Part 59
Hij zeide, „dat hij overtuigd was, al bij hun vertrek, dat hun het eene of andere ongeluk overkomen zou.—Hebt gij die oude vrouw niet gezien, in de deur, juist toen wij te paard stegen, mijnheer?” vroeg hij aan Jones. „Ik wilde maar van ganscher harte, dat gij haar eene kleinigheid gegeven hadt; want zij zeide toen al, dat het u wel berouwen kon dat niet gedaan te hebben, en juist op dat oogenblik begon het te regenen en de wind is hoe langer zoo sterker opgekomen. Wat ook sommige menschen verkiezen te zeggen, ik weet zeker dat de heksen het in hare magt hebben den wind te doen opkomen wanneer zij verkiezen. Ik heb het dikwerf zien gebeuren, en als ik ooit van mijn leven eene heks gezien heb, is die oude er eene. Dat dacht ik dadelijk, zoodra ik haar zag, en als ik maar wat kopergeld op zak had gehad, zou ik haar eene kleinigheid gegeven hebben; want het is waarlijk geraden jegens dergelijke menschen mild te zijn, uit vrees voor hetgeen zou kunnen gebeuren, en menigeen heeft zijn vee verloren, door een duit te willen sparen.”
Hoewel Jones zich zeer ergerde over de vertraging, welke hij nu waarschijnlijk in zijne reis ondervinden zou, kon hij niet nalaten te glimlagchen om het bijgeloof van zijn vriend, die nu, door een nieuw ongelukje, in zijne denkbeelden bevestigd werd. Dit was niets anders dan een val van zijn paard, waardoor hij echter geen ander letsel ondervond dan dat zijne kleeren met modder bespat werden.
Partridge was pas weder op de beenen, toen hij zich beriep op zijn val als een afdoend bewijs van hetgeen hij beweerd had; maar Jones, bevindende dat hij ongekwetst was, hernam met een glimlach: „Die heks van u, Partridge, is een ondankbaar wijf, en maakt geen onderscheid, voor zoo ver ik zie, tusschen vriend en vijand in hare wraakoefening. Als de oude dame kwaad op mij geweest ware, omdat ik haar verwaarloosde, zie ik niet in waarom zij u van het paard zou smijten, na al den eerbied welken gij voor haar uitgedrukt hebt.”
„Men moet niet spotten,” riep Partridge, „met menschen, die het in hunne magt hebben zoo iets te doen; want zij zijn kwaadaardig. Ik herinner me een hoefsmid, die eene heks tergde, door haar te vragen, wanneer de tijd om zou zijn waarvoor zij met den duivel afspraak had gemaakt, en binnen drie maanden daarna was eene zijner beste koeijen verdronken. En daarmede was zij nog niet tevreden; want kort daarna verloor hij een vat van zijn best bier;—de oude heks was namelijk in den kelder geweest, en had de kraan open gezet, en den heelen kelder vol laten loopen, den eersten avond, dat hij het vat aftapte, om een pretje met zijne vrienden te hebben. Met één woord, later is er niets meer goed gegaan met hem; want zij plaagde den armen man zoo, dat hij aan den drank raakte, en binnen een jaar of wat werd zijn boeltje verkocht en zijne familie is nu aan de diakonie gekomen.”
De gids—en welligt zijn paard ook,—hadden zoo oplettend naar dit verhaal geluisterd dat beiden nu,—hetzij door gebrek aan voorzigtigheid, of door de kwaadaardigheid der heks, in den modder lagen te spartelen.
Partridge schreef dit ongeluk aan dezelfde oorzaak toe als het zijne. Hij zeide aan den heer Jones, „dat hij nu zeker aan de beurt was, en smeekte hem terug te keeren, om de oude vrouw op te zoeken, en haar te verzoenen. Wij zullen spoedig de herberg weder bereiken,” voegde hij er bij; „want hoewel wij ons verbeeld hebben vooruit te gaan, ben ik zeker dat wij juist op dezelfde plek zijn, waar wij een uur geleden waren, en als het daglicht was, zou ik durven wedden dat wij nu in het gezigt zouden zijn van de herberg vanwaar wij vertrokken zijn.”
