Part 77
„Ik haar ontvangen!” riep de landjonker. „Daar behoeft gij niet bang voor te zijn! Ik zal nooit zulke pligtvergeten deugnieten aanmoedigen! Het is een geluk voor dien schelm, haar man, dat ik niet te huis was;—want, zoo waar ik leef, ik zou hem onder de pomp hebben laten zetten! Nu ziet ge, Sophia, waartoe de ongehoorzaamheid leidt! Gij hebt er een voorbeeld van in uwe eigene familie.”
„Broeder!” riep de tante, „ge behoeft mijne nicht niet te ergeren met zulke nare vertellingen. Waarom laat ge niet alles aan mij over?”
„Nu, nu, dat zal ik doen!” zei de landjonker.
En thans maakte mejufvrouw Western, tot geluk van Sophia, een einde aan het gesprek, door draagstoelen te laten bestellen;—ik zeg dat dit gelukkig was; want als het veel langer geduurd had, zou er waarschijnlijk nieuwe stof tot twist ontstaan zijn tusschen broeder en zuster, die alleen door het geslacht verschilden; want beide waren even driftig en koppig;—en beide koesterden eene even vurige liefde tot Sophia en eene even groote minachting voor elkaar.
HOOFDSTUK V.
WAARIN JONES EEN BRIEF ONTVANGT VAN SOPHIA EN MET JUFVROUW MILLER EN PARTRIDGE NAAR DE KOMEDIE GAAT.
De aankomst van den Zwarten George in de stad, en de goede diensten, welke die dankbare man beloofd had ten behoeve van zijn vroegeren meester te verrigten, verschaften Jones veel troost te midden van den angst en de zorgen, welke hij om Sophia koesterde.
Door bemiddeling van genoemden George, ontving hij het volgende antwoord op zijn brief aan Sophia, dat zij, die met hare vrijheid ook pen, inkt en papier herkregen had, den eersten avond van hare bevrijding schreef.
„Mijnheer,
Daar ik niet aan de opregtheid twijfel van hetgeen gij schrijft, zal het u genoegen doen te vernemen, dat een gedeelte van mijn lijden verzacht is door de aankomst van mijne tante Western, bij wie ik thans ben, in het genot van alle wenschelijke vrijheid.
„Tante heeft er op gestaan dat ik haar ééne belofte zou doen—namelijk om niemand te zien, of eenige gemeenschap met iemand te hebben, zonder hare voorkennis en toestemming. Deze belofte heb ik plegtig gedaan en zal ze ongeschonden houden;—en hoewel zij mij niet bepaaldelijk het schrijven verboden heeft, is dit eerder alleen een verzuim in het noemen van dat woord, dan in den geest van haar verbod;—of welligt is het al begrepen onder het woord—gemeenschap hebben. Daar ik evenwel dit reeds beschouwen moet als eene schennis van haar edelmoedig vertrouwen in mijn eergevoel, kunt gij niet verwachten dat ik verder, na dezen, zelve zal voortgaan met schrijven of met brieven te ontvangen, zonder dat zij er iets van weet.
„Eene belofte is, bij mij, iets zeer heiligs, en strekt zich uit tot alles wat daarmede in verband staat,—even goed als tot alles wat daarin opgenoemd is, en deze bedenking zal u misschien, na rijp beraad, eenigen troost opleveren. Maar waarom zou ik u een troost als dezen willen aanbieden? Want, hoewel er één punt is, waarin ik nooit aan den besten der vaders gehoorzamen kan, heb ik toch vast besloten, hem nooit te trotseren, of eenigen gewigtigen stap te doen zonder zijne toestemming.
„De vaste overtuiging hiervan moest u leeren afzien van hetgeen het noodlot (welligt) onmogelijk heeft gemaakt. Uw eigenbelang moest u hiervan overtuigen. Ik hoop dat dit ook een middel moge wezen om u met den heer Allworthy te verzoenen,—en is dat zoo, dan raad ik u ten sterkste aan het te baat te nemen.
