Chapter 83 of 84 · 3973 words · ~20 min read

Part 83

Na onderzoek, had hij vernomen, dat de eenige menschen, die het begin van den ongelukkigen strijd gezien hadden, tot de manschap behoorden van een oorlogschip, dat toen te Deptford lag.

Daarheen ging hij dan, om de menschen te zoeken, die, zoo als hij vernam, allen aan wal waren. Hij spoorde hen na, van huis tot huis, tot hij er eindelijk twee van vond, die met een vreemde zamen zaten te drinken, in eene herberg aan den weg bij Aldersgate.

Nightingale verzocht thans om Jones onder vier oogen te mogen spreken,—want Partridge was er toen hij binnentrad,—en zoodra zij zich alleen bevonden, vatte hij Jones bij de hand en riep uit: „Hoor eens, beste vriend, gij moet u niet uit het veld laten slaan door hetgeen ik u kom melden.—Het spijt mij de overbrenger van slechte tijdingen te zijn;—maar ik houd het voor pligt om u niets te verbergen.”

„Ik gis al wat die slechte tijding is,” hernam Jones; „de arme Fitzpatrick zal overleden zijn?”

„Ik hoop van neen,” hernam Nightingale; „hij leefde nog heden morgen, hoewel, volgens de berigten, welke ik kreeg, ik u niet vleijen kan, dat de wond niet doodelijk is. Maar, als de zaak zich zóó toegedragen heeft, als gij zegt, zoudt gij, wat er ook gebeure, niets te vreezen hebben dan uwe eigene gewetenswroeging;—maar, vergeef me, waarde Tom, als ik u smeek, met de meeste openhartigheid tegen uwe vertrouwde vrienden te spreken; als gij ons iets verbergt, zult gij slechts u zelven benadeelen!”

„Mijn waarde Jaap,” riep Jones, „welke aanleiding heb ik u ooit kunnen geven, mij met zulke wreede verdenkingen te pijnigen?”

„Geduld maar,” hernam Nightingale, „en ik zal u alles mededeelen. Na lang zoeken, vond ik eindelijk twee der menschen, die tegenwoordig waren geweest bij dezen ongelukkigen twist, en het spijt mij te moeten zeggen, dat zij de zaak minder voordeelig voor u voorstelden, dan gij dat zelf doet.”

„Wel! wat zeggen zij dan?” vroeg Jones.

„Inderdaad, iets dat het mij spijt te moeten herhalen, daar ik vrees dat het treurige gevolgen voor u zal hebben. Zij verklaren, dat zij te ver afstonden om iets te vernemen van de woorden, maar zij zijn het beiden eens, dat gij den eersten slag hebt gegeven.”

„Dan spreken zij onwaarheid, bij mijne ziel!” riep Jones. „Hij gaf mij niet slechts den eersten slag; maar hij deed dat zelfs zonder eenige aanleiding daartoe van mijn kant. Wat zou die schelmen kunnen bewegen om mij valsch te beschuldigen?”

„Ja, dat kan ik in de verste verte niet gissen,” hernam Nightingale, „en als gij zelf, en ik, die zoo zeer uw vriend ben, geene reden kunnen bedenken waarom zij u lasteren zouden, dan laat ik aan u zelven over te beslissen, welken grond een onpartijdige regter zou kunnen aanvoeren om hun geen geloof te schenken? Ik deed hun de vraag herhaaldelijk, en dat deed ook een andere heer, die er bij zat,—en die, denkelijk, een zeeman is, en wezenlijk zich op de meest vriendschappelijke wijze gedroeg; want hij drukte hun telkens op het hart, dat eens menschen leven met die zaak gemoeid was, en vroeg, bij herhaling, of zij zeker wisten wat zij zeiden;—waarop beiden van ja verklaarden, en dat zij gereed waren hunne getuigenis met een eed te bekrachtigen. In ’s hemels naam, beste vriend, bedenk u wel; want als dit het geval bleek te zijn, moet gij er bij tijds aan denken om alle protectie die gij hebt, in te roepen. Ik wilde u geen schrik aanjagen; maar gij weet, geloof ik, hoe streng de wet is op dit punt,—al is men nog zoo zwaar door woorden getergd!”

