Part 5
Want deze tijdvakken zijn als de nieten in de loterij van den tijd. Wij dus, die de uitkomst dezer loterij opteekenen, zullen die wijze lieden navolgen, die het bestuur hebben over de staats-loterij en welke het publiek nooit vervelen met de vele nieten, welke getrokken worden; maar daarentegen, als er een hooge prijs valt, de couranten er dadelijk mede vullen, zoodat de wereld zeker verneemt in wiens collecte die verkocht werd:—want er zijn gewoonlijk twee of drie kantoren die er aanspraak op maken van hem verkocht te hebben, waardoor ik veronderstel, dat men den spelers te kennen wil geven, dat zekere handelaren in de geheimen der Fortuna ingewijd zijn en tot haar geheimen raad behooren.
De lezer zal dus niet verwonderd zijn als hij sommige hoofdstukken in dit werk heel kort vindt en andere daartegen zeer lang; sommigen, die alleen het tijdvak van een enkelen dag behandelen en anderen dat van een geheel jaar;—met één woord, men zij er op voorbereid, dat mijne geschiedenis soms zal schijnen stil te staan en soms te vliegen. En wegens dit alles acht ik me aan geene recenserende wetgeving, van welken aard ook, verantwoording schuldig te zijn; want, daar ik, naar waarheid, de stichter ben van eene nieuwe soort van schrijftrant, staat het mij vrij dienaangaande mij zelf de wetten te stellen. En deze wetten zijn mijne lezers, die ik als mijne onderdanen beschouw, verpligt te gelooven en te gehoorzamen, wat zij ook gereedelijk en gemakkelijk kunnen doen, daar ik hierbij de plegtige verzekering geef, dat ik daarbij voornamelijk hun nut en voordeel beoog; want ik ben geen dwingeland jure divino, die mij verbeeld dat zij mijne slaven zijn, of mijn eigendom. Ik werd inderdaad, alleen tot hun eigen nut over hen gesteld, en ben om hun voordeel,—en zij niet tot het mijne—geschapen. Ik twijfel ook niet, dat terwijl ik hun belang tot hoofddoel van mijn geschrijf neem, zij eenparig er toe bijdragen zullen om mijne waardigheid te handhaven, en mij alle eer te bewijzen, die ik verdien of begeer.
HOOFDSTUK II.
GODSDIENSTIGE BEZWAREN TEGEN HET BEWIJZEN VAN TE VEEL GOEDHEID AAN NATUURLIJKE KINDEREN, EN EENE GROOTE ONTDEKKING, GEDAAN DOOR JUFVROUW DEBORAH WILKINS.
Acht maanden na het huwelijk van den Kapitein Blifil met mejufvrouw Brigitta Allworthy, eene jonge dame van groote verdiensten, schoonheid en vermogen, werd deze, ten gevolge van een plotselingen schrik, ontijdig verlost van een schoonen jongen. Het kind was inderdaad, naar allen schijn, voldragen; maar de vroedvrouw ontdekte dat het een maand te vroeg gekomen was.
Hoewel de geboorte van een erfgenaam van zijne beminde zuster den heer Allworthy zeer verheugde, vervreemdde deze omstandigheid zijne liefde toch niet van den kleinen vondeling, van wien hij peet geworden was, en aan wien hij tevens zijn eigen naam, Thomas, geschonken had, terwijl hij zelden naliet hem ten minste eenmaal daags in de kinderkamer op te zoeken.
Hij zeide zijner zuster, dat, als zij het goedvond, de nieuw geborene met den kleinen Thomas zamen zou opgevoed worden; waarin zij toestemde, hoewel met eenigen tegenzin; want zij was waarlijk zeer inschikkelijk jegens haren broeder, en had daarom steeds meer liefde tot den vondeling aan den dag gelegd, dan streng deugdzame dames soms over zich verkrijgen kunnen te bewijzen aan die kinderen, die hoe onschuldig ook, met regt mogen genoemd worden, de levende gedenkteekens der onkuischheid.