In plaats van eenig antwoord op dezen wijzen raad te geven, was Jones bezig met onderzoek te doen naar den toestand van den postiljon, die er echter even goed afgekomen was als Partridge, terwijl zijne kleêren ook niet veel geleden hadden, daar ze sedert vele jaren aan dergelijke ongelukken gewoon waren geweest. Hij klom dan ook spoedig weder in den zadel en door de vele verwenschingen en slagen, welke hij aan zijn paard besteedde, overtuigde hij spoedig den heer Jones dat er niets kwaads met hem gebeurd was.
HOOFDSTUK XII.
DE HEER JONES ZET DE REIS VOORT, TEGEN DEN RAAD VAN PARTRIDGE IN, EN HETGEEN ER BIJ DEZE GELEGENHEID GEBEURDE.
Zij ontdekten nu een licht op eenigen afstand, tot groot genoegen van Jones, en tot geen geringen schrik van Partridge, die vast geloofde dat hij betooverd was, en dat het een dwaallichtje was, of iets welligt van nog gevaarlijker aard.
Maar hoe zeer vermeerderde niet deze schrik toen zij nader bij dit licht (of deze lichten, zoo als ze nu bleken te zijn) gekomen, een verward gebrom hoorden van menschelijke stemmen, lagchende, zingende, schreeuwende, tegelijk met een vreemd geluid, dat van zekere instrumenten scheen te komen, maar dat toch naauwelijks muzijk kon heeten;—hoewel men het,—naar het gevoelen van Partridge,—wel heksen-muzijk had kunnen noemen.
Het is haast onmogelijk den schrik, waardoor Partridge nu overvallen werd, te beschrijven, en die zich thans uitstrekte tot den postiljon, die zeer scherp geluisterd had naar al wat gezegd was. Hij vereenigde zich dan ook nu met Partridge, om Jones te smeeken terug te keeren; verklarende, dat hij vast geloofde aan hetgeen de schoolmeester pas verteld had, en dat hoewel de paarden schenen vooruit te gaan, zij gedurende het laatste half uur geene schrede verder gekomen waren.
Jones kon niet nalaten te glimlagchen over den angst dier arme knapen, hoezeer hij zich er over ergerde.
„Of wij naderen de lichten,” zeide hij, „òf de lichten naderen ons; want wij zijn er nu vlak bij,—en hoe kunt gij toch bang zijn voor een troep menschen, die zich alleen schijnen vrolijk te maken?”
„Zich vrolijk maken, mijnheer?” riep Partridge. „Wie zou dat doen op zulk een uur van den nacht, op zulk eene plaats en bij zulk weder? Het zijn niets anders dan spoken en heksen, of booze geesten van den een of anderen aard,—dat is zeker!”
„Wat het ook zijn,” hernam Jones, „ik heb besloten naar hen toe te gaan en den weg te vragen naar Coventry. Niet alle toovenaressen, Partridge, zijn zoo kwaadaardig als de heks, die wij tot ons ongeluk pas ontmoet hebben.”
„Hemel, mijnheer!” antwoordde Partridge, „het is onmogelijk vooraf te weten hoe zij gemutst zullen zijn; maar het beste is, zeker, heel beleefd jegens haar te zijn. Maar hoe, als wij nog erger dan heksen ontmoeten;—als het de booze geesten zelve zijn?—O, mijnheer, volg een goeden raad! dat bid ik u, mijnheer! Als gij zoo vele schrikkelijke verhalen van dergelijke dingen gelezen hadt als ik, zoudt gij niet zoo vermetel zijn.—De hemel weet waar wij nu al heen geraakt zijn, of waarheen wij gaan; want, zeker, is het nooit zoo pikdonker op aarde geweest, en ik twijfel of het elders donkerder kan zijn.”