„Helaas, vriend,” hernam Jones, „hoe zou een ongelukkige als ik eenige protectie hebben? Gelooft gij ook, dat ik iets om het leven zou geven, als men mij voor een moordenaar hield? Als ik vrienden had (wat helaas, het geval niet is!) hoe zou ik dan nog den moed hebben om hunne hulp in te roepen ten behoeve van een mensch, die om de verfoeijelijkste van alle misdaden veroordeeld wordt? Geloof mij, op zulken bijstand reken ik niet;—maar ik heb toch nog eenig vertrouwen op eene hoogere magt, die mij alle bescherming zal verleenen, die ik verdien.”

Hij eindigde nu met herhaalde, plegtige en vurige verklaringen, dat hij van het begin af niets dan de zuivere waarheid verteld had.

Nightingale begon nu in zijn geloof te wankelen, en was weder geneigd om zijn vriend vertrouwen te schenken, toen jufvrouw Miller binnen kwam en een droevig berigt van den afloop harer zending bragt.

Zoodra Jones dit vernam, riep hij, zeer heldhaftig:

„Nu, vriend, ben ik geheel onverschillig omtrent wat er verder gebeuren moge,—ten minste wat mijn leven aangaat,—en als de hemel wil dat ik boeten zal voor het bloed dat ik gestort heb, hoop ik dat de hemelsche goedheid vroeger of later mijne eer zal zuiveren, en dat men de woorden van een stervende zal gelooven, als het er op aankomt om alleen zijne eer te redden.”

Thans volgde er een zeer droevig tooneel tusschen den gevangene en zijne vrienden, en daar het waarschijnlijk zeer weinige lezers bevallen zou hebben om er bij te zijn, zullen er ook denkelijk weinigen wezen, die eene uitvoerige beschrijving daarvan verlangen. Wij zullen dus alles met stilzwijgen voorbijgaan, tot de cipier binnentrad en Jones meldde dat er eene dame gekomen was, die hem wenschte te spreken, als het hem niet ongelegen kwam.

Jones uitte zijne verrassing over deze boodschap. Hij zeide, „dat hij geene dame ter wereld kende, van wie hij bij mogelijkheid een bezoek wachten kon.”

Daar hij echter geene reden zag om te weigeren iemand te ontvangen, namen jufvrouw Miller en Nightingale spoedig afscheid van hem, en gaf hij bevel om de dame binnen te laten.

Zoo Jones al verrast was door het aangekondigde bezoek eener dame, stond hij geheel verstomd toen hij ontdekte dat die dame niemand anders was dan mevrouw Waters! Wij zullen hem dan een oogenblik zoo laten staan, ten einde aan de nieuwsgierigheid van den lezer te voldoen, die, waarschijnlijk, ook niet weinig verrast zal zijn door het verschijnen dezer dame.

Wie mevrouw Waters was, weet de lezer zoo wat; wat zij was,—daarvan heeft hij de bewijzen gehad. Hij zal dus gelieven zich te herinneren, dat deze dame in dezelfde koets met den heer Fitzpatrick en den anderen Ier van Upton vertrokken was, en dat zij hem naar Bath vergezeld had.

Nu was er toen zeker ambt, dat de heer Fitzpatrick te vergeven had, tijdelijk onbezet,—namelijk dat van zijne echtgenoote; want de dame, die tot dusver dat ambt bekleed had, had haar ontslag genomen,—of had ten minste de dienst verzaakt. De heer Fitzpatrick dus, na mevrouw Waters op reis onderzocht te hebben, bevond dat zij de vereischte hoedanigheden bezat, en bood haar, bij hunne aankomst te Bath, het ambt aan, dat zij zonder schroom op zich nam. De heer en de dame hadden dus als man en vrouw te Bath geleefd, en als man en vrouw kwamen zij te Londen aan.