„Door toevallige omstandigheden heb ik eenige verpligtingen aan u,—en waarschijnlijk nog grootere aan uwe goede bedoelingen. Het geluk zal ons beiden welligt eens gunstiger zijn dan op dit oogenblik. Geloof echter dat ik steeds aan u zal denken volgens mijne overtuiging van uwe verdiensten, en dat ik verblijf,
„Mijnheer,
uwe verpligte en dienstvaardige
Sophia Western.”
„Ik bid u mij niet meer te schrijven,—ten minste voor het oogenblik niet!—en neem dit van mij aan, dat ik niet gebruiken kan, en hetwelk gij zeker noodig zult hebben.—Verbeeld u, dat gij deze kleinigheid alleen te danken hebt aan het toeval, hetwelk het reeds vroeger in uwe handen bragt.” [17]
Een kind dat pas het alphabet geleerd heeft, zou dezen brief in minder tijd ontcijferd hebben dan het Jones kostte om hem te lezen. Het schrijven wekte gevoelens bij hem op, die een mengsel waren van vreugde en leed,—eenigzins als die, welke in het gemoed van een goed mensch opkomen, als hij het testament leest van een overleden vriend, waarbij hem een aanzienlijk legaat (dat hem uiterst goed te pas komt), vermaakt wordt. Over het geheel echter was hij eerder bevredigd dan misnoegd, en, inderdaad, zal de lezer welligt verwonderd zijn, dat er iets in was, dat hem niet tevreden stelde;—maar de lezer is niet zoodanig verliefd als Jones, en de liefde is eene ziekte, welke, hoewel zij in enkele opzigten misschien op de tering gelijkt,—die soms door haar veroorzaakt wordt,—in anderen lijnregt daarmede in strijd is,—en vooral daarin, dat zij zich nooit vleit, of eenig voorteeken in een gunstig licht beschouwt.
Eén ding, echter, schonk hem volmaakte voldoening, en dat was dat zijne beminde hare vrijheid herkregen had en zich nu bij eene dame bevond, bij wie zij zeker was op eene fatsoenlijke wijze behandeld te worden. Eene andere troostreden vond hij in de bedekte belofte, welke zij hem gedaan had, om nooit met eenigen anderen man in het huwelijk te treden; want, hoe belangeloos hij zich ook verbeeldde dat zijne liefde was, en niettegenstaande al de edelmoedige raadgevingen in zijn brief, twijfel ik zeer of hij ooit droeviger tijding had kunnen ontvangen dan die van Sophia’s huwelijk met wien ook, al had zij eene nog zoo groote partij gedaan, met de meeste waarschijnlijkheid er bij van eindelijk volmaakt gelukkig te zijn. Die verhevene soort van Platonische liefde, welke volstrekt niets vleeschelijks heeft, en werkelijk zuiver geestelijk is, blijft bij uitsluiting eene gave van het schoone geslacht, van hetwelk ik vele leden heb hooren verklaren, (zonder twijfel volmaakt naar waarheid!) dat zij altijd heel gereed zouden zijn om een minnaar aan eene harer mededingsters af te staan,—als het maar bleek dat een dergelijke afstand noodzakelijk ware voor de tijdelijke belangen van genoemden minnaar. Vandaar besluit ik, dat eene dergelijke liefde in de natuur bestaanbaar is, ofschoon ik niet voorgeven zal zelf er ooit een voorbeeld van te hebben gezien.
Nadat de heer Jones drie uren doorgebragt had met het lezen en het kussen van den brief van Sophia,—(want hij was eindelijk na overleg van de reeds opgesomde troostredenen, vrij opgeruimd geraakt) besloot hij eene reeds vroeger gemaakte afspraak ten uitvoer te brengen. Dit was om mejufvrouw Miller en hare jongste dochter naar de komedie te vergezellen, en den heer Partridge uit te noodigen mede van het gezelschap te zijn. Want daar Jones werkelijk dien humoristischen zin bezat, welken velen slechts veinzen te bezitten stelde, hij zich groot genot voor van de opmerkingen van Partridge, van wien hij die eenvoudige ingevingen der natuur verwachtte te vernemen, die hoewel niet door de kunst beschaafd, tevens niet door haar bedorven zijn.
