Part 43
Inderdaad, zijn uiterlijk was bekoorlijk, en als eene zeer schoone gestalte, met fraaije gelaatstrekken, opgeluisterd nog door jeugd, gezondheid, kracht, frischheid, moed en goedaardigheid, den mensch op een engel kunnen doen gelijken, was die gelijkenis bij hem te vinden.
De geredde zelve had niet in alle opzigten zoo veel van een menschelijken engel. Zij scheen ten minste van middelbaren leeftijd te zijn, en haar gezigt was ook niet zeer schoon: maar, daar haar kleederen van het bovenlijf afgescheurd waren, trok haar boezem, die zeer schoon gevormden blank was, de oogen van haren bevrijder, en eenige oogenblikken bleven zij elkaar zwijgend aanzien, tot dat de schurk, die op den grond uitgestrekt lag, zich begon te bewegen, waarop Jones den kousenband greep, die tot een ander doel bestemd was geweest, en hem beide handen achter den rug vast bond. En nu, hem in het gezigt ziende, ontdekte hij, tot zijne groote verbazing en welligt met geene geringe voldoening, dat deze mensch niemand anders was dan de vaandrig Northerton. De vaandrig had ook zijn vorigen tegenstander niet vergeten, dien hij herkende zoodra hij bijkwam. Zijne verbazing evenaarde die van Jones; maar hij zal wel bij die gelegenheid wat minder voldoening gesmaakt hebben.
Jones hielp Northerton op de beenen en hem vast in de oogen ziende, zeide hij:
„Naar ik me verbeeld, mijnheer, verwachttet ge niet mij ooit weder op aarde te ontmoeten, en ik beken dat ik er even weinig om dacht u hier te vinden. Evenwel, naar ik merk, heeft het noodlot ons weder bij elkaar gebragt, en mij ook voldoening verschaft voor de beleediging, welke ik van u ondervonden had.”
„Het lijkt waarlijk veel op een man van eer,” hernam Northerton, „om zich voldoening te verschaffen door iemand van achteren op het hoofd te slaan! Ik kan u ook hier geene voldoening geven, daar ik geen degen heb: maar indien ge u als eerlijk man durft te gedragen, laat ons ergens heengaan waar ik een wapen kan krijgen, en ik zal me als man van eer tegenover u houden.”
„Betaamt het zulk een schurk als gij zijt,” riep Jones, „om het woord van „eer” te besmetten door zich zoo iets aan te matigen? Maar ik zal geen tijd meer aan u verspillen; de wetten eischen voldoening van u en zullen ze ook krijgen!”
Zich daarop tot de vrouw wendende, vroeg hij haar, of zij ver van huis was, en zoo ja, of zij iemand in de buurt kende, waar zij zich eenige betamelijke kleeding kon verschaffen eer zij bij den vrederegter gingen?
Zij hernam dat zij in die streken vreemd was. Jones bedacht zich daarop en zeide, dat hij een vriend in de nabijheid had, die hen helpen zou; inderdaad, het verbaasde hem dat de grijsaard hem nog niet gevolgd was; maar het ware van de zaak was, dat de oude man van den Berg, zoodra onze held vertrokken was, op den heuvel was blijven zitten, waar hij, hoewel hij een geweer in de hand had, met veel geduld en onverschilligheid den uitslag afwachtte.
Jones trad nu van onder de boomen, en zag den ouden man daar zitten, zoo als wij beschreven hebben, waarop onze held al zijne vlugheid te baat nam en met verbazenden spoed den heuvel beklom.
De oude man gaf hem den raad om de vrouw naar Upton te brengen, de digtst bijzijnde stad, naar hij zeide, waar hij zeker was haar van alles te kunnen voorzien dat zij noodig mogt hebben. Jones, de vereischte inlichtingen omtrent den weg nu verkregen hebbende, nam afscheid van den ouden man van den Berg, na hem verzocht te hebben hem Partridge na te zenden, en keerde in haast naar het bosch terug.
