Chapter 39 of 84 · 3900 words · ~20 min read

Part 39

Jones berispte den schoolmeester voor zijne onbeleefdheid, en de vreemde hervatte: „Op vijftienjarigen leeftijd, zeide nu mijn broeder de geleerdheid vaarwel,—en evenzeer alle andere dingen, behalve zijn jagthond en het geweer, met welk laatste hij zoo handig werd, dat hij, hoewel gij het misschien ongeloofelijk zult vinden, niet slechts met groote juistheid naar een vaste schijf kon schieten, maar ook soms wel eens een kraai in de vlugt raakte! Hij was ook best in staat een zittend haas op te sporen, en werd weldra beschouwd als een der grootste jagers in den omtrek:—een roem, beide door hem en door zijne moeder evenzeer op prijs gesteld alsof men hem voor den grootsten geleerde gehouden had.

„De toestand van mijn broeder deed me in het begin mijn eigen lot des te harder achten, daar ik op school moest blijven; maar ik veranderde weldra van gevoelen; want daar ik tamelijk vlug vorderde, viel me het werk gemakkelijk, en de oefeningen vond ik zoo vermakelijk dat mijn onaangenaamste tijd de vacantiedagen waren; want mijne moeder, die nooit van mij gehouden had, vreezende dat mijn vader mij de meeste genegenheid toedroeg, en ziende, of denkende, dat menschen van opvoeding in den omtrek, en vooral de predikant, meer notitie van mij namen dan van mijn broeder, begon mij te haten en maakte het mij zoo onaangenaam te huis, dat de eerste schooldag, die anders door de schooljongens verfoeid wordt, voor mij de prettigste dag van het jaar was.

„Na eindelijk de school te Taunton doorgeloopen te hebben, ging ik van daar naar het Exeter-college, te Oxford, waar ik vier jaren bleef, na welker verloop een toeval mij aan de studie onttrok,—en dien tijd mag ik als het begin en den oorsprong beschouwen van al hetgeen me later in het leven overkomen is.

„Er studeerde met mij zekere Sir George Gresham, een jong mensch die een ruim vermogen had, dat hij echter, volgens het testament van zijn vader, eerst in zijn bezit zou krijgen als hij den leeftijd van vijf en twintig jaren bereikt had. De mildheid zijner voogden liet hem echter weinig reden, om over de groote voorzigtigheid van zijn vader te klagen; want hij kreeg vijf honderd pond ’s jaars aan de akademie, waar hij zijne paarden had en zijne maitresse, en een zoo slecht en losbandig leven leidde, als hij bij mogelijkheid had kunnen doen, al ware hij volmaakt meester geweest over zijne geldmiddelen; want behalve de vijfhonderd pond ’s jaars, die zijne voogden hem gaven, vond hij middel om zoo wat duizend pond meer te verteren. Hij was al meerderjarig en het kostte hem weinig moeite om zooveel krediet te krijgen als hij hebben wilde.

„Deze jongen had, onder vele tamelijk slechte hoedanigheden, eene die echt duivelsch was. Hij schepte er namelijk groot vermaak in, om jonge lieden, die minder geld hadden dan hij, ongelukkig te maken en te gronde te rigten, door hen tot uitgaven te verleiden, die hun niet betaamden, en hoe deugdzamer waardiger, en matiger een jong mensch was, des te grooter was het genot en de voldoening die hij smaakte, als hij hem tot den bedelstaf kon brengen. Hij speelde dus de rol, welke men den Satan toekent en liep rond, zoekende wien hij verslinden zou.

„Het was mijn ongeluk dat ik kennis maakte en gemeenzaam werd met dezen mensch. De naam, welken ik had van ijverig te zijn in mijne studiën, maakte mij tot een wenschelijk voorwerp zijner kwade bedoelingen, en mijne eigene neigingen maakten het hem ligt genoeg om zijn doel te bereiken; want, hoewel ik me met den meesten ijver toegelegd had op de boeken, welke me groot genot opleverden, waren er andere genoegens, voor welke ik nog veel vatbaarder was; want ik was moedig, zeer opgewonden, eenigzins eerzuchtig en zeer verliefd van aard.