Hetzij dan dat de heer Fitzpatrick te wijs was om de ééne op te geven eer hij de andere teruggevonden had,—of dat mevrouw Waters haar ambt zoo goed vervulde, dat hij haar in het bezit daarvan wilde laten, en zijne vrouw slechts als plaatsvervangster gebruiken (wat meer gebeurt),—zeker is het dat hij nooit zijne vrouw bij haar noemde, haar nooit den brief mededeelde, hem door mejufvrouw Western gegeven, en haar zelfs nooit een wenk gaf, dat hij steeds naar zijne vrouw zocht;—terwijl hij den naam van Jones niet eens genoemd had. Want ofschoon, hij zich voorgenomen had met hem te vechten waar hij hem ook vond, handelde hij niet naar het voorbeeld van zekere voorzigtige menschen, die zich verbeelden, dat eene vrouw eene moeder, eene zuster, of soms zelfs de geheele familie, bij dergelijke gelegenheden de veiligste getuigen zijn. Het eerste woord, dus, dat zij van dit een en ander vernam kwam, over zijne lippen toen hij naar huis gebragt werd uit de herberg, waar men hem verbonden had.

Daar de heer Fitzpatrick echter nooit op de meest duidelijke wijze iets wist te vertellen en thans welligt iets meer verward was dan anders, duurde het een tijdlang eer zij ontdekte dat de heer, die hem gewond had, dezelfde persoon was, die in haar hart eene wond geslagen had, welke, ofschoon niet doodelijk, zoo diep was, dat ze een zwaar lidteeken achterliet. Zoodra zij echter vernam dat de heer Jones zelf de man was, dien men, wegens den veronderstelden moord, naar de gevangenis had gebragt, nam zij de eerste gelegenheid waar om den heer Fitzpatrick aan de zorg der ziekenoppaster over te laten en haastte zich om zijn overwinnaar op te zoeken.

Zij trad nu met de meeste opgeruimdheid binnen, welke echter dadelijk getemperd werd door de bedroefde houding van den armen Jones, die, zoodra hij haar herkende, van verbazing opsprong.

Hierop zeide zij: „Het verwondert me geenszins, dat gij verrast zijt. Ik denk niet dat gij u voorsteldet mij te zullen zien; want weinige heeren worden hier geplaagd door andere dames dan door hunne vrouwen. Maar gij ziet, mijnheer Jones, welke magt gij nog over mij bezit! Ik dacht weinig, inderdaad, toen wij te Upton van elkaar scheidden, dat wij elkaar voor het eerst op zulk eene plaats als deze weerzien zouden!”

„Ik moet u wezenlijk zeer dankbaar zijn voor dit bezoek, mevrouw,” hernam Jones. „Slechts weinige menschen volgen den ongelukkige,—vooral niet naar zulk een treurig verblijf als dit.”

„Wel, mijnheer Jones,” riep zij, „ik kan me werkelijk naauwelijks verbeelden dat gij dezelfde prettige mensch zijt, dien ik te Upton ontmoette! Wel! Uw gezigt is droeviger dan de droevigste gevangenis ter wereld! Wat scheelt u toch?”

„Ik verbeeldde mij, mevrouw,” antwoordde Jones, „dat, daar gij wist dat ik hier was, gij ook weten zoudt om welke ongelukkige reden.”

„Bah!” riep zij; „gij hebt een man in een tweegevecht overhoop gestoken! Is dat alles?”

Jones drukte zijne verontwaardiging uit over deze ligtzinnigheid, en sprak met het meeste berouw over hetgeen er gebeurd was.

„Kom, kom!” riep zij, „als gij het u zóó aantrekt, mijnheer, zal ik u dadelijk licht geven! Die mijnheer is niet dood, en ik ben zoo wat zeker, dat er geen gevaar voor zijn leven bestaat. De heelmeester, die het eerste verband legde, was een jong mensch, die goedvond om de zaak zoo ernstig mogelijk voor te stellen, om des te meer eer in te oogsten als hij hem genas; maar ’s Konings heelmeester is er later bij geroepen, en zegt, dat als er geene koortsen bij komen, waarvan tot nu toe geen spoor is te bemerken, zijn leven volstrekt niet in gevaar is.”