De kapitein kon er echter niet zoo gemakkelijk toe komen, om hetgeen hij een gebrek achtte in den heer Allworthy te dragen. Hij gaf hem veelvuldige wenken, dat hij de zonde aanmoedigde, door hare vruchten tot zich te nemen. Hij haalde vele teksten aan,—want hij was zeer belezen in de Heilige Schrift,—zoo als: „de zonden der vaderen zullen gewroken worden enz.” en „de vaderen hebben zure druiven gegeten en de tanden der kinderen,”—enz. En daarvan leidde hij af, dat het overeenkomstig de leer was, om de misdaad der ouders op het onwettige kind te wreken. Hij zeide, „dat hoewel de wet niet bepaaldelijk toeliet, dat men zulke kinderen vernietigde, hij ze toch hield voor de kinderen van niemand; dat de kerk ze ook als zoodanig beschouwde en dat zij, op zijn best, voor de laagste en verachtelijkste ambten in den staat moesten opgeleid worden.”
De heer Allworthy antwoordde op het eenen ander hetwelk de kapitein aanvoerde omtrent dit onderwerp: „Dat hoe groot ook de schuld der ouders wezen mogt, de kinderen zeker onschuldig waren, en dat wat de teksten, welke hij aangehaald had, betrof, de eerste eene bijzondere strafbepaling was tegen de Joden, wegens de zonde van afgoderij en het verzaken en haten van hun hemelschen Koning, en dat de laatste slechts beeldspraak was, en meer ten doel had om de zekere en noodzakelijke gevolgen van de zonde aan te wijzen, dan om eenig beslissend vonnis te vellen. Maar dat het ook onbetamelijk, zoo niet godslasterlijk was, om den Almagtigen voortestellen als handelende tegen de allereerste grondbeginselen van natuurlijke regtvaardigheid, en tegen de oorspronkelijke begrippen van regt en onregt, door Hem zelven in ons hart geplant, waardoor wij niet slechts alle zaken beoordeelen moesten, die niet geopenbaard waren, maar zelfs de waarheid van de openbaring zelve.”
Hij zeide te weten dat velen dezelfde begrippen aankleefden als de kapitein; maar hij zelf was volmaakt overtuigd van het tegenovergestelde, en zou op dezelfde wijze voor dit arm schepseltje zorgen alsof een wettig kind het geluk had gehad op dezelfde plaats gevonden te worden. Terwijl de kapitein elke gelegenheid waarnam om redenen op te geven, waarom de kleine vondeling moest verwijderd worden uit het huis van den heer Allworthy,—op wiens ingenomenheid met het kind hij jaloersch begon te worden, had jufvrouw Deborah eene ontdekking gedaan, die in hare gevolgen veel noodlottiger voor den armen Tom dreigde te zijn, dan al de bewijsgronden van den kapitein.
Of de onverzadiglijke nieuwsgierigheid der goede vrouw haar in deze zaak geprikkeld had, of wel dat zij het deed om zich te bevestigen in de gunst van mevrouw Blifil, die niettegenstaande haar uiterlijk gedrag jegens den vondeling, dikwijls het kind en haar broeder ook, wegens zijne ingenomenheid er mede, in stilte uitschold,—dit wil ik niet beslissen;—maar zij had nu,—gelijk zij begreep,—zeker den vader van den jongen ontdekt.
Daar dit nu eene zeer belangrijke ontdekking was, zal het noodzakelijk zijn, ze tot de bron zelve na te sporen. Wij zullen dus de gebeurtenissen, die er toe voerden, zeer naauwkeurig beschrijven, en, tot dat einde, zullen wij verpligt zijn al de geheimen te openbaren van eene kleine familie, waarmede de lezer op dit oogenblik geheel onbekend is, en welker inrigting zoo vreemd en buitengewoon was, dat ik vreezen moet, dat ze menigen gehuwde ongeloofelijk zal schijnen.
HOOFDSTUK III.
