Part 15
„Wat ook mijn lot zij,” zei Tom, „laat mij slagen in mijn smeeken voor het arme meisje! Ik beken dat ik haar verleid heb;—maar het hangt van u af, of zij geheel en al te gronde gerigt zal worden! In ’s Hemels naam, trek uw bevelschrift weder in en zend haar niet naar eene plaats, waar zij zeker haar geheelen ondergang te gemoet zou gaan.”
Allworthy beval hem dadelijk een knecht te roepen. Tom hernam dat dit onnoodig was; want hij had de menschen gelukkig bij de poort ontmoet en, vertrouwende op de goedheid van den heer Allworthy, hen met zich terug gebragt naar het voorhuis, waar zij nu op zijne beslissing wachtten, die hij hem nu op de knieën smeekte ten gunste van het meisje te nemen, en haar te vergunnen weer naar huis te gaan bij hare ouders, om niet aan meer schimp en schande blootgesteld te worden dan haar reeds nu noodzakelijk treffen moesten.
„Ik weet reeds,” voegde hij er bij, „dat zij maar al te veel te verdragen zal hebben. Ik weet dat mijne slechtheid de oorzaak van alles is. Ik zal, zoo mogelijk, dit trachten te vergelden, en als gij ooit later de goedheid hebt mij te vergeven, hoop ik mij die gunst waardig te betoonen.”
Allworthy aarzelde een oogenblik en zeide daarop:
„Nu, ik zal mijn bevel van aanhouding weder intrekken. Zend den geregtsdienaar hier.”
Dit geschiedde, hij werd dadelijk weggezonden en het meisje ook.
Men zal wel begrijpen dat de heer Allworthy Tom bij deze gelegenheid zeer ernstig de les las; maar het is onnoodig hier alles in te lasschen, daar wij getrouw opgeteekend hebben, in het eerste boek, hetgeen hij aan Jenni Jones zeide, waarvan het meeste even toepasselijk is op de mannen als op de vrouwen. Deze verwijten maakten zulken diepen indruk op den jongeling, die geen verharde zondaar was, dat hij zich in zijne eigene kamer opsloot en den avond in zeer droevig gepeins doorbragt.
Allworthy was nog al verstoord op Tom wegens dit vergrijp; want in weerwil van de beweringen van den heer Western, blijft het toch onbetwistbaar, dat hij nooit een losbol was geweest bij de vrouwen en de uitspattingen van anderen altijd ten hoogste afgekeurd had. Inderdaad, er bestaat wel reden te gelooven, dat er geen zweem van waarheid was in hetgeen de heer Western betuigd had, vooral daar hij als het tooneel dier ongeregeldheden, de hooge school noemde, welke nooit door den heer Allworthy was bezocht. Met één woord, de goede landjonker was wat al te zeer geneigd om zich te buiten te gaan in zekere soort van scherts, die wel eens „bluffen” genoemd wordt,—om geen ander woord te bezigen, wat welligt slechts al te dikwijls geschiedt, daar zeer veel van hetgeen meermalen in de wereld doorgaat voor geestigheid en humor, eigenlijk, als men de woorden met den stipsten eerbied voor hunne beteekenis bezigde, genoemd moest worden met dien naam, welken ik hier, overeenkomstig de wetten der welvoegelijkheid, verzwijg.
Maar welken afkeer ook de heer Allworthy voor deze eenige andere soort van ondeugd koesterde, werd hij er toch niet zoo door verblind, dat hij geene deugd hoegenaamd meer in den schuldige zien kon,—of die minder helder zag, dan wanneer er geen mengsel van ondeugd in dat karakter ware. Terwijl hij dus vertoornd was op Tom wegens diens losbandigheid, was hij niet minder ingenomen met de eerlijkheid en opregtheid zijner zelfbeschuldiging. Hij begon dan nu hetzelfde gevoelen te koesteren omtrent den jongen als dat, hetwelk, naar wij hopen, de lezer zelf opgevat zal hebben. En als hij zijne gebreken tegen zijne deugden woog, kwam het hem voor, dat deze laatste eenigzins de overhand hadden.