Het gelaat van Jones helderde op bij dit berigt, welks juistheid zij bevestigde door te zeggen: „Door een der vreemdste toevallen ter wereld, woon ik in hetzelfde huis met hem, en heb ik dien heer zelve gesproken. Ik kan u verzekeren, dat hij u regt laat wedervaren, en zegt, dat, wat ook de gevolgen zijn, hij de eerste aanvaller was en dat gij hoegenaamd geen schuld hebt.”

Jones was zeer verheugd over hetgeen mevrouw Waters hem mededeelde, en maakte haar thans bekend met allerlei dingen die zij reeds wist, zoo als wie de heer Fitzpatrick was, de aanleiding tot diens wrok, enz. Hij deelde haar ook het een en ander mede dat haar onbekend was, zoo als het avontuur met de mof, en andere bijzonderheden, terwijl hij alleen den naam van Sophia verzweeg. Daarop betreurde hij de dwaasheden en de ligtzinnigheid, waaraan hij zich schuldig had gemaakt, welke, naar hij zeide, zulke treurige gevolgen hadden gehad, dat het onvergeefelijk zou zijn als hij ze niet als eene waarschuwing beschouwde, om voor het vervolg alles van dien aard te vermijden. Eindelijk besloot hij met haar te verzekeren, dat hij zich vast voorgenomen had nooit meer te zondigen, ten einde zich geene zwaardere bestraffing op den hals te halen.

Mevrouw Waters dreef zeer geestig den spot met dit voornemen, als niets anders dan het gevolg van neerslagtigheid en opsluiting. Zij rakelde een oud spreekwoord op, over den duivel, „die monnik wilde worden toen hij ziek was,” en verzekerde hem, „dat zij de gegronde hoop koesterde van hem spoedig in vrijheid te zien, en even levenslustig als vroeger; en dan,” zeide zij, „twijfel ik niet dat uw geweten bevrijd zal blijven van al die knagingen, welke slechts door een ziekelijken toestand worden veroorzaakt.”

Zij zeide nog veel meer van dezen aard, waarvan een heele boel haar weinig tot eer zou strekken in de meening van den lezer,—en wij zijn ook maar half overtuigd dat sommige lezers niet spotten zouden met de antwoorden van Jones. Wij zullen dus het overige van dit gesprek verzwijgen, en slechts verzekeren, dat het in alle eer en deugd afliep, en veel meer tot het genoegen van Jones dan tot dat der dame; want hij was zeer verheugd over de tijding welke zij hem bragt, terwijl zij minder in haar schik was met het berouwvolle gedrag van een man, van wien zij bij de eerste ontmoeting een heel ander denkbeeld opgevat had, dan zij thans koesterde.

Dus werd de droefheid door het berigt van den heer Nightingale veroorzaakt, voor goed uitgewischt, terwijl zijne neerslagtigheid over de tijding door jufvrouw Miller gebragt, steeds voortduurde. Hetgeen zij hem gemeld had, kwam zoo goed overeen met de woorden van Sophia zelve in haar brief, dat hij er volstrekt niet aan twijfelde, dat zij zijn schrijven aan hare tante medegedeeld had, en vast besloten had om hem op te geven. De kwellingen, welke deze gedachten veroorzaakten, konden nog slechts geëvenaard worden door eene andere tijding, welke hem te wachten stond, en die wij in het tweede hoofdstuk van het volgende boek zullen mededeelen.

BOEK XVIII.

Bevattende ongeveer zes dagen.

HOOFDSTUK I.

EEN AFSCHEIDSGROET AAN DEN LEZER.