„Ik was pas bekend geworden met Sir George, toen ik een deelgenoot werd van al zijne genoegens, en zoodra ik eens dat tooneel betreden had, duldden noch mijne neigingen, noch mijn hoogmoed, dat ik eene ondergeschikte rol zou spelen. Ik deed dus voor niemand van ons gezelschap onder in losbandigheid;—ja, ik maakte mij zoo berucht bij alle rustverstoringen en vechtpartijen, dat mijn naam gewoonlijk de bovenste was op de lijst der schuldigen; en in plaats van beklaagd te worden als de ongelukkige leerling van Sir George, werd ik nu beschuldigd als de persoon die dien veelbelovenden jongen heer misleid en bedorven had; want hoewel hij de belhamel was en de bevorderaar van al het onheil, werd hij er toch nooit voor gehouden. Eindelijk haalde ik mij de berisping der hoogste autoriteiten aan de akademie op den hals en er scheelde weinig aan dat ik weggejaagd werd.

„Ge zult wel willen gelooven, mijnheer, dat het leven dat ik leidde, onbestaanbaar was met eenige vorderingen in de studie, en dat, naarmate ik me meer en meer aan de loszinnigheid overgaf, ik ook al slordiger in mijn werk werd. Dit was natuurlijk; maar het was niet alles. Mijne uitgaven overtroffen niet slechts zeer mijn inkomen, maar ook al de sommen, welke ik bovendien van mijn goeden milden vader afperste, onder het voorwendsel dat ik ze noodig had voor de voorbereidende stappen eer ik promoveerde. Deze eischen werden echter eindelijk zoo talrijk en buitensporig, dat mijn vader langzamerhand gehoor begon te geven aan de berigten, welke hij omtrent mijn gedrag vernam van verschillende kanten, en welke mijne moeder nooit naliet zeer getrouw en hardop te herhalen, er bijvoegende: „O ja, dit is de knappe jongen, de geleerde, die zijne familie zoo veel eer aandoet! Die haar fortuin zal maken! Ik dacht wel waartoe al deze geleerdheid leiden zou! Hij zal ons allen te gronde rigten, nadat zijn oudste broeder zelfs het noodzakelijke heeft moeten ontberen, om zijne opvoeding te betalen,—die ons zulke schoone renten zou opbrengen! Ik begreep wel wat die renten zouden zijn!” Met veel meer in denzelfden trant. Maar aan dit proefje zult gij wel genoeg hebben.

„Mijn vader begon dus nu vermaningen in plaats van geld, in antwoord op mijne eischen te zenden, wat mijne zaken welligt iets vroeger tot de crisis bragt; maar al had hij mij zijn geheel inkomen gezonden, het zou, gelijk ge begrijpt, slechts zeer korten tijd voldoende zijn geweest om iemand te onderhouden, die met Sir George Gresham in zijne uitgaven wedijverde.

„Het is waarschijnlijk dat de geldnood waarin ik me nu bevond, en de onmogelijkheid om het op dien voet langer vol te houden, mij op eens de oogen geopend en tot de studie terug gebragt zou hebben, als ik maar tot besef gekomen ware eer ik mij in schulden gewikkeld zag, waaruit ik nu geen kans zag me ooit te redden. Dit was inderdaad het hoofddoel van Sir George, waardoor hij zoo velen ongelukkig maakte, die hij later als gekken en kwasten uitlachte, omdat zij, zoo als hij het uitdrukte, hadden willen wedijveren met een man van zijn vermogen! Om dit doel te bereiken, leende hij hun zelfs tusschenbeide eene kleine som, om het krediet van zoo’n armen jongen bij anderen staande te houden, tot hij, juist door dat krediet, reddeloos verloren was.

„Daar mijne stemming op deze wijze, even wanhopig was geworden als mijn toestand, bestond er naauwelijks ééne misdaad, waarover ik niet peinsde, om mij te redden. De zelfmoord werd een onderwerp van ernstig nadenken voor mij, en ik zou er zeker toe besloten hebben, zoo deze gedachte niet vervangen ware geworden door eene die nog schandelijker was, hoewel misschien minder zondig.”

Hier aarzelde de vreemde een oogenblik en riep toen uit: „Neen! Ik verzeker u dat lange jaren de herinnering aan deze daad niet uitgewischt hebben en dat ik blozen moet, als ik ze u vertel!”