Het baatte dus niet, dat de heer Thwackum, die onmiddellijk door den jongen Blifil alles vernam, zijn gal uitspoog tegen den armen Tom.
Allworthy luisterde bedaard naar hunne smaadredenen, en hernam heel koel:
„Dat jonge lieden van een dergelijk temperament als Tom, maar al te zeer tot deze ondeugd geneigd waren; maar dat hij geloofde dat die jongeling opregt getroffen was door hetgeen hij hem bij deze gelegenheid gezegd had, en hij dus de hoop koesterde dat hij niet weer zondigen zoude.”
Dus, daar de dagen der ligchamelijke tuchtiging voorbij waren, kon de leeraar alleen door den mond zijn gal uitspuwen,—wat de gewone verachtelijke toevlugt der onmagtige wraakzucht is.
Maar Square, die minder driftig was, bezat veel meer sluwheid, en daar hij Jones welligt meer haatte dan Thwackum dat deed, vond hij ook middel om hem meer te benadeelen in de oogen van den heer Allworthy.
De lezer herinnert zich de verschillende kleine gevallen met den patrijs, het paard en den Bijbel, die in het tweede boek opgesomd werden. Door dit een en ander had Jones de liefde, welke de heer Allworthy tot hem koesterde, veel eer vermeerderd dan verminderd.
Hetzelfde zou, verbeeld ik me, zeker het geval zijn geweest met iedereen, die eenig besef heeft van vriendschap, mildheid en edelmoedigheid; dat is, met iedereen die eenigen aanleg tot het goede heeft.
Square zelf was niet onbekend met den wezenlijken indruk, welken deze verschillende blijken van goedheid op het uitstekende hart van den heer Allworthy gemaakt hadden; want de wijsgeer wist zeer goed wat de deugd was, hoewel hij misschien zelf ze niet altijd beoefende. Maar bij Thwackum (om welke reden wil ik niet beslissen), kwam zoo iets volstrekt niet op; hij zag Jones zelf in een slecht licht, en verbeeldde zich dat Allworthy dat ook deed, maar besloten had uit hoogmoed en stijfhoofdigheid, om den jongen, dien hij eens lief had gehad, niet op te geven; daar hij door dit te doen, stilzwijgend zou moeten bekennen, dat hij zich vroeger omtrent hem vergist had.
Square maakte dus gebruik van deze gelegenheid om Jones op de gevoeligste wijze te benadeelen, door nu eene zeer slechte uitlegging te geven aan al hetgeen vroeger gebeurd was.
„Het spijt me wel, mijnheer,” zeide hij; „maar ik moet bekennen, dat ik me ook in hem vergist heb, even als gij. Ik kon niet nalaten ingenomen te zijn met hetgeen ik aan vriendschap toeschreef, hoewel die overdreven werd,—en alle overdrijving verkeerd en schandelijk is;—maar hierbij nam ik zijne jeugd in aanmerking. Ik vermoedde niet, dat het verzwijgen der waarheid, dat zoo als wij ons voorstelden om den wille der vriendschap had plaats gehad, wezenlijk niets anders was dan het verguizen daarvan, om den wille van een bedorven en losbandigen hartstogt. Men ziet nu duidelijk in uit welke bron de schijnbare edelmoedigheid van den jongen, ten opzigte van het huisgezin van den jager voortsproot. Hij ondersteunde den vader ten einde de dochter te verleiden, en bewaarde het huisgezin van den hongerdood, ten einde het meisje tot schimp en schande te brengen. Dit heet vriendschap! Dit heet edelmoedigheid! Zoo als Sir Richard Steele zegt: „Het is allezins billijk een lekkerbek, die een fijnen schotel duur betaalt, mild te noemen!” Dit voorbeeld leert mij voortaan nooit meer aan de zwakheid der menschelijke natuur toe te geven, en iets voor deugdzaam te houden, dat niet volmaakt in overeenstemming te brengen is met de onfeilbare regels van het regte.”
