Chapter 4 of 84 · 3901 words · ~20 min read

Part 4

Beide, zoowel kleeding als persoon, waren zoodanig, dat als men ze op eene partij, of in een salon gezien had, ze hem aan de minachting en de bespotting van alle groote dames daar zouden blootgesteld hebben. Zijn kleeding was wel is waar netjes, maar eenvoudig, grof, zonder versiering, en uit de mode. Zijn persoon hebben wij hierboven reeds beschreven. Verre van daar dat hij roode wangen had, kon men er de natuurlijke kleur volstrekt niet van zien, daar ze geheel bedekt waren door een zwarten baard, die tot onder de oogen groeide. Zijne gestalte en ledematen waren inderdaad goed geëvenredigd, maar zoo groot, dat ze onwillekeurig deden denken aan de kracht van een stevigen boer. Zijne schouders waren bovenmate breed, en zijne kuiten dikker dan die van een kruijer. In één woord, zijn persoon miste al die sierlijkheid en schoonheid, welke juist het tegenovergestelde zijn van onbehouwene sterkte, en welke op zulk eene bevallige wijze de meeste onzer groote heeren onderscheidt, en gedeeltelijk te danken is aan het kostelijke bloed onzer voorouders,—dat is, bloed uit vette sousen en edele wijnen afkomstig, en gedeeltelijk van eene vroege opvoeding in de hoofdstad.

Hoewel nu mejufvrouw Brigitta eene dame was van den fijnsten smaak, waren de bekoorlijkheden van den omgang des kapiteins zoo groot, dat zij zijne ligchamelijke gebreken geheel en al over het hoofd zag. Zij verbeeldde zich, en welligt met groot regt, dat zij meer aangename oogenblikken met den kapitein kon doorbrengen dan met een veel schooner man, en offerde het genoegen op van hare oogen te streelen, om den wille van een veel degelijker voldoening.

De kapitein ontdekte naauwelijks de liefde van mejufvrouw Brigitta,—welke ontdekking hij zeer spoedig maakte,—of hij haastte zich die trouw te vergelden. De dame, evenmin als haar minnaar, onderscheidde zich door schoonheid. Ik zou trachten haar portret te schilderen, als het niet reeds door een veel kundiger meester gemaakt was,—namelijk door niemand minder dan door den heer Hogarth zelven, voor wien zij vele jaren geleden zat, en die haar onlangs ten toon stelde in zijne prent van den „winter-morgen,”—waarvan zij geen ongepast symbool opleverde,—zoo als zij wandelt—op de prent,—naar de kerk in Covent-Garden, met den uitgehongerden jongen achter haar, om het kerkboek te dragen.

De kapitein verkoos ook, zeer wijs, de meer degelijke voordeelen welke hij van deze dame verwachtte, boven de vlugtige bekoorlijkheden van het uiterlijk. Hij was een van die zeer wijze mannen, die de schoonheid bij het andere geslacht beschouwen als eene hoedanigheid van zeer weinig waarde of gehalte;—of, om meer overeenkomstig de waarheid te spreken;—die liever alle gemakken van dit leven genieten met eene leelijke vrouw,—dan eene schoone vrouw te hebben, die geene van deze gemakken meê brengt. En daar hij veel eetlust had en niet moeijelijk was, verbeeldde hij zich zijne rol zeer goed te kunnen spelen op het huwelijksfeest, al moest hij daar ook den sous der schoonheid missen.

Om den lezer maar in eens op de hoogte te brengen: van het oogenblik zijner aankomst—of ten minste van het oogenblik af, dat zijn broeder hem het huwelijk voorstelde, en lang eer hij eenige vleijende teekens opmerkte bij mejufvrouw Brigitta, was de kapitein doodelijk verliefd geweest, op het huis en de tuinen van den heer Allworthy, op zijne landerijen, onroerende goederen en erven,—op alle welke de kapitein zoo hartstogtelijk verzot was, dat hij gaarne zich daarmede ten eeuwigen dage vereenigd zou hebben, al had hij de tooveres van Endor daarbij tot vrouw moeten nemen.

