Part 76
„Ik zeg u van neen!” schreeuwde hij. „Ik verlang niet anders dan u gelukkig te maken! Verd—, als er iets ter wereld is, dat ik niet zou willen doen om u gelukkig te maken!”
„En ontkent gij dan, beste vader, dat ik zelve eenig begrip heb van hetgeen me gelukkig zou maken? Als het waar is, dat het geluk slechts denkbeeldig is, wat zal dan niet mijn toestand zijn, als ik me houd voor het ongelukkigste wezen ter wereld?”
„’t Is beter dat ge u wat verbeeldt, dan dat ge het werkelijk zoudt worden, door met een kalen bastaard en landlooper te trouwen!” hernam hij.
„Als dat u bevredigen kan, vader,” zei Sophia, „dan geef ik u de plegtigste belofte om noch met hem noch met iemand anders te trouwen, zoo lang gij leeft, zonder uwe toestemming. Laat mij weder mijn geheele leven aan uwe dienst toewijden; laat me weder uwe kleine Sophia wezen, en ik zal mijn geluk en het geheele doel van mijn leven zoeken, even als vroeger, in het bevorderen van uw gemak en genoegen.”
„Hoor eens, Sophia,” hernam de landjonker, „ik laat me op die wijze niet foppen! Als ik dat deed, zou uwe tante Western gelijk hebben met mij voor een gek te houden! Neen, neen, Sophia, ge moest maar begrijpen dat ik te wijs ben en te veel van de wereld ken, om eene vrouw op haar woord te gelooven, als er een man in ’t spel komt.”
„Heb ik zulk een gebrek aan vertrouwen aan u verdiend, vader?” vroeg zij. „Heb ik ooit eene belofte jegens u geschonden? Hebt gij me ooit, van de wieg af, op eene onwaarheid betrapt?”
„Luister eens, Sophia,” hernam hij; „dat doet er volstrekt niets toe. Ik heb besloten, dat dit huwelijk doorgaan zal,—en nemen zult ge hem;—verd—, dat zult ge doen! Ik laat me doodslaan als ge het niet zult,—al verkiest ge u ook den volgenden morgen op te hangen!”
Hij herhaalde deze woorden, fronsde de wenkbraauwen, beet zich op de lippen, en bulderde hetgeen hij zeide met zulk eene verschrikkelijke stem, dat de arme, bedroefde en verschrikte Sophia, bevend op een stoel zeeg, en waarschijnlijk, als een vloed van tranen haar niet verligt had, in zwijm zou zijn gevallen.
Western zag den treurigen toestand zijner dochter met even weinig wroeging of medelijden als een cipier in de gevangenis de ellende eener ongelukkige vrouw waarneemt, die het laatste afscheid van haar man neemt,—of liever, hij bekeek haar met dezelfde gevoelens waarmede een eerlijke handelsman een schuldenaar voor een tiental pond sterling in de gevangenis ziet slepen, welke, hoe onbetwistbaar de schuld ook zij, de arme drommel slecht genoeg is niet te kunnen afbetalen. Of, om een beeld te gebruiken, dat meer overeenkomst heeft met de zaak in kwestie, hij gevoelde ongeveer dezelfde wroeging als eene houdster van een publiek huis, als het eene of andere onschuldige meisje, dat in hare handen gevallen is, het op de zenuwen krijgt als haar het eerst voorgesteld wordt, om, zoo als het heet, „gezelschap te ontvangen.” Inderdaad, zou de gelijkenis volmaakt zijn, ware het niet dat de houdster van zoo’n huis door eigenbaat gedreven ware, terwijl de vader, wat hij zich ook verbeelde, er geen baat in vinden kan, als hij zijne dochter tot eene bijna even erge prostitutie dwingt.