Allworthy’s goedheid had hem tot dusver belet aan zoo iets te denken; maar hetgeen hij nu hoorde, klonk te waarschijnlijk om bepaaldelijk en overhaast verworpen te worden, zoodra het hem door een derde onder het oog werd gebragt. Inderdaad, hetgeen door Square gezegd was, drong diep in zijn hart door, en de onrust welke het hem baarde werd door den andere zeer goed opgemerkt, hoewel de waardige man zelf het niet bekennen wilde, zeer kort antwoordde, en met geweld het gesprek op een ander onderwerp bragt. Het was echter welligt een geluk voor den armen Tom, dat dergelijke inblazingen niet gehoord werden eer hij vergiffenis gekregen had; want voor het eerst van zijn leven lieten zij in Allworthy’s geest een slechten indruk omtrent Tom achter.
HOOFDSTUK XII.
BEVATTENDE ZAKEN DIE VEEL DUIDELIJKER ZIJN; MAAR WELKE UIT DEZELFDE BRON VOORTVLOEIJEN ALS DIE VAN HET VORIGE HOOFDSTUK.
Het zal den lezer zeker aangenaam zijn met mij bij Sophia terug te keeren. Zij sleet den nacht, nadat wij haar voor het laatst zagen, op geene zeer aangename wijze. De slaap begunstigde haar weinig, en hare droomen nog minder. ’s Morgens, toen jufvrouw Honour, hare kamenier, op het gewone uur bij haar kwam, vond zij haar reeds op en gekleed.
Op het land worden menschen, die slechts op een uurtje afstands van ons wonen, als buren beschouwd, en hetgeen in het ééne huis voorvalt, wordt met ongeloofelijke snelheid in het andere overgebragt.
Jufvrouw Honour had dus het geheele verhaal van Molly’s schande gehoord, hetwelk zij, zeer mededeelzaam van aard zijnde, zoodra zij in de kamer trad, op de volgende wijze aan de jonge dame begon te vertellen:
„Wel, jufvrouw! Neen, maar! zoo iets zoudt gij niet willen gelooven! Het meisje, dat gij zondag in de kerk gezien hebt, en dat gij zoo mooi vondt,—maar zóó mooi zoudt gij haar niet gevonden hebben, als gij haar maar van wat digterbij gezien hadt,—is voor den vrederegter gebragt, omdat zij bevallen moest! Ik zag dadelijk dat het eene onbeschaamde feeks was! En zij heeft den jongen mijnheer Jones de schuld daarvan gegeven! En iedereen zegt, dat mijnheer Allworthy zoo kwaad is op den jongen heer, dat hij hem niet meer zien wil. ’t Is waarachtig om medelijden te hebben met den armen jongen, hoewel hij eigenlijk geen medelijden verdient, omdat hij zich met zulk een slet heeft willen ophouden. Maar het is toch zulk een knappe jongen, dat het mij ijsselijk spijten zou als hij op straat gezet werd. Ik zou wel durven wedden, dat het meisje even veel schuld heeft als hij; want het is altijd een onbeschaamd mensch geweest. En als de meisjes hun zoo te gemoet komen, kan men het de jongens niet zoo erg kwalijk nemen; want het is zeker, zij doen alleen wat de natuur hun ingeeft. Maar het is beneden hunne waardigheid zich met zulke vuile deerns op te houden, en dan verdienen ze ook het ergste wat hen overkomen kan. En toch zijn het die leelijke meiden die de meeste schuld hebben. Ik wenschte van ganscher harte, dat men ze allen door den beul liet geesselen; want het is schande, dat zij een knap jong mensch ongelukkig zouden maken,—en niemand zal loochenen dat mijnheer Jones een der mooiste jongens is, die—”
Zij draafde op deze wijze door toen Sophia, op een meer knorrigen toon dan waarop zij haar ooit te voren aangesproken had, riep:
„Hoe komt gij er toe mij met dergelijke zotheden op te houden? Wat gaat mij de heer Jones aan? Ik verbeeld me, dat gij allen onderling gelijk zijt. Het is alsof gij kwaad zijt, dat het niet met u gebeurd is!”