Daar de heer Allworthy ook den dokter verteld had, dat hij nooit eene tweede vrouw wilde nemen—en zijne zuster zijne eenige naastbestaande was, en daar de dokter uitgevischt had, dat het zijn voornemen was om, wanneer zij kinderen kreeg, er een van tot zijn erfgenaam te benoemen,—wat de wet ook zonder zijn toedoen gedaan zou hebben,—hielden de dokter en zijn broeder het voor zeer prijzenswaardig het aanzijn te schenken aan een menschelijk wezen, dat zoo ruim voorzien zou zijn met de noodzakelijkste middelen om gelukkig te leven. Alle gedachten der beide broeders waren er dus op gerigt om de liefde dezer beminnelijke dame te winnen.

Maar Fortuna, die dikwijls eene teedere moeder is, en meer voor hare lievelingen doet dan zij verdienen of wenschen, had zoo geijverd voor den kapitein, dat terwijl hij plannen smeedde, om zijn doel te bereiken, de dame zelve hetzelfde verlangen begon te koesteren, en van haar kant bedacht hoe zij hem gepaste aanmoediging kon geven, zonder onbescheiden te schijnen; want zij nam al de regelen der welvoegelijkheid stipt in acht. Dit echter gelukte haar zonder bezwaar want daar, de kapitein altijd op den uitkijk was, ging geen blik, gebaar of woord van haar bij hem verloren.

De voldoening, welke de kapitein smaakte over de vriendelijke houding van mejufvrouw Brigitta, werd niet weinig verminderd door zijne vrees voor den heer Allworthy; want niettegenstaande de onbaatzuchtigheid van diens verklaringen, vreesde toch de kapitein, dat hij, als het op handelen aankwam, het voorbeeld der meeste menschen in de wereld zou volgen, en zijne toestemming weigeren tot een huwelijk, dat uit een geldelijk oogpunt beschouwd, zoo zeer in het nadeel zijner zuster was. Welk orakel hem dit denkbeeld ingaf, laat ik aan den lezer over te beslissen, maar hoe dit zij, het maakte hem zeer verlegen hoe zijn gedrag zoodanig interigten, dat hij der dame zijne genegenheid liet blijken en die tevens voor haar broeder verborg. Eindelijk besloot hij alle afzonderlijke gelegenheden waar te nemen om haar zijn hof te maken, maar in het bijzijn van den heer Allworthy zeer ingetrokken en zoo veel mogelijk op zijne hoede te zijn;—en deze gedragslijn werd ten hoogste goedgekeurd door zijn broeder.

Weldra vond hij ook middel om zich duidelijk te verklaren jegens zijne beminde, van wie hij, in den behoorlijken vorm antwoord ontving, namelijk hetzelfde antwoord, dat reeds eenige duizend jaren geleden voor het eerst gegeven werd, en dat sedert dien tijd van moeder tot dochter overgeërfd is. Moest ik het in het Latijn vertalen, dan zou ik dat doen met de twee woorden: „Nolo episcopari!”—een woord, dat ook sedert onheugelijke tijden, bij eene andere gelegenheid gebruikelijk is.

De kapitein echter, hoe hij dan ook aan die kennis kwam, begreep de dame best en herhaalde spoedig daarop zijn aanzoek, met meer vuur en aandrang dan de eerste keer, en werd weder, volgens den regel, afgewezen; maar naarmate de hevigheid van zijn hartstogt vermeerderde, verminderde ook de dame, met dezelfde inachtneming der vormen, de standvastigheid harer weigering.

Ten einde den lezer niet te vermoeijen door hem alle tooneelen van deze vrijaadje te doen volgen,—welke, ofschoon, volgens het oordeel van zekeren beroemden schrijver, het aangenaamste gedeelte van het leven van hem, die het beleeft, welligt het vervelendste is voor den toeschouwer,—vermeld ik alleen nog, dat de kapitein, volgens de regels, het beleg voortzette, dat de citadel, ook volgens de regels, verdedigd werd, en eindelijk, volgens de regels, zich op genade en ongenade overgaf.

