Chapter 52 of 84 · 3730 words · ~19 min read

Part 52

„Ik zou me gelukkig geacht hebben als ik ook een ander lastig gezelschap had kunnen ontvlugten; maar, helaas, er was iets waardoor ik steeds gepijnigd werd, en dat te meer daar ik geen kans zag om me er van te bevrijden. Dit waren mijne eigene kwellende gedachten, die me onophoudelijk pijnigden en als het ware dag en nacht vervolgden. In dezen toestand beleefde ik een tijd, welks verschrikkelijkheden men evenmin beschrijven als zich voorstellen kan. Verbeeld u, als gij dat kunt, mijne lieve, wat ik te lijden had. Ik werd moeder door den man dien ik verachtte, haatte en verfoeide. Ik doorstond al de pijn en ellende eener verlossing (die tienmaal kwellender is in zulke omstandigheden, dan de ergste martelingen, die men verdraagt om den wille van een man dien men liefheeft), in een woestijn, of liever, te midden van een woest tooneel van spel en drank zonder vriendin, zonder gezelschap, en zonder eenige van die aangename omstandigheden, welke dikwerf het lijden van ons geslacht op zulk een oogenblik verzachten en het soms welligt meer dan vergoeden.”

HOOFDSTUK VI.

DE VERGISSING VAN DEN WAARD BRENGT SOPHIA IN VERSCHRIKKELIJKE VERLEGENHEID.

Mevrouw Fitzpatrick wilde met haar verhaal voortgaan toen zij gestoord werd door het binnenbrengen van het middagmaal, tot groot verdriet van Sophia; want de rampen harer vriendin hadden hare belangstelling zoo zeer opgewekt dat zij geen ander verlangen meer had, dan naar het vervolg van de geschiedenis van mevrouw Fitzpatrick te luisteren.

De waard verscheen nu met een bord onder den arm en met even veel eerbied in zijne houding en op zijne gelaatstrekken alsof de dames met een rijtuig door zes paarden getrokken, gekomen waren.

De getrouwde dame scheen minder door hare rampen aangedaan te zijn dan hare nicht; want zij at zeer smakelijk, terwijl de laatste naauwelijks één mondvol gebruiken kon. Sophia toonde ook meer leed en verdriet op hare gelaatstrekken, dan bij de andere dame zigtbaar waren, die deze teekens bij hare vriendin opgemerkt hebbende, haar smeekte om zich te troosten, met de woorden: „Alles zal welligt beter afloopen dan gij of ik ons voorstellen!”

De waard, zich nu verbeeldende, dat hij eene geschikte gelegenheid gevonden had om meê te praten, besloot die niet ongebruikt te laten voorbijgaan.

„Het spijt me, dame,” zeide hij, „dat het eten u niet smaakt; want gij moet zeker honger hebben na zoolang vasten. Ik hoop niet dat gij u over iets ongerust maakt; want zoo als mevrouw zeide: alles kan wel beter afloopen dan men verwacht. Een mijnheer, die pas hier is geweest, bragt heerlijke tijdingen, en misschien zullen zekere menschen, die anderen niet wenschen aan te treffen, Londen bereiken eer zij ingehaald worden;—en als zij dat eenmaal doen, dan twijfel ik niet dat zij er vrienden genoeg vinden om hen dáár te ontvangen.”

Alle menschen, die eenig gevaar te vreezen hebben, herscheppen al wat zij zien of hooren in angstwekkende voorwerpen. Sophia maakte dus dadelijk op, uit deze woorden, dat zij door haar vader ontdekt en vervolgd werd. Zij geraakte daarom in den grootsten angst en kon eenige minuten lang geen woord uit brengen;—tot zij zich eindelijk in zoo ver vermeesterde, dat zij den waard verzocht zijne dienstboden uit de kamer te verwijderen en hem daarop, als volgt, aansprak:

„Naar ik zie, mijnheer, weet gij wie wij zijn,—en ik smeek u,—neen, ik ben overtuigd, dat als gij niet geheel slecht zijt, gij ons ook niet verraden zult.”