Toen onze held zich verwijderd had, om inlichtingen bij zijn vriend te zoeken, had hij overlegd dat, daar hij den schelm de handen achter den rug vast gebonden had, deze buiten staat was om de arme vrouw eenig kwaad te doen. Bovendien wist hij dat hij binnen het bereik harer stem was en vlug genoeg terugkeeren kon om alle kwaad te voorkomen. Hij had ook den ellendeling verklaard, dat als hij iets beleedigends ondernam, hij dadelijk zelf wraak op hem uitoefenen zoude. Maar ongelukkig had Jones vergeten dat hoewel Northerton’s handen gebonden waren, zijne beenen vrij waren, en hij den gevangene ook niet verboden had, om ze naar goedvinden te gebruiken. Daar Northerton dus zijn woord niet gegeven had, dacht hij, zonder oneerlijkheid, te kunnen vertrekken, daar hij zich verbeeldde dat er geene regels bestonden, die hem noopten te wachten tot hij in behoorlijken vorm op vrije voeten gesteld werd. Hij maakte dus gebruik van zijne beenen, die hem ten dienste stonden, en ontsnapte onder het geboomte, dat zijne vlugt begunstigde, terwijl de vrouw, wier blikken welligt haren bevrijder volgden, niet eens om zijne ontsnapping dacht, of zich eenige moeite gaf om die te beletten.
Toen Jones dus terugkeerde, vond hij de vrouw alleen. Hij zou nu wat tijd er aan hebben willen besteden om Northerton op te zoeken; maar de vrouw liet dit niet toe, terwijl zij hem ernstig smeekte haar naar de stad te vergezellen, die hun aangewezen was.
„Wat de ontsnapping van dien schelm aangaat, mijnheer,” zeide zij, „daar geef ik niet om; want de wijsbegeerte en het christendom leeren ons onze vijanden te vergeven. Maar, ten uwen opzigte, mijnheer, raak ik in verlegenheid wegens al de moeite die ik u veroorzaak;—ja, de gehavende toestand mijner kleeding maakt me beschaamd, als ik u in de oogen zie, en ware het niet om den wille uwer bescherming, zou ik liefst alleen gaan.”
Jones bood haar zijn jas aan; maar, (ik weet niet om welke reden), zij weigerde stellig er gebruik van te maken, hoe sterk hij er ook op aandrong. Daarop smeekte hij haar beide oorzaken van hare verlegenheid te vergeten: „Wat de eerste daarvan betreft,” zeide hij, „heb ik alleen mijn pligt gedaan met u te beschermen, en wat de tweede aangaat, die zal ik uit den weg ruimen, door den heelen weg vóór u te gaan; want ik wilde u niet door mijne blikken beleedigen, en zou er toch niet voor kunnen instaan, dat ik aan de verleiding van zoo vele schoonheid zou kunnen weerstaan.”
Dus trokken onze held en de bevrijde dame, even als weleer Orpheus en Eurydice op; maar hoewel ik niet gelooven kan dat de schoone Jones opzettelijk verleidde om achterom te kijken, was hij echter—daar zij dikwerf bijstand van hem noodig had om haar over de vonders te helpen en zij bovendien menigmaal struikelde en andere ongelukken had,—telkens genoodzaakt om zich om te keeren. Hij was echter op den duur gelukkiger dan de arme Orpheus; want hij bragt zijne geleidster, of liever haar die hem volgde, veilig de beroemde stad Upton binnen.
HOOFDSTUK III.
DE AANKOMST VAN DEN HEER JONES MET DE DAME IN HET LOGEMENT; MET EENE ZEER UITVOERIGE BESCHRIJVING VAN DEN SLAG VAN UPTON.
Hoewel de lezer, zonder twijfel, zeer verlangend is te weten wie deze dame was en hoe zij in handen van den heer Northerton geraakt was, moeten wij hem smeeken zijne nieuwsgierigheid een oogenblik te bedwingen, daar wij, om zeer geldige redenen, welke hij later welligt begrijpen zal, genoodzaakt zijn hem een tijdlang in onzekerheid te laten.
Zoodra de heer Jones en zijne schoone gezellin de stad binnentraden, gingen zij dadelijk naar de herberg welke het best er uitzag in die straat. Hier beval Jones den knecht hem boven te brengen, naar eene kamer—toen de ontredderde schoone, die hem op den voet volgde, gegrepen werd door den waard, die uitriep: „Hola! Waar wil die bedelaarster heen? Blijf hier, zeg ik!”
Maar op dit oogenblik bulderde Jones van boven aan de trap: „Laat de dame naar boven komen!” met eene stem van zoo veel gezag, dat de goede man haar dadelijk los liet, en de dame zich haastte om op de kamer te komen.