De heer Jones, jufvrouw Miller, hare jongste dochter en Partridge namen dan plaats op de voorste bank van de eerste galerij. Partridge verklaarde dadelijk, dat het de schoonste plaats was, welke hij ooit bezocht had.
Zoodra de muzijk begon, zeide hij, dat het verbazend was dat zoovele muzijkanten tegelijk konden spelen, zonder elkaar in de war te brengen. En terwijl de knecht de bovenste kaarsen opstak, riep hij tot jufvrouw Miller uit: „Kijk eens daar, jufvrouw! Hij ziet er precies zoo uit als de vent op de prent die achter in het kerkboek staat, aan het hoofd voor de dienst voor de ontdekking van het buskruidverraad!” Hij kon ook niet nalaten, met een zucht op te merken toen, alle kaarsen opgestoken waren, „dat er op één avond genoeg van verbrand werden om eene arme familie een geheel jaar te voorzien.”
Zoodra het stuk, „Hamlet, Prins van Denemarken,” begon, was Partridge geheel aandacht, en hij brak het stilzwijgen ook niet af voor het optreden van den geest, toen hij Jones vroeg: „Wat dat toch voor ’n mensch was in die vreemde kleeding;—zoo iets,” zeide hij, „als ik wel eens op eene schilderij gezien heb?”
„Dat is de geest,” hernam Jones.
Hierop hernam Partridge met een glimlach: „Dat kunt gij mij niet wijs maken, mijnheer! Hoewel ik niet zeggen kan dat ik ooit van mijn leven een geest gezien heb, ben ik toch zeker dat ik er een kennen zou als ik hem zag. Neen, neen, mijnheer, de geesten komen niet zóó gekleed voor den dag!”
Men liet hem in deze dwaling (welke veel gelach veroorzaakte in zijne buurt), tot het tooneel tusschen Hamlet en den geest, waarin Partridge aan den heer Garrick het geloof schonk, dat hij aan Jones geweigerd had, en zoo hevig begon te sidderen, dat zijne knieën tegen elkaar sloegen.
Jones vroeg wat hem scheelde, en of hij bang was voor den krijgsman op het tooneel?
„O, mijnheer!” riep hij, „ik zie nu in dat gij gelijk hadt! Ik ben volstrekt niet bang; want ik weet dat het slechts komedie-spel is, en als het ook werkelijk een spook was, zou het op zulk een afstand geen kwaad kunnen,—onder zoovele menschen ook,—en toch als ik er bang voor was, zou ik niet de eenige zijn!”
„Wel!” vroeg Jones, „wien houdt gij hier voor zulk een lafaard als gij zijt?”
„Nu, gij moogt mij lafaard noemen, als gij verkiest; maar als die kleine man daar op het tooneel niet verschrikt is, dan heb ik van mijn leven geen bang mensch gezien! Ja, ja! ga maar heen? Ja, zeker! Als gij zoo gek zijt! Ga dan met hem mede? De hemel vergeve u de roekeloosheid! Gij verdient wat u overkome! U volgen? Ik zou even gaarne den Satan volgen! Ja, het is misschien de Satan zelf, want men zegt, dat hij elke gestalte, die hij wil, aannemen kan. O! Daar is hij weer! Geen stap verder! Neen! Gij zijt al ver genoeg geweest,—verder dan ik gegaan zou zijn om het heele koningrijk te krijgen!”
Jones wilde iets zeggen, maar Partridge smeekte: „Stil, stil toch, mijnheer, als het u belieft! Hoort gij hem niet?” En zoolang de geest sprak, zat hij met open mond beurtelings dezen en Hamlet aan te staren, wiens aandoeningen zich op zijn gelaat weêr spiegelden.