Gedurende dezen tijd, waarmede bijna eene geheele maand verliep, bleef de kapitein uiterlijk zeer onverschillig jegens de dame in het bijzijn van haar broeder, en hoe beter hij met haar vorderde in stilte, des te koeler bleef hij in het openbare. Wat de dame betreft, zoodra zij zich van haren minnaar verzekerd had, behandelde zij hem, in het bijzijn van anderen, met de meeste onverschilligheid; zoodat de heer Allworthy de sluwheid van den Satan (of nog andere van diens slechtste hoedanigheden), had moeten bezitten, om in het minst verdacht te zijn op hetgeen gaande was.

HOOFDSTUK XII.

BEVATTENDE HETGEEN DE LEZER WELLIGT VERWACHT ER IN TE VINDEN.

Bij alle afspraken, hetzij voor een tweegevecht, hetzij voor een huwelijk, of iets anders van dien aard, zijn slechts weinige voorafgaande plegtigheden noodig, om de zaak tot een uitslag te brengen, als beide partijen het ernstig meenen. Dit was ook nu het geval, en in minder dan eene maand waren de kapitein en zijne dame man en vrouw.

Het groote bezwaar was nu om hetgeen gebeurd was aan den heer Allworthy te openbaren en dit werd door den dokter ondernomen.

Op zekeren dag dan, toen de heer Allworthy in den tuin wandelde, voegde de dokter zich bij hem, en met een zeer ernstig uiterlijk en zoo veel uitdrukking van verdriet als hij bij mogelijkheid aan zijn gelaat kon geven, zeide hij:

„Ik kom, mijnheer, om u eene zeer gewigtige mededeeling te doen;—maar hoe zal ik u vertellen, wat mij bijna tot razernij brengt, als ik er aan denk?”

Daarop braakte hij de hevigste verwijtingen uit tegen mannen en vrouwen, beide, en beschuldigde de eerste van voor niets vatbaar te zijn dan voor eigenbelang, en de laatste van zoodanig aan booze neigingen onderhevig te zijn, dat men haar nooit veilig in het gezelschap kon laten van iemand van het andere geslacht. „Had ik kunnen vermoeden, mijnheer,” vervolgde hij, „dat eene dame, die zoo wijs, zoo verstandig, zoo geleerd is, zich zou laten verleiden door een onredelijken hartstogt,—of had ik kunnen veronderstellen dat mijn broeder,—maar waarom heet ik hem zoo? Hij is niet meer mijn broeder.—”

„Dat is hij toch wel!” hernam Allworthy, „en een broeder van mij ook.”

„Goede Hemel! mijnheer!” riep de dokter, „weet gij iets van die akelige geschiedenis?”

„Kijk eens hier, mijnheer Blifil,” antwoordde de waardige man. „Ik heb mij altijd tot regel gesteld, om al wat geschiedt van den besten kant te bekijken. Mijne zuster, hoewel veel jonger dan ik, is ten minste oud genoeg om te weten wat zij wil. Had uw broeder een kind omgepraat, dan zou ik hem minder gemakkelijk vergeven hebben; maar eene vrouw, die boven de dertig is, moet waarlijk verondersteld worden, te weten wat het meest tot haar geluk zal strekken. Zij is met een fatsoenlijk man getrouwd, hoewel iemand, die, wat vermogen betreft, niet met haar gelijk staat; maar als hij, in haar oog, andere volmaaktheden bezit, die dat gemis vergoeden, zie ik niet in, dat ik het regt heb haar geluk te betwisten hetwelk, ik, evenmin als zij, als alleen afhankelijk van onmetelijke schatten beschouw. Welligt, na al wat ik dikwijls gezegd heb van mijne gezindheid om bijna elk aanzoek goed te keuren, had ik mogen verwachten bij deze gelegenheid geraadpleegd te worden; maar dergelijke zaken zijn zeer kiesch van aard, en de bezwaren der zedigheid waren misschien hierbij onoverwinnelijk. Wat uw broeder betreft, ik ben wezenlijk volstrekt niet kwaad op hem. Hij heeft geene verpligtingen jegens mij, en ik geloof niet dat er noodzakelijkheid bestond, dat hij mijne toestemming zou vragen, daar zijne vrouw gelijk, ik gezegd heb, sui juris is, en oud genoeg om alleen en uitsluitend aan zich zelve verantwoording schuldig te zijn voor hare handelingen.”