Thans zijn wij, lezer, gekomen tot het laatste rustpunt op onze lange reis. Na elkaar dus vergezeld te hebben op zoo vele bladzijden, laten wij ons nu gedragen als reizigers in den postwagen, die verscheidene dagen bij elkaar zijn geweest, en die, niettegenstaande eenige kleine twisten of vijandigheden onderweg, gewoonlijk ten slotte verzoend worden en voor den laatsten keer hunne plaatsen in het rijtuig innemen met de meeste opgeruimdheid en onderlinge welwillendheid,—daar, na deze laatste rust, het ons welligt gaan zal als hen, die elkaar gewoonlijk nooit wederzien.

Daar ik dit beeld nu eens gebruikt heb, zal ik zoo vrij zijn, het te blijven bezigen voor het oogenblik. Ik ben dus voornemens, in dit laatste boek, het goede gezelschap na te bootsen, dat het laatste eindje zamen reist.

Het is wel bekend, dat op zulk een oogenblik alle schertsen en grappen achterwege blijven, dat welke rol de een of andere reiziger, uit aardigheid, op zich genomen heeft, die vergeten wordt, en dat het gesprek gewoonlijk ernstig en bedaard is.

Op dezelfde wijze zal ik thans alle aardigheden, welke ik welligt om u, lezer, den tijd te korten, onderweg gebezigd heb, voortaan niet meer beproeven. De veelvuldige gebeurtenissen ook, welke ik in dit boek bijeenvoegen moet, zullen mij geene ruimte overlaten voor eenige dier belagchelijke opmerkingen, welke ik anders gemaakt heb, en die misschien gediend hebben om u tusschenbeide van den dreigenden slaap te redden.

In dit laatste boek zult gij niets (of slechts zeer weinig) van dezen aard vinden. Het zal niets anders dan een droog verhaal bevatten, en inderdaad, als gij de vele groote gebeurtenissen gelezen hebt, welke dit boek oplevert, zult gij u naauwelijks kunnen voorstellen, hoe het mogelijk is zoo veel stof op zoo weinige bladzijden bijeen te krijgen.

En thans, vriend, neem ik deze gelegenheid waar (daar ik geene andere daartoe zal kunnen vinden) om hartelijk afscheid van u te nemen. Indien ik u, als reismakker, vermaakt heb, verzeker ik u dat dit mijn hoogste wensch was. Als ik u met iets beleedigd heb, geschiedde zulks werkelijk, zonder opzet. Welligt zal het een of ander in dit boek u, of uwe vrienden gelden; maar ik verklaar plegtig, dat ze noch op u noch op hen gemunt waren. Ik twijfel ook niet dat men, onder andere verhaaltjes, u ook van mij verteld heeft, dat gij reizen zoudt met een zeer smerigen kerel;—maar wie u dat verteld heeft, lasterde mij zwaar. Er is niemand, die een grooteren afkeer heeft dan ik van al wat gemeen is,—en niet zonder reden; want niemand is ooit gemeener behandeld dan ik:—en wat mijn lot nog zeer verzwaart, is dat men mij het vaderschap heeft toegedicht van vele lasterlijke geschriften juist van die menschen, die in andere hunner werken mij met de meeste verbittering gelasterd hebben.

Ik ben echter overtuigd dat al die werken reeds lang vergeten zullen wezen als gij deze bladzijden te lezen krijgt; want, hoe kort ook mijne eigene werken mogen bestaan, zullen ze toch waarschijnlijk én den gebrekkigen schrijver én de ziekelijke voortbrengselen van zijne lasterende tijdgenooten overleven.

HOOFDSTUK II.

EENE ZEER TRAGISCHE GEBEURTENIS BEVATTENDE.

Terwijl Jones zich nog kwelde met de treurige overdenkingen, waarin wij hem verdiept lieten, strompelde Partridge in de kamer, bleek als de dood, met starende blikken, met te berge gerezene haren, en bevende van top tot teen. Met één woord, hij zag er uit alsof hij een spook had gezien, of zelf een spook ware.

Jones, hoewel niet zeer vreesachtig, kon niet nalaten, getroffen te zijn door deze plotselinge verschijning. Hij verbleekte inderdaad zelf en zijne stem begaf hem haast, toen hij hem vroeg wat er te doen was?