Dáár wenschte Jones haar geluk met hare veilige aankomst, en ging naar beneden, met de belofte om de waardin met eenige kleedingstukken dadelijk naar boven te zenden.
Onze reizigers hadden toevallig hun intrek genomen in een huis dat een zeer goeden naam had, waar Iersche dames van de strengste deugd en Schotsche vrouwen van geen mindere gehalte haar intrek namen op weg naar Bath. De waardin zou dus geen onbehoorlijke vrijheden onder haar dak geduld hebben. Inderdaad, dergelijke dingen zijn zoo vuil en besmettelijk, dat ze zelfs de plaats waar ze voorvallen bezoedelen, en een huis, waar zoo iets gebeurt, spoedig een kwaden naam verschaffen.
Niet dat ik beweren wilde, dat het mogelijk zou zijn evenzeer op de kuischheid te letten in een logement als in den tempel van Vesta. De goede waardin hoopte ook niet op zulk een zegen, en geene der dames, waarvan ik gesproken heb,—en inderdaad ook geene zelfs van de allerstrengste deugd,—kon zoo iets verwachten of eischen. Maar het is in de magt van iedereen, om alle gemeene wijven, en alle sletten, die in lompen gehuld zijn, het huis uit te jagen. Hieraan hield zich de waardin zeer streng, en dit mogten hare deugdzame gasten, die niet in lompen gehuld waren, wel van haar eischen.
Nu vorderde het geene overgroote mate van ergdenkendheid, om zich te verbeelden dat de heer Jones en zijne in lompen gehulde gezellin, zekere voornemens koesterden, die hoewel ze in sommige christelijke landen geduld, in anderen bevorderd en in alle landen in praktijk gebragt worden, toch even streng verboden zijn als moord, of eenige andere verschrikkelijke misdaad, door de godsdienst die algemeen in die landen beleden wordt.
De waardin had dus naauwelijks kennis gekregen van de aankomst van bovengemeld paar, of zij begon op de middelen bedacht te zijn om hen, zoo spoedig mogelijk, de deur weer uit te krijgen. Ten einde dit doel te bereiken, had zij zich gewapend met een lang en doodelijk werktuig, waarmede, in tijden van vrede, de werkmeid gewoon was het weefsel van de nijvere spin te vernielen. Met andere woorden, zij had den bezem opgenomen, en was op het punt om de keuken te verlaten, toen Jones haar aansprak en eene japon vroeg en andere kleedingstukken, ten behoeve der halfnaakte vrouw, die zich boven bevond.
Niets is tergender voor de menschelijke natuur, noch gevaarlijker voor die kardinale deugd, het geduld, dan het verzoek om eene buitengewone liefdedienst te bewijzen aan menschen op wie men juist zeer vertoornd is. Om deze reden heeft Shakespeare zijne Desdemona, met de meeste kunst, haar man doen smeeken om gunsten te bewijzen aan Cassio, wat het beste middel was, niet slechts om zijne ijverzucht, maar ook om zijne woede tot den hoogsten graad van razernij te brengen; en wij zien den ongelukkigen Moor bij deze gelegenheid minder in staat om zijne drift te beheerschen, dan zelfs toen hij het geschenk, waaraan hij zoo veel waarde hechtte, in handen van zijn gewaanden mededinger zag. Inderdaad, wij beschouwen zoo iets als eene beleediging voor ons gezond verstand, en hieraan onderwerpt zich de menschelijke hoogmoed zeer moeijelijk.
De waardin nu, hoewel eene zeer goedaardige vrouw, bezat denkelijk iets van dezen hoogmoed, want Jones had naauwelijks zijn verzoek uitgesproken, of zij viel hem aan met zeker wapen, dat hoewel het noch lang, scherp of hard is, noch uiterlijk met wonden of dood schijnt te dreigen, vele wijze, ja zelfs dappere mannen schrik en afschuw aangejaagd heeft;—zoodat sommigen, die een geladen stuk geschut in de monding zouden durven kijken, een mond niet hebben durven aanzien, waar dit wapen gezwaaid werd, en eerder dan zich aan de uitwerking daarvan bloot te stellen, zich getroost hebben eene treurige en lafhartige vertooning te maken in de oogen hunner vrienden.
