Chapter 27 of 84 · 3998 words · ~20 min read

Part 27

„In vredes naam, jufvrouw,” hernam Honour, „bedenk maar dat als mijnheer een van al deze dingen mist, hij mij ter verantwoording zal roepen! Laat me u dus smeeken, uw horologie en uwe juweelen te bewaren. Bovendien, dunkt me, is er al geld genoeg, en wat dat betreft, daar behoeft mijnheer nooit iets van te weten.”

„Daar dan,” riep Sophia, „neem elken stuiver dien ik bezit; zoek hem dadelijk op en geef hem het geld! Ga, ga—zonder één oogenblik te verliezen!”

Met deze bevelen vertrok jufvrouw Honour en den Zwarten George beneden in huis vindende, gaf zij hem de beurs over, die zestien guinjes bevatte, Sophia’s geheelen schat; want hoewel haar vader zeer mild was ten haren opzigte, was zij veel te liefdadig om rijk te zijn.

De Zwarte George, met de beurs op zak, vertrok naar de herberg, maar, onderweg, kwam de gedachte bij hem op, om ook dit geld voor zich te houden. Zijn geweten echter schrikte bij deze ingeving, en begon hem zijne ondankbaarheid jegens zijn weldoener te wijten. Hierop antwoordde zijne hebzucht: „Dat zijn geweten vroeger had moeten wakker worden, toen hij den armen Jones van zijn vijfhonderd pond sterling beroofde. Dat eenmaal berust hebbende in eene zaak van groot belang, het bespottelijk, zoo niet huichelachtig was, om eenige bezwaren te gevoelen over zulk eene kleinigheid.”

Waarop het geweten, als een goed advokaat, het verschil trachtte aan te toonen tusschen een bepaald misbruik van vertrouwen, als in dit geval, waar de waarden werkelijk hem in handen gegeven werden, en eene bloote geheimhouding van hetgeen gevonden was, als in het eerste geval. De hebzucht spotte weldra hierover, noemde het een onderscheid dat denkbeeldig was, en stond er bepaaldelijk op, dat als men eens alle aanspraken op eer en deugd liet varen, er geen antecedent bestond, waarom men ze later weder huldigen zou. Met een woord, het arme geweten zou zeker het onderspit gedolven hebben, zoo de vrees het niet ter hulpe gekomen ware, en zeer sterk er op aangedrongen had, dat het verschil in deze twee gevallen niet bestond tusschen de verschillende trappen van eerlijkheid, maar wel tusschen de twee graden van veiligheid; want dat het verbergen van de vijfhonderd pond sterling niet gewaagd was, terwijl het verduisteren van de zestien guinjes groot gevaar liep van ontdekt te worden.

Door de vriendelijke hulp der vrees zegevierde dus het geweten in het hart van den Zwarten George, en na hem eenige complimenten gemaakt te hebben over zijne eerlijkheid, noopte het hem het geld aan Jones te overhandigen.

HOOFDSTUK XIV.

EEN KORT HOOFDSTUK, BEVATTENDE EEN KORT GESPREK TUSSCHEN DEN HEER WESTERN EN ZIJNE ZUSTER.

Mejufvrouw Western was dien heelen dag uit geweest. De landjonker ontmoette haar bij hare tehuiskomst en toen zij naar Sophia vroeg, vertelde hij haar dat hij haar veilig bezorgd had.

„Zij is op hare kamer opgesloten,” riep hij, „en Honour heeft den sleutel in bewaring.”