Niettegenstaande al deze wenken en waarschuwingen, haastte zich Jones zoo veel mogelijk om vooruit te komen en de arme Partridge zag zich genoodzaakt om hem te volgen; want hoewel hij naauwelijks durfde verder te gaan, waagde hij het nog veel minder om alleen achter te blijven.
Eindelijk bereikten zij de plek vanwaar het licht en het leven scheen te komen. Jones ontdekte dat het eene schuur was, waarin eene groote menigte menschen, mannen en vrouwen, bijeen gekomen waren en zich schijnbaar zeer goed vermaakten.
Naauwelijks verscheen Jones voor de groote deuren van de schuur, die wijd open stonden, toen eene zeer ruwe mannenstem van binnen, „Werda!” riep.
Jones antwoordde zachtjes „Goedvriend!” en vroeg dadelijk den weg naar Coventry.
„Als ge goedvriend zijt,” riep eene tweede mannenstem uit de schuur, „stijg dan maar hier af tot het onweder over getrokken is (dat nu heviger dan te voren woedde), ge kunt best uw paard bergen;—er is plaats genoeg voor het dier aan het andere einde van de schuur.”
„Dat is zeer vriendelijk van u,” hernam Jones, „en ik wil wel voor eenige oogenblikken gebruik maken van uwe goedheid;—en er zijn nog twee bij me, die gaarne ook op dezelfde wijze begunstigd zouden worden.”
Dit werd gereeder toegestaan dan het aangenomen werd; want Partridge zou zich liever onderworpen hebben aan de grootste woede der elementen dan zich toe te vertrouwen aan de genade van diegenen welke hij voor spoken hield, en de arme postiljon was ook nu door dezelfde vrees bevangen;—maar beide waren toch genoodzaakt het voorbeeld van Jones te volgen;—de een omdat hij zijn paard niet uit de oogen durfde verliezen en de andere omdat hij niets zóó zeer vreesde als alleen te blijven.
Als deze geschiedenis in de eeuwen van het bijgeloof geschreven ware, zou ik te veel medelijden met den lezer hebben gehad om hem zoo lang in spanning te laten omtrent de verschijning van Beelzebub of van den Satan zelven met zijn helsch gevolg; daar echter die leerstellingen thans zeer uit de mode zijn en ter naauwernood eenige aanhangers vinden, geloof ik niet veel angst van dien aard opgewekt te hebben. Om de waarheid te zeggen, is de geheele bevolking der onderaardsche rijken sedert lang het eigendom geworden van de tooneel-directeuren, die ze in den laatsten tijd onder de prullen schijnen geborgen te hebben, welke alleen geschikt zijn om opgang te maken in den engelenbak, eene plaats, welke zeker zeer weinige onzer lezers bezoeken.
Hoewel we nu niet veronderstellen, dat wij bij deze gelegenheid eenige groote vrees opgewekt hebben, denken wij echter dat er andere vermoedens bij den lezer ontstaan zijn, welke wij volstrekt niet wenschten te doen ontstaan. Ik bedoel het vermoeden dat wij hem eene reis wilden laten maken in het tooverland, en dus wezens in onze geschiedenis doen optreden, waaraan haast niemand zoo kinderachtig geweest is te gelooven, hoewel menigeen welligt dwaas genoeg is geweest om veel tijd te verkwisten met het schrijven of het lezen van hunne lotgevallen.
Ten einde dus alle dergelijke verdenkingen weg te ruimen die zoo nadeelig zijn voor den goeden naam van een geschiedschrijver, die verklaart dat zijne bouwstoffen alleen door de natuur geleverd zijn, zullen wij er nu toe overgaan om den lezer bekend te maken met de wezens, welker plotselinge verschijning Partridge zoodanig verschrikt, den postiljon meer dan half bang gemaakt, en den heer Jones zelven eenigzins verrast had.