BESCHRIJVING VAN EEN HUISSELIJK BESTUUR, OP REGELS GEGROND, IN STRIJD MET DIE VAN ARISTOTELES.
De lezer gelieve zich te herinneren, dat hij vernomen heeft hoe Jenni Jones eenige jaren bij zekeren schoolmeester gewoond had, die, op haar ernstig verlangen, haar Latijn geleerd had, waarin zij, om haar regt te laten wedervaren, zulke groote vorderingen gemaakt had, dat zij geleerder was geworden dan haar onderwijzer.
Want, hoewel deze arme man een beroep gekozen had waarin men toestemmen moet, dat de geleerdheid een vereischte is, was deze toch juist de minste zijner gaven. Hij was een der goedhartigste menschen ter wereld, en terzelfder tijd was hij zoo aardig en vol luim, dat hij voor den geestigsten mensch in den omtrek gold, en al de heeren uit de buurt zoozeer naar zijn gezelschap verlangden, dat, daar hij nooit over zich kon verkrijgen om neen te zeggen, hij veel tijd in hunne huizen sleet, welken hij nuttiger in zijne school had kunnen doorbrengen.
Men zal begrijpen, dat een man van dit karakter en deze neigingen, geen gevaar liep van een mededinger te worden van de scholen der zeergeleerde heeren te Eton en Westminster. Om duidelijker te spreken: hij had zijne leerlingen slechts in twee klassen gesplitst, in de bovenste van welke een jonge heer zat, de zoon van een landjonker uit de buurt, die op zeventienjarigen leeftijd pas tot de Syntaxis gekomen was, terwijl in de tweede klasse een jongere zoon zat van denzelfden heer, die tegelijk met zeven boerenjongens, lezen en schrijven leerde.
De inkomsten hieruit voortvloeijende, zouden bezwaarlijk genoegzaam zijn geweest om den schoolmeester van al de weelde van het leven te voorzien, zoo hij ze niet vermeerderd had met die van het ambt van koster en barbier, terwijl de heer Allworthy het geheel verhoogde met eenjaargeld van tien pond, dat de arme man telkens met Kersmis ontving, en waardoor hij in staat werd gesteld zich gedurende dat heilige feest te goed te doen.
Onder zijne overige schatten, bezat de onderwijzer eene vrouw, die hij genomen had uit de keuken van den heer Allworthy, om den wille van haar vermogen,—van twintig pond sterling, dat zij daar bijeengebragt had.
Deze vrouw was niet zeer innemend van uiterlijk. Ik weet niet of zij gezeten had voor mijn vriend den schilder Hogarth of niet; maar zij geleek zeer op de jonge vrouw, die thee voor hare meesteresse schenkt in het derde tooneel van „den Levensloop eener ligtekooi.” Zij was bovendien eene verklaarde aanhangster van die edele sekte, van oudsher door Xantippe gesticht, om welke reden zij in de school veel meer gevreesd werd dan haar man; want, het is maar al te waar, dat hij noch dáár, noch elders, in haar bijzijn, meester was.
Hoewel hare gelaatstrekken niet veel aangeborene zachtaardigheid schenen aan te duiden, werd die welligt nog eenigzins verminderd door eene omstandigheid, welke over het algemeen het huwelijksgeluk verbittert;—want kinderen. worden zeer juist genoemd „panden der liefde,” en hoewel zij reeds negen jaren gehuwd waren, had haar man haar geen pand van dien aard geschonken; een gebrek waarvoor hij geene verontschuldiging had, wegens leeftijd of gezondheid, daar hij nog geen dertig jaar oud was, en bovendien, wat men noemt, een fiksche, flinke jongen.
Hieruit ontstond eene andere ramp, die den armen schoolmeester niet weinig last veroorzaakte. Immers zijne vrouw was zoo onophoudelijk jaloersch, dat hij naauwelijks één woord durfde spreken met eenige vrouw in het dorp; want de minste beleefdheid, of zelfs omgang met eenig vrouwelijk wezen, was genoeg om hem den toorn zijner vrouw op den hals te halen.