Jones verzocht hem alles te verzwijgen, wat hem pijnlijk viel te verhalen; maar Partridge riep driftig uit: „O, ik smeek u, mijnheer, laat het ons toch hooren! Ik zou liever dit vernemen dan al het overige! En zoo waar ik zalig hoop te worden, zal ik er nooit één woord van zeggen!”

Jones wilde hem hierover berispen; maar de vreemde belette het hem, door aldus voort te gaan: „Ik had een contubernaal, een voorzigtige, overleggende jongen, die hoewel hij geen groot jaargeld had, door zuinigheid meer dan veertig guinjes opgespaard had, die hij, zoo als ik wist, in zijn lessenaar bewaarde. Ik nam dus de gelegenheid waar, terwijl hij sliep, om hem den sleutel uit den broekzak te stelen, en maakte me dus meester van zijn schat. Daarna deed ik den sleutel weder in zijn zak, en veinzende te slapen, hoewel ik geen oog digt kon doen, bleef ik te bed tot hij opgestaan was en aan het bidden ging,—eene gewoonte welke ik al lang verwaarloosd had.

„Angstvallige dieven, door overmaat van voorzorg, halen zich dikwerf eene ontdekking op den hals, welke vermeden wordt door die welke meer moed bezitten. Dit was ook het geval met mij; want had ik stoutmoedig zijn lessenaar open gebroken, zou hij mij waarschijnlijk niet eens verdacht hebben,—daar het echter duidelijk was, dat de persoon die hem bestolen had, den sleutel moest gehad hebben, begreep hij dadelijk, zoodra hij het geld miste, dat niemand anders dan zijn kamergenoot de dief kon wezen. Daar hij evenwel zeer benaauwd van aard was en ik zijn meerdere was in ligchaamssterkte, en naar ik geloof, ook in moed, durfde hij mij niet openlijk van mijne misdaad betichten, uit vrees voor de gevolgen. Hij ging dus dadelijk bij den Vice-kanselier der Hooge school, en onder eede eene verklaring afgelegd hebbende omtrent de omstandigheden onder welke hij bestolen was, kreeg hij, zonder bezwaar, een bevel tot arrestatie van iemand, die zoo schandelijk slecht ter naam en faam stond als met mij het geval was.

„Tot mijn geluk, sliep ik den volgenden avond niet te huis; want dien dag bragt ik juist eene jonge dame in een rijtuig naar Whitney, waar wij den nacht bleven, en den volgenden morgen, onder weg naar Oxford, ontmoette ik een mijner vrienden, die me genoeg vertelde van hetgeen me dreigde, om mij dadelijk te doen omkeeren.”

„Mijnheer,” vroeg Partridge, „vertelde hij u iets van het bevel tot arrestatie?”

Maar Jones verzocht den vreemde voort te gaan, zonder op eenige onbeschaamde vragen te letten, en de oude heer ging voort:

„Daar ik er nu niet meer aan denken kon naar Oxford terug te keeren, was het eerste dat bij me opkwam, eene reis naar Londen. Ik deelde mijn voornemen aan mijne gezellin mede, die in het begin er veel tegen had: maar toen zij mijne schatten zag, stemde zij er dadelijk in toe. Wij sloegen nu een zijweg in, die ons op den straatweg naar Cirencester bragt, en haastten ons zoo zeer, dat wij reeds den tweeden dag te Londen aankwamen.

„Als ge bedenkt waar ik me nu bevond, en in welk gezelschap, zult gij waarschijnlijk begrijpen dat ik binnen zeer korten tijd al het geld uitgegeven had, waarvan ik me op zulk eene snoode wijze meester had gemaakt.

„Ik leed nu veel meer ellende dan te voren; ik begon gebrek te hebben zelfs aan levensbehoeften en hetgeen nog pijnlijker was, mijne maitresse, op wie ik geheel verzot was geworden, deelde in mijne ellende. Het is welligt bijna onmogelijk de verschrikkelijkheid van die rampen te schilderen voor iemand die ze zelf niet gekend heeft; de rampen van hem die eene beminde ziet lijden, en haar niet helpen kan, en die terzelfder tijd het bewustzijn heeft dat hij haar tot dezen toestand gebragt heeft!”

„Ik geloof het wel,—van ganscher harte!” riep Jones; „en ik heb in mijne ziel medelijden met u!” Daarop liep hij een paar maal, zeer ontroerd, de kamer op en neder, verontschuldigde zich toen en wierp zich op zijn stoel, uitroepende: „Goddank, dat ik daarvoor bewaard ben gebleven!”