„Ik u verraden!” riep de waard. „Neen! (en hij voegde eene geheele reeks vloeken er bij,) „eerder liet ik me in tien duizend stukken hakken! Ik haat alles wat op verraad gelijkt! Ik u verraden? Ik heb tot nu toe van mijn leven niemand verraden en ik zal zeker nu niet beginnen met zulk eene schoone dame als gij zijt, te verraden! De geheele wereld zou het me ook zeer zeker kwalijk nemen als ik dat deed, daar het zoo spoedig in uwe magt zal wezen mij voor mijne getrouwheid te beloonen. Ik kan mijne vrouw tot getuige roepen, dat ik u herkende zoodra gij hier voet in huis hadt gezet;—ik zeide dat gij het waart, eer ik u van het paard hielp en ik zal de kneuzingen, die ik bij die gelegenheid in uwe dienst kreeg, mede in ’t graf nemen;—maar, wat komt dat er op aan, daar ik het geluk had u te redden? ’t Is waar, dat er zekere menschen zijn, die heden morgen er op bedacht zouden geweest zijn, om zich eene belooning te verzekeren;—maar zulk eene gedachte is mij nooit door het hoofd gegaan. Ik zou liever van honger sterven dan wat ook aannemen, om u te verraden!”

„Ik beloof u, mijnheer,” zeide Sophia, „dat als ik me ooit tot iets in staat zie, gij niets zult verliezen door uwe edelmoedigheid!”

„Ach, dame!” antwoordde de waard; „als gij u ooit tot iets in staat ziet? De hemel geve maar dat gij dan den wil hebt! Ik ben maar bang dat gij zoo’n gering mensch als een herbergier zult vergeten;—maar als dat niet het geval is, hoop ik dat gij ook niet vergeten zult, welke belooning ik weigerde,—weigerde?—dat is, welke belooning ik geweigerd zou hebben,—en dat is zeker zoo goed alsof ik ze geweigerd had;—want ik had ze zeker kunnen krijgen,—en gij hadt in zekere herbergen kunnen teregt komen, waar——maar, wat mij aangaat, ik wilde toch niet om alles ter wereld, dat de dames denken zouden dat ik haar ooit had willen verraden, zelfs eer ik de goede tijding vernam.”

„Welke tijding?” vroeg Sophia, met eenige drift.

„Weten het de dames dan nog niet?” riep de waard. „Nu, dat kan best wezen; want ik vernam ze zelf slechts eenige minuten geleden, en de drommel hale mij op dit oogenblik, als ik u ooit heb willen verraden;—neen, als ik dat ooit heb willen doen, moge ik—” Hier voegde hij vele verschrikkelijke vloeken bij, die Sophia eindelijk afbrak door hem te smeeken haar te zeggen van welk nieuws hij sprak.

Hij wilde haar antwoord geven, toen jufvrouw Honour, bleek en ademloos de kamer binnenstoof en uitriep:

„Wij zijn alle verloren! Wij zijn te gronde gerigt! Zij zijn gekomen! Zij zijn gekomen!”

Deze woorden deden het bloed in Sophia’s aderen stollen maar mevrouw; Fitzpatrick vroeg, „wie toch gekomen waren?”

„Wie!” riep Honour uit; „Wel de Franschen! Ik weet niet hoeveel honderd duizenden, en wij zullen allen vermoord en verkracht worden!”

Even als een vrek, die in eenige schoone stad een hutje bezit, ter waarde van eenige guldens, als hij, op een afstand door het gerucht van brand verschrikt wordt, verbleekt en beeft hij de gedachte aan zijn eigen verlies; maar dadelijk herstelt en glimlacht over zijn geluk zoodra hij verneemt dat slechts prachtige paleizen vernield zijn en zijn hutje verschoond is gebleven;—of (want er is iets in dit beeld dat ons mishaagt),—even als de teedere moeder in de vrees dat haar lievelingszoontje verdronken is, verstomt en bijna verstijft van den angst,—maar, zoodra zij verneemt dat de jonge heer veilig is, en slechts een groot oorlogschip met twaalf honderd dapperen gezonken is, tot het leven en het verstand terugkeert, en de moederliefde de plotselinge verligting van haren angst geniet, terwijl de algemeene welwillendheid, welke op een ander oogenblik de verschrikkelijke ramp diep gevoeld zou hebben, in haar hart sluimert:—zoo ook vond nu Sophia, die meer dan iemand in staat was de rampen van haar vaderland te gevoelen,—zulke oogenblikkelijke verligting van de vrees van door haar vader ingehaald te zijn, dat de aankomst der Franschen ter naauwernood eenigen indruk op haar maakte.