„Ik hoop, mijnheer,” zeide Partridge, „dat gij het mij niet kwalijk zult nemen;—ik heb ook niet geluisterd;—maar was genoodzaakt in de kamer hiernaast te blijven. Ik zou wel willen dat ik honderd mijlen ver was geweest, liever dan vernomen te hebben wat mij nu ter oore is gekomen!”

„Wel! Wat is er toch?” vroeg Jones.

„Wat er te doen is, mijnheer?” herhaalde Partridge. „Goede hemel! Die vrouw, die u pas verlaten heeft,—was dat de vrouw, die te Upton bij u was?”

„Ja, Partridge, dezelfde,” hernam Jones.

„En hebt gij wezenlijk bij die vrouw geslapen?” vroeg hij, met eene bevende stem.

„Ik vrees, dat hetgeen er tusschen ons gebeurde, geen geheim meer is,” antwoordde Jones.

„Maar ik smeek u toch, in ’s hemels naam, mijnheer,” hernam Partridge, „zeg mij toch de waarheid!”

„Gij weet wel dat ik bij haar geslapen heb,” zei Jones.

„Dan zij u de Heere genadig en hebbe Hij barmhartigheid met u,” riep Partridge; „want, zoo waar ik hier sta, gij hebt bij uwe eigene moeder geslapen!”

Bij deze woorden ontstelde Jones nog veel meer dan Partridge zelf. Hij stond dan inderdaad een tijdlang als versteend, terwijl beiden elkaar sprakeloos aangaapten. Eindelijk echter werd hij weder zijne sprake meester en vroeg, verward en sidderend: „Hoe!—Wat! Wat zegt gij!?”

„O, mijnheer,” riep Partridge, „ik ben nu te ontsteld om u alles te vertellen,—maar—hetgeen ik u gezegd heb, is zeker waar.—Die vrouw—die pas heengegaan is,—zij is zeker uwe moeder! Het was wel ongelukkig voor u, dat ik haar vroeger,—dien keer,—niet gezien had;—ik had dan alles kunnen voorkomen! Het moet de Satan zelf geweest zijn, die zulk een wanbedrijf beraamde!”

„Zal dan het noodlot mij vervolgen tot ik waanzinnig word?” riep Jones. „Maar, waarom het noodlot aan te klagen? Ik zelf draag de schuld van al mijne rampen. Al de verschrikkelijke ongelukken, welke mij overkomen, zijn alleen de gevolgen van mijne eigene dwaasheid en slechtheid! Hetgeen gij mij vertelt, Partridge, brengt mij tot wanhoop! En is dus die mevrouw Waters dan—Maar waarom vraag ik dat? Gij kent haar zeker!—Als gij nog eenige liefde tot mij over hebt,—ja, als gij nog een zweem van medelijden gevoelt, laat mij u dan smeeken, die ongelukkige vrouw te gaan halen. O genadige hemel! Bloedschennis!—Mijne eigene moeder! Waartoe ben ik veroordeeld!”

Hier geraakte hij in eene hevige en woeste vlaag van wanhoop en smart, waarin Partridge verklaarde hem niet te willen verlaten;—maar eindelijk, nadat de eerste hevigheid zijner woede uitgeput was, bedaarde hij een weinig en Partridge onderrigt hebbende, dat hij de ongelukkige vrouw zou vinden in hetzelfde huis waar zijn gekwetste tegenstander woonde, zond hij hem weg, om haar te zoeken.

Als de lezer de goedheid wil hebben zich het geheugen op te frisschen door het tooneel te Upton in het negende boek na te slaan, zal hij eenigzins verwonderd staan over de vreemde aaneenschakeling van omstandigheden, welke ongelukkig beletten, dat Partridge en mevrouw Waters elkaar ontmoetten toen zij den geheelen dag met Jones doorbragt. Wij mogen opmerken, dat er vele voorbeelden van dezen aard in het werkelijke leven te vinden zijn, waar de grootste gebeurtenissen door de schijnbaar nietigste omstandigheden veroorzaakt worden, en in deze onze geschiedenis zal men meer dan één voorbeeld van dezen aard vinden.