Om de waarheid te bekennen, vrees ik dat de heer Jones tot deze soort van menschen behoorde; want hoewel hij aangevallen en hevig met bovengenoemd wapen gekwetst werd, was hij er niet toe te brengen om eenigen tegenstand te bieden, maar smeekte zijne vijandin, op de meest lafhartige wijze, met hare slagen op te houden;—dat wil zeggen: hij smeekte haar met den meesten ernst hem aan te hooren; maar eer hij dit van haar verkrijgen kon, mengde zich de waard zelf in den strijd, en trok partij voor de zaak, die zoo weinig bijstand scheen noodig te hebben.
Er bestaat eene zekere soort van helden, die den strijd aannemen of ontwijken naarmate van het karakter en het gedrag hunner tegenstanders. Men zegt van dezen: „dat zij hunne menschen wel kennen,” en ik geloof dat Jones deze vrouw wel kende; want hoewel hij zoo onderworpen was gebleven tegenover haar, liet hij echter, zoodra hij door haar man aangevallen werd, een zeer sterken geest van verzet blijken, en beval hem te zwijgen, op zeer strenge straf,—niets minder namelijk, naar ik meen, dan op zijn eigen keukenvuur gesmeten te worden.
De man, zeer verontwaardigd, maar met een mengsel van medelijden, antwoordde: „Dan mag je wel eerst bidden om sterkte! Ik verbeeld me dat ik jou maken en breken kan;—ja best!” Waarna hij er toe overging om de dame die boven was, met een rist van scheldwoorden te overladen, van welke het laatste hem naauwelijks over de lippen was, of er viel een fiksche slag van den stok, welken Jones in de hand droeg, tusschen zijne schouders.
Het blijft de vraag of de waard, of de waardin het vlugst was met den slag terug te geven. De man, die niets in de handen had, viel aan met de vuist, en zijne goede vrouw den bezemsteel opheffende en naar het hoofd van Jones mikkende, zou waarschijnlijk dadelijk een einde aan den strijd en aan Jones zelven gemaakt hebben, zoo de slag niet afgeweerd ware geweest,—niet door de wonderlijke tusschenkomst van eene heidensche godheid, maar door een natuurlijk, hoewel gelukkig toeval, namelijk door de aankomst van Partridge, die op dat oogenblik het huis binnen trad,—want de vrees had hem den heelen berg af doen vliegen—en die nu het gevaar ziende, dat zijn heer, of zijn makker (naar gij verkiest), dreigde, zulk een treurigen afloop voorkwam, door den opgeheven arm der waardin te vatten.
De vrouw ontwaarde spoedig op welke wijze haar slag verijdeld was geworden, en daar zij buiten staat was om haren arm uit Partridge’s greep los te rukken, liet zij den bezemsteel vallen en Jones aan den toorn van haren man overleverende, viel zij met de meeste woede den armen jongen aan, die zich reeds aangekondigd had door den uitroep: „Wat drommel! Wilt ge mijn vriend doodslaan?”
Partridge, hoewel hij niet veel op had met vechten, kon toch niet stil zitten als zijn vriend aangevallen werd en was ook niet zeer ontevreden met dat gedeelte van den strijd, dat hem toeviel. Hij gaf dus de waardin hare slagen terug zoodra hij ze ontving; en het gevecht werd van beide zijden met hardnekkigheid volgehouden, en het scheen twijfelachtig voor wien de overwinning zich verklaren zou, toen de half naakte dame, die boven aan den trap het gesprek aangehoord had, dat den strijd voorafgegaan was, plotseling naar beneden vloog, en zonder de onbillijkheid in aanmerking te nemen van twee tegen één te vechten, dadelijk de arme vrouw aantastte, die tegen Partridge kampte, terwijl die groote held, in plaats van er uit te scheiden slechts met te meer woede streed, zoodra hij ontwaarde dat nieuwe hulp tot zijne versterking opgedaagd was.
De overwinning zou nu naar den kant der reizigers overgeheld hebben;—want de dapperste troepen moeten voor de meerderheid wijken, als Suze, de werkmeid, niet gelukkig gekomen ware om hare meesteresse te helpen. Deze Suze was, om het woord te gebruiken,—een der „pootigste” meisjes uit de buurt, en zou, geloof ik, de beroemde Thalestris zelve, of elke harer onderdanen onder de Amazonen verslagen hebben; want hare gestalte was krachtig en manhaftig en in alle opzigten voor den strijd geschikt.