Ten einde zich te vrijwaren tegen huwelijksgrieven in haar eigen huis droeg zij zorg, daar zij slechts ééne meid hield, die steeds te kiezen uit die soort van vrouwen, wier gelaatstrekken doorgaan voor een waarborg harer deugd, en zoo als de lezer vernomen heeft, behoorde Jenni Jones onder dit getal.
Daar het gelaat van dit meisje beschouwd mogt worden als eene tamelijk zekere waarborg van voornoemden aard, en omdat haar gedrag steeds zeer zedig was geweest,—wat bij eene vrouw een bepaald gevolg is van verstand te hebben,—had zij meer dan vier jaren bij jufvrouw Partridge (zoo heette namelijk de schoolmeester), doorgebragt, zonder de geringste verdenkingen bij hare meesteresse op te wekken. Ja, zij werd er zelfs met buitengewone vriendelijkheid behandeld, en de jufvrouw had den heer Partridge verlof gegeven haar in de reeds gemelde vakken te onderwijzen.
Maar het is met de jaloezij even als met de jicht. Als er zulke ziekten in het bloed zijn, kan men nooit zeker zijn, dat ze niet eens uitbreken zullen,—en dat geschiedt ook dikwerf bij de minste aanleiding en zeer onverwacht.
Dit gebeurde ook bij jufvrouw Partridge, die vier jaren lang toegelaten had dat haar man dit meisje onderwees, en haar meer dan eens haar werk had laten verzuimen, ten einde zich aan de geleerdheid te wijden. Want toen zij op zekeren dag voorbij kwam, terwijl het meisje bezig was met lezen en haar meester over haar gebukt stond, schrikte Jenni plotseling, ik weet niet waarom, en vloog van den stoel op, en dit was de eerste keer, dat bij hare meesteresse eenige verdenking opkwam.
Zij liet die echter niet dadelijk blijken, maar hield ze verborgen in haar hart, loerende als een geheime vijand, die op versterking wacht eer hij zich openlijktoont en tot den aanval overgaat; en hare vermoedens werden ook kort daarop versterkt, toen man en vrouw zamen aan tafel zaten en de meester tegen het meisje zeide: „Da mihi aliquid potum!” waarop de arme Jenni glimlachte, welligt over het ellendige Latijn, en bloosde zoodra hare meesteresse het oog op haar vestigde, mogelijk, over het bewustzijn dat zij om haren meester gelagchen had. Jufvrouw Partridge geraakte nu dadelijk in drift en smeet het bord, waarvan zij at, der arme Jenni naar het hoofd, met den uitroep:
„Gij onbeschaamde feeks! Durft ge gekheid te maken met mijn man, hier in mijn bijzijn?” terzelfder tijd opstuivende van haar stoel met een mes in de hand, waarmede zij waarschijnlijk zich op eene zeer betreurenswaardige wijze gewroken zou hebben, als het meisje niet gebruik had gemaakt van de nabij zijnde deur, en door de vlugt aan de woede harer meesteresse ontsnapt ware;—want, wat den armen man betreft, hetzij de verrassing hem versteend had,—of wat even waarschijnlijk is, dat de vrees hem belette zich te verzetten, hij bleef starende en sidderende zitten en poogde niet eens zich te bewegen, of te spreken, tot zijne vrouw, van Jenni’s vervolging terugkeerende, hem noodzaakte eenige maatregelen tot zelfverdediging te nemen,—en hij, even als de meid, tot den aftogt gedwongen werd.
Deze goede vrouw was echter evenmin als Othello geschikt om
„—de jaloerschheid te dulden, Te vallen met het wislen van de maan, van arg- in argwaan.”
Bij haar luidde het even als bij hem:
„—neen! één twijfeling, En alles is beslist!”