In dezen toestand verliet Western de arme Sophia, na eene zeer gemeene uitdrukking over de uitwerking der tranen, sloot de deur weer digt, en keerde bij den dominé terug, die alles zeide wat hij maar durfde in het belang der jonge dame,—wat, hoewel misschien niet geheel en al zoo veel als zijn pligt eischte, toch genoegzaam was om den landjonker in drift te doen ontbranden, en hem vele onbetamelijke uitdrukkingen af te persen over de geestelijkheid in het algemeen, voor welk eerbiedwaardig ligchaam wij eene te groote vereering koesteren, dan dat wij ons veroorloven zouden zijne woorden hier te herhalen.
HOOFDSTUK III.
HETGEEN SOPHIA BELEEFDE IN HARE GEVANGENSCHAP.
De vrouw van het huis waar de landjonker kamers gehuurd had, was al zeer spoedig begonnen met een vreemd denkbeeld van hare gasten op te vatten. Daar zij echter vernam dat de heer Western een groot vermogen bezat, en zorg had gedragen een zeer hoogen prijs voor hare kamers te vragen, achtte zij het niet gepast om hem op eenigerlei wijze lastig te vallen; want hoewel zij eenig medelijden gevoelde met Sophia in hare gevangenschap, wier liefheid en vriendelijkheid de werkmeid zoo geroemd had (terwijl al wat deze vertelde, door de dienstboden van den landjonker bevestigd werd), had zij te veel zorg voor hare eigene belangen, dan dat zij iemand, dien zij, zoo als zij zeide, „voor ’n vreesselijk driftig mensch hield” tergen zoude.
Hoewel nu Sophia slechts zeer weinig gebruikte werden haar hare maaltijden steeds geregeld gebragt, en werkelijk, als zij zin gekregen had in de eene of andere zeldzame lekkernij, twijfel ik niet dat de landjonker, hoe kwaad hij op haar was, noch geld noch moeite gespaard zou hebben om ze haar te verschaffen; want, hoe vreemd het ook luide voor sommige mijner lezers, was hij toch werkelijk verzot op zijne dochter, en het verschafte hem steeds het grootste genoegen ter wereld om haar het een of ander genot te verschaffen.
Toen nu het etensuur kwam, bragt haar de Zwarte George een kip naar boven, terwijl de landjonker zelf—die gezworen had den sleutel niet uit zijne handen te geven,—bij de deur de wacht hield. George zette den schotel op tafel en wisselde eenige beleefde woorden met Sophia,—want hij had haar niet gezien sedert zij van buiten gekomen waren, en zij behandelde alle dienstboden met meer beleefdheid dan sommige menschen betoonen zelfs aan diegenen, welke naauwelijks als hunne minderen beschouwd kunnen worden.
Sophia wilde nu hebben dat hij de kip weder meênemen zoude, daar zij verklaarde niets te kunnen gebruiken; maar George smeekte haar iets te nuttigen en vooral om de eijeren te proeven, waarmede, hij zeide, dat het hoen gevuld was.
Inmiddels bleef de landjonker aan de deur wachten;—maar George was een groote gunsteling van zijn meester, die hem de gewigtigste zaken toevertrouwde, namelijk de zorg voor het wild, en hij was gewoon om zich vele vrijheden aan te matigen. Hij had zich nu gedienstig aangeboden om het eten naar boven te brengen, daar hij verklaarde zeer verlangend te zijn om zijne jonge meesteresse te zien,—om welke reden hij ook niet schroomde om zijn heer meer dan tien minuten te laten wachten, terwijl hij zijne beleefdheden met Sophia wisselde, wat hem slechts een lagchend verwijt berokkende, toen hij eindelijk weer aan de deur verscheen.
George wist wel dat eijeren van kippen, patrijzen, fazanten enz., tot de meest geliefkoosde lekkernijen van Sophia behoorden. Het was dus niet te verwonderen dat hij, die een zeer goedhartig mensch was, zorg droeg haar van deze lievelingsgeregten te voorzien, op een tijdstip waarop alle dienstboden in huis vreesden dat zij van honger sterven zou; want zij had naauwelijks in de laatste zes en dertig uren iets gebruikt.