„Deze omstandigheid,” ging de vreemde voort, „verzwaarde dermate mijn ongelukkigen toestand, dat deze me bepaald ondragelijk werd. Ik kon ligter alle mogelijke ontberingen, zelfs honger en dorst verdragen, dan het denkbeeld om aan den grilligsten wensch eener vrouw niet te voldoen, op wie ik zoo buitensporig verzot was, dat ik, ofschoon wetende, dat zij de maitresse was geweest van de helft mijner kennissen, vast besloten had haar te trouwen. Maar het lieve schepsel wilde niet dat ik eene daad beging, welke de menschen als zoo nadeelig voor mij hadden kunnen beschouwen. En, daar zij welligt medelijden gevoelde met mij, toen zij dagelijks zag hoe veel ik om harentwil leed, besloot zij een einde aan mijne ellende te maken. Zij vond ook weldra het middel om mij uit mijn lastigen en benaauwden toestand te redden, want terwijl ik over allerlei plannen tobde om haar eenig genot te verschaffen, had zij de liefheid—mij te verraden aan een harer vorige minnaren te Oxford, door wiens zorg en ijver ik dadelijk gevat en naar de gevangenis gebragt werd.

„Daar begon ik voor het eerst ernstig na te denken over de misslagen die ik vroeger begaan had; over de rampen die ik me zelf berokkend had, en over het leed dat ik den besten der vaderen veroorzaakt moest hebben. Wanneer ik bij dit alles den ontrouw mijner beminde voegde, werd mijne ellende zoo groot, dat ik het leven begon te haten en ik den dood als mijn besten vriend omhelsd zou hebben, zoo die zich aan mij aangeboden had zonder door de schande vergezeld te zijn.

„De tijd der assises naderde weldra, en ik werd, volgens de wet, naar Oxford vervoerd, waar ik zeker schuldig verklaring en het daarop volgende doodvonnis wachtte;—maar tot mijne groote verwondering, trad er niemand op om mij te beschuldigen, en na afloop der zittingen, werd ik, bij gebreke aan aanklagte, in vrijheid gesteld. Met één woord, mijn contubernaal had Oxford verlaten, en hetzij uit onverschilligheid, of om eenige andere mij onbekende reden, had hij geweigerd zich iets verder met de zaak in te laten.

„Misschien,” riep Partridge, „wilde hij uw bloed niet over zijn hoofd hebben,—en hij had gelijk. Als er iemand door mijne getuigenis aan de galg kwam, zou ik later nooit in staat wezen om alleen te slapen, uit vrees voor zijne schim.”

„Ge zult me spoedig doen twijfelen, Partridge,” zei Jones, „waarin ge meer uitmunt, in dapperheid of in wijsheid.”

„Nu, mijnheer,” hernam Partridge, „het staat u natuurlijk vrij mij uit te lagchen, als ge dat goedvindt; maar als gij slechts naar een zeer kort verhaal van mij wilt luisteren, dat zeker waar is, zult gij misschien van gedachte veranderen. In het dorp waar ik ter wereld kwam—”

Hier wilde Jones hem het stilzwijgen opleggen; maar de vreemde kwam tusschenbeide en verzocht verlof voor hem om zijn verhaal te doen, belovende inmiddels te bedenken wat hij zelf verder mede te deelen had.

Partridge begon nu als volgt: „In het dorp waar ik ter wereld kwam, leefde een pachter, Bridle genaamd, die een zoon had, een goeden, veel belovenden jongen, Frans geheeten. Wij gingen zamen op dezelfde school, waar ik me nog herinner, dat hij het tot de Epistolae van Ovidius bragt, en hij soms drie regels achtereen vertalen kon zonder ééns in het woordenboek te kijken. Bovendien, was het een zeer brave jongen, die ’s zondags de kerk nooit oversloeg, en men rekende hem onder de beste koorzangers van de gemeente. Hij plagt wel eens tusschenbeide een slokje te veel te gebruiken;—maar dat was zijn eenig gebrek.”

„Nu, kom maar tot het spook!” riep Jones.