Even als hare handen en armen geschapen waren om den vijand zeer gevaarlijk te zijn, zoo was ook haar gezigt gevormd om slagen te ontvangen zonder zeer benadeeld te worden; want haar neus was al zoo plat, hare lippen zoo breed, dat men het onmogelijk zou hebben kunnen zien als ze opgezwollen waren, en bovendien waren ze zoo hard dat eene vuist met moeite eenigen indruk er op kon maken. Eindelijk waren de wangbeenderen zoo vooruitstekend, dat ze bastions schenen te zijn door de natuur opgerigt, om hare oogen te beschermen in die gevechten, waarvoor zij zoo goed berekend en waartoe zij zoo wonderbaarlijk geneigd was.
Dit schoone schepsel op het slagveld gekomen zijnde, wendde zich dadelijk tot den vleugel, waar hare meesteresse zulk een ongelijk gevecht volhield tegen twee personen van verschillend geslacht. Hier daagde zij dadelijk Partridge tot het tweegevecht uit. Hij nam hare uitdaging aan en een wanhopige strijd begon tusschen die beiden.
De bloedige trawanten van den god des oorlogs, nu eenmaal losgelaten begonnen, zich de lippen te lekken;—de Overwinning met hare gouden vleugelen zweefde omhoog; Fortuna, hare weegschaal van de plank afnemende, begon het lot van Tom Jones, van zijne geleidster, en van Partridge te wegen tegen dat van den waard, van zijne vrouw en hare meid,—wat alles in volmaakt evenwigt vóór haar hing, toen een vriendelijk toeval plotseling een einde maakte aan den bloedigen twist, waarvan reeds de helft der strijdenden genoeg hadden. Dit toeval was de aankomst van eene reiskoets, met vier paarden bespannen, waarop de waard en zijne vrouw dadelijk het gevecht staakten, en op hun verzoek dezelfde gunst van hunne tegenstanders verkregen; maar Suze had die goedheid niet ten opzigte van Partridge; want de schoone Amazone haren vijand nedergeveld hebbende, zat hem nu op het lijf, en sloeg dapper op hem los, zonder acht te geven op zijn smeeken om den strijd te eindigen, of op de luide moordkreten, welke hij slaakte.
Zoodra Jones echter den waard kwijt was, vloog hij ter hulpe van zijn verslagen vriend, wien hij met groote moeite van de woedende werkmeid bevrijdde; zonder echter dat Partridge dadelijk iets van zijne verlossing merkte; want hij lag steeds plat op den rug, het gezigt met beide handen bedekt, en hield niet op met brullen, tot Jones hem noodzaakte om op te kijken, en te zien dat de slag gedaan was.
De waard, die geene zigtbare wonde ontvangen had, en de waardin haar gekrabd gezigt verbergende onder haar zakdoek, liepen dadelijk naar de deur om naar het rijtuig te zien, waaruit eene jonge dame met hare kamenier stegen.
De waardin bragt beide onmiddellijk naar de kamer, waar de heer Jones eerst zijn schoone buit gelaten had, daar dit het beste vertrek in huis was. Om daarheen te komen, moesten zij over het slagveld, wat zij met de meeste haast deden, hare gezigten met de zakdoeken verbergende, alsof zij wenschten door niemand opgemerkt te worden. Maar deze voorzorg was werkelijk geheel onnoodig; want de arme Helena, die de aanleiding had gegeven tot al dit bloedvergieten, was geheel er mede vervuld hoe haar eigen gelaat te verbergen; en Jones had het niet minder druk met Partridge te redden van de woedende Suze,—wat pas geschied was, toen de arme vent naar de pomp vloog om zijn gezigt te wasschen en om dien bloedstroom te stuiten, welken Suze uit zijne neusgaten had doen vloeijen.
HOOFDSTUK IV.
WAARIN DE AANKOMST VAN EEN KRIJGSMAN VOOR GOED EEN EINDE MAAKT AAN DE VIJANDELIJKHEDEN EN EEN VASTEN EN DUURZAMEN VREDE TUSSCHEN ALLE PARTIJEN DOET SLUITEN.