Zij gaf dus Jenni bevel, om onmiddellijk haar boeltje te pakken en op te trekken, daar zij besloten had, dat zij dien nacht niet meer onder haar dak zoude slapen. De heer Partridge had te veel door de ondervinding geleerd, om zich met iets van dezen aard te bemoeijen. Hij nam dus zijn toevlugt tot zijne gewone dosis geduld; want hoewel hij geen geleerde was in het Latijn, herinnerde hij zich heel goed en begreep best den raad in den volgenden regel bevat:
„Leve fit, quod bene fertur onus.”
hetgeen zeggen wil: „een last, dien men behoorlijk weet te dragen, valt niet zwaar.”
Wat hij ook altijd in den mond had, en de waarheid waarvan hij, zonder twijfel, dikwijls in de gelegenheid was te ondervinden.
Jenni wilde hare onschuld betuigen; maar zij was niet bestand tegen den storm. Zij ging dus aan het pakken, waartoe zij niets anders noodig had dan een vel grof papier, en haar armzalig loon ontvangen hebbende, keerde zij weder naar huis terug.
De schoolmeester en zijne vrouw bragten geen aangenamen avond door; maar vóór den volgenden morgen was er het een of ander gebeurd, dat de woede van jufvrouw Partridge een weinig tot bedaren bragt, en zij liet eindelijk toe, dat haar man zich verontschuldigde, te meer geloof aan zijne woorden hechtende, daar hij, in plaats van te verlangen dat Jenni terug geroepen werd, zijne voldoening uitte over haar ontslag, en zeide, dat zij, als meid, van weinig nut meer was, daar zij al haar tijd met lezen doorbragt en bovendien onbeleefd en koppig was geworden; want zij had inderdaad, in den laatsten tijd, verschillende letterkundige twisten met haar meester gehad, waarin zij hem hare reeds vermelde meerderheid had doen gevoelen. Dit echter stemde hij nooit toe; en daar hij het koppigheid noemde, als zij gelijk had en dat volhield, begon hij haar met niet weinig verbittering te haten.
HOOFDSTUK IV.
BEVATTENDE EEN DER BLOEDIGSTE SLAGEN, OF LIEVER, TWEEGEVECHTEN, OOIT IN DE HUISSELIJKE GESCHIEDENIS VERMELD.
Om de reeds boven vermelde redenen, en enkele andere blijken van toegevendheid van haar man, welbekend aan gehuwde lieden, doch die, even als de geheimen der vrijmetselarij, aan niemand geopenbaard moeten worden, die geen lid is van het achtbare genootschap, was jufvrouw Partridge tamelijk overtuigd dat zij haar man zonder grond veroordeeld had en zij trachtte door vriendelijk gedrag hem vergoeding te verschaffen voor hare verkeerde vermoedens. Hare hartstogten, welke rigting zij ook volgden, waren inderdaad altijd even hevig; want, even als zij buitengewoon vertoornd kon zijn, kon zij ook buitengewoon liefderijk wezen.
Maar, hoewel deze vlagen elkaar gewoonlijk binnen korten tijd opvolgden en naauwelijks vier en twintig uren ooit voorbij gingen, waarin de schoolmeester niet in eenige mate het voorwerp van beide werd; duurde evenwel, bij groote gelegenheden, als haar toorn zeer hevig geweest was, later de rust eveneens ook gewoonlijk wat langer, en dit was nu ook het geval; want na den afloop van dezen aanval van jaloerschheid, bleef zij langer vriendelijk dan ooit te voren, en met uitzondering van eenige van die kleine bestraffingen, waaraan al de volgelingen eener Xantippe zich onderwerpen moeten, zou de heer Partridge verscheidene maanden lang de meest volmaakte rust genoten hebben.
Eene doodelijke windstilte op zee wordt door den ervaren zeeman steeds als de voorbode van den storm aangemerkt, en ik ken eenige personen, die zonder over het algemeen bijgeloovig te zijn, geneigd zijn te vreezen, dat groote en ongewone rust en vrede, juist door het tegenovergestelde gevolgd zullen worden. Om deze reden plagten de ouden bij zulke gelegenheden offers te brengen aan de godin Nemesis, die, naar men meende, met leede oogen het menschelijke geluk aanschouwde en niets liever deed dan het vernietigen.