Toen het tooneel ten einde was, zeide Jones: „Wel, Partridge, gij overtreft mijne verwachting! Gij geniet het stuk meer dan ik mogelijk achtte.”
„Wel, mijnheer,” hernam Partridge, „als gij niet bang zijt voor den duivel, kan ik het niet helpen; maar ik zet het den beste om niet verstomd te staan over zoo iets, hoewel ik weet dat er niets in steekt;—het was ook niet de geest die me juist zoo trof, want ik zou wel geweten hebben dat het niets anders was dan een man in vreemde kleeding; maar hetgeen mij zoo aandeed, was toen ik dat mannetje daar zelf zoo verschrikt zag.”
„Gelooft gij werkelijk, Partridge,” riep Jones, „dat hij inderdaad bang was?”
„Wel, mijnheer,” hernam Partridge, „hebt gij niet zelf gezien, hoe, toen hij later ontdekte, dat het de geest van zijn vader was, en hoe die in zijn eigen tuin was vermoord geworden, de vrees hem langzamerhand verliet, en hij, als het ware, verstomde onder zijn leed,—juist zooals het mij gegaan zou zijn, als ik zoo iets ondervonden had?—Maar, stil! Hemel! Wat is dat voor een geraas? Daar is hij weder!—Nu, dat is waar! Al weet ik dat het maar gekheid is, ik ben toch blijde dat ik niet onder die menschen op het tooneel ben!” Daarop, de oogen op Hamlet vestigende, zeide hij: „Nu ja! Trek maar uw degen! Wat helpt een degen tegen de magt van den Satan?”
Onder het tweede bedrijf had Partridge weinig in te brengen. Hij bewonderde zeer de pracht der kostumes, en kon niet nalaten van des konings gelaatstrekken op te merken: „Wel, wel! Wat kan men zich in een gezigt vergissen? Ja! Nulla fides fronti! dat is zeker een waar woord! Wie zou denken, als hij dien koning daar in het gezigt ziet, dat hij een moordenaar is?”
Daarop vroeg hij weder naar den geest: maar Jones, die hem eene verrassing wenschte te bezorgen, gaf hem geene verdere opheldering, dan „dat hij hem welligt zou wederzien, door vlammen omgeven.”
Partridge zat hierop in angst te wachten, en eindelijk, toen de geest weder verscheen, riep hij: „Daar, mijnheer! Daar! Wat zegt gij nu? Is hij bang, of niet? Hij is even bang als ik—en het is waar: geen mensch kan het helpen als men hem een schrik aanjaagt. Maar ik zou in zulk een droevigen toestand niet willen zijn als waarin die mijnheer—hoe heet hij ook?—Hamlet, daar ginds, zich bevindt,—neen—om alles ter wereld niet! God zegene ons! Wat is er van den geest geworden? Zoo waar ik leef, ik verbeeldde me hem door den grond te zien zinken!”
„En ge hebt heel goed gezien,” hernam Jones.
„Wel, wel!” zei Partridge; „ik weet best, dat het enkel komediespel is, en als er iets ernstigs bij was, zou jufvrouw Miller niet zoo lagchen;—want, wat u betreft, mijnheer, ik geloof dat de duivel zelf, al verscheen hij hier ter plaatse, u niet bang zou maken!—Daar, daar! Het verwondert me volstrekt niet dat gij u zoo kwaad maakt! Schud die ellendige feeks maar fiks door elkaar! Als het mijne eigene moeder ware, zou ik haar op dezelfde wijze behandelen!—Want zij heeft door hare misdaden, alle aanspraken op den naam eener moeder verloren!—Ja,—pak je maar weg!—Ik ben blijde, dat gij henen gaat!”