De menschen dan in deze schuur bijeen gekomen, waren niemand anders dan eene bende Zigeuners, of Heidenen, die nu de bruiloft van een paar uit hun volk vierden.
Het is onmogelijk zich een gelukkiger troep menschen te verbeelden dan die hier bijeen waren gekomen. De grootste opgeruimdheid was zigtbaar op ieders gelaat, en hunne danspartij was ook niet ontbloot van alle orde en welvoegelijkheid. Misschien heerschten er meer van beide dan men soms vindt in eene landelijke bijeenkomst; want deze menschen hebben een geregeld bestuur en eigene wetten en gehoorzamen allen aan één hoogsten magistraat, dien zij hun Koning noemen.
Grooter overvloed dan men in deze schuur zag, zou er ook nergens te vinden zijn geweest. Wel is waar, er ontbrak keurigheid en sierlijkheid aan het maal, maar deze waren ook onnoodig bij den krachtigen eetlust der gasten. Men vond er spek, kippen en schapenvleesch in overvloed, en iedereen bragt een betere sous mede dan de beste en kostbaarste Fransche kok verschaffen kan.
Aeneas ontstelde niet meer in den tempel van Juno dan onze held in deze schuur:
Dum stupet obtutuque haeret defixus in uno,
terwijl hij overal verbaasd rondkeek, naderde hem een eerbiedwaardig persoonaadje, met vele vriendschappelijke begroetingen, welke eenigzins te hartelijk waren om hoofsch te heeten. Dit was niemand anders dan de Koning der Heidenen. Hij onderscheidde zich in zijne kleeding zeer weinig van zijne onderdanen, en hij droeg geene regalia om zijne waardigheid te handhaven; en toch (zeide de heer Jones), was er iets in zijn uiterlijk dat gezag aantoonde, en den toeschouwer met achting en eerbied vervulde. Maar welligt was dit alles verbeelding van Jones, en het kan zijn, dat zulke denkbeelden door het gezag zelf worden ingeboezemd en bijna daarvan onafscheidelijk zijn.
Er was iets in het open gelaat en in de beleefde houding van Jones, dat, tegelijk met zijn innemend uiterlijk, reeds op het eerste gezigt een zeer gunstigen indruk maakte op iedereen die hem ontmoette. Dit werd thans welligt iets verhoogd door den diepen eerbied, welken hij den Koning der Heidenen bewees, zoodra hij met diens waardigheid bekend was geworden, en die zijner Heidensche Majesteit des te aangenamer was, daar hij alleen gewoon was bij zijne eigene onderdanen zulke hulde te vinden.
De Koning liet eene tafel spreiden ten zijnen behoeve met de keur hunner eetwaren, en zelf plaats genomen hebbende aan zijne regterhand, begon Zijne Majesteit onzen held (in gebroken Engelsch) op de volgende wijze aan te spreken:
„Geen twijfel, mijnheer, of gij hebt hier en daar hetgeen gij detachementen noemt, van mijn volk ontmoet;—want zij gaan overal heen;—maar ik verbeeld me, dat gij niet dacht, dat wij zulk een groot volk zijn als werkelijk het geval is;—misschien zal het u nog meer verwonderen te vernemen, dat de Zigeuners een even geregeld en goed bestuurd volk zijn, als eenig ander ter wereld. Ik heb de eer, gelijk ik gezegd heb, hun Koning te zijn, en geen vorst kan zich beroemen gehoorzamer of liefderijker onderdanen te hebben. Ik zal niet zeggen in hoe ver ik hunne toegenegenheid waardig ben; maar ik kan wel zeggen, dat ik nooit iets anders dan hun best voor oogen heb. Ook daarop zal ik me niet beroemen; want hoe zou ik ook iets anders dan het voordeel van die arme menschen beoogen, welke den heelen dag rondzwerven om mij het beste wat zij krijgen kunnen, te verschaffen? Zij beminnen mij, omdat ik hen liefheb en voor hen zorg;—en daarom alleen;—ten minste geene andere reden is mij bekend.