„Wees daar niet ongerust over, mijnheer,” hernam Partridge; „ik zal er spoedig genoeg toe komen! Ge moet nu weten, dat de oude Bridle eene merrie kwijt raakte, als ik me goed herinner, een schimmel, en het gebeurde dat de jonge Frans kort daarna op de kermis te Hindon, naar ik meen, op een—neen, den dag van de week kan ik me niet herinneren,—maar, daar was hij—en zie, daar ontdekt hij een mensch op zijn vaders merrie gezeten! Frans riep dadelijk, „Houdt den dief!” en daar het midden op de kermis was, kunt ge wel begrijpen dat het onmogelijk was voor den kerel om weg te komen. Dus werd hij opgepakt en voor den vrederegter gebragt;—die was, dat weet ik nog best, mijnheer Willoughby van Noyle, een best, goed mensch, en hij zond den beschuldigde naar de gevangenis en Frans moest borg stellen, dat hij zou komen getuigen als hij opgeroepen werd. Eindelijk kwam Milord, de regter Page, om bij de assises voor te zitten en de kerel werd voorgebragt en Frans werd als getuige gedagvaard. Wel! Ik zal nooit het gezigt van den regter vergeten toen hij hem begon te ondervragen omtrent hetgeen hij tegen den beklaagde in te brengen had. De arme Frans stond te beven en te sidderen in zijn schoenen! „Nou, gij lummel,” zei Milord, „wat hebt gij te vertellen? sta me daar niet te kugchen en te stamelen, maar spreek eens op!” Evenwel werd hij spoedig heel vriendelijk jegens Frans en begon te donderen tegen den andere, en toen hij hem vroeg, wat hij tegen de beschuldiging in te brengen had, zei de kerel, dat hij het paard gevonden had. „Hé!” hernam de regter, „gij zijt een bijzonder gelukkig mensch; ik heb al veertig jaren hier het graafschap rondgereisd en heb van mijn leven geen paard gevonden. Maar, wil ik u wat zeggen, vriend? ge zijt nog gelukkiger geweest dan ge u verbeeldt; want ge hebt niet slechts een paard, maar een halster voor u zelven er bij gevonden!” Wel! Ik zal nooit dat woord vergeten! En iedereen begon ook hardop te lagchen,—want ze konden het niet laten. Ja, en hij zeide wel twintig andere grappen, die ik me nu niet meer herinneren kan. Hij zei iets over de paardenkennis van den dief, dat iedereen weêr aan het lagchen bragt. Die regter moet zeker evenzeer bij de hand als geleerd geweest zijn! ’t Is inderdaad alleraardigst om zoo’n halszaak te hooren behandelen. Maar ik beken dat ik één ding een weinig hard vond voor den beklaagde, en dat was, dat de advokaat die voor hem pleiten zou, niet eens gehoord werd, ofschoon hij verlof vroeg om slechts één enkel woord te mogen inbrengen;—maar Milord wilde niets van hem weten, hoewel hij een advokaat tegen hem een half uur lang liet praten. Ik dacht wel dat het wat wreed was, dat moet ik bekennen,—Milord en al de overige leden van het geregtshof, en de Jury en de advokaten en de getuigen, alles tegen één armen drommel,—die op den koop toe in de boeijen zat! Nu, de vent werd opgeknoopt,—en dat kon ook wel niet anders, en de arme Frans had geen rust meer. Hij was nooit alleen in het donker, of hij verbeeldde zich den geest van den armen kerel te zien.”

„Nu? Is dat uw geheele verhaal?” vroeg Jones.

„Wel neen!” riep Partridge. „Heere mijn tijd! Nu kom ik juist tot de zaak! Want op zekeren avond, toen hij van de kroeg naar huis ging, door eene lange, smalle, donkere laan, liep hij het spook vlak tegen het lijf, en het spook, dat in het wit gekleed was, viel Frans aan, en Frans, die een fiksche jongen was, sloeg terug, en zoo worstelden ze tegen elkaar en de arme Frans kreeg verschrikkelijke slagen, zoodat het hem geweldig veel moeite kostte om naar huis te kruipen; maar, van de slagen en van den schrik was hij wel veertien dagen ziek;—en dat is alles zeker waar, en de heele gemeente zou het kunnen getuigen.”