Daar hij de meeste wijsheid en schranderheid in zijne blikken toonde toen hij zijne zuster dit meldde, is het waarschijnlijk dat hij grooten lof dacht in te oogsten voor hetgeen hij gedaan had; maar, hoe werd hij niet teleurgesteld, toen zij met minachting uitriep:

„Wel, broeder! Gij zijt zeker de zwakste der stervelingen! Waarom moet gij tusschenbeide komen? Gij hebt alles verijdeld, dat ik me nu vergeefsche moeite gegeven heb gedaan te krijgen! Terwijl ik gestreefd heb haar de echte voorzigtigheid te leeren, tergt gij haar om die te verwaarloozen! De Engelsche vrouwen zijn, Goddank, geene slavinnen! Wij laten ons niet opsluiten als Spaansche en Italiaansche echtgenooten. Wij laten ons alleen door rede en overtuiging leiden en niet door geweld beheerschen. Ik heb de wereld gezien, broeder, en weet welke bewijsgronden men gebruiken moet; en als gij, met uwe dwaasheid, mij niet belet hadt, zou ik haar overgehaald hebben haar gedrag te regelen volgens die voorschriften der voorzigtigheid en wijsheid, welke ik haar vroeger ingeprent heb.”

„O ja!” riep de landjonker; „ik moet natuurlijk altijd ongelijk hebben!”

„Broeder,” hernam de dame, „ge hebt alleen ongelijk als gij u bemoeit met dingen die uwe kennis te boven gaan. Ge moet bekennen, dat ik meer van de wereld weet dan gij, en het zou gelukkig voor mijne nicht geweest zijn als zij nooit aan mijne leiding onttrokken ware geweest. Het is door te huis te blijven, bij u, dat zij romantische begrippen van liefde en allerlei gekheid opgedaan heeft.”

„Gij verbeeldt u toch niet, hoop ik,” riep de landjonker, „dat zij iets van dien aard van mij geleerd heeft?”

„Broeder,” hernam zij, „uwe onwetendheid, zooals de groote Milton zegt, gaat mijn geduld bijna te boven.”

„De drommel hale Milton!” riep Western. „Als hij de onbeschoftheid had mij zoo iets in het gezigt te zeggen, zou ik hem een klap om de ooren geven, hoe groot een man hij ook zij! Geduld! Als gij daarvan praat, zuster, ik heb meer geduld noodig dan gij, om mij zoo als een groote schooljongen te laten behandelen! Gelooft ge dat een mensch die niet aan ’t hof geweest is, zijn verstand niet heeft? Wel ja! De wereld is er waarlijk naar aan toe, als wij allen dwazen zijn, behalve de rondhoofden en de Hannoverschgezinden! De drommel! Ik hoop dat de tijd spoedig daar zal zijn waarop wij dat heele boeltje met een langen neus zullen laten loopen en ieder het zijne zal hebben! Ja, zuster, dat ieder het zijne zal krijgen! Dat hoop ik te beleven, zuster, eer die Hannoversche rotten al ons graan opgevreten hebben en ons niets dan knollen overlaten om er van te eten!”

„Ik moet verklaren, broeder,” riep zij, „dat gij nu te hoog vliegt voor mij. Al wat gij door elkaar praat van Hannoversche rotten en knollen is volmaakt onverstaanbaar voor mij.”

„Ik wil wel gelooven,” zeide hij, „dat gij er niet gaarne van hoort spreken:—maar in weerwil daarvan, zal misschien het land toch gered worden.”

„Ik wilde liever,” hernam de dame, „dat gij aan de redding uwer dochter dacht; want geloof me, zij loopt grooter gevaar dan het vaderland!”

„Straks,” hernam hij, „waart gij boos omdat ik aan haar dacht, en wildet hebben dat ik haar aan u overliet.”

„En als gij beloven wilt,” hernam zij, „om niet meer tusschenbeide te komen, zal ik, uit liefde tot mijne nicht, haar onder mijne hoede nemen.”

„Nu, dat zij zoo! Ga uw gang maar!” antwoordde de landjonker; „ge weet wel, dat ik altijd van gevoelen was, dat de vrouwen elkaar best in orde weten te houden.”

Mejufvrouw Western verwijderde zich nu, iets minachtends voor zich heen mompelende over de vrouwen en over het bestuur van het vaderland. Zij begaf zich onmiddellijk na Sophia’s kamer, die nu, na een dag gevangenschap, weder in vrijheid gesteld werd.

EINDE VAN HET EERSTE DEEL.

HENRY FIELDING.

TOM JONES, OF DE LOTGEVALLEN VAN EEN VONDELING.

UIT HET ENGELSCH VERTAALD DOOR DR. M. P. LINDO.

Tweede Deel.

HAARLEM, A. C. KRUSEMAN. 1862.

TOM JONES, DE GESCHIEDENIS VAN EEN VONDELING.

BOEK VII.

Drie dagen.

HOOFDSTUK I.

EENE VERGELIJKING TUSSCHEN DE WERELD EN EEN SCHOUWTOONEEL.

Men heeft dikwerf deze wereld bij een schouwtooneel vergeleken, en vele ernstige schrijvers, zoowel als vele dichters, hebben het menschelijke leven als een groot drama beschouwd, bijna in alle bijzonderheden gelijkende op die tooneelvoorstellingen welke, naar men zegt, Thespis het eerst uitvond, en die sedert zoo veel goedkeuring en toejuiching verworven hebben in alle beschaafde landen.

Dit denkbeeld wordt zoo ver gedreven en is zoo algemeen geworden, dat eenige uitdrukkingen aan het tooneel eigen, en die eerst slechts in beeldspraak op de wereld toegepast werden, uit gewoonte, zonder onderscheid van beide gebezigd worden;—dus wordt, bij voorbeeld, „het tooneel” evenveel gebruikt van het leven in het algemeen, als van dramatische voorstellingen in het bijzonder, en als men van „achter de schermen” spreekt, denkt men eerder aan het ministerie, dan aan den schouwburg.

Het moge gemakkelijk genoeg schijnen om dit alles te verklaren door de beschouwing dat het drama niets anders is dan eene voorstelling, of gelijk Aristoteles het noemt, eene navolging van hetgeen werkelijk bestaat, en daarom moesten wij welligt een welverdiend compliment maken aan diegenen, die door hunne geschriften of handelingen het leven zoo hebben weten na te doen, dat hunne schilderijen, als het ware, met de oorspronkelijken daarvan verward,—of zelfs daarvoor gehouden worden.

Maar, om de waarheid te zeggen, houden wij er niet van om die menschen,—die wij dikwijls behandelen als de kinderen hun speelgoed,—complimenten te maken; en scheppen er veel meer behagen in om hen uit te fluiten en voor de borst te stooten, dan om hunne talenten te bewonderen. Er zijn vele andere redenen, die ons er toe gebragt hebben om deze overeenkomst in te zien tusschen de wereld en het tooneel.

Sommigen hebben het grootste gedeelte der menschheid beschouwd als tooneelspelers, die rollen spelen, welke hun evenmin wezenlijk toekomen, als den acteur, die er niet ernstig om denkt door te gaan voor den Koning of den Keizer, dien hij voorstelt. Zoo kan men zeggen dat de huichelaar een acteur is,—en inderdaad, de Grieken gaven beiden dezelfde benaming.

De kortheid van dit leven heeft ook tot deze vergelijking aanleiding gegeven. De onsterfelijke Shakespeare zegt:

„Het leven is een arm acteur—niets meer! Hij treedt met trotschheid op, hij stampvoet, raast en brult, En is zijn rol, ’t zij goed of slecht, vervuld, Dan treedt hij af en keert niet weer.”

Welke overbekende aanhaling ik den lezer vergoeden zal door eene zeer schoone, welke, naar ik meen, slechts weinigen kennen. Het is uit een gedicht, de Godheid genoemd, omstreeks negen jaren geleden uitgegeven, en sedert lang vergeten; wat een bewijs oplevert dat goede boeken, evenmin als goede menschen, altijd de slechten overleven.

„De bron van ’s menschen daden is bij God, De bloei der rijken en de val der vorsten. Sla uwen blik op ’s werelds schouwtooneel En op de helden, die zich daar bewegen, En op de groepen, die elkander volgen. Hier zegepraal, dáár kerker en schavot! Elk speelt de rol, die Gij, o Heer, hem geeft; Gij leidt der menschen daden naar Uw doel: Zij schitteren één oogenblik in ’t licht, En als gij wenkt, verdwijnen zij als nevels, En van hun aanzijn blijft geen ander spoor, Dan één herinnringswoord: „’t Is al voorbij!””

In al deze, en in alle overige vergelijkingen van het leven met het tooneel, heeft men echter de overeenkomst altijd op het tooneel zelf gezocht. Niemand, voor zoover ik me herinner, heeft ooit acht geslagen op de toeschouwers van het groote drama.

Daar echter de natuur dikwerf sommige harer schoonste voorstellingen aan een heel groot gehoor geeft, zoo laat het gedrag der toeschouwers bovengemelde vergelijking toe, even goed als dat der tooneelspelers.

In den grooten schouwburg des Tijds zitten de vriend en de recensent; daar hoort men in de handen klappen en applaudisseren, fluiten en uitjouwen, in een woord, al wat men ooit in den grooten schouwburg beleefd heeft.

Laat ons één voorbeeld daarvan nagaan: bij voorbeeld het gedrag der talrijke toehoorders bij het tooneel, dat de natuur goedvond te vertoonen in het twaalfde hoofdstuk van het vorige boek, waar zij den Zwarten George voorstelde, die met de vijfhonderd pond sterling van zijn vriend en weldoener op den loop ging.

Diegenen, die in de bovenste galerij der wereld zaten, behandelden die gebeurtenis, daar ben ik van overtuigd, met hunne gewone luidruchtigheid, en men hoorde stellig bij die gelegenheid allerlei leelijke scheldwoorden uitbraken. Indien wij nederdaalden tot de toeschouwers onmiddellijk onder dezen, zouden wij evenveel afschuw onder hen gevonden hebben, met minder luidruchtigheid en scheldwoorden:—maar de vrouwen hier zullen den Zwarten George naar den drommel gewenscht hebben en sommige harer wachtten ieder oogenblik dat de Satan hem zoude halen.

In het parterre was men, zonder twijfel, als gewoonlijk verdeeld. Diegenen, die zich verheugen over de heldhaftige deugd en een volmaakt karakter, waren er tegen, dat men zulke staaltjes van schurkerij zou geven, zonder ze zeer streng te straffen, tot voorbeeld voor anderen.—Eenige vrienden van den schrijver riepen uit: „’t Is waar, mijne heeren, dat die vent een schurk is;—maar desniettemin is hij naar de natuur geteekend.” En alle jonge recensenten van deze eeuw, de klerken, leerjongens enz., noemden het gemeen en begonnen te fluiten.

Wat de loges aangaat, die gedroegen zich met de gewone beleefdheid. De meesten daar letten op iets anders. Eenige weinigen, die naar het tooneel keken, verklaarden dat de Zwarte George zeker een slecht soort van mensch was, terwijl anderen weigerden eene meening te uiten, tot zij die van de meest bevoegde beoordeelaren gehoord hadden.

Wij echter, die achter de schermen komen van dit groote tooneel der natuur,—en een schrijver die daar niet toegelaten wordt, moest nooit iets anders dan woordenboeken en leesboekjes schrijven,—kunnen de handeling berispen, zonder bepaaldelijk den bedrijver te verfoeijen, dien de natuur welligt niet bestemde om eene slechte rol in al hare drama’s te spelen; want, in dit geval, lijkt het leven nog meer op het tooneel, daar men er dikwerf denzelfden persoon de rol van held en van schelm ziet vervullen, en hij, die heden uwe bewondering opwekt, welligt morgen het voorwerp wordt uwer minachting. Even als Garrick, dien ik in het treurspel voor het grootste genie houd dat ooit geschapen werd, zich soms verwaardigt als nar op te treden,—zoo deden ook, volgens Horatius, Scipio de Groote, en Laelius de Wijze, vele eeuwen geleden;—Cicero zegt zelfs, dat zij „oneindig kinderachtig waren.” ’t Is waar dat dezen voor gek speelden, even als mijn vriend Garrick, alleen om de aardigheid; maar vele groote mannen hebben in talrijke gevallen, in goeden ernst zich heel gek aangesteld,—zoodat het eene twijfelachtige zaak was, of hunne wijsheid of hunne dwaasheid de overhand had; of dat zij meer regt hadden op de goedkeuring of op de berisping, op de bewondering of op de verachting, op de liefde of op den haat der menschheid.

Diegenen inderdaad, die eenigen langen tijd gesleten hebben achter de schermen van dit groote tooneel, en die goed op de hoogte zijn, niet slechts van de verschillende vermommingen daar in gebruik, maar ook van de fantastische en grillige handelingen der hartstogten, die de regisseurs en directeurs zijn van dit tooneel (want wat de rede aangaat, de ondernemer, die is, zoo als ieder weet, zeer lui en spant zich zelden in), zullen zeer waarschijnlijk geleerd hebben het bekende nil admirari van Horatius te verstaan,—en over niets meer verbaasd staan.

Eene enkele slechte daad maakt evenmin tot een schurk in dit leven, als eene enkele slechte rol op het tooneel. De driften, even als de tooneeldirecteuren, dwingen dikwerf de menschen rollen op zich te nemen, zonder hun verstand te raadplegen en soms zonder aanzien voor hunne talenten.

Dus kan de mensch soms, even als de tooneelspeler, de rol afkeuren waarin hij optreedt;—ja, het is niets ongewoons om de ondeugd sommige menschen even lastig te zien vallen, als het karakter van Jago een grappenmaker misstaan zou.

Over het geheel dan is de eerlijke en verstandige man nooit overhaast in het veroordeelen. Hij kan eene onvolmaaktheid afkeuren, of zelfs eene ondeugd, zonder woedend te worden op den schuldige. Met één woord, het zijn dezelfde dwaasheid, dezelfde lompheid, dezelfde kwaadwilligheid, die al de klagten en onlusten in het leven veroorzaken als op het tooneel. De slechtste menschen hebben gewoonlijk de woorden „schelm en schurk” op de lippen en het zijn ook de gemeenste ellendelingen, die in het parterre over het gemeen uitvaren.

HOOFDSTUK II.

BEVATTENDE EEN GESCHIL VAN DEN HEER JONES MET ZICH ZELVEN.

Jones ontving bij tijds den volgenden morgen zijne zaken van den heer Allworthy, met onderstaand antwoord op zijn brief:

„Mijnheer,

Het is op bevel van mijn oom dat ik u moet mededeelen, dat, daar hij eerst na rijp overleg en na de overtuigendste blijken uwer onwaardigheid, tot die maatregelen overgegaan is, welke hij ten uwen opzigte genomen heeft, het steeds buiten uwe magt zal zijn hem in het minst van zijn besluit af te brengen. Hij drukt de meeste verbazing uit over uwe vermetelheid, als gij het waagt te zeggen, dat gij alle aanspraken opgeeft op eene jonge dame, op wie het onmogelijk is dat gij ooit eenige aanspraak kondt maken, daar zij, wat geboorte en vermogen betreft, zoo oneindig ver boven u verheven is.

Eindelijk, beveelt mij mijn oom u te melden, dat het eenige blijk van uwe gehoorzaamheid aan zijne wenschen, dat hij eischt, is, dat gij hoe eerder hoe liever deze omstreken verlaat.

Ik kan dezen brief niet sluiten, zonder de Christelijke raadgeving, dat gij er ernstig op bedacht moogt wezen om uw levenswandel te verbeteren, en dat de Goddelijke Genade u hierin moge bijstaan, zal steeds bidden

Uw gehoorzame dienaar,

W. Blifil.”

Vele tegenstrijdige gevoelens werden door dezen brief in het hart van onzen held opgewekt; maar eindelijk kreeg de teederheid de bovenhand boven zijne verontwaardiging en toorn, en een stortvloed van tranen kwam tijdig ter zijner verligting en belette welligt dat zijne rampen hem tot waanzin bragten, of hem het hart braken.

Hij begon zich echter weldra te schamen over zijne zwakheid, en opspringende, riep hij uit:

„Goed dan! Ik zal den heer Allworthy het eenige blijk van mijne gehoorzaamheid geven, dat hij eischt. Ik zal op dit oogenblik heengaan;—maar waarheen? Dat moge het lot beslissen! Daar er niemand is, die er om geeft wat er van mijn ellendige persoon wordt, zal ik zelf even onverschillig zijn. Zou ik alleen iets over hebben voor iemand, dien niemand anders,——maar, heb ik geene reden te denken dat er iemand anders is? Iemand, die mij meer waard is dan de geheele wereld! Ik mag, ik moet gelooven, dat mijne Sophia niet onverschillig is omtrent mijn lot. Zal ik dan die eenige vriendin verlaten? En zulk eene vriendin! Moet ik niet bij haar blijven? Maar waar? Hoe kan ik bij haar blijven? Heb ik eenige hoop om haar ooit weer te zien,—al verlangde zij dat zelve evenzeer als ik,—zonder haar aan de woede van haren vader bloot te stellen? En waartoe? Zou ik er aan denken kunnen haar tot haar eigen ongeluk over te halen? Zou ik tot zulk een prijs aan mijne hartstogten botvieren? Zal ik als een dief hier rondsluipen, met dergelijke voornemens bezield? Neen, ik versmaad, ik veracht die gedachte! Vaarwel, Sophia, vaarwel, gij schoone, gij beminde—”

Hier smoorde de aandoening zijne woorden en gaf zich lucht in tranen.

En thans, na besloten te hebben die streken te verlaten, begon hij te overleggen waarheen hij zich begeven zoude. „De wereld,” gelijk Milton zegt, „lag voor hem open,” en Jones, evenmin als Adam, had iemand tot wien hij zich om raad of ondersteuning kon wenden. Al zijne kennissen waren vrienden van den heer Allworthy en hij had geene reden om eenige hulp van hen te verwachten, nu die heer hem van zijne gunst beroofd had. Mannen van een groot en goed karakter moeten zeer voorzigtig zijn in het wegjagen hunner afhangelingen;—want het gevolg daarvan is, dat zij ook door anderen weggejaagd worden.

Het was een tweede punt van overweging, welke levenswijze hij leiden moest, of op welk beroep hij zich toeleggen zou,—en ten dien opzigte was het vooruitzigt allertreurigst. Elk beroep en elk handwerk eischt veel tijd eer men het uitoefenen kan, en wat nog erger is, ook geld; want de zaken zijn zoo ingerigt, dat het even waar is in de staathuishoudkunde als in de natuurkunde, dat, „uit niets, niets komt,”—en iedereen die geheel en al van geld ontbloot is, is ook, om die reden, geheel uitgesloten van alle middelen om het te verkrijgen.

Eindelijk opende de oneindige zee, die gastvrije vriendin der ongelukkigen, de ruime armen om hem te ontvangen, en hij verklaarde zich dadelijk gereed hare uitnoodiging aan te nemen. Zonder beeldspraak: hij besloot om zeeman te worden.

Naauwelijks, inderdaad, kwam die gedachte bij hem op, of hij omhelsde ze driftig en spoedig paarden gehuurd hebbende, vertrok hij naar Bristol, om ze ten uitvoer te brengen.

Eer wij hem echter op dezen togt vergezellen, moeten wij weder het huis van den heer Western bezoeken, om te zien wat er verder gebeurde met de bekoorlijke Sophia.

HOOFDSTUK III.

BEVATTENDE VERSCHEIDENE GESPREKKEN.

Den morgen van het vertrek van den heer Jones, riep mejufvrouw Western Sophia op hare kamer, en na haar eerst gemeld te hebben, dat zij haar vader overgehaald had haar weder in vrijheid te stellen, begon zij met haar eene lange les te lezen over het huwelijk, hetwelk zij volstrekt niet beschouwde als eene romantische liefde-zaak, gelijk de dichters het beschrijven; zij sprak ook niet van eenige van die doeleinden van het huwelijk, volgens welke de godgeleerden het ons leeren aanzien als eene goddelijke instelling; maar zij behandelde het veeleer als eene geldbelegging, waarin voorzigtige vrouwen haar vermogen met het meeste voordeel uitzetten, om zoodoende grootere renten te trekken dan anders het geval zou wezen.

Zoodra jufvrouw Western gedaan had, hernam Sophia, „dat zij buiten staat was te redeneren tegen eene dame die zoo veel kennis en ondervinding bezat als hare tante, vooral over een onderwerp als het huwelijk, waarover zij zoo weinig nagedacht had.”

„Tegen mij redeneren, kind!” hernam de andere; „neen, dat had ik niet verwacht! Ik zou waarlijk weinig nut van mijne wereldkennis hebben, als ik niet tegen iemand van uw leeftijd bestand was. Ik heb me al die moeite gegeven, alleen om u te believen. De oude wijsgeeren, zoo als Socrates, Alcibiades en anderen, plagten niet met hunne leerlingen te redeneren. Gij moet mij beschouwen, kind, als een Socrates, die niet naar uw gevoelen vraagt, maar u alleen het mijne mededeelt.”

Uit welke woorden de lezer welligt opmaken zal, dat de dame niet meer van de wijsbegeerte van Socrates dan van Alcibiades wist,—en inderdaad, wij kunnen hem op dit punt moeijelijk tegenspreken.

„Tante,” riep Sophia, „ik heb nooit gewaagd uw gevoelen tegen te spreken, en over dit onderwerp, gelijk ik straks zeide, heb ik nooit nagedacht, en zal dit welligt ook nooit doen.”

„Wezenlijk, Sophia,” hernam hare tante, „het is zeer dwaas aldus tegenover mij te veinzen. De Franschen zullen me even gemakkelijk overtuigen, dat zij er op uit zijn in den vreemde steden te veroveren, alleen uit zelfverdediging, als gij me kunt wijs maken, dat gij nooit ernstig over het huwelijk nagedacht hebt. Hoe kunt gij, kind, volhouden met te loochenen dat gij ooit aan eene dergelijke verbindtenis gedacht hebt, terwijl ge zeer goed weet, dat mij de persoon best bekend is, met wien ge u hebt willen vereenigen? Dat zou echter eene verbindtenis zijn, die even onnatuurlijk en in strijd met uwe belangen ware, als een afzonderlijk verbond van de Hollanders met de Franschen in hun nadeel zou wezen! Als gij echter nog niet rijpelijk over deze zaak nagedacht hebt, dan zeg ik u, dat het hoog tijd wordt dat gij dat doet; want mijn broeder heeft vast besloten de zaak met den heer Blifil zijn beslag te geven,—en ik zelve heb me eenigzins verantwoordelijk gesteld en uwe toestemming beloofd.”

„Wezenlijk, tante,” riep Sophia, „dit is het eenige geval waarin ik u en mijn vader niet gehoorzamen kan. Want het eischt slechts weinig overleg van mijn kant om dit huwelijk af te slaan.”

„Als ik niet even wijsgeerig was als Socrates zelf,” hernam hare tante, „zoudt ge mijn geduld uitputten. Wat ter wereld, kunt gij tegen den heer Blifil inbrengen?”

„Naar mijn gevoelen, een zeer degelijk iets,” antwoordde Sophia,—„ik haat hem!”

„Zult ge nooit leeren eene gepaste keuze van woorden te doen?” riep hare tante. „Wezenlijk, kind, ge moet Bailey’s woordenboek gebruiken. Het is onmogelijk dat ge iemand haten zoudt, die u nooit iets kwaads gedaan heeft. Met „haat” bedoelt ge dus niets dan afkeer, wat hoegenaamd geen bezwaar oplevert om te trouwen. Ik heb menig paar menschen gekend, die een grooten afkeer van elkaar hadden, en die toch een zeer gemakkelijk, fatsoenlijk leven leidden. Geloof me, kind, die dingen ken ik beter dan gij. Ge zult toch, denk ik, wel willen bekennen, dat ik de wereld van nabij gezien heb, en ik heb er geen eene kennis, die niet liever had, dat men dacht dat zij een afkeer van haar echtgenoot had dan andersom. Het tegendeel van dit is zulk ouderwetsche, romantische onzin, dat het akelig is zelfs er aan te denken.”