„Omtrent duizend, of twee duizend jaren geleden,—ik weet het op een jaar of wat niet,—viel er, wat gij eene groote omwenteling noemt, voor onder de Zigeuners;—want er waren toen groote heeren onder ons volk, die elkaar den voorrang betwistten;—maar de Zigeuner Koning vernietigde hen allen en maakte al zijne onderdanen onderling gelijk, en sedert dien tijd konden zij het best met elkaar vinden; want zij krijgen het niet in het hoofd om Koning te worden, wat welligt tot hun geluk strekt, daar ik u verzekeren kan, dat het een zeer lastig baantje is om Koning te zijn, en regt te moeten spreken. Ik heb dikwijls gewenscht slechts een gewone Zigeuner te zijn, als ik mij genoodzaakt zag om mijn besten vriend of bloedverwant te straffen; want hoewel wij nooit iemand ter dood brengen, zijn toch onze straffen zeer streng. Wij maken dat een Zigeuner zich schaamt over zijne eigene slechtheid en dat is eene zeer verschrikkelijke straf. Ik heb zelden gezien, dat een Zigeuner die zoo gestraft was, ooit weer kwaad deed.”
De Koning ging nu voort met zijne verbazing te uiten, dat de schande, als straf, onder geene andere besturen bekend was. Jones verzekerde hem echter van het tegendeel; want dat er vele wanbedrijven waren, waarover men zich schamen moest volgens de Engelsche wetten,—en dat de schande eigenlijk onafscheidelijk was van welke straf ook.
„Dat luidt toch heel vreemd,” hernam de Koning; „want ik weet en hoor veel van uw volk, ofschoon ik niet onder hen leef, en ik heb dikwerf gehoord dat schande het gevolg, en ook wel de oorzaak is van vele uwer belooningen. Zijn dan belooning en straf hetzelfde bij ulieden?”
Terwijl Zijne Majesteit aldus met Jones praatte, ontstond er een plotseling rumoer in de schuur, dat naar het schijnt, op de volgende wijze veroorzaakt werd;—de vriendelijkheid dezer menschen had langzamerhand alle vrees van den kant van Partridge doen verdwijnen, en hij liet zich overhalen niet slechts om ruimschoots van hunne levensmiddelen te proeven, maar ook van hun drank, die trapsgewijs al wat naar angst zweemde uit zijn gemoed verdreef en het vatbaar maakte voor gewaarwordingen van veel aangenamer aard.
Eene jeugdige Heidin, die meer door geestigheid dan door schoonheid uitmuntte, had den eerlijken knaap ter zijde gelokt, onder het voorwendsel van hem te willen waarzeggen. Toen zij zich echter alleen bevonden, in een stillen hoek van de schuur,—hetzij dit veroorzaakt werd door den sterken drank,—die nooit meer dan na buitengewone vermoeijenissen de lusten opwekt,—of daardoor dat de schoone Heidin zelve alle vrouwelijke kieschheid en zedigheid verloochende en den jeugdigen Partridge met bepaalde wenken verleidde,—werden zij in eene zeer ongepaste houding ontdekt door den man van de Heidin, die, naar het schijnt, uit ijverzucht, een waakzaam oog op zijne vrouw gehouden en haar naar de plek gevolgd had, waar hij haar in de armen vond van haren bewonderaar.
Tot groot verdriet van Jones werd Partridge nu vóór den Koning gesleept, die de beschuldiging aanhoorde en tevens de verdediging van den aangeklaagde, (welke zeer erbarmelijk uitviel), want de arme kerel was geheel verpletterd door de onwederlegbare getuigenis welke aangevoerd werd, en had naauwelijks één woord daartegen in te brengen.