Hoewel nu het verdriet niet altijd dezelfde uitwerking heeft op alle menschen als het gewoonlijk heeft op de meeste weduwen, wier eetlust meer daardoor gescherpt wordt dan door de lucht op de duinen te Bansted, of op het plein van Salisbury,—kan ook de meest verheven smart niet beletten dat men toch eindelijk moet eten,—wat ook de menschen daartegen zeggen.
Sophia begon dus eindelijk, na eenige aarzeling, de kip te snijden, die ook, overeenkomstig hetgeen George gezegd had, met eijeren gevuld was.
Maar, als zij behagen schepte in de eijeren, was er nog iets in, dat het Koninklijke Instituut nog meer verrukt zou hebben; want als eene kip met drie pooten zulk eene kostbare zeldzaamheid blijft, terwijl er toch in den loop der eeuwen, duizend zulke vogels geboren zijn,—welke waarde moet men dan niet hechten aan een vogel, die zoo zeer zondigt tegen alle wetten der natuur, dat hij een brief draagt in zijn buik? Ovidius maakt melding van de bloem, waarin Hyacinthus herschapen werd, en die letters vertoont op hare bladeren, welke Virgilius als wonderen aanbeveelt aan het Koninklijke Instituut van zijn tijd; maar geene eeuw en geen volk heeft, tot dusver, ooit melding gemaakt van een vogel, die een brief had in zijn krop.
Maar hoewel een wonder van dezen aard welligt alle Académies des sciences in Europa met vruchtelooze onderzoekingen had kunnen bezig houden, zal de lezer, die zich het laatste gesprek herinnert tusschen de heeren Jones en Partridge, gemakkelijk begrijpen van wien die brief was en hoe hij in de maag van de kip geraakt was.
Sophia, niettegenstaande haar lang vasten, en hoewel haar geliefkoosd geregt vóór haar stond, greep den brief op, zoodra zij hem ontwaarde, rukte hem open en las als volgt:
„Mejufvrouw,
Als ik haar, aan wie ik de eer heb te schrijven, niet goed kende, zou ik trachten, hoe moeijelijk zulks mij ook viel, haar mijn verschrikkelijken angst te schilderen, bij het berigt mij door jufvrouw Honour gebragt. Daar echter de gevoeligheid alleen beseffen kan voor welke folteringen de gevoeligheid vatbaar is, zoo zal deze beminnelijke hoedanigheid, die mijne Sophia in den hoogsten graad bezit, haar voldoende inlichten omtrent hetgeen haar Jones bij deze droevige gelegenheid ondervonden moet hebben. Zou er eenige omstandigheid ter wereld zijn, die mijne kwellingen kon verhoogen bij het vernemen van eenig ongeluk dat u overkomen is? Ja, er is er ééne, en daaronder ga ik gebukt. Ze is, mijne Sophia, de verschrikkelijke bedenking, dat ik zelf de rampzalige aanleiding ben tot uw lijden.
„Welligt vermeet ik mij hierin te veel;—maar niemand zal mij eene eer benijden, die me zoo duur te staan komt. Vergeef me dus deze verwaandheid,—vergeef me ook als ik u vraag, of mijn raad, mijn bijstand, mijn bijzijn, mijne afwezigheid, mijn dood, of mijne folteringen, u eenige verligting kunnen bezorgen? Als de meest volmaakte bewondering, de meest waakzame oplettendheid, de vurigste liefde, de grootste teederheid, de meest volmaakte onderwerping aan uwen wil, u eenigzins vergoeden kunnen al wat gij om mijn geluk opoffert,—als ze dat kunnen, o, vlugt dan, mijn schoone engel, in die armen, welke steeds open blijven om u te ontvangen en om u te beschermen,—en of gij zelve alleen komt, of vergezeld door alle schatten der wereld, is iets waarover het, naar mijn gevoelen, niet de moeite waard is één oogenblik te denken. Zoo echter, integendeel, de wijsheid de overhand krijgt en gij inziet, na rijp beraad, dat de opoffering te groot zou zijn, en er geen andere uitweg overblijft om uw vader te verzoenen en om uwe zielerust te herstellen, dan door mij te verzaken, dan smeek ik u, mij voor altijd uit uwe gedachten te bannen,—uw moed op te roepen en niet te dulden dat eenig medelijden met mijne ellende uw teeder hart bezware.