Daar wij er echter ver van af zijn, aan eenige heidensche godin van dien aard te gelooven, of eenig bijgeloof hoegenaamd aan te moedigen, wenschen wij dat de heer Jan Fr.... of eenige andere wijsgeer, zich de moeite wilde geven om de ware oorzaak van dezen snellen overgang van geluk tot ongeluk op te sporen,—die zoo dikwerf opgemerkt is en waarvan wij nu een voorbeeld zullen geven; want het is onze taak om feiten te vermelden, terwijl wij de oorzaken aan grootere genieën overlaten.
De menschen hebben er altijd groot behagen in geschept om de daden van anderen te leeren kennen en ze te bepraten. Van daar ook, dat er bij alle volkeren en in alle eeuwen, bijzondere vergaderplaatsen aangewezen werden, waar de nieuwsgierigen elkaar ontmoeten konden en hunne weetgierigheid voldoen. Onder deze plaatsen hebben de barbierswinkels altijd met regt den voorrang gehad. Onder de Grieken was het „barbiersnieuws” tot een spreekwoord geworden, en Horatius, in een zijner Epistolae, vermeldt den Romeinschen barbier op dezelfde wijze, zeer eervol.
Het is bekend dat die van Engeland niet onderdoen bij hunne Grieksche en Romeinsche voorgangers. Men hoort bij hen buitenlandsche zaken bespreken op een toon die weinig onderdoet voor dien der koffijhuizen, en huisselijke omstandigheden worden er veel breedvoeriger en vrijer behandeld. Maar dit is alleen ten behoeve der mannen. Daar echter de vrouwen van dit land, vooral die van de mindere klasse, meer dan die van andere volkeren, bij elkaar komen, zou onze staatsinrigting zeer gebrekkig zijn, als zij ook niet eenige bijzondere plaats hadden, waar zij aan hare nieuwsgierigheid kunnen bot vieren, aangezien zij in dit opzigt volstrekt niet onderdoen voor de andere helft van het menschelijke geslacht.
Door een dergelijk vereenigingspunt te bezitten, moeten zich de Britsche schoonen gelukkiger achten dan hare zusters in het buitenland, daar ik me niet herinner ooit in de geschiedenis iets daarvan gelezen te hebben, of in eenige reisbeschrijving iets van dien aard gezien te hebben.
Deze plaats is echter nergens anders te zoeken dan in den kruideniers-winkel, het bekende uitgangspunt van al het nieuws, of zoo als men het platweg noemt, van al het gebabbel in elke gemeente van Engeland.
Jufvrouw Partridge dus, op zekeren dag in deze vergadering van vrouwen zijnde, werd door een harer buren gevraagd, of zij in den laatsten tijd iets van Jenni Jones gehoord had? waarop zij een ontkennend antwoord gaf. Hierop hernam de andere, met een glimlach, dat het dorp veel verpligting aan haar had, omdat zij Jenni had weggejaagd.
Jufvrouw Partridge, wier ijverzucht, zoo als de lezer weet, sedert lang genezen was, en die anders niets tegen hare dienstmaagd had, antwoordde stoutweg, dat zij niet begreep hoe zij het dorp op die wijze had kunnen verpligten, daar zij geloofde dat Jenni zeker haars gelijke niet achtergelaten had.
„Neen,” hernam de andere, „ik hoop van neen! Hoewel ik me verbeeld dat er sletten genoeg hier zijn! Ge hebt dus niet gehoord, naar het schijnt, dat zij verlost is van twee onechte kinderen? Daar ze echter hier niet geboren zijn, zegt mijn man en de andere wijkmeester ook, dat ze onze gemeente niet ten laste zullen vallen.”
„Twee onechte kinderen!” riep jufvrouw Partridge driftig; „wat ge zegt! Ik weet niet of ze ons ten laste kunnen komen, maar zeker is het dat de vader hier te huis behoort, want het is nog geen negen maanden geleden dat het meisje van hier weg is!”