Zijne Majesteit wendde zich nu tot Jones en zeide:
„Mijnheer, gij hebt ook gehoord wat zij te vertellen hebben. Zeg me nu welke straf uw dienaar verdiend heeft?”
Jones hernam, „dat het hem zeer speet dat zoo iets gebeurd was, en dat Partridge den man alle vergoeding schenken moest welke, in zijne magt was;”—wijders verklaarde hij op dat oogenblik slechts weinig geld bij zich te hebben, en de hand in den zak stekende bood, hij den man een guinje aan.
Deze echter antwoordde, „dat hij hoopte dat mijnheer er niet aan denken zou er hem minder dan vijf aan te bieden.”
Na eenig twisten werd deze som op twee terug gebragt, en Jones de volkomene vergiffenis van Partridge en van de vrouw bedongen hebbende, wilde het geld uitbetalen, toen Zijne Majesteit, zijne hand terug houdende, zich tot een der getuigen wendende, hem vroeg: „Wanneer hij de schuldigen ontdekt had?”
Hierop hernam deze, „dat de man hem verzocht had het oog te houden op zijne vrouw van het eerste oogenblik af dat zij met den vreemdeling sprak, en dat hij haar steeds in het gezigt had gehad tot de misdaad bedreven was.”
Daarop vroeg de Koning, „of de man ook den heelen tijd met hem op den loer geweest was?”
Dit werd beantwoord en bevestigd, en Zijne Heidensche Majesteit wendde zich toen tot den man en sprak als volgt:
„Het doet me zeer leed te zien, dat er één Zigeuner bestaat, die laag genoeg is om de eer zijner vrouw te verkoopen. Als gij uwe vrouw bemindet, zoudt gij belet hebben dat deze zaak voortgang had, en niet getracht hebben haar eerst tot eene —— te maken, om haar later te betrappen. Ik beveel, dat men u geen geld geve, want gij verdient straf en geene belooning. Ik beveel ook dat gij als onteerde Zigeuner beschouwd wordt, en dat gij voor den tijd van ééne maand een paar horens draagt, en dat uwe vrouw in dien tijd de —— genaamd, en overal als zoodanig met den vinger nagewezen zal worden;—want al zijt gij een onteerde Zigeuner, zij is niet te min eene verachtelijke ——”
De Heidenen gingen er dadelijk toe over om dit vonnis uit te voeren, en lieten Jones en Partridge alleen met Zijne Majesteit.
Jones juichte zeer de billijkheid van het vonnis toe waarop de Koning zich tot hem wendende, zeide:
„Het komt me voor, dat gij zeer verwonderd zijt; want gij zult zeker een zeer min denkbeeld hebben van ons volk. Gij houdt ons denkelijk allen voor dieven?”
„Ik moet bekennen,” zei Jones, „dat ik de Heidenen in een ongunstiger licht heb zien stellen, dan zij schijnen te verdienen.”
„Ik zal u zeggen wat het onderscheid is tusschen u en ons,” hernam de Koning; „mijn volk besteelt uw volk, en uw volk besteelt zich onderling.”
Jones ging nu voort met heel ernstig het geluk te prijzen van een volk, dat onder zulk een bestuurder leefde.
Inderdaad hun geluk schijnt zoo volmaakt te zijn geweest, dat wij bang zijn dat de een of andere voorvechter der onbeperkte magt later het geval van deze menschen aanhalen zal als een voorbeeld van de groote voordeelen, welke deze regeringsvorm boven alle anderen oplevert.
En wij moeten ook hier iets toegeven, dat men welligt niet van ons gewacht zou hebben, namelijk dat geen beperkte regeringsvorm zich tot die trap van volmaaktheid kan verheffen, of dezelfde voordeelen aan de maatschappij opleveren als deze. De menschen zijn nooit zoo gelukkig geweest als wanneer het grootste gedeelte der toenmaals bekende wereld onder het bestuur stond van één heer, en deze gelukzaligheid duurde voort onder de regering van vijf achtereen volgende vorsten. [14] Dit was de ware gouden eeuw, en de eenige gouden eeuw, welke ooit bestaan heeft, tenzij in de vurige verbeelding der dichters, sedert de menschheid uit het Paradijs verdreven werd, tot den huidigen dag.