De dokter betichtte nu den heer Allworthy van al te groote goedheid, herhaalde zijne beschuldigingen tegen zijn broeder, en verklaarde, dat men hem er nooit toe zou brengen hem weder te zien, of hem als een lid zijner familie te beschouwen. Hij liet ook eene lofspraak volgen op Allworthy’s edelmoedigheid, prees zijn vriendschapsgevoel hemelhoog, en eindigde met te zeggen, dat hij het zijn broeder nooit zou kunnen vergeven, dat hij de plaats, welke hij in die vriendschap bekleedde, zoodanig op het spel had gezet.

Allworthy hernam: „Als ik eenigen toorn koesterde tegen uw broeder, zou ik me toch nooit gewroken hebben op iemand, die onschuldig is; maar ik verzeker u, dat ik geen toorn gevoel. Uw broeder schijnt me toe een man van verstand te zijn. Ik keur den smaak mijner zuster niet af, en ik wil er ook niet aan twijfelen, dat hij evenzeer met haar ingenomen is. Ik heb het er altijd voor gehouden, dat de liefde de eenige hechte steun is van het geluk in het huwelijksleven, daar die alleen de verhevene en teedere vriendschap kan te voorschijn roepen, waardoor eene vereeniging van dezen aard bevestigd moet worden, en, naar mijn gevoelen, zijn alle huwelijken, welke uit andere beweegredenen gesloten worden, in den hoogsten graad misdadig. Zij zijn eene schending van die heilige plegtigheid, en eindigen gewoonlijk in twist en ellende;—want zeker is het ontheiliging om deze goddelijke instelling te misbruiken en tot verontschuldiging te doen dienen voor zinnelijk genot of hebzucht. Kan men iets beters zeggen van die huwelijken, welke aangegaan worden alleen wegens uiterlijke schoonheid of ruime geldmiddelen?

„Het zou leugenachtig en dwaas zijn te loochenen, dat de schoonheid geen aangenamen indruk maakt en niet in zekere mate de bewondering waardig is. De schoonheid wordt dikwerf in de Heilige Schrift genoemd en steeds met eer. Ik had zelf het geluk eene vrouw te hebben, die voor schoon doorging, en ik beken gaarne, dat ik om die reden des te meer van haar hield. Maar om de schoonheid te beschouwen als het eenige vereischte tot het huwelijk,—om zoodanig er verzot op te zijn, dat men om harentwil alle gebreken vergeet, of om ze zoodanig met alle geweld op prijs te stellen, dat men godsdienstigheid, deugd en verstand, hoedanigheden van veel verhevener aard versmaadt, alleen omdat uiterlijke bevalligheid ontbreekt,—dit is zeker ongerijmd in een wijs mensch of een Christen. En men is welligt nog al te toegevend, als men aanneemt, dat zulke menschen iets meer met hun huwelijk bedoelen dan om hunne vleeschelijke lusten te voldoen,—tot welker bevrediging, zoo als ons geleerd is, het huwelijk niet ingesteld werd.