Na een vruchteloos zoeken van eenige uren, keerde Partridge terug, zonder mevrouw Waters te hebben kunnen aantreffen. Jones, die wanhopig was over dit uitstel, werd bijna razend toen hij hem dit berigt bragt. Hij was echter niet lang in dezen toestand geweest toen hij het volgende schrijven ontving:

„Mijnheer,

Sedert ik u verliet, heb ik een heer gezien, die mij iets omtrent u medegedeeld heeft, waardoor ik zeer verrast en getroffen ben. Daar ik echter thans de gelegenheid niet heb om u eene zaak van zoo veel gewigt uit te leggen, moet gij geduld nemen tot onze volgende ontmoeting, die plaats zal hebben zoodra ik in de mogelijkheid ben om bij u te komen. O, mijnheer Jones, weinig dacht ik dien gelukkigen dag te Upton, welks herinnering waarschijnlijk mijne geheele toekomst verbitteren zal, aan wien ik zóó veel geluk te danken had!

„Geloof me steeds met de meeste opregtheid,

Uwe ongelukkige

J. Waters.

„P.S. Houd maar zoo veel mogelijk moed, want de heer Fitzpatrick verkeert in hoegenaamd geen gevaar; zoodat, door welke schandelijke misdaden ook uw geweten bezwaard zij, gij den moord niet daaronder behoeft te rekenen.”

Jones liet den brief vallen zoodra hij hem gelezen had, want hij was inderdaad naauwelijks meer bij zijne zinnen.

Partridge raapte hem op en eene stilzwijgende toestemming verkregen hebbende, las hij ook het schrijven dat op hem naauwelijks minder hevig werkte. Men moest het penseel en niet de pen gebruiken om de ellende af te schilderen, die thans op hunne gelaatstrekken zigtbaar was. Terwijl beiden nog sprakeloos stonden, trad de cipier binnen, en zonder acht te slaan op hetgeen duidelijk genoeg sprak uit beider gezigten, meldde hij aan Jones, dat er iemand was, die hem wenschte te spreken. Deze persoon werd dan ook dadelijk binnen gebragt en bleek niemand anders te zijn dan de Zwarte George.

Daar deze niet zoo gewoon was aan tooneelen van ellende als de cipier, merkte hij dadelijk de ontroering van Jones op. Dit schreef hij toe aan het tweegevecht, dat in het huis van den heer Western in het allerergste licht was voorgesteld;—hij maakte dus uit alles op dat mijnheer Fitzpatrick overleden was en dat de heer Jones zelf gevaar liep van een schandelijken dood te sterven. Bij deze gedachte gevoelde hij zich ook zeer ongelukkig; want George was medelijdend van aard en niettegenstaande het ééne kleine verraad, waartoe hij zich had laten verleiden, bleef hij, over het algemeen, volstrekt niet ongevoelig voor al de weldaden, welke de heer Jones hem bewezen had.

De arme kerel had dus moeite om zijne tranen te bedwingen bij het droevige tooneel dat hij thans zag. Hij verzekerde Jones dat hij diens rampen zeer betreurde en smeekte hem zich te bedenken, of hij hem eenige dienst zou kunnen bewijzen.

„Misschien, mijnheer,” zeide hij, „zult gij wat geld bij deze gelegenheid noodig hebben en in dat geval, is het weinige waarover ik beschikken kan, geheel tot uwe dienst.”

Jones drukte hem zeer hartelijk de hand, en bedankte hem herhaaldelijk voor zijn vriendelijk aanbod; maar antwoordde: „Dat hij hoegenaamd geen gebrek aan geld had.”

Hierop begon George nog ijveriger dan te voren hem zijne diensten op te dringen.

Jones bedankte hem nogmaals, en verzekerde hem dat hij aan niets behoefte had wat eenig mensch ter wereld hem verschaffen kon.