De vreemdeling glimlachte over dit verhaal, en Jones proestte het uit, waarop Partridge zeide: „Ja, lach maar, mijnheer; dat hebben ook anderen gedaan, vooral een landjonker dáár, welke men zoo wat voor ’n godloochenaar houdt, die, omdat er den volgenden morgen een kalf met een witten kop dood gevonden werd in die laan, volhield dat de strijd plaats had gehad tusschen Frans en het stomme dier: alsof een kalf een mensch zou durven aanvallen! En daarenboven verzekerde me Frans dat hij wel wist dat het een spook was, en dat hij voor elk geregtshof ter wereld dat bezweren wilde; hij had ook niet meer dan een kan of twee drie gedronken, toen het gebeurde. De hemel beware ons allen, zeg ik, en belette dat wij de handen in bloed doopen!”

„Nu, mijnheer,” zei Jones tot den vreemde, „Partridge heeft zijn verhaal ten einde gebragt en ik hoop dat hij u niet meer storen zal, als gij zoo vriendelijk wilt wezen om voort te gaan.”

De oude heer hervatte toen zijn verhaal; daar hij echter een oogenblik rust gehad heeft, achten wij het ook goed den lezer hetzelfde te gunnen, en zullen dus een einde maken aan dit hoofdstuk.

HOOFDSTUK XII.

DE OUDE MAN VAN DEN BERG GAAT VOORT MET ZIJN VERHAAL.

„Ik had nu mijne vrijheid herkregen,” zei de vreemdeling; „maar ik was mijn goeden naam kwijt; want er is groot verschil tusschen een man, die uit gebrek aan bewijzen vrijgesproken wordt door eene regtbank en hem die in zijn eigen hart en in de oogen der wereld onschuldig wordt bevonden.

„Ik was mij mijne schuld bewust, en schaamde me dus iemand in de oogen te zien, om welke reden ik besloot den volgenden morgen Oxford te verlaten, eer ik gevaar liep bij daglicht door iemand gezien te worden.

„Zoodra ik de stad achter den rug had, kwam de gedachte bij mij op om naar huis terug te keeren, bij mijn vader, en om te trachten zijne vergiffenis te verwerven; daar ik echter geen grond had te veronderstellen dat hij niet bekend was geworden met al wat er geschied was, en daar ik zijn grooten afkeer kende van al wat op oneerlijkheid geleek, kon ik geene hoop voeden van door hem in genade opgenomen te worden, vooral omdat ik slechts al te zeker was van den nadeeligen invloed mijner moeder te zullen ondervinden. Ja, al ware ik even zeker geweest van mijn vaders vergiffenis, als ik me nu van het tegendeel gevoelde, twijfel ik, of ik den moed zou gehad hebben hem onder de oogen te komen, of dat ik, op welke voorwaarden ook, mij er aan had kunnen onderwerpen om met diegenen te leven en om te gaan, die mij van zulk eene schanddaad schuldig wisten.

„Ik haastte me dus naar Londen terug te komen, de beste schuilplaats voor leed of schande, tenzij men algemeen bekend is; want men smaakt er het voordeel, zonder het nadeel der eenzaamheid, daar men tegelijker tijd alleen en onder de menschen zijn kan; en terwijl men onopgemerkt stil zit of rondwandelt, is er drukte, gewoel, en eene onafgebroken reeks van verschillende voorwerpen, die den geest bezig houden en beletten dat men aan zijne eigene gedachten wordt overgeleverd,—of liever zich verzadigt met leed en schande,—de slechtste kost ter wereld; en waarop sommigen (hoewel er velen zijn die beide alleen in het openbaar gevoelen), ruimschoots en op eene zeer noodlottige wijze teren in de eenzaamheid.

„Maar, daar er bijna geen menschelijk goed bestaat, dat niet zijn kwaad ook medebrengt, zoo zijn er ook velen, die deze onoplettendheid der menschen onderling afkeuren;—voornamelijk diegenen, welke geen geld hebben; want evenmin als men schaamte gevoelt voor onbekenden, wordt men ook door onbekenden gevoed en gekleed. En de mensch kan even goed verhongeren midden op de markt te Londen, als in de woestijnen van Arabië. Het was op het oogenblik mijn lot om geheel vrij te zijn van hetgeen vele schrijvers, die er waarschijnlijk nooit overlast van hadden, „het grootste kwaad” noemen,—namelijk het geld.”

„Met uw verlof, mijnheer,” zei Partridge, „ik herinner me geen schrijver, die het „een kwaad” genoemd heeft; maar wel „irritamenta malorum” „Effodiuntur opes irritamenta malorum.””