„In de tweede plaats, wat het vermogen aangaat: de wereldsche wijsheid eischt welligt eenig overleg op dit punt, en dat keur ik niet bepaaldelijk af. Zoo als de maatschappij ingerigt is, eischen de behoeften van den huwelijken staat, en de zorg voor het nageslacht, dat men eenigzins lette op hetgeen men „de omstandigheden” noemt. Maar deze zorg wordt grootelijks en boven noodzakelijkheid vermeerderd door dwaasheid en ijdelheid, die meer behoeften scheppen dan de natuur. Ekwipaadje voor de vrouw en groote fortuinen voor de kinderen worden door de gewoonte opgenomen in de lijst der behoeften; en, ten einde dit alles te verkrijgen, wordt al wat wezenlijk degelijk en aangenaam, deugdzaam en godsdienstig is, verwaarloosd en vergeten.

„En dit geschiedt in zulke hooge mate, dat het, tot uitersten gedreven, haast op waanzin gelijkt. Ik bedoel dan, wanneer menschen, die een zeer groot vermogen hebben, zich vereenigen met anderen, die hun onaangenaam moeten wezen,—met dwazen en schelmen, ten einde een vermogen te vermeerderen, dat reeds meer dan voldoende is, om hun elk mogelijk genot te verschaffen. Voorwaar, als zulke menschen niet willen, dat men hen voor gek houde, dan moeten zij bekennen, òf dat zij buiten staat zijn om het genot van de teederste vriendschap te smaken, òf dat zij het grootste geluk, dat hun overkomen kan, opofferen aan de ijdele, wankelbare, onverstandige wetten der publieke opinie, die hare kracht, zoowel als haren oorsprong ontleenen aan de dwaasheid.”

Hiermede eindigde Allworthy zijne preek, waarnaar Blifil met de meeste aandacht geluisterd had, hoewel het hem tusschenbeide eenige moeite kostte om niet eventjes te glimlagchen. Thans roemde hij elk woord, dat hij aangehoord had, met het vuur van een jeugdigen godgeleerde, die de eer heeft bij een bisschop te dineren, op denzelfden dag, waarop zijn Hoogeerwaarde den kansel beklommen heeft.

HOOFDSTUK XIII.

WAARMEDE HET EERSTE BOEK EINDIGT, EN DAT EEN VOORBEELD VAN ONDANKBAARHEID OPLEVERT, HETWELK NAAR WIJ HOPEN, ONNATUURLIJK ZAL SCHIJNEN.

Uit hetgeen gezegd is, zal zich de lezer verbeelden, dat de verzoening, indien ze dien naam verdient,—slechts een vorm was; wij zullen ze dus met stilzwijgen voorbijgaan, en ons haasten tot iets te komen, dat wezenlijk van meer belang is.

De dokter had zijn broeder bekend gemaakt met hetgeen tusschen hem en den heer Allworthy voorgevallen was, met een glimlach er bijvoegende:

„Ik beloof u, dat ik op u losgetrokken heb; ja, ik smeekte den goeden man zelfs u niet te vergeven; want, weet ge, nadat hij zich ten uwen gunste verklaard had, kon ik dat veilig wagen bij iemand van zijn aard, en ik wenschte om u en om mijnentwil alles wat op verdenking gelijkt, te voorkomen.”

De kapitein Blifil nam voor het oogenblik hoegenaamd geene notitie van deze woorden,—maar later wist hij er een zeer degelijk gebruik van te maken. Een der stelregels, welke de Satan bij een zijner laatste bezoeken op aarde aan zijne leerlingen aanbeval, luidt: dat men zorg moet dragen, als men eens omhoog gekomen is, den stoel van onder zijne voeten weg te schoppen. Duidelijker gezegd: als gij eens met behulp van een vriend fortuin hebt gemaakt, moet ge hem zoo spoedig mogelijk links laten liggen.

Ik wil niet bepaaldelijk beslissen of de kapitein volgens dezen regel handelde; maar wij kunnen toch onbeschroomd zeggen, dat zijne handelingen met dezen duivelschen regel vrij goed overeen stemden, en inderdaad, het valt moeijelijk ze van eenige andere beweegredenen afteleiden;—want, zoodra hij zijne Brigitta bezat en met Allworthy verzoend was, begon hij eene verkoeling jegens zijn broeder aan den dag te leggen, welke dagelijks vermeerderde en eindelijk tot eene onbeleefdheid aangroeide, die iedereen opmerken moest.