„Geloof mij, Sophia, ik bemin u opregt meer dan mijzelven; en mijn hoofd- en eenig doel is uw geluk. Mijn voornaamste wensch was (en o waarom zou het noodlot de vervulling daarvan verijdelen?)—en vergun me te zeggen, die wensch is nog, om u als de gelukkigste der vrouwen steeds hij me te zien;—mijn eerste wensch daarna is te vernemen dat gij gelukkig zijt; maar geene ellende ter wereld is bij de mijne te vergelijken, zoo lang ik denken moet dat gij één ongelukkig oogenblik van uw leven te wijten hebt aan hem die eeuwig blijft,
Mejufvrouw,
in elke beteekenis van het woord en in alle opzigten,
uw getrouwe
Thomas Jones.”
Wat Sophia zeide, deed of dacht bij de ontvangst van dezen brief, en hoe dikwerf zij hem herlas,—dit alles moet zich de lezer verbeelden. Welligt zal hij later haar antwoord daarop zien; maar thans zal dit niet gebeuren, om de volgende reden (onder vele anderen), namelijk omdat zij nu geen antwoord schreef,—wat ook zijne oorzaken had,—ook, onder anderen, het volstrekte gemis van papier, pen en inkt.
’s Avonds, terwijl Sophia nog zat te denken over den brief welken zij ontvangen had, of over iets anders, werd zij in haar gepeins gestoord door een hevig rumoer beneden in huis. Dit was niets anders dan een hevige woordentwist tusschen twee menschen. Aan de stem herkende zij haren vader in den één, maar het duurde langer eer zij in de schelle klanken het orgaan van hare tante Western herkende, die pas in de stad aangekomen was en door een van hare dienstboden, die aan „de Zuilen van Herkules” aanlegde, vernomen hebbende, waar haar broeder zich bevond, dadelijk naar zijne woning gereden was. Wij zullen dus voor het oogenblik afscheid nemen van Sophia en met onze gewone hoffelijkheid onze opwachting maken bij hare tante.
HOOFDSTUK IV.
SOPHIA WORDT UIT DE GEVANGENSCHAP VERLOST.
De landjonker en de predikant (want de waard had andere bezigheden), rookten een pijpje zamen, toen de aankomst der dame aangekondigd werd. Zoodra de heer Western haar naam hoorde noemen, liep hij naar beneden, om haar de trap op te geleiden; want hij was zeer stipt in het waarnemen van al dergelijke plegtigheden, vooral tegenover zijne zuster, voor wie hij banger was dan voor eenig ander sterveling, hoewel hij zulks nooit bekennen wilde en het welligt niet eens zelf wist.
Zoodra mejufvrouw Western in de eetkamer trad, wierp zij zich op een stoel en hield de volgende aanspraak:
„Nu! Ik geloof werkelijk dat het onmogelijk is eene bezwaarlijker reis te bedenken dan ik nu gedaan heb! Ik geloof dat de straatwegen sedert de nieuwe wetten op de tollen hoe langer zoo slechter worden! Hemel! broeder hoe zijt gij in dit akelig huis geraakt? Ik ben overtuigd dat gij de eerste persoon van aanzien zijt, die er den voet in zet!”