Ongeveer te dezen tijd, kwam er een sergeant aan, met eenige soldaten en een deserteur onder hunne hoede. De sergeant vroeg dadelijk naar den magistraat van het stadje, en vernam van den waard, dat hij zelf dat ambt bekleedde. Daarop eischte hij zijne inkwartieringsbiljetten en een kan bier, en klagende over de koude, strekte hij zich uit vóór het keukenvuur.
De heer Jones was op dit oogenblik bezig met de arme, ongelukkige dame te troosten, die aan eene tafel zittende in de keuken, met het hoofd op den arm liggende, luide over hare rampen jammerde;—maar, ten einde mijne schoone lezeressen alle ongerustheid omtrent zekere omstandigheid te benemen, is het noodig haar hier te doen weten dat eer de dame van boven gekomen was, zij zich zoo goed gehuld had in een sloop, die zij daar vond, dat het gevoel van welvoegelijkheid in het minst niet gekwetst werd door het bijzijn van nog zoo vele mannen in de kamer.
Een der soldaten stond nu op, naderde den sergeant en fluisterde hem wat in het oor, waarop deze het oog op de vrouw vestigde en haar een oogenblik vast aangekeken hebbende, opstond en zich tot haar rigtende, zeide:
„Vraag excuus, mevrouw, maar als ik me niet vergis, zijt gij zeker de vrouw van den kapitein Waters?”
De arme vrouw, die in haren nood, op niemand bijzonder gelet had, keek pas den sergeant aan, of zij herkende hem dadelijk, en hem bij den naam noemende, deed zij hem weten, dat zij wezenlijk de ongelukkige was die hij bedoelde, terwijl zij er bijvoegde: „Maar ik begrijp niet hoe het mogelijk is voor iemand mij in dezen rampzaligen toestand te herkennen!”
Waarop de sergeant hernam: „Dat hij ook zeer verwonderd was geweest mevrouw zoo toegetakeld te zien, en dat hij vreesde dat haar het een of ander ongeluk overkomen was.”
„Dat is ook het geval,” antwoordde zij, op Jones wijzende, „en ik heb het dezen heer te danken dat het geen noodlottig toeval was,—en dat ik nu nog leef om er van te kunnen spreken.”
„Wat ook mijnheer gedaan heeft,” zei de sergeant, „ik weet zeker dat de kapitein hem dankbaar zal wezen, en als ik van eenige dienst kan zijn, zal mevrouw wel over mij beschikken en ik zal me gelukkig achten, als het in mijne magt staat u eenige hulp te verleenen,—en dat zou ook iedereen; want de kapitein zal zeker iedereen daarvoor beloonen.”
De waardin, die op den trap staande, alles gehoord had wat er tusschen den sergeant en mevrouw Waters voorgevallen was, kwam nu met den meesten spoed naar beneden loopen, en begon haar om vergiffenis te smeeken voor al hare beleedigingen, die zij hoopte dat toegeschreven zouden worden aan onwetendheid omtrent haren stand; „Heere! mevrouw,” riep zij, „hoe had ik kunnen gissen dat iemand van uw rang zich zoo gekleed zou laten zien? Ik weet zeker, mevrouw, dat als ik maar had kunnen veronderstellen dat mevrouw eene echte mevrouw was, ik me liever de tong afgebeten zou hebben, dan te zeggen wat ik gezegd heb. Ik hoop ook dat mevrouw nu een japon van mij zal willen aantrekken,—tot hare eigene zaken komen.”
„Wat ik u bidden mag, vrouw,” hernam mevrouw Waters, „houd op met uwe malle praatjes;—hoe kunt ge denken dat ik iets geef om al wat over de lippen komt van zulke verachtelijke wezens als gij! Maar ik sta toch verstomd over uwe onbeschaamdheid, als ge denkt,—na al hetgeen gebeurd is,—dat ik me verwaardigen zou iets van uwe vuile lompen aan te doen! Neen, schepsel, daartoe ben ik te trotsch!”
Hier kwam Jones tusschenbeide en smeekte mevrouw Waters de waardin vergiffenis te schenken en gebruik van hare kleeren te maken; „want,” zeide hij, „ik moet bekennen dat wij eenigzins den schijn tegen ons hadden bij onze aankomst, en ik ben overtuigd dat al wat deze goede vrouw deed, alleen geschiedde, zoo als zij zelve verklaart, uit achting voor den goeden naam van haar huis.”