Zij berispte dus vriendelijk hare kamenier wegens den angst, welken deze haar aangejaagd had, en zeide, „dat zij blijde was niets ergers te vernemen;—want dat zij bang was geweest dat iemand anders aangekomen was.”

„Ja, ja,” zei de waard, met een glimlach; „de dame is beter onderrigt! Zij weet dat de Franschen onze beste vrienden zijn, en dat zij alleen hier overgekomen zijn om ons te helpen. Dat zijn de menschen die Oud-Engeland er weer boven op zullen brengen! Ik begrijp best dat de dame zich verbeeldde dat de hertog gekomen was, en dat was wel genoeg om haar een angst op het lijf te jagen! Ik was juist op het punt om de dame het groote nieuws te vertellen:—Zijne Majesteit de Pretendent,—de hemel zegene hem!—heeft den hertog gefopt en is hem voorbij en trekt zoo snel hij maar kan op Londen, en er zijn tien duizend Franschen geland, die zich onderweg bij hem voegen zullen.”

Sophia was niet zeer ingenomen met deze tijding, noch met de persoon, die ze haar gaf; maar daar zij zich steeds nog verbeeldde dat hij haar kende,—en onmogelijk de ware toedragt der zaak gissen kon,—durfde zij hare ontevredenheid niet toonen.

De waard ruimde nu de tafel op en verliet de kamer, terwijl hij bij zijn vertrek zijne hoop herhaaldelijk uitte, dat zij later aan hem denken zoude.

Sophia was volstrekt niet op haar gemak bij de gedachte dat men haar hier in huis kende; want zij paste al wat de waard voor Jenny Cameron bedoeld had, op zich zelve toe; zij beval dus hare kamenier om hem te polsen omtrent de middelen waardoor hij haar had leeren kennen, en omtrent den persoon, die hem had willen omkoopen om haar te verraden; zij gelastte tevens dat de paarden des morgens om vier uren gereed zouden staan, op welken tijd mevrouw Fitzpatrick beloofde haar te vergezellen, en daarop, haar best doende om bedaard te blijven, verzocht zij die dame haar verhaal voort te zetten.

HOOFDSTUK VII.

WAARIN MEVROUW FITZPATRICK HAAR VERHAAL TEN EINDE BRENGT.

Terwijl jufvrouw Honour overeenkomstig de bevelen harer meesteresse eene kom punch bestelde en den waard en zijne vrouw uitnoodigde om ze met haar te leegen, hervatte mevrouw Fitzpatrick als volgt, hare geschiedenis:

„De meeste officieren, die in de naburige stad in kwartier lagen, waren kennissen van mijn echtgenoot. Onder dezen was een luitenant, een zeer knap slag van mensch, die gehuwd was met eene dame, die zoo innemend van karakter en in den omgang was, dat wij sedert onze eerste kennismaking, kort na mijne bevalling, bijna onafscheidelijk werden; want ik had het geluk dat zij evenveel van mij hield als ik van haar.

„De luitenant, noch een dronkaard noch een jager, was dikwerf bij ons;—inderdaad hij was slechts zelden bij mijn man,—niet meer dan de beleefdheid vorderde, daar hij bijna dagelijks bij ons aan huis was. Mijn echtgenoot gaf dus zijne ontevredenheid te kennen dat de luitenant mijn omgang boven den zijne verkoos; hij beknorde mij daarover, en verwenschte me dikwerf bitter omdat ik hem van zijne makkers beroofde, zeggende „dat ik verdiende verd— te zijn omdat ik een der knapste kerels ter wereld bedorven had door een janhen van hem te maken.”

„Ge zoudt u zeer vergissen, Sophialief, als ge u verbeelddet dat mijn man wezenlijk kwaad was omdat ik hem van een makker beroofd had; want de luitenant was geen mensch wiens omgang een dwaas bevallen kon; en al wilde ik de mogelijkheid daarvan toegeven, mijn echtgenoot had zoo weinig regt het verlies van zijn vriend aan mij toe te schrijven, dat ik overtuigd ben dat het alleen om den wille was van mijn gezelschap, dat hij ooit den voet bij ons in huis zette. Neen, kind, het was nijd, de ergste en bitterste soort van nijd; hij benijdde hem zijne meerderheid aan verstand. De ellendeling kon het niet verdragen, te zien dat mijn omgang boven den zijne verkozen werd door iemand omtrent wien bij geen de minste ijverzucht koesteren kon. O, mijne lieve Sophia, gij zelve hebt zoo goed uw verstand!—als gij iemand trouwt,—wat waarschijnlijk het geval zal wezen,—die minder knap is dan gij, beproef wel zijn humeur vóór uw huwelijk, en zie of hij zulk eene meerderheid verdragen kan.—Beloof me, Sophia, dezen raad te volgen;—want ge zult later inzien van hoe veel belang het is!”