De dokter verweet hem in stilte dit gedrag, maar verkreeg geen anderen uitleg er van dan de volgende zeer duidelijke verklaring: „Als er iets is in het huis van mijn zwager, dat u mishaagt, staat het u immers vrij om weg te gaan.”

Deze vreemde, wreede en bijna onverklaarbare ondankbaarheid in den kapitein brak den armen dokter bepaaldelijk het hart; want de ondankbaarheid treft den mensch nooit zoo diep als wanneer ze komt van diegenen, om welker wil wij ons zekere overtredingen hebben getroost. De herinnering aan groote of goede daden, hoe ook opgenomen of vergolden door diegenen, tot wier behoeve ze verrigt worden, verschaft ons steeds eenigen troost; maar hoe kan ons de bittere ramp van de ondankbaarheid van een vriend vergoed worden, als ons boos geweten luide spreekt en ons tevens verwijt, dat wij het besmet hebben ten dienste van een onwaardige?

De heer Allworthy zelf sprak met den kapitein ten gunste van diens broeder en verlangde te weten, welk kwaad de dokter bedreven had; waarop de hardvochtige ellendeling de laagheid had te zeggen, dat hij het hem nooit vergeven zou, dat hij gepoogd had hem bij den heer Allworthy te benadeelen, wat hij zelf „uit hem gehaald” had, gelijk hij zeide, en wat zoo erg was, dat men het niet over het hoofd mogt zien.

Hierop vatte Allworthy het woord op met veel vuur en verklaarde dat een dergelijk gezegde den mensch niet betaamde. Hij liet, inderdaad, zoo veel verontwaardiging blijken over een onchristelijk gemoed, dat de kapitein eindelijk veinsde door zijne bewijsgronden overtuigd te zijn, en uiterlijk eene verzoening veinsde.

Wat de bruid betreft, die was nu in de wittebroodsweken, en zoo hartstogtelijk verzot op haar man, dat hij in hare oogen nooit ongelijk kon hebben, en het genoeg was dat hij tegen iemand iets had, om ook haar tegen die persoon in te nemen.

De kapitein verzoende zich, gelijk gezegd is, op aanzoek van den heer Allworthy, uiterlijk met zijn broeder, maar bleef in zijn hart evenzeer tegen hem verbitterd, en hij vond zoo vele gelegenheden om hem in stilte dat te doen opmerken, dat het verblijf in het huis eindelijk onhoudbaar werd voor den armen dokter, en hij liever verkoos zich aan al de bezwaren te onderwerpen, welke hij in de wereld ondervinden zou, dan langer de wreede en ondankbare beleedigingen te verdragen van een broeder, voor wien hij zooveel gedaan had.

Hij was eens op het punt om Allworthy alles te openbaren, maar kon er niet toe komen om de bekentenis te doen, waardoor hij zooveel schuld op zijne eigene schouders moest laden. Bovendien,—hoe slechter hij zijn broeder voorstelde, hoe grooter ook zijne schuld tegenover Allworthy moest schijnen, en hoe meer reden hij ook zou hebben om diens toorn te vreezen.

Hij wendde dus zaken voor, die zijn vertrek eischten, en beloofde spoedig weder te komen, terwijl hij afscheid nam van zijn broeder met eene zoo goed gehuichelde hartelijkheid,—dat, daar de kapitein even goed zijne rol speelde, Allworthy volmaakt overtuigd was van de opregtheid der verzoening.

De dokter ging regtstreeks naar Londen, waar hij spoedig aan een gebroken hart stierf; eene ziekte die meer menschen doodt dan algemeen geloofd wordt, en welke billijke aanspraak mogt maken op eene plaats in de statistiek der sterfte, ware het niet dat ze in één opzigt van alle andere kwalen verschilt,—namelijk, dat geen geneesheer er hulp voor weet.