„Ik, jufvrouw?” hernam Honour. „Het spijt me zeer, dat de jufvrouw zulk een min denkbeeld van mij heeft! Geen mensch zou zoo iets van mij zeggen,—dat is zeker! Voor mijn part kunnen alle jonge heeren ter wereld naar den drommel loopen! Omdat ik zeide dat hij een mooije jongen was!—Dat zegt iedereen!—Wel! ik heb nooit geweten, dat er eenig kwaad in zat, als men zeide, dat een jongen er goed uitzag! Maar ik zal dat niet weer van hem zeggen,—van iemand die zoo leelijk handelt! Bah! met zoo’n bedelaarskind!—”
„Houd op met uwe onbeschaamdheid!” riep Sophia, „en ga zien of mijn vader klaar is om te ontbijten.”
Juffer Honour vloog nu de kamer uit, druk in zich zelve pratende, en een heele boel zeggende, waarvan alleen: „Wel nou kom aan!” alles was, wat hoorbaar bleef.
Of nu juffer Honour wezenlijk verdiende op die manier verdacht te worden, zoo als hare meesteresse het zeide, is iets dat wij niet op ons nemen kunnen voor den lezer te beslissen. Wij zullen dat echter vergoeden door hem mede te deelen wat er in Sophia’s hart omging.
De lezer zal gelieven zich te herinneren dat deze jonge dame ongevoelig eene geheime neiging voor Jones had opgevat. Die hartstogt was in de diepte van haar boezem tamelijk vastgeworteld eer zij er zelve iets van ontdekte. Toen zij de eerste sporen er van opmerkte, waren de gewaarwordingen zoo heerlijk en zoet, dat zij de standvastigheid miste om ze tegen te gaan, of ze te smoren, en zij was dus voortgegaan met een hartstogt te koesteren, aan welks gevolgen zij niet eens gedacht had.
Hetgeen er nu met Molly gebeurd was, opende haar voor het eerst de oogen. Zij zag de zwakheid in waaraan zij zich schuldig had gemaakt, en hoewel dit haar in een hevigen graad ontroerde, wekte het toch even als andere onaangename geneesmiddelen, en verdreef tijdelijk de ziekte. De werking was inderdaad verbazend snel en in den korten tusschentijd der afwezigheid van de kamenier, waren alle ziekte-teekenen zoo volmaakt geweken, dat toen juffer Honour haar bij haar vader kwam roepen, zij volmaakt op haar gemak was en de meeste onverschilligheid voor den heer Jones gevoelde.
De kwalen van den geest gelijken in bijna alle bijzonderheden op die van het ligchaam,—om welke reden wij durven hopen, dat de geneeskundige fakulteit ons vergeven zal als wij ons genoopt zagen gebruik te maken van verscheidene woorden en phrases, die van regtswege haar toebehooren;—maar zonder welke onze beschrijving op vele punten onverstaanbaar zou gebleven zijn.
Nu is er geen ééne bijzonderheid, waarin de ziekten van den geest eene grootere analogie hebben met die van het ligchaam, dan in de neiging van beide om op nieuw uit te breken. Dit is zeer blijkbaar in de hevige kwalen van eerzucht en gierigheid. Ik heb gezien dat de eerzucht aan het hof, genezen door herhaalde teleurstellingen (welke het eenige middel daartegen zijn), weer uitbrak in een twist over het voorzitterschap eener Jury; en ik heb van een man gehoord, die in zoo ver de gierigheid was te boven gekomen, dat hij menigen stuiver wegschonk, en zich eindelijk op zijn sterfbed troostte met eene listige en voordeelige overeenkomst te maken met een lijkbezorger, die de man was zijner eenige dochter.