„’t Is zeer waarschijnlijk dat ik nooit trouwen zal,” hernam Sophia. „Ik geloof, ten minste, dat ik nooit een man zal nemen in wiens verstand ik vóór ons huwelijk eenig gebrek zie, en ik verklaar u, dat ik liever het mijne kwijt zou worden dan later zoo iets te ontdekken.”

„Uw verstand kwijt worden!” riep mevrouw Fitzpatrick. „Foei, meisje;—ik wil dat niet van u hoopen! Men zou mij kunnen overhalen om al het overige op te geven; maar dat nooit! De natuur zou in zoovele gevallen deze meerderheid niet aan de vrouw gegeven hebben, als het hare bedoeling geweest ware, dat wij het alleen aan den man moesten opofferen! Dit is ook inderdaad wat verstandige mannen nooit van ons verwachten, en de luitenant van wien ik gesproken heb, was een voorbeeld in dit opzigt; want hoewel hij zeer goed zijn verstand had, bekende hij altijd (wat ook het geval was), dat zijne vrouw hem daarin overtrof. En dit was welligt ééne reden waarom mijn dwingeland mij haatte.

„Hij zeide dan ook, „dat eerder dan zich door zulk eene verwenschte leelijke feeks te laten regeren (en schoon was zij niet, hoewel zeer aangenaam en vooral echt fatsoenlijk), hij alle vrouwen ter wereld naar den drommel zou jagen!”—Eene gewone uitdrukking van hem. Hij vroeg ook, wat ik in haar zien kon, om mij te bekoren.—„Sedert die vrouw onder ons gekomen is,” zeide hij, „is er een einde aan uwe geliefkoosde lektuur, waarop gij veinsdet zoo zeer verzot te zijn, dat ge geen tijd kondt vinden om tegenbezoeken te maken bij de dames hier;”—en ik moet bekennen dat ik me schuldig gemaakt had aan eenige onbeleefdheid ten dien opzigte; want de dames dáár zijn in geen geval beter dan de vrouwen op het land hier en, me dunkt, dat dit verontschuldiging genoeg bij u zal wezen, als ik alle gemeenzaamheid met haar vermeed.

„Deze vriendschap duurde echter een geheel jaar, ja zelfs den heelen tijd dat de luitenant in de stad in kwartier lag; en om den wille daarvan onderwierp ik me er aan om aanhoudend, op pas vermelde wijze, door mijn man uitgescholden te worden;—ik bedoel als hij te huis was, want hij was dikwerf een maand achtereen afwezig, te Dublin, en ging zelfs eens twee maanden lang naar Londen, bij al welke gelegenheden ik me bijzonder gelukkig achtte, dat hij mij nooit ééns vroeg om hem te vergezellen;—ja, hij gaf zelfs door zijne herhaalde spotternijen over mannen, die nooit reizen konden, zoo als hij het uitdrukte, zonder eene vrouw meê te sleepen, genoegzaam te kennen, dat al had ik nog zoo zeer verlangd om hem te vergezellen, mijne wenschen te vergeefs zouden geweest zijn;—maar, dat weet de hemel, zulke wenschen kwamen nooit in de verte bij mij op!

„Eindelijk werd ik van mijne vriendin weder beroofd en bleef in mijne eenzaamheid overgelaten aan de kwellende gedachten welke mij bezielden, en moest mijne toevlugt tot de boeken nemen om eenigen troost te vinden. Ik las ook nu bijna den geheelen dag.—Hoevele boeken, denkt ge, dat ik in drie maanden tijds las?”

„Dat kan ik onmogelijk gissen, nicht!” hernam Sophia; „Welligt een tiental?”