„Daar weet ik niets van,” hernam de landjonker. „Ik verbeeld me dat de kamers goed genoeg zijn:—het was de waard, die ze me aanbeval. Ik dacht, dat daar hij bijna al de groote luî kende, hij best zou weten hoe mij onder hen te bergen.”
„En waar is mijne nicht?” vroeg de dame. „Hebt ge uwe opwachting nog niet gemaakt bij Lady Bellaston?”
„Ja wel,” hernam haar broeder; „en uwe nicht is veilig genoeg. Zij is boven op hare kamer.”
„Hoe!” riep de dame. „Mijne nicht hier in huis en zij weet niet eens dat ik aangekomen ben?”
„Neen,” antwoordde de landjonker; „want het is moeijelijk voor iemand om bij haar te komen! Zij zit achter slot. Ik heb haar veilig hier. Ik haalde haar van onze nicht, Milady, weg, den eersten avond van mijne aankomst, en ik heb zorg genoeg gedragen dat zij niet meer wegkwam, dat verzeker ik u! Zij zit vast, als een vos in de klem!”
„Goede hemel!” riep mejufvrouw Western; „wat moet ik vernemen! Ik dacht wel dat gij er een fraaije knoeiboel van zoudt maken, toen ik er in toestemde dat gij alleen naar de stad zoudt trekken! Maar neen;—dat was een gevolg van uwe eigene koppigheid en ik behoef me niet te verwijten, dat ik dat ooit goedkeurde! Hadt ge me niet beloofd, broeder, geene dergelijke onbezonnen maatregelen te nemen? Was het niet door dergelijke onberaden middelen dat ge uwe dochter er toe bragt om al eenmaal van u weg te loopen? Hebt ge lust haar te dwingen voor de tweede maal een dergelijken stap te doen?”
„Hemel en aarde!” bulderde de landjonker, zijne pijp wegsmijtende, dat ze in stukken vloog, „heeft men ooit iets dergelijks gehoord? Me zoo aangevallen te zien,—terwijl ik me verbeeldde dat ge me roemen zoudt voor al wat ik gedaan heb!”
„Hoe, broeder?” vroeg de dame; „heb ik u ooit de minste reden gegeven om te gelooven dat ik u roemen zou, omdat gij uwe dochter achter slot houdt? Heb ik u niet dikwerf verteld, dat de vrouwen in een vrij land, zich niet op die willekeurige wijze laten behandelen? Wij zijn even vrij als de mannen, en het spijt mij het te moeten zeggen maar waar is het, dat wij de vrijheid veel meer verdienen! Als gij verlangt dat ik nog één oogenblik in dit nare huis zal blijven, of dat ik u ooit als mijn broeder zal aanzien, of dat ik me ooit weder met uwe familiezaken bemoeijen zal,—dan eisch ik dat mijne nicht oogenblikkelijk in vrijheid gesteld worde!”
Zij sprak deze woorden op zulk een gebiedenden toon, terwijl zij vóór het vuur stond, met de eene hand achter den rug, en een snuifje in de andere, dat ik twijfel of Thalestris zelve aan het hoofd harer Amazonen, er ooit indrukwekkender uitzag. Geen wonder dus dat de arme landjonker niet bestand was tegen het ontzag dat zij inboezemde.
„Daar!” riep hij, den sleutel nederwerpende; „daar hebt ge den sleutel, en doe nu wat u goeddunkt! Ik wilde haar alleen achter slot houden tot Blifil hier is,—en dat zal niet lang meer duren, en nu, als er intusschen iets mis loopt, vergeet niet, dat ik er geen schuld aan heb!”
„Ik durf er met mijn leven voor in staan,” hernam mejufvrouw Western; „maar ik zal me met niets bemoeijen, tenzij onder ééne voorwaarde, en die is, dat gij alles geheel aan mijn bestuur overlaat, zonder van uw kant iets hoegenaamd te doen, dat u niet door mij bevolen wordt. Als gij deze preliminaire onderteekent, broeder, zal ik nog trachten de eer uwer familie te redden;—zoo niet, dan zal ik de stipste onzijdigheid in acht nemen.”