Niets is vlugger en plotselinger dan de werking van den geest, vooral als die opgewekt wordt door hoop, vrees of ijverzucht,—bij welke laatste vergeleken, de beide anderen slechts trage prikkelen zijn. Het schoot haar dadelijk te binnen, dat Jenni naauwelijks de deur uit geweest was zoo lang zij bij haar inwoonde. Het leunen over den stoel, het Latijn, de glimlach en allerlei andere dingen stonden haar op eens voor den geest.
De voldoening, welke haar man aan den dag gelegd had over het vertrek van Jenni scheen haar nu slechts geveinsd te zijn,—dan weder opregt,—en dan weder (ter versterking van haar ijverzucht), alleen ontsproten te zijn uit verzadiging en honderderlei andere slechte bronnen. In één woord: zij gevoelde zich overtuigd van de schuld van haren echtgenoot en verliet de vergadering in de grootste ontsteltenis.
Even als de schoone Poes,—die hoewel de jongste van het kattengeslacht niet in wreedheid onderdoet voor de oudere takken van hare familie, en ofschoon minder in kracht, den edelen tijger zelven in woestheid evenaart,—even als de poes, wanneer het muisje, dat zij, lang spelende, gemarteld heeft, hare klaauwen ontsnapt, een tijdlang gromt, knort, raast en tiert, en zoodra de kist of koffer, waarachter het diertje schuilt, uit den weg geruimd is, pijlsnel op haar slagtoffer schiet, en het met verbitterde woede bijt, krabt, knaauwt en verscheurt,—zoo ook, en met geene mindere woestheid, vloog jufvrouw Partridge den armen schoolmeester aan.
Met tong, tanden en handen viel zij hem tegelijk aan. Zijne pruik werd hem in een oogenblik van het hoofd gerukt; het hemd hem van het lijf,—en van zijn gelaat vloeiden vijf stroomen bloeds, het getal der klaauwen aanwijzende waarmede de natuur ongelukkig zijne vijandin gewapend had.
De heer Partridge bepaalde zich een tijdlang tot de verdediging;—en deed slechts zijn best om met de handen zijn gezigt te beschermen; daar hij echter ondervond, dat de woede zijner vijandin niet verminderde, dacht hij ten minste haar te mogen ontwapenen, of liever hare armen vast te houden waarbij, in de worsteling, hare muts afviel, en haar hoofdhaar, te kort om op hare schouders te vallen, ten berge rees, terwijl haar keurslijf, dat slechts door één knoopje onderaan vastgemaakt was, open sprong, en hare borsten, die weelderiger waren dan haar hoofdsieraad, tot beneden haar midden afhingen;—haar gelaat was ook bevlekt met het bloed van haar man; zij knarste woedend op de tanden, en vonken, als van een smids vuur, vlogen uit hare oogen. Over het geheel dus had deze Amazone een veel heldhaftiger man dan den heer Partridge schrik en vrees kunnen aanjagen.
Eindelijk had hij het geluk, hare armen vast te kunnen houden, en alzoo de wapenen, welke zij aan het einde der vingers had, onbruikbaar te maken, en zoodra zij dit bemerkte, kreeg de zwakheid, aan haar geslacht eigen, de bovenhand op hare woede, en zij barstte in tranen uit, en eindigde met het hevig op de zenuwen te krijgen.
De weinige tegenwoordigheid van geest, welke de heer Partridge tot dus ver bewaard had, bij dit woedende tooneel, welks oorzaak hem geheel onbekend was, liet hem nu in den steek. Hij liep de deur uit, op straat, roepende dat zijne vrouw stervende was, en de buren smeekende zich te haasten om hulp te verleenen. Verscheidene goede vrouwen gehoorzaamden aan zijn wensch, en kwamen bij hem binnen, en daar zij de gewone middelen gebruikten bij zulke gevallen, kwam jufvrouw Partridge eindelijk bij, tot groote vreugde van haar man.