Na het vlijtigste onderzoek omtrent het vroegere leven der beide broeders, vind ik, behalve den voornoemden verachtelijken en duivelschen stelregel, ook een anderen grond voor het gedrag van den kapitein. Deze was, behalve hetgeen men reeds van hem weet, zeer trotsch en driftig en behandelde altijd zijn broeder, die van geheel anderen aard was, en deze beide hoedanigheden mistte, zeer uit de hoogte. De dokter echter bezat veel meer kennis en, volgens velen, ook veel meer verstand. Dit wist de kapitein en kon het niet verdragen; want hoewel de nijd, op zijn best genomen, altijd eene zeer boosaardige drift is, wordt de verbittering daarvan zeer verhoogd, als die gepaard gaat met minachting voor het voorwerp er van; en ik vrees zeer, dat als bij deze beiden, ook nog het gevoel van verpligting komt, wrok in plaats van dankbaarheid de vrucht der drie gewaarwordingen zal zijn.

BOEK II.

Bevattende eenige tooneelen van huwelijksgeluk in verschillende standen der maatschappij, alsmede verscheidene andere gebeurtenissen gedurende de twee eerste jaren van het huwelijk van den Kapitein Blifil met mejufvrouw Brigitta Allworthy.

HOOFDSTUK I.

AANTOONENDE WELKE SOORT VAN VERHAAL DIT IS; WAARNAAR HET LIJKT, EN WAAR HET NIET NAAR LIJKT.

Hoewel wij, eigenaardig genoeg, dit ons werk „eene geschiedenis,” noemen, en geene „levensbeschrijving,”—of, wat nog meer in de mode is, eene „apologie,” is het evenwel ons voornemen daarin ons meer te voegen naar de methode van die schrijvers, die voorgeven de omwentelingen in een land te verklaren, dan om den lastigen en breedvoerigen geschiedschrijver na te volgen, die om de geregelde ontwikkeling der daadzaken te bewaren, zich verpligt acht even veel bladzijden te vullen met de uitvoerige beschrijving van maanden en jaren, die niets merkwaardigs bevatten, als hij bezigt voor die opmerkelijke tijdvakken, welke de grootste feiten opleveren, die ons op het tooneel der wereld voorgesteld zijn.

Dergelijke geschiedenissen gelijken veel op een dagblad, dat altijd juist hetzelfde aantal letters bevat, of er nieuws is of niet. Ze kunnen ook vergeleken worden bij een postwagen, die altijd, leeg of vol, denzelfden weg aflegt.

De schrijver schijnt zich inderdaad verpligt te rekenen, met den Tijd, wiens secretaris hij is, in den pas te loopen, en even als zijn meester, reist hij even langzaam door eeuwen van kloosterachtige verveling als door dien schitterenden en drukken tijd zoo schoon bezongen door den uitstekenden Latijnschen dichter:

„Ad confligendum venientibus undique poenis, Omnia cum belli trepido concussa tumultu Horrida coutremuere sub altis aetheris auris: In dubioque fuit sub utrorum regna cadendum Omnibus humanis esset, terraque marique.”

Wat ongeveer zeggen wil:

„Men rustte zich ten strijd door zucht naar wraak gedreven; Het vreeslijk krijgsrumoer deed de aarde siddren, beven En onder d’ hemelstrans verkeerde ’t al in rouw; Maar ’t was onzeker, wie de zegepraal gelukken, ’t Ontstelde menschdom voor zijn schepter neêr doen bukken En over land en zee in ’t einde heerschen zou.”

Het is echter ons doel in de volgende bladzijden de tegenovergestelde methode te volgen. Wanneer eenig treffend tooneel zich aanbiedt (wat, naar wij hopen, dikwijls het geval zal wezen) zullen wij moeite noch papier ontzien om het den lezer breedvoerig te beschrijven. Als echter geheele jaren voorbijgaan zonder iets op te leveren dat zijne aandacht waardig is, zullen wij niet bang zijn voor eene gaping in onze geschiedenis, maar ons haasten tot belangrijke zaken te komen en dergelijke tijdvakken geheel onbehandeld laten.