„Een tiental! Wel ten minste vijfhonderd, kind!” antwoordde de andere. „Ik las veel in Daniëls Geschiedenis van Frankrijk; veel in Plutarchus:—dan de Atalantas; den Homerus van Pope; Drydens dramatische werken; Chillingworth; de Gravin d’Anois en Locke, over de menschelijke rede.

„In dezen tusschentijd schreef ik drie smeekende, en naar ik me verbeeldde, zeer aandoenlijke brieven aan tante; daar ik echter geen antwoord ontving, belette mij mijn trots, om met mijn smeeken voort te gaan.” Hier brak zij af, en Sophia ernstig aanziende, zeide zij: „Me dunkt, lieve, dat ik iets in uwe blikken ontwaar, dat me verwijt, dat ik iemand anders verwaarloosde, bij wie ik eene hartelijkere ontvangst gevonden zou hebben.”

„Inderdaad, lieve Henriette,” hernam Sophia, „verontschuldigt uwe geschiedenis alle verzuimen; maar werkelijk gevoel ik dat ik zelve me schuldig gemaakt heb aan een verzuim ten uwen opzigte, zonder eenige verontschuldiging te hebben.—Maar, bid ik u, ga voort met uw verhaal; want ik verlang, hoezeer ik ook vrees, het vervolg er van te vernemen.”

Mevrouw Fitzpatrick hervatte hierop haar verhaal als volgt: „Mijn man ondernam nu eene tweede reis naar Engeland, waar hij drie maanden lang bleef; gedurende het grootste gedeelte van dezen tijd, leidde ik een leven dat alleen door de ondervinding van het ergere dat voorafgegaan was, verdragelijk werd; want de volmaakte eenzaamheid is alleen te dragen door een gezellig wezen als ik ben, als men daardoor verlost wordt van het gezelschap van iemand dien men haat. Hetgeen mijne ellende vermeerderde, was het verlies van mijn kindje,—niet dat ik veinzen wilde die buitensporige liefde daarvoor gekoesterd te hebben, voor welke ik in andere omstandigheden vatbaar had kunnen zijn; maar ik had besloten in alle opzigten mijn pligt als teedere moeder te vervullen en deze zorg belette mij om het drukkende van dat drukkendste aller dingen te gevoelen, (namelijk van den tijd) als men eens gevoelt dat die ons lang valt.

„Ik had bijna tien weken alleen gesleten, daar ik in al dien tijd niemand gezien had dan mijne dienstboden en zeer weinige bezoekers, toen eene jonge dame, eene bloedverwante van mijn echtgenoot, uit eene verwijderde streek van Ierland mij kwam opzoeken. Zij had eenmaal te voren eene week bij ons doorgebragt, en toen had ik haar dringend uitgenoodigd om terug te keeren; want zij was eene zeer aangename vrouw, wier aangeborene goede gaven door eene fatsoenlijke opvoeding ontwikkeld waren. Inderdaad, zij was mij eene zeer gewenschte gast.

„Eenige dagen na hare aankomst, daar zij bemerkte dat ik zeer neerslagtig was,—zonder naar de oorzaak te vragen,—welke haar echter wel bekend was,—begon deze jonge dame mijn lot te beklagen. Zij zeide, „dat ofschoon de welvoegelijkheid mij belet had over het gedrag van mijn man te klagen bij zijne bloedverwanten, zij er toch allen mede bekend waren, en zich zeer daarover bedroefden,—en dat niemand zich die zaak meer aantrok dan zij.”

„En, na eenige algemeene gezegden omtrent dit punt, die ik niet nalaten kon met goedkeuring aan te hooren, deelde zij mij eindelijk mede, na mij vooraf voorzigtigheid en het diepste stilzwijgen aanbevolen te hebben, dat mijn echtgenoot eene maitresse hield.

„Gij zult u zeker verbeelden dat ik dit berigt met de meeste onverschilligheid aanhoorde.—Maar als gij dat doet, vergist gij u ten zeerste. De minachting had mijne verontwaardiging niet zoo geheel gesmoord, dat ik niet bij deze gelegenheid weder in hevigen toorn ontstak. Hoe zou dit te verklaren zijn? Zijn we zoo verfoeijelijk egoïstisch, dat wij er ons over ergeren als anderen dat bezitten wat wij zelve verachten? Of zijn we niet eerder onverdragelijk ijdel, en is zoo iets niet de grofste beleediging, welke men onzer ijdelheid aandoen kan? Zeg, Sophia,—wat is uw gevoelen?”

