „dat zij zich nooit kalmer gevoeld had dan op dat oogenblik. Ik ben nu overtuigd,” zeide zij, „niet slechts dat hij een slecht mensch is, maar ook een laag, verachtelijk wezen. Ik zou alles kunnen vergeven, behalve dat hij mijn naam op die schandelijke wijze misbruikte! Dat maakt hem tot het voorwerp mijner minachting. Ja, Honour, ik ben nu heel gerust. Wezenlijk! Dat ben ik! Heel kalm!” En zij barstte uit in een stortvloed van tranen.
Na een korte tusschenpoos, door Sophia voornamelijk met schreijen doorgebragt, en met hare dienaresse bij herhaling te verzekeren dat zij heel kalm was, kwam Suze aan met het berigt dat de paarden klaar waren, toen een zeer vreemd denkbeeld opkwam bij onze jonge heldin, waardoor zij den heer Jones bekend zou maken dat zij in het logement was geweest, op eene wijze, welke, als eenige vonk van liefde tot haar bij hem in het hart overbleef, hem ten minste eenigzins straffen zou voor zijne misdaden.
De lezer zal zich wel een mofje herinneren, dat de eer genoten heeft van meer dan eens in dit verhaal vermeld te zijn. Deze mof was, sedert het vertrek van den heer Jones, aanhoudend over dag bij Sophia geweest, en ’s nachts had zij ze mede naar bed genomen, en deze mof had zij op dit oogenblik op den arm, vanwaar zij ze, met veel verontwaardiging afnam, en met haar potlood haren naam op een stukje papier geschreven hebbende, dat zij er op speldde, kocht zij de meid om, om ze in het leêge bed van den heer Jones te leggen, en als hij ze daarin niet vond, moest zij de eene of andere wijze bedenken, om ze hem ’s morgens te doen zien.
Hierop, na hetgeen mejufvrouw Honour gegeten had, betaald te hebben, waarbij gerekend werd wat zij zelve had kunnen eten, steeg zij te paard, en hare gezellin nog eenmaal verzekerende, dat zij nu heel kalm was, zette zij hare reis voort.
HOOFDSTUK VI.
BEVATTENDE, ONDER ANDEREN, DE SLIMHEID VAN PARTRIDGE, DE DOLZINNIGHEID VAN JONES EN DE DWAASHEID VAN FITZPATRICK.
Het was nu reeds over vijf uur ’s morgens, en de andere menschen begonnen op te staan en in de keuken te komen, en onder hen bevonden zich de sergeant en de koetsier, die geheel verzoend zijnde, een drankoffer bragten, of, anders gezegd, een vollen beker met elkaar ledigden.
Bij deze gelegenheid, gebeurde er niets opmerkelijks, dan dat Partridge, toen de sergeant op „onzen koning George,” dronk, alleen het woord „onzen koning” herhaalde, zonder dat men hem er toe brengen kon om meer te zeggen; want hoewel hij tegen zijne eigene zaak ging vechten, was hij niet over te halen daartegen te drinken.
De heer Jones nu naar zijn eigen bed teruggekeerd zijnde,—wij zullen ons onthouden van te vermelden vanwaar hij gekomen was,—liet Partridge uit dit aangename gezelschap wegroepen, die, na eene deftige inleiding, verlof kreeg om zijn raad mede te deelen en, als volgt, sprak:
„Mijnheer, het is een oud en waar gezegde, dat een wijs man soms goeden raad van een dwaas kan krijgen;—ik waag het dus u mijn raad aan te bieden, en die is, om weder naar huis terug te keeren en deze horrida bella, deze bloedige oorlogen, over te laten aan menschen, die buskruid verslinden, omdat zij niets anders te eten hebben. Nu weet iedereen, dat het u, mijnheer, aan niets ontbreekt te huis,—en als dat het geval is, waarom zou men in den vreemde trekken?”
„Partridge,” riep Jones, „ge zijt zeker een lafaard;—ik wenschte dus dat gij maar zelf naar huis wildet gaan en mij niet meer plagen.”