Onze recensent bleef thans tamelijk stil tot de vertooning van het treurspel dat Hamlet voor den Koning doet opvoeren. In het begin, begreep hij er niets van, tot Jones het hem uitlegde; maar, zoodra hij het fijne van de zaak vatte, begon hij zich gelukkig te prijzen, dat hij zelf nooit een moord begaan had. Zich daarop tot jufvrouw Miller wendende, vroeg hij haar: „Of zij zich niet verbeeldde, dat de Koning aangedaan scheen,—hoewel,” voegde hij er bij, „hij heel goed speelt en zijn best doet om het te verbergen. Nu, ik zou zoo veel op mijn geweten niet willen hebben, als die vent daar, al kon ik daarvoor nog hooger komen te zitten dan hij!—Geen wonder dat hij wegliep;—neen, als ik aan hem denk, zal ik van mijn leven geen vertrouwen meer stellen in een onschuldig gezigt!”
Het tooneel op het kerkhof boeide daarop de aandacht van Partridge, die veel verbazing toonde over het groote aantal schedels, welke op het tooneel geworpen werden. Hierop hernam Jones, „dat dit eene der meest beroemde begraafplaatsen in de stad was.”
„Geen wonder dan,” hernam Partridge, „dat het hier spookt! Maar ik heb van mijn leven zoo’n onhandigen doodgraver niet gezien! Ik had er een onder me, toen ik koster was, die drie graven gemaakt zou hebben, tegen deze één. Die kerel gaat met de spade om alsof hij er nooit ééne in de hand gehad had. Ja, ja, laat hem maar zingen! Hij ziet er uit alsof hij meer houdt van zingen dan van werken!”
Zoodra Hamlet den schedel opnam, riep hij uit:
„Nu, ’t is toch vreemd te zien hoe onbevreesd sommige menschen zijn! Ik kan er nooit toe komen, om welke reden ook, om iets van een lijk aan te raken!—En toch, dunkt me, scheen hij bang genoeg toen de geest verscheen.—Nu: nemo omnibus horis sapit!”
Er gebeurde thans niets meer vermeldingwaardigs tot het einde van het stuk, toen Jones hem vroeg: „Wie van de tooneelspelers hem het best bevallen was?”
Hierop antwoordde hij, met eenigen schijn van verontwaardiging over de vraag: „Wel; zonder bedenking—de Koning!”
„Nu, mijnheer Partridge,” zei jufvrouw Miller, „gij denkt er anders over dan de meeste menschen. Want zij zijn het allen eens, dat de rol van Hamlet gespeeld wordt door den besten tooneelspeler, die ooit voor het publiek optrad.”
„Hij de beste tooneelspeler!” riep Partridge, met een minachtenden glimlach. „Wel! ik zou zelf even goed spelen als hij! Ik weet zeker dat als ik een spook zag, ik er precies zoo zou uitzien en even zoo doen als hij. En dan, ja, in dat tooneel, zoo als gij het noemt, met zijne moeder, waarin ge me zeidet dat hij zoo mooi speelde;—wel zoo waar ik leef!—iedereen,—dat is, ieder goed mensch, die zulk eene moeder had, zou juist gedaan hebben als hij. Ik weet wel dat gij mij slechts voor den gek houdt; maar, jufvrouw, ofschoon ik nu voor het eerst in eene Londensche komedie ben, heb ik toch dikwijls bij ons, buiten, zien spelen,—en de Koning is mijn man! Hij spreekt alle woorden duidelijk uit,—nog eens zoo hard als de anderen!—Iedereen ziet dat hij een tooneelspeler is!”
Terwijl jufvrouw Miller aldus met Partridge bezig was, naderde eene dame den heer Jones, in wie hij dadelijk mevrouw Fitzpatrick herkende.
Zij zeide dat zij hem van hare zitplaats gezien had, en de gelegenheid zocht om hem te spreken, daar zij hem iets te melden had, dat welligt van groot belang voor hem kon zijn. Zij vertelde hem verder waar zij woonde en maakte eene afspraak met hem voor den volgenden morgen;—maar, zich bedenkende, bestelde zij hem des namiddags, en Jones beloofde op het bepaalde uur bij haar te komen.