„Ik smeek u, waarde heer,” zei de dominé, „om deze vermaning van mejufvrouw uwe zuster niet in den wind te slaan. Misschien zal zij, door met jufvrouw Sophia te redeneren, meer gedaan krijgen dan u gegeven werd te verrigten door strengere maatregelen.”
„Hoe! begint gij ook te keffen?” riep de landjonker. „Als jij met jou praatjes aankomt, dan zal ik je met de zweep tot zwijgen brengen!”
„Foei, broeder!” riep de dame. „Is dat de taal die men gebruiken moet tegenover een predikant? De heer Supple is een verstandig mensch en geeft u gezonden raad, en ik geloof, dat de geheele wereld het met hem eens zou zijn;—maar, ik moet u herinneren dat ik onmiddellijk antwoord verlang op mijne kategorische voorstellen. Of, gij stelt uwe dochter onmiddellijk tot mijne beschikking, of, gij houdt haar geheel en al onder uw eigen verbazend wijs bestuur,—en als gij dat doet, dan, in tegenwoordigheid van mijnheer Supple, trek ik met mijne hulptroepen uit de plaats, en verloochen voortaan, in eeuwigheid, u en uwe familie!”
„Ik bid u, laat mij als bemiddelaar optreden!” riep de dominé; „laat me u smeeken toe te geven!”
„Wat drommel!” schreeuwde de landjonker; „daar ligt de sleutel al op tafel;—zij kan hem nemen zoodra zij maar verkiest;—wie belet haar?”
„Neen, broeder,” hernam de dame. „Ik sta op de formaliteit, dat de sleutel me overhandigd worde, en dat tevens al de gestelde voorwaarden door u aangenomen en bekrachtigd worden.”
„Goed dan! Ik zal je den sleutel geven!—Daar is hij!” riep de landjonker. „Ge weet ook heel goed, zuster, dat ge me niet beschuldigen kunt van mijne dochter ooit aan uwe zorgen onttrokken te hebben. Zij heeft wel een heel jaar—en langer,—onder uw dak gewoond, zonder dat ik haar in al dien tijd te zien kreeg.”
„En het zou haar tot geluk gestrekt hebben,” hernam de dame, „als zij altijd onder mijn dak gewoond had. Onder mijn oog ware er niets gebeurd van al wat nu voorgevallen is.”
„Ja, ja!” riep de heer Western, „natuurlijk ligt de geheele schuld aan mij!”
„Nu ja; dat is zoo, broeder,” hernam zij. „Ik heb het u al dikwerf moeten zeggen,—en zal het altijd nog moeten herhalen. Evenwel, hoop ik dat gij u nu beteren zult, en zoo veel ondervinding uit vroegere dwalingen zult opgedaan hebben, dat gij mijn wijs overleg niet door uwe onhandigheid verijdelt. Wezenlijk, broeder, gij zijt volstrekt niet geschikt voor dergelijke onderhandelingen. Uw geheel diplomatiek stelsel deugt niet! Ik moet nogmaals er op staan, ge u met niets bemoeit. Herinner u slechts het verledene—”
„Wat bl—!” bulderde de landjonker; „wat woûdt ge nu van mij hebben? Ge zoudt den Satan zelven helsch maken!”
„Daar!” hernam zij. „Precies als van ouds! Ik zie wel in, broeder, dat het tot niets leidt als men met u praten wil! Ik beroep me op mijnheer Supple, die een verstandig mensch is!—Heb ik nu iets gezegd om een redelijk wezen driftig te maken? Maar gij zijt, in alle opzigten, zoo koppig—”
„Mejufvrouw,” kwam de dominé tusschen beide; „laat me u smeeken, mijnheer niet boos te maken—”
„Boos maken!” riep de dame; „wel! Gij zijt een even groote gek als hij! Maar, broeder, daar gij mij beloofd hebt, u niet meer met de zaak te bemoeijen, zal ik voor dezen keer mijne nicht weder onder mijn bestuur nemen. De hemel beware alle zaken, die onder de leiding der mannen staan! Een vrouwenhoofd is duizend mannenhoofden waard!”