„Dat weet ik wezenlijk niet,” hernam deze; „ik heb me nooit met zulke afgetrokkene bespiegelingen opgehouden; maar ik geloof dat de dame zeer verkeerd deed met u een geheim van dien aard mede te deelen.”

„En toch, mijne lieve, is zoo iets heel natuurlijk en als gij zoo veel als ik gelezen en gezien hebt, zult gij dat best begrijpen.”

„Het spijt me te hooren dat zoo iets natuurlijk is,” hernam Sophia, „want ik heb noch lektuur noch ondervinding noodig om mij te overtuigen dat het alles behalve eervol is, of van een goed hart getuigt—ja, zelfs komt het mij voor dat het even onfatsoenlijk is om een man of zijne vrouw op elkanders gebreken opmerkzaam te maken, als om hun hunne eigene te verwijten.”

„Eindelijk,” hervatte mevrouw Fitzpatrick, „keerde mijn man terug, en als ik mijne eigene gedachten begrijp, haatte ik hem toen meer dan ooit te voren; maar ik verachtte hem iets minder; want, niets is zoo zeer geschikt om onze verachting te verzwakken, als eene beleediging van onzen hoogmoed of van onze ijdelheid.”

„Hij huichelde nu eene houding tegenover mij, die zoo zeer verschilde bij die van den laatsten tijd, en die zoo veel overeenkomst had met zijn gedrag gedurende de eerste week van ons huwelijk, dat als er een enkel vonkje liefde bij me overgebleven ware, hij welligt mijne genegenheid op nieuw had kunnen doen ontbranden. Maar hoewel het mogelijk is dat verachting door haat gevolgd, en welligt zelfs overwonnen wordt, geloof ik niet, dat ooit weder de liefde voor haar in de plaats treedt. De waarheid is, dat de hartstogt der liefde te rusteloos is om zich te kunnen vergenoegen zonder de voldoening welke ze van het voorwerp er van verkrijgt, en men kan niet meer geneigd zijn om te minnen zonder liefde, dan men oogen hebben kan zonder te zien. Als een echtgenoot dus eens ophoudt het voorwerp dezer liefde te zijn, is het meer dan waarschijnlijk dat een andere man, ik bedoel, lieve, dat als uw man u onverschillig wordt,—als ge er toe komt om hem te verachten,—ik meen,—dat is,—als gij tot de liefde geneigd zijt;—Hemel! ik ben zoo in de war geraakt!—men komt er zoo ligt toe bij dergelijke afgetrokkene bespiegelingen, om, wat de heer Locke noemt de aaneenschakeling der denkbeelden, kwijt te raken;—met één woord, het ware van de zaak is;—ik weet niet juist wat;—maar, zoo als ik zeide, mijn man keerde terug en in het begin was ik zeer verwonderd over zijn gedrag;—maar spoedig werd ik met de beweegreden daartoe bekend, en leerde inzien wat hij beoogde. Met één woord, hij had al mijn baar geld uitgegeven, of verspeeld, en daar hij geen hypotheek meer kon krijgen op zijn eigen goed, verlangde hij zich nu van geld te voorzien door eene kleine bezitting, welke mij toebehoorde, te verkoopen,—wat hij niet doen kon zonder mijne hulp; en het was alleen ten einde deze gunst van mij te verkrijgen, dat hij nu weer eenige liefde tot mij veinsde.

„Ik weigerde zeer stellig hierin toe te stemmen. Ik vertelde hem,—en met waarheid, dat, al had ik de schatten van geheel Indië bezeten bij ons huwelijk, hij er over had kunnen beschikken; want dat het steeds mijn stelregel geweest was dat waar eene vrouw haar hart laat, zij ook haar vermogen laten moet; maar, dat daar hij de goedheid had gehad mij al lang geleden het eerste weder te geven, ik ook besloten had het weinige wat mij van het tweede overbleef, te bewaren.

„Ik zal u de drift niet beschrijven waarin hij geraakte bij deze woorden en bij de vaste houding, waarmede ik ze uitte;—ik zal u evenmin vervelen met het tooneel dat er tusschen ons volgde. Gij begrijpt wel dat de geschiedenis van de maitresse er uit kwam,—en dat was ook het geval met al de bijhangsels waarmede toorn en verachting ze opschikken konden.