Hiermede was alles in de komedie afgeloopen, waar Partridge niet slechts Jones en jufvrouw Miller zeer vermaakt had, maar ook allen, die in zijne buurt zaten, en die meer luisterden naar zijne opmerkingen dan naar hetgeen er op het tooneel verhandeld werd.
Dien heelen nacht durfde hij, uit vrees voor den geest, niet naar bed gaan, en vele daarop volgende nachten had hij het uren achtereen zeer benaauwd, eer hij den slaap vatten kon,—terwijl hij meer dan eens met een plotselingen schrik wakker werd en uitgilde: „De hemel zij ons genadig! Daar is hij!”
HOOFDSTUK VI.
WAARIN DE GESCHIEDENIS IETS TERUG GAAT.
Het is bijna onmogelijk zelfs voor de beste der ouders om eene stipte onpartijdigheid in acht te nemen tegenover al hunne kinderen,—zelfs in gevallen waar geene meerdere verdiensten bij het een of ander kind hunne neiging doet overhellen;—maar waar eene dergelijke meerderheid bestaat, kan men moeijelijk de ouders berispen als ze daaraan de voorkeur schenken.
Daar ik alle personaadjes in deze geschiedenis als mijne kinderen beschouw, moet ik bekennen dat ik deze soort van partijdigheid koester ten opzigte van Sophia, en ik hoop dat de lezer bekennen zal, dat de groote voortreffelijkheid van haar karakter mijne voorliefde verontschuldigt.
Deze buitengewone liefde dan, welke ik voor mijne heldin koester, duldt nooit dat ik haar, zonder grooten tegenzin, voor één oogenblik verlaat. Ik zou dus thans met de meeste geestdrift aan het onderzoeken gaan van hetgeen dit beminnelijk schepsel overkomen is sedert zij de woning van haar vader verlaten heeft, ware het niet dat ik genoodzaakt ware eerst een kort bezoek bij den heer Blifil af te leggen.
De heer Western, in zijne eerste verwarring bij de onverwachte ontvangst van de tijding omtrent zijne dochter, en in zijne haast om haar te gaan opzoeken, had er niet eens aan gedacht om Blifil eenig berigt te zenden van de pas gedane ontdekking. Hij was echter niet heel ver gekomen, toen hij zich bezon, halt maakte bij de eerste herberg, welke hij bereikte, en Blifil van daar deed weten, dat hij Sophia gevonden had, en dat het zijn vast besluit was haar onmiddellijk met hem te doen trouwen, en dat hij dus maar dadelijk naar Londen moest komen.
Daar de liefde, welke Blifil tot Sophia koesterde, van dien vurigen aard was, dat niets dan het verlies van haar vermogen, of eenig ander dergelijk ongeluk, ze kon doen verkoelen, was zijn zin in het huwelijk volstrekt niet verminderd door hare ontvlugting, hoewel hij genoodzaakt was zich zelven te beschouwen als de oorzaak daarvan. Hij nam dus het aanbod van haar vader zeer gereedelijk aan. En inderdaad, hij stelde zich voor door dit huwelijk niet alleen aan zijne geldzucht, maar ook nog aan een anderen zeer geweldigen hartstogt te voldoen, namelijk, aan zijn haat;—want hij begreep dat het huwelijk evenzeer gelegenheid verschaft om aan haat als aan liefde bot te vieren,—en dit gevoelen wordt waarschijnlijk door de meerdere ondervinding zeer gesterkt. Om de waarheid te zeggen, als wij naar het gewone gedrag van gehuwden onderling oordeelen mogen, zullen wij er toe komen om te besluiten, dat de meesten alleen zoeken aan eerstgenoemden hartstogt te voldoen door de vereeniging van alles,—behalve hunne harten.