En met deze woorden verwijderde zij zich, met den sleutel in de hand, na een dienstbode geroepen te hebben om haar bij Sophia te brengen.
Zoodra zij de deur uit was,—welke de landjonker eerst voorzigtig achter haar digt deed, begon hij haar hartelijk uit te schelden en te verwenschen, terwijl hij zich zelven niet spaarde, omdat hij vergeten had steeds in het oog te houden, dat hij op hare nalatenschap rekende, en hij er bij voegde: „Nu ik zoo lang haar slaaf daarom geweest ben, zou het jammer zijn het geld te verliezen door niet wat langer te blijven volhouden. Die feeks kan toch niet in alle eeuwigheid blijven leven, en ik weet dat ik in haar testament tot erfgenaam benoemd ben.”
De dominé roemde zijn besluit zeer en de landjonker eene nieuwe flesch besteld hebbende, zoo als hij gewoonlijk deed, als hij bijzonder aangenaam of onaangenaam gestemd was, spoelde zijn toorn zoo volmaakt weg met dit kostelijk geneesmiddel, dat hij weder geheel in goede luim en bedaard was toen mejufvrouw Western met Sophia in de kamer trad. De jonge dame had hoed en mantel om, en de tante maakte den heer Western bekend, „dat zij voornemens was hare nicht mede te nemen naar hare kamers; „want, broeder,” zeide zij, „ge kunt werkelijk geen christenziel in dit huis ontvangen.”
„Best, zuster! Best!” hernam de landjonker. „Ga uw gang maar! Het meisje kan in geene betere handen zijn dan in de uwe, en de dominé hier zal me het regt doen te verklaren, dat ik in uwe afwezigheid wel honderdmaal gezegd heb dat gij de verstandigste vrouw ter wereld waart.”
„Ja,” riep de dominé, „dat kan ik werkelijk getuigen!”
„Wel, broeder,” antwoordde de dame, „zoo heb ik steeds ook over u gedacht. Gij moet bekennen dat ge iets te driftig van aard zijt; maar, als ge u den tijd gunt om te denken, heb ik nooit een man gekend die beter bij zijn verstand was.”
„Nu, als ge zóó denkt, zuster, drink ik op uwe gezondheid van ganscher harte!” riep de landjonker. „Ik ben wel soms wat driftig; maar wrok koester ik nooit. Sophia, wees gij maar een braaf kind en doe al wat uwe tante u beveelt.”
„Ik ben volstrekt niet bang voor haar,” hernam mejufvrouw Western. „Zij heeft er al een voorbeeld van gezien,—in het gedrag van die verachtelijke Henriette, hare nicht—wat er van komen moet als men mijn raad in den wind slaat. O, broeder! Ik moet u nog iets vertellen! Ge waart naauwelijks de deur uit om naar Londen te gaan toen,—wie denkt ge aankwam?—Wel niemand anders dan die onbeschofte vent,—met dien naren Ierschen naam,—hoe heet hij ook?—die Fitzpatrick! Hij drong zich bij me in, zonder zich te laten aanmelden, of ik zou hem niet ontvangen hebben! Hij rammelde door, met een lang onverstaanbaar verhaal over zijne vrouw, dat ik gedwongen was aan te hooren; maar ik gaf hem geen ander antwoord, dan door hem den brief zijner vrouw te overhandigen, welken ik hem verzocht zelf te beantwoorden. Ik vrees dat die ellendige haar best zal doen om bij ons te komen; maar ik moet u verzoeken haar niet te ontvangen;—want ik heb vast besloten haar niet te zien!”