„Ik smeek u om vergiffenis, mijnheer,” hernam Partridge; „ik sprak meer om uwent- dan om mijnentwil; want, wat mij betreft, de hemel weet, dat mijne omstandigheden treurig genoeg zijn, en verre van bang te zijn, geef ik niet meer om een pistool, of een donderbus, of iets van dien aard, dan om een ——. Iedereen moet eenmaal sterven, en het komt er weinig op aan, hoe dat geschiedt; bovendien, zal ik het er welligt afbrengen alleen met het verlies van een arm of een been. Ik verzeker u, mijnheer, dat ik nooit van mijn leven minder bang was;—dus, als gij besloten hebt om verder te gaan, heb ik ook besloten u te volgen. Maar, in dat geval, wenschte ik u mijn gevoelen te doen kennen. ’t Is zeker eene schandalige wijze van reizen voor zoo’n grooten heer als gij zijt, om te voet te gaan. Er zijn hier wel een stuk of wat goede paarden op stal, en de waard zal er zeker geen bezwaar in zien, u krediet te geven;—maar, mogt hij dat doen, het zal me niet veel moeite kosten, de paarden mede te nemen—en al liep het ook op zijn ongelukkigst af, de koning zou u zeker genade schenken, omdat gij in zijne zaak gaat vechten.”
Daar nu de eerlijkheid van Partridge overeen kwam met zijn verstand, dat alleen tot het kleine in staat was, zou hij nooit een schelmstuk van dezen aard hebben willen ondernemen, zonder overtuigd te zijn, dat hij dat heel veilig doen kon; want hij was een van die menschen, die meer eerbied koesteren voor de galg dan voor hetgeen betamelijk is; maar, werkelijk, hij dacht dezen diefstal zeer veilig te kunnen begaan; want, behalve dat hij er niet aan twijfelde, dat de waard in den naam van den heer Allworthy berusten zou, begreep hij, dat hoe de zaken liepen, er geen gevaar voor hem zou kunnen ontstaan, daar Jones, naar hij zich verbeeldde, vrienden genoeg zou hebben aan den eenen kant, en de zijne hem ook van den anderen kant zouden beschermen.
Zoodra de heer Jones begreep dat het Partridge ernst was met dit voorstel, verweet hij het hem zeer streng en in zulke bittere bewoordingen, dat de andere zijn best deed het als eene aardigheid te doen voorkomen, en spoedig het gesprek op wat anders bragt, zeggende, dat hij geloofde dat zij nu te regt gekomen waren in een publiek huis, en dat het hem veel moeite gekost had, om een paar meiden te beletten mijnheer midden in den nacht te overvallen.
„Hola!” zeide hij, „ik geloof toch, dat zij, in weerwil van al wat ik deed, op uwe kamer geweest zijn; want hier op den grond, heeft eene van haar een mof laten liggen!”
En werkelijk, daar Jones, in het donker, naar zijn bed teruggekeerd was, had hij de mof op het dek niet gezien, en toen hij onder de dekens sprong, was ze op den grond gevallen. Partridge raapte ze nu op, en wilde ze in den zak steken, toen Jones vroeg om ze te zien. De mof was zoo bijzonder van aard, dat onze held ze waarschijnlijk herkend zou hebben zonder de herinnering, welke daaraan gehecht was. Maar zijn geheugen werd nu niet op die zware proef gesteld; want tegelijker tijd zag hij en las hij den naam van „Sophia Western,” op het papier, dat daaraan vastgespeld was. Met woeste blikken, riep hij nu driftig uit: „Mijn hemel! Hoe is deze mof hier gekomen?”
„Dat weet ik evenmin als gij, mijnheer,” zei Partridge; „maar ik zag ze aan den arm van eene der vrouwen, die u overvallen wilden, als ik het haar niet belet had.”
„Waar zijn zij?” riep Jones, uit het bed springende en naar zijne kleeren grijpende.
„O, denkelijk, mijlen ver van hier op dit oogenblik,” zei Partridge.
En Jones, bij nader onderzoek, overtuigde zich genoegzaam, dat niemand anders dan de schoone Sophia zelve de mof gedragen had.
Het gedrag van Jones bij deze gelegenheid, zijne gedachten, zijne blikken, zijne woorden, zijne handelingen, gingen alle beschrijving te boven. Na Partridge en zich zelven niet minder bitter verwenscht te hebben, beval hij den armen kerel, die doodelijk verschrikt was geworden, naar beneden te loopen, en wat ze ook kostten, paarden te bestellen, en weinige minuten later, na de kleeren aangeworpen te hebben, vloog hij zelf den trap af, om de uitvoering der bevelen, welke hij gegeven had, te verhaasten.
Maar, eer wij overgaan tot hetgeen gebeurde toen hij in de keuken kwam, is het noodzakelijk terug te keeren tot hetgeen er voorgevallen was sedert Partridge door zijn meester van daar weggeroepen was.
De sergeant was juist met zijne soldaten vertrokken toen de twee Iersche heeren opstonden en naar beneden kwamen, beide klagende, dat zij zoo dikwerf gewekt waren geworden door de onrust in de herberg, dat zij den heelen nacht geen oog hadden kunnen toedoen.