En werkelijk, ik ken ook slechts één gegrond bezwaar tegen het onbeperkte koningschap. Het eenige gebrek in deze heerlijke instelling, schijnt de moeijelijkheid te zijn om een mensch te vinden, die geheel geschikt is voor het ambt van onbeperkten vorst; want dit eischt bepaaldelijk drie hoedanigheden, welke, naar het uit de geschiedenis blijkt, zeer moeijelijk te vinden zijn in vorstelijke naturen: ten eerste, genoegzame gematigdheid, om zich te vergenoegen met het bezit van de meest mogelijke magt. Ten tweede, wijsheid genoeg om zijn eigen geluk in te zien. En ten derde, goedheid genoeg om tot het geluk van anderen mede te werken, als het niet slechts bestaanbaar is met, maar ook tevens bevorderlijk aan het zijne.
Als men nu werkelijk toestemt dat een onbeperkte vorst met al deze groote en zeldzame begaafdheden voorzien, in staat zal zijn om de menschelijke maatschappij zoo gelukkig mogelijk te maken, moet men ook bekennen, van den anderen kant, dat de onbeperkte magt in handen van iemand die deze deugden mist, waarschijnlijk evenveel onheil zal te weeg brengen.
Met één woord, onze eigene godsdienst geeft ons een zeer juist denkbeeld van de zegeningen en ook van de rampen, welke uit de onbeperkte magt kunnen voortvloeijen. De schilderingen van den hemel en van de hel brengen ons een zeer levendig beeld van beide voor oogen; want hoewel de heer van laatstgenoemd oord geene magt kan hebben dan die welke hij oorspronkelijk ontleent van den Almagtigen Beheerscher van het eerste, blijkt het ten duidelijkste uit de Heilige Schrift, dat aan dezen duivelschen vorst eene onbeperkte magt gegeven is in het rijk der hel. Dit is ook inderdaad de eenige onbeperkte magt, welke,—volgens de Heilige Schrift,—van den Hemel afstamt. Zoodra dus de verschillende tyrannen op aarde eenige aanspraak maken op een goddelijk regt, moet het ontleend zijn aan het allereerste regt van den vorst der duisternis, en deze ondergeschikte magten moeten onmiddellijk afstammen van hem, wiens stempel zij zoo blijkbaar dragen.
Eindelijk, daar de voorbeelden van alle eeuwen ons bewijzen dat de menschen, over het algemeen, alleen magt begeeren om er kwaad mede te doen, en als zij ze eens verkrijgen ook tot geen ander doel aanwenden, zou het uiterst onvoorzigtig zijn om eenige verandering te wagen, zoo lang onze hoop op het goede slechts flaauw ondersteund wordt door twee of drie voorbeelden uit vele duizenden, die strekken om onze vrees op te wekken. In dit geval, is het dus veel wijzer ons te onderwerpen aan eenige weinige ongemakken, die ontstaan uit de hartstogtelooze doofheid der wet, dan te trachten ze uit den weg te ruimen door ons te wenden tot de hartstogtelijke opene ooren van een dwingeland.
Men kan zich hier ook niet op het voorbeeld der Heidenen beroepen, hoewel zij zich misschien lang onder dezen regeringsvorm gelukkig gevoeld hebben: daar wij volstrekt niet vergeten moeten in welk zeer belangrijk punt zij van alle andere volkeren verschillen, en waaraan zij welligt hun geluk alleen te danken hebben,—en dat is namelijk, dat ze geene kunstmatige eer kennen en de schande beschouwen als de grootste straf ter wereld.
HOOFDSTUK XIII.
EEN GESPREK TUSSCHEN JONES EN PARTRIDGE.