In de liefde, welke wij, ons streng aan de stoicijnsche leerbegrippen houdende, hier als eene ziekte mogen beschouwen, is deze neiging om weer uit te breken niet minder duidelijk. Dus ging het onze arme Sophia, bij wie, de allereerste keer, dat zij den jongen Jones weder zag, al de vroegere ziekteverschijnselen uitbraken, terwijl haar hart, van dien tijd af, beurtelings door heete en koude koortsachtige aandoeningen geschokt werd.
De toestand van deze jonge dame verschilde nu zeer van dien van vroegere dagen. De hartstogt, welke vroeger zoo bekoorlijk en heerlijk geweest was, werd nu tot een schorpioen in haar hart. Zij bood dus met de meeste kracht er wederstand aan, en riep alle redenen op, die zij bijeen kon brengen, om deze liefde te onderdrukken en te vernietigen. Dit gelukte haar in zoo ver, dat zij begon te hopen door den tijd en de afwezigheid volkomen genezen te worden. Zij besloot om Tom Jones zoo veel mogelijk te mijden, en had al het voornemen opgevat om hare tante te gaan bezoeken, waaraan zij niet twijfelde dat haar vader zijne toestemming zou geven.
Maar het noodlot, dat andere plannen koesterde, verijdelde dit voornemen door een ongeluk te doen plaats hebben, hetwelk in het volgende hoofdstuk beschreven zal worden.
HOOFDSTUK XIII.
EEN VERSCHRIKKELIJK ONGELUK, DAT SOPHIA OVERKOMT. DE MANHAFTIGE HOUDING VAN TOM JONES, EN DE NOG VERSCHRIKKELIJKER GEVOLGEN VAN DIE HOUDING TEN OPZIGTE DER JONGE DAME,—MET EENE KORTE AFWIJKING TER VERHEERLIJKING DER VROUWEN.
De liefde van den heer Western tot Sophia vermeerderde met elken dag, zoodat zijne beminde honden zelve bijna voor haar onderdoen moesten; daar hij echter niet over zijn hart kon krijgen die te verzaken, overlegde hij het zeer slim om hun bijzijn met dat zijner dochter tegelijk te genieten, door er op te staan dat zij met hem op de jagt zou rijden.
Sophia, voor wie haar vaders woord wet was, stemde gaarne in zijn verlangen toe, hoewel het vermaak haar in het minst niet aanstond, daar het veel te ruw en te manhaftig was, om met haren smaak overeen te komen. Zij had echter eene andere beweegreden behalve hare gehoorzaamheid, waarom zij den ouden man op de jagt vergezelde; want door haar bijzijn, hoopte zij eenigermate zijne vermetelheid tegen te gaan en hem te beletten om zich zoo dikwerf aan levensgevaar bloot te stellen.
Hetgeen zij het meest er tegen had, was juist hetgeen haar vroeger daartoe overgehaald zou hebben, namelijk het drukke ontmoeten van den jongen Jones, dien zij besloten had te vermijden; daar echter het einde van het jagtsaizoen op handen was, hoopte zij, gedurende een kort verblijf bij hare tante, door het gebruik van hare rede haren ongelukkigen hartstogt geheel te boven te komen, en twijfelde er niet aan, dat zij in staat zou zijn hem het volgende jaar zonder eenig gevaar op het jagtveld te ontmoeten.
Op den tweeden dag van haar jagen echter, terwijl zij naar huis reed, en slechts op een korten afstand was van het huis van den heer Western, begon haar paard, (een vurig dier, dat een beteren ruiter dan zij was, vereischte), zoo plotseling te steigeren en te springen, dat zij in groot gevaar verkeerde om uit den zadel te slaan. Tom Jones, die op zeer geringen afstand achter haar reed, zag dit en vloog onmiddellijk haar ter hulpe. Zoodra hij haar bereikte, sprong hij van zijn paard af en greep het hare in de teugels. Het woeste dier steigerde echter met zooveel geweld, dat zijn schoone last van zijn rug geslingerd en door Jones in de armen opgevangen werd.
Zij was zoodanig ontsteld en verschrikt, dat zij niet dadelijk in staat was Jones te antwoorden, die met veel belangstelling vroeg of zij zich bezeerd had? Zij herstelde echