Part 2
Misschien zal de lezer dit gedrag verklaren uit hare inschikkelijkheid voor den heer Allworthy, als wij zeggen, dat de goede man zijn verhaal eindigde met zijn besluit te kennen te geven om voor het kind te zorgen, en het als zijn eigen zoon op te voeden;—want, waar is het, dat zij altijd gereed was haren broeder van dienst te zijn, en hem zelden of nooit tegensprak;—hoewel zij soms eenige aanmerkingen deed hooren;—bij voorbeeld, dat alle mannen koppig waren, en hun eigen zin wilden hebben, en dat zij wenschte dat zij gezegend ware geweest met een onafhankelijk vermogen;—maar dit alles werd zeer zachtjes gezegd, en kon, op zijn best pruttelen genoemd worden.
Maar al hetgeen zij het kind spaarde, schonk zij des te ruimer aan de arme onbekende moeder, die zij eene onbeschaamde slet, eene gewetenlooze heks, eene gemeene feeks, eene leelijke straatloopster noemde,—die zij in één woord geen enkele dier scheldnamen kwijdschold, waarmede de deugd nooit verzuimt diegenen te geesselen, die het schoone geslacht tot schande strekken.
Wijders werd er een raad belegd, over wat men doen moest, om de moeder te ontdekken. Eerst werd er een onderzoek ingesteld omtrent het karakter van al de vrouwelijke dienstboden in huis, die allen, en schijnbaar zeer billijk, door jufvrouw Wilkins vrijgesproken werden; want zij had ze zelve uitgezocht en het zou welligt moeijelijk geweest zijn een tweede stel van dusdanige vogelverschrikkers bijeen te brengen.
De volgende stap was een onderzoek te doen onder de leden van de gemeente, en dit werd aan jufvrouw Wilkins opgedragen, die met den meest mogelijken ijver aan het werk moest gaan en haar rapport des namiddags indienen.
Zoodra dit alles geregeld was, begaf de heer Allworthy zich, volgens zijne gewoonte, naar zijne studeerkamer en liet het kind aan zijne zuster over, die, overeenkomstig zijn wensch, beloofd had daarvoor te zorgen.
HOOFDSTUK V.
BEVATTENDE EENIGE ZEER GEWONE DINGEN, MET EENE ZEER BUITENGEWONE OPMERKING DIENAANGAANDE.
Toen haar meester weg was, bleef jufvrouw Deborah stil zwijgen, in afwachting van den toon dien mejufvrouw Brigitta zou aanslaan; want, ten opzigte van hetgeen voorgevallen was in het bijzijn van mijnheer, daarop vertrouwde de voorzigtige huishoudster volstrekt niet; daar zij dikwerf gezien had dat de gevoelens der dame, in de afwezigheid van haar broeder, aanmerkelijk verschilden van die, welke zij in zijne tegenwoordigheid uitgedrukt had. Mejufvrouw Brigitta liet haar echter niet lang in deze onzekerheid; want na een oogenblik het kind ernstig aangekeken te hebben terwijl het op den schoot van jufvrouw Deborah lag te slapen, kon de goede dame niet laten het een hartelijken kus te geven, tegelijker tijd hare groote ingenomenheid toonende met zijne schoonheid en onschuld. Zoodra jufvrouw Deborah dit ontwaarde, begon zij het te pakken en te kussen met evenveel verrukking als somtijds eene zeer wijze dame van vijf en veertig het haar jeugdigen en krachtigen bruidegom doet, terwijl zij met eene schelle stem uitriep:
„O wat een lief kindje! Wat een mooi, engelachtig kindje! Een heerlijker jongetje zou men zich niet kunnen verbeelden!”
Deze uitroepingen werden voortgezet tot ze afgebroken werden door de dame, die nu er toe overging om de bevelen van haar broeder te doen uitvoeren, en alles te laten aanschaffen dat het kind noodig kon hebben, tevens met aanwijzing van een zeer geschikt vertrek in huis, voor kinderkamer. Alles werd inderdaad op zulk eene ruime schaal ingerigt, dat zij niet milder had kunnen zijn voor haar eigen kind; maar, opdat de deugdzame lezer haar niet veroordeele omdat zij te veel over had voor een onwettig kind, jegens hetwelk alle liefde door de wet zelve als ongodsdienstig afgekeurd wordt, achten wij het gepast op te merken, dat zij eindigde met te zeggen:
„Dat, daar haar broeder zich in ’t hoofd gezet had den bengel aantenemen, zij van oordeel was dat de jongenheer met de meeste teederheid behandeld moest worden;—wat haar betrof, zij kon niet nalaten te denken dat zoo iets de ondeugd aanmoedigde; maar zij was te wel bekend met de stijfhoofdigheid der mannen, om eenige hunner bespottelijke grillen tegen te gaan.”
Gelijk wij vroeger gezegd hebben, plagt zij gewoonlijk elk blijk van toegeven aan de wenschen van haren broeder door dergelijke opmerkingen vergezeld te doen gaan, en zeker kon niets de verdienste van hare inschikkelijkheid meer verhoogen, dan de verklaring, dat zij zeer goed bewust was van de onredelijkheid en dwaasheid der eischen, waaraan zij zich onderwierp. Stilzwijgende gehoorzaamheid geschiedt blijkbaar zonder dwang, en kan dus gemakkelijk en zonder eenige moeite in praktijk worden gebragt; maar als eene vrouw, een kind, een bloedverwant, of een vriend, onze wenschen al morrende en met tegenzin vervult, met uitdrukkingen van weerzin en onwil, moeten de bezwaren, waaronder zij gebukt gaan, natuurlijk de waarde der verpligting zeer vermeerderen.
Daar deze eene der diepzinnige opmerkingen is, welke weinige lezers, naar men veronderstellen mag, in staat zijn voor zich zelven te maken, heb ik goedgevonden hun hier ter hulpe te komen;—eene gunst, die slechts zelden te wachten is in den loop van dit werk. Inderdaad, ik zal hem zelden of nooit op die wijze vergasten, tenzij in gevallen als het onderhavige, waar die hoogere ingeving waarop wij schrijvers roemen mogen, onmisbaar is voor eene dergelijke ontdekking.
HOOFDSTUK VI.
JUFVROUW DEBORAH WORDT (MET EEN MOOI BEELD) IN HET DORP GEBRAGT. EEN KORT BERIGT VAN JENNI JONES, EN DE BEZWAREN EN ONTMOEDIGING, WELKE JONGE MEISJES SOMS TE OVERWINNEN HEBBEN IN HET ZOEKEN NAAR WETENSCHAP.
Jufvrouw Deborah, na voor het kind gezorgd te hebben, volgens den wil van haren meester, maakte zich nu gereed om die woningen te bezoeken, waar ze kon veronderstellen dat de moeder schuilde.
Even als wanneer het voglenheir den havik,—dien verschrikkelijken roover!—hoog boven zich in de lucht ziet zweven, en de verliefde tortelduif en elk onschuldig vogeltje, den schrik alom verspreidende en sidderende, eene schuilplaats zoeken, terwijl hij trotsch verder zweeft door de hemelruimte, zijner waardigheid bewust en onheil dreigende;—alzoo vlugtten al de bevende dorpelingen in hunne huizen, toen de nadering van jufvrouw Deborah door de straten verkondigd werd, terwijl iedere matrone vreesde, dat het bezoek haar gold. Inmiddels naderde zij met deftige schreden, trotsch over het veld stappende, met het statige hoofd omhoog, vervuld met het besef van hare eigene meerderheid, en steeds overleggende, hoe zij hare voorgenomen ontdekking zou doen.
De verstandige lezer zal, uit het beeld dat ik gebruikt heb, zich niet verbeelden, dat deze arme menschen eenig denkbeeld hadden van het voornemen, dat jufvrouw Wilkins nu koesterde;—daar echter de schoonheid van dit beeld welligt eene eeuw lang onopgemerkt zou kunnen blijven, tot de eene of andere toekomstige commentator dit werk onder handen neemt, acht ik het gepast den lezer hier wat bijstand te verleenen.
Het is dus mijn voornemen te doen opmerken, dat even als het in den aard van een roofvogel ligt om kleinere vogels te verscheuren, het ook zoo in den aard van zulke menschen als jufvrouw Wilkins ligt, om het geringe volkje te beleedigen en te onderdrukken. Dit is inderdaad het middel dat zij gebruiken, om zich eenige vergoeding te verschaffen voor hunne laagheid en gedienstigheid jegens hunne meerderen; want niets is redelijker dan dat slaven en vleijers, van allen die beneden hen zijn, dezelfde schatting eischen, welke zij aan allen betalen, die boven hen gesteld worden.
Zoodra jufvrouw Deborah dus in de noodzakelijkheid was eenige gedienstigheid te toonen jegens mejufvrouw Brigitta, en zij zoodoende haar eigen humeur wat verbitterd had, was het eene gewoonte bij haar geworden, om onder dit volkje te gaan, ten einde zich het gemoed te verligten, door haar slecht humeur lucht te geven, en zich als het ware daarvan te zuiveren, om welke reden zij dan ook volstrekt geen gewenschte gast was;—of liever, om de waarheid niet te verbergen, algemeen gevreesd en gehaat was.
Zoodra zij nu aangekomen was, begaf zij zich naar de woning van zekere bejaarde matrone, jegens wie zij, daar deze dame het geluk had op haar te gelijken, zoowel wat uiterlijke bekoorlijkheden als leeftijd betreft, over het algemeen gunstiger gestemd was, dan jegens iemand anders dáár.
Aan deze vrouw deelde zij mede wat er gebeurd was, en het voornemen waarmede zij dien morgen naar het dorp gekomen was. Deze beide begonnen nu dadelijk het karakter van alle jonge meisjes, die daar woonden, te onderzoeken, en vestigden eindelijk hare sterkste vermoedens op zekere Jenni Jones, die zij beide hielden voor de meest waarschijnlijke pleegster der daad.
Deze Jenni Jones was geen bijzonder knap meisje, wat haar gezigt of figuur betrof, maar de natuur had eenigzins het gebrek aan schoonheid vergoed, door iets, dat gewoonlijk hooger geacht wordt door die dames, wier oordeel door de jaren gerijpt is,—want zij was begaafd met bijzonder veel verstand. Deze gave had Jenni door onderwijs zeer ontwikkeld. Zij had verscheiden jaren bij een schoolmeester gediend, die eene groote vlugheid en eene buitengewone zucht naar kennis in het meisje ontdekt hebbende,—want hij vond haar in elk vrij uurtje bezig met lezen in de boeken der schooljongens, de goedheid, of de dwaasheid had—naar verkiezing van den lezer,—om haar zooveel te leeren, dat zij eene redelijke kennis verkreeg der Latijnsche taal en misschien even knap werd als de meeste jonge heeren van goeden huize te dien tijd. Dit voorregt echter, even als vele anderen van buitengewonen aard, ging vergezeld van eenige kleine ongemakken;—want, even als het geen wonder is, dat een zoo wel opgevoed jong meisje weinig behagen schepte in den omgang met diegenen, welke het lot tot hare makkers, maar de opvoeding tot hare minderen gemaakt had,—zoo is het tevens volstrekt niet vreemd, dat deze meerderheid van Jenni, tegelijk met het gedrag, hetwelk het natuurlijke gevolg daarvan is, eenigen nijd en onwil tegen haar opwekten, die welligt in het geheim in het hart harer buren gesmeuld hadden, van het oogenblik af, dat zij uit hare dienst teruggekomen was.
Hun nijd echter werd eerst openbaar, toen de arme Jenni, tot de algemeene verbazing en tot groote ergernis van alle meisjes in den omtrek, zich op zekeren Zondag vertoonde in een nieuwen zijden japon, met eene kanten muts en verder daarbij passenden opschik.
De vlam, welke tot dusver gesmeuld had, barstte nu uit. Jenni had door hare geleerdheid haar eigen hoogmoed gevoed, waarvoor echter geen harer buren dien eerbied toonde, welken zij scheen te eischen, en thans, in plaats van vereering en aanbidding, gewerd haar niets dan haat en bespotting wegens hare praalzucht. De geheele gemeente verklaarde, dat zij op geene eerlijke wijze aan zoo iets had kunnen komen, en ouders, in plaats van hunne kinderen zoo iets toe te wenschen, wenschten zich zelven geluk, dat zij het niet bezaten.
Om deze redenen welligt, noemde de goede vrouw het eerst den naam van dit arme meisje aan jufvrouw Wilkins; maar er was nog eene andere omstandigheid, welke hare vermoedens bevestigde,—want Jenni was in den laatsten tijd dikwijls bij mijnheer Allworthy aan huis geweest. Zij had mejufvrouw Brigitta gedurende eene hevige ziekte opgepast, en verscheidene nachten bij die dame gewaakt;—bovendien had jufvrouw Wilkins zelve haar dáár gezien den dag vóór de terugkomst van den heer Allworthy, zonder dat die slimme vrouw om die reden haar van iets verdacht had; want, gelijk zij zelve zeide: „Zij had Jenni altijd voor een heel fatsoenlijk meisje gehouden,—hoe weinig zij haar ook kende,—en had eerder het oog gehad op de eene of andere van die ligtzinnige nufjes, die zich iets verbeeldden op hare gewaande schoonheid.”
Jenni werd nu opgeroepen om bij jufvrouw Deborah te komen, en verscheen dadelijk. Hierop begon jufvrouw Deborah, met al de deftigheid van een regter, en met iets meer dan regterlijke gestrengheid, eene redevoering, met de woorden: „Gij onbeschaamde straatloopster,”—en ging voort met over de beschuldigde veeleer het vonnis uit te spreken, dan haar te verhooren.
Hoewel nu jufvrouw Deborah, om boven vermelde redenen, van Jenni’s schuld overtuigd was, is het mogelijk, dat de heer Allworthy eenige meerdere bewijzen zou gevorderd hebben eer hij haar veroordeelde; maar zij spaarde hare aanklagers die moeite, door onmiddellijk het feit te bekennen, waarvan men haar beschuldigde.
Deze bekentenis, hoewel, naar het schijnt, met eenige blijken van berouw gepaard, vermurwde in het geheel niet jufvrouw Deborah, die er nu toe overging om een tweede vonnis tegen haar te vellen, in nog sterkere bewoordingen dan te voren. Jenni’s bekentenis werkte ook niet beter op de toehoorders, die nu zeer talrijk waren geworden. Velen er onder riepen ook uit: „Dat zij wel begrepen hadden, waar die zijden japon van de juffer van daan was gekomen,” en anderen spraken zeer ironisch over hare geleerdheid. Er was geen enkel vrouwelijk wezen tegenwoordig, dat geen middel vond om haar afschuw van de arme Jenni aan den dag te leggen, die alles zeer geduldig droeg, behalve de kwaadaardigheid van ééne vrouw, die over haar uiterlijk spotte, en den neus ophalende, zeide; „Dat die vent een raren smaak moest hebben, die zijden japonnen over had voor zulk een leelijk schepsel als dit!”
Hierop antwoordde Jenni met eene verbittering, welke een verstandig mensch verbaasd zou hebben, die de kalmte opgemerkt had, waarmede zij alle aanmerkingen op haar gedrag aangehoord had—maar haar geduld was welligt uitgeput;—want dit is eene deugd, die zeer gemakkelijk door het gebruik slijt.
Jufvrouw Deborah aldus boven wenschen en bidden geslaagd zijnde in haar onderzoek, keerde zegevierende naar huis terug, en gaf op het bepaalde uur getrouw berigt aan den heer Allworthy, die grootelijks verrast was; want hij was bekend met de buitengewone gaven en kennis van het meisje, dat hij, tegelijk met eene kleine collatie, aan een predikant in de buurt tot vrouw had bestemd. Zijn verdriet dus bij deze gelegenheid evenaarde ten minste de voldoening, welke jufvrouw Deborah liet blijken, en voor vele lezers zal het welligt veel redelijker schijnen.
Mejufvrouw Brigitta echter zeide, dat, wat haar betrof, zij in het vervolg nooit iets goeds van eenige vrouw zou gelooven. Want Jenni had tot dusver het geluk gesmaakt om ook genade in hare oogen gevonden te hebben.
De voorzigtige huishoudster werd weder uitgezonden, om de ongelukkige zondares voor den heer Allworthy te brengen, ten einde—niet gelijk door eenigen gehoopt en door allen gewacht werd,—naar het verbeteringsgesticht gezonden te worden; maar om heilzame vermaningen en berispingen te ontvangen, welke gelezen kunnen worden in het volgende hoofdstuk door diegenen, welke ingenomen zijn met dergelijk leerzaam geschrijf.
HOOFDSTUK VII.
BEVATTENDE ZULKE ERNSTIGE ZAKEN, DAT DE LEZER HET GEHEELE HOOFDSTUK DOOR NIET EENS LAGCHEN KAN, TEN ZIJ HIJ WELLIGT OM DEN SCHRIJVER LAGCHE.
Toen Jenni verscheen, nam de heer Allworthy haar mede op zijne boekenkamer, en sprak tot haar als volgt:
„Gij weet wel, kind, dat ik de magt heb, als magistraat, om u zeer streng te straffen voor hetgeen ge gedaan hebt, en ge zult welligt des te eerder gelooven, dat ik gebruik zal maken van die magt, omdat gij, als het ware, mij in uwe misdaad betrokken hebt.
„Maar dit is welligt juist eene van de redenen, die mij hebben doen besluiten u met meer zachtheid te behandelen; want daar een magistraat nooit door eenigen bijzonderen wrok bestuurd mag worden, wil ik in plaats van het nederleggen van het kind in mijn huis als eene verzwarende omstandigheid te beschouwen, eerder, in uw voordeel, veronderstellen, dat gij daartoe gedreven zijt geworden door aangeborene liefde tot uw kind, daar ge hopen mogt het aldus beter verzorgd te zien, dan had kunnen geschieden door u of door zijn loszinnigen vader. Ik zou ook, inderdaad, zeer tegen u ingenomen zijn geweest, als ge het ongelukkig wichtje blootgesteld hadt op de wijze van sommige onmenschelijke moeders, die tegelijk met hare zedigheid alle menschelijk gevoel schijnen verzaakt te hebben. Het is over iets anders in uw gedrag, dat ik u vermanen wilde, namelijk over de verloochening van uwe zedigheid;—eene misdaad, die hoe ligt ze ook geteld worde door sommige losbandige menschen, zeer ernstig is op zich zelve en allerverschrikkelijkst in de gevolgen.
„De ernstige aard van dezen misstap moet duidelijk genoeg zijn voor iederen Christen, daar die begaan wordt in weerwil van de wetten van onze godsdienst, en van de bepaalde voorschriften van Hem, die die godsdienst stichtte.
„En daaruit kan men opmaken hoe verschrikkelijk de gevolgen zijn; want, wat kan erger zijn dan den toorn des Hemels te tarten, door de goddelijke geboden te overtreden,—en dat vooral in een geval, waartegen het zwaarste vonnis des hemels bepaaldelijk uitgesproken is?
„Maar deze dingen, hoewel, naar ik vrees, te weinig geteld, zijn zoo bekend, dat de mensch, hoe noodig het ook zij hem daaraan te herinneren, nooit eenig onderwijs daarin behoeft. Genoeg dus, als ik u een wenk geef, om uw geweten ten dezen opzigte wakker te maken; want ik wilde u berouw en volstrekt geene wanhoop inboezemen.
„Er zijn ook nog andere gevolgen, die ofschoon niet zoo vreesselijk of afgrijsselijk als deze, toch nog, als men ze aandachtig beschouwt, naar ik meen, uw geslacht ten minste een afschrik moeten geven van deze misdaad.
„Want zij maakt u tot een voorwerp van verachting, en verdrijft u, als vroeger de melaatschen, uit de maatschappij,—ten minste berooft ze u van den omgang van iedereen die niet slecht en verstokt is, daar niemand anders zich met u ophouden wil.
„Als gij vermogen bezit, wordt ge daardoor buiten staat gesteld om het te genieten; als ge niets hebt, wordt ge onbekwaam om iets te verkrijgen, ja, bijna om aan den kost te komen: want geen eerlijk mensch wil u bij zich in huis opnemen. Dus wordt ge dikwijls door den nood gedreven tot schande en ellende, die onfeilbaar eindigen met den ondergang beide van ligchaam en ziel.
„Kan eenig genot deze rampen vergoeden? Is er eenige redenering, hoe spitsvindig ook, denkbaar dat ze u tot zulk eene dwaasheid zou kunnen overhalen? Of kan eenig zinnelijk genot uwe reden zoodanig overmeesteren, of in slaap wiegen, dat het u belet met schrik en afschuw eene misdaad te ontvlugten, die zulke bestraffing ten gevolge heeft?
„Hoe laag en verachtelijk moet die vrouw zijn—hoe ontbloot van die waardigheid en betamelijken hoogmoed, zonder welken wij den naam van menschen niet verdienen, die er toe komen kan zich te verlagen tot den rang van het verachtelijkste dier, en al wat groot en edel is, al hare aanspraken op den hemel, op te offeren aan eene drift, welke zij gemeen heeft met de laagste schepselen op aarde! Want, voorzeker zal geene vrouw het wagen de liefde tot hare verontschuldiging aantevoeren. Dat zou zijn bekennen dat zij niets dan het werktuig en het speelgoed van den man is! De liefde, hoe barbaarsch wij ook hare beteekenis verdraaijen en verbasteren, is eene prijzenswaardige en redelijke drift en kan alleen hevig zijn als zij wederkeerig is; want hoewel de Schrift ons beveelt onze vijanden lief te hebben, wordt daarmede niet bedoeld de vurige liefde, welke wij onze vrienden toedragen, noch veel minder dat wij ons leven voor hen moeten opofferen,—of wat nog kostbaarder moest zijn, onze onschuld. En in welk licht, dan dat van een vijand, kan eene zedige vrouw den man beschouwen, die eischt dat zij zich onderwerpe aan al de ellende, welke ik beschreven heb, en die zich een kort, beuzelachtig, verachtelijk genot wil verschaffen ten koste van al wat haar dierbaar moet zijn? Want, volgens de wetten der gewoonte, valt de geheele schande, met alle verschrikkelijke gevolgen daarvan, geheel op haar. Kan de liefde, die altijd het geluk beoogt van haar voorwerp, ooit ondernemen eene vrouw tot eene handeling te verleiden, waarbij zij zoo veel verliezen moet? Indien zulk een verleider de onbeschaamdheid heeft eene wezenlijke liefde te veinzen, moet de vrouw hem dan niet beschouwen, niet slechts als een vijand, maar als den ergsten van alle vijanden,—als een valschen, listigen, verraderlijken, voorgewenden vriend, die haar te gelijk zedelijk en ligchamelijk ondermijnen wil?”
Daar Jenni hier blijken van groote droefheid liet zien, zweeg Allworthy een oogenblik en hervatte toen:
„Ik heb u dit alles herinnerd, kind, niet om u te beleedigen omtrent het verledene, dat onherroepelijk is, maar om u voor de toekomst te waarschuwen en te versterken. En ik zou me die moeite niet gegeven hebben, als ik niet eenig denkbeeld had van uw gezond verstand, niettegenstaande den verschrikkelijken misstap welken gij gedaan hebt,—en ook uit hoop op opregt berouw van uw kant, welke gegrond is op de opregtheid en openhartigheid uwer bekentenis. Als ik me hierin niet bedrogen zie, zal ik zorg dragen u van dit tooneel uwer schande te verwijderen, daarheen, waar gij door onbekend te zijn, de straf kunt ontgaan, welke, gelijk ik gezegd heb, in deze wereld onvermijdelijk volgt op eene misdaad als de uwe, en ik hoop, dat gij door opregt berouw de nog zwaardere veroordeeling verzachten zult, die u hiernamaals dreigt. Wees in het vervolg een braaf meisje, en het gebrek zal geene aanleiding zijn tot verdere afdwaling,—en geloof me, als ik u ook verzeker, dat er zelfs in dit leven meer genot is voor de deugd en de onschuld dan voor de losbandigheid en de ondeugd.
„Wat uw kind aangaat, daaromtrent behoeft gij volstrekt niet ongerust te zijn;—ik zal er beter voor zorgen dan gij ooit hebt kunnen verwachten. En nu blijft u niets meer over, dan dat gij mij bekent wie de snoodaard is, die u verleidde, want ik ben meer vertoornd op hem dan op u.”
Jenni sloeg de oogen nu op, en begon met een zedigen blik en eene bedaarde stem, als volgt:
„Het zou een blijk zijn van gebrek aan gezond verstand en al wat edel is in den mensch, als men u kennen kon zonder uwe goedheid te vereeren. In mij zou het meer dan ondankbaarheid wezen als ik niet diep getroffen was door de hooge mate van goedheid, welke het u behaagt jegens mij te toonen. Wat mijn berouw betreft over het verledene,—ik weet, dat gij mij de schaamte zul: besparen van de betuigingen daarvan te herhalen. De toekomst zal wel beter mijne gevoelens bewijzen, dan eenige betuigingen, die ik nu zou kunnen doen. Mag ik u echter verzekeren, mijnheer, dat ik nog hooger prijs stel op uw goeden raad, dan op het edelmoedige aanbod, waarmede gij eindigdet? Want, gelijk het u behaagde op te merken, mijnheer, het is een bewijs, dat gij me niet geheel ontbloot acht van verstand;” hier zweeg zij een oogenblik, terwijl hare tranen rijkelijk vloeiden, en hervatte toen: „Inderdaad, mijnheer, uwe goedheid overstelpt mij; maar ik zal trachten ze waardig te worden; want, als ik wezenlijk het verstand bezit, dat gij mij zoo vriendelijk toekent, kan zulke raad niet te vergeefs zijn. Ik dank u van ganscher harte, mijnheer, voor uwe voorgenomene weldaden jegens mijn arm hulpeloos kindje; het is onschuldig en zal, naar ik hoop, leven om dankbaar te zijn voor de gunst welke gij hem bewijzen wilt. Maar nu, mijnheer, moet ik u op mijne knieën smeeken, niet vol te houden met van mij te vorderen dat ik u den vader van mijn kind zal noemen. Ik beloof u plegtig dat gij dien naam eens zult hooren; maar ik heb me verbonden door de heiligste beloften en eeden, om op dit oogenblik zijn naam te verzwijgen. En ik ken u te goed, om te kunnen veronderstellen, dat het uwe begeerte zou zijn, dat ik mijn eenmaal gegeven woord, of mijne geloften zou schenden.”
De heer Allworthy, dien de bloote vermelding van zulke heilige zaken met ontzag vervulde, aarzelde een oogenblik eer hij antwoordde, en zeide haar toen, dat zij verkeerd gedaan had met zich aan zulke verpligtingen tegenover een schurk te onderwerpen; maar, daar zij dit eenmaal gedaan had, kon hij niet eischen, dat zij ze niet nakomen zou. Hij verzekerde haar, dat hij niet uit ijdele nieuwsgierigheid gevraagd had, maar alleen met het doel om den schuldige te straffen, en ten einde niet uit onwetendheid in het geval te komen soms iemand, die het niet verdiende, eene gunst te bewijzen.
Wat dit alles betrof, verzekerde hem Jenni plegtig, dat die man buiten zijn bereik was, en het noch in zijne magt had, noch in de gelegenheid was, om ooit van zijne goedheid misbruik te kunnen maken.