Blifil ontmoette echter één bezwaar,—en dit werd geopperd door den heer Allworthy. Toen die goede man, na het vertrek van Sophia (want men kon noch hare vlugt noch de aanleiding daartoe voor hem verbergen), den grooten afkeer leerde kennen, welken zij voor zijn neef koesterde, begon hij ernstig bevreesd te zijn, dat hij zich had laten verleiden om de zaken te ver te drijven. Hij deelde volstrekt niet het gevoelen van die vaders, die het even onnoodig achten om de neigingen hunner kinderen te raadplegen bij een huwelijk, als zich te rigten naar de wenschen hunner dienstboden als zij op reis gaan,—en die alleen door de wet, of de welvoegelijkheid belet worden om maatregelen van geweld te gebruiken. Integendeel;—daar hij het huwelijk beschouwde als eene zeer heilige instelling, achtte hij het noodig om alle mogelijke voorzorgen te nemen om het heilig en ongeschonden te doen blijven, en besloot, met de meeste wijsheid, dat men dit niet beter bewerken kon, dan door het te grondvesten op reeds bestaande neiging.
Het gelukte Blifil zeer spoedig om zijn oom het denkbeeld uit het hoofd te praten, dat men hem gefopt had, door met vele geloften en betuigingen te verklaren, dat hij zelf bedrogen was geworden,—en dit rijmde zeer goed met al wat Western verklaarde; maar om Allworthy thans over te halen om toe te stemmen, dat hij zou volhouden met zijn aanzoek, was eene schijnbaar zoo moeijelijke taak, dat ze een minder ondernemend genie afgeschrikt zou hebben;—deze jonge heer echter kende zijne eigene talenten zoo goed, dat niets wat door list te verkrijgen was, voor hem moeijelijk te bereiken scheen.
Hij begon dus met de hevigheid van zijne eigene liefde voor te stellen, en de hoop welke hij koesterde om door volharding den tegenzin der dame te overwinnen. Hij smeekte, dat in eene zaak, waarvan zijn toekomstig levensgeluk afhing, men hem ten minste de vrijheid zou laten, om alle eerlijke middelen aan te wenden. „De hemel verhoede,” zeide hij, „dat hij er ooit aan denken zou, om iets anders dan de meeste zachtheid aan te wenden! Bovendien, oom,” voegde hij er bij, „als dit mislukt, dan staat het u vrij,—en dat zou dan vroeg genoeg zijn,—om, van uw kant, uwe toestemming te weigeren.” Hij sprak ook van het vurige verlangen, waarmede de heer Western bezield was, om het huwelijk te zien sluiten, en eindelijk maakte hij krachtig gebruik van den naam van Jones, aan wien hij alles toeschreef wat er gebeurd was, terwijl hij beweerde dat de christelijke liefde allen moest aansporen, om de jonge dame tegen hem te beveiligen.
Al deze beweegredenen werden zeer goed ondersteund door Thwackum, die iets meer klem gaf aan het ouderlijke gezag, dan Blifil gedaan had. Hij schreef de maatregelen welke Blifil nemen wilde, geheel toe aan de christelijke liefde; „hoewel,” zeide hij, „de brave jongeling de christelijke liefde het laatst genoemd heeft, ben ik vast overtuigd, dat die zijne eerste en voornaamste beweegreden is.”
Als Square tegenwoordig ware geweest, zou hij misschien een dergelijk deuntje gezongen hebben, hoewel op een anderen toon, en zou hij heel veel „zedelijke gepastheid” ontdekt hebben in Blifils handelwijze;—maar hij was nu te Bath, tot herstel van gezondheid.
Allworthy gaf eindelijk, ofschoon niet zonder tegenzin, aan de wenschen van zijn neef toe. Hij zeide, dat hij hem naar Londen vergezellen zoude, waar het Blifil vrij zou staan alle eerlijke middelen te baat te nemen om de dame te winnen; „maar,” zeide hij, „ik verklaar, dat ik nooit er in zal toestemmen, dat men hare neigingen eenig geweld aandoe, en gij zult haar ook nooit nemen, zonder hare eigene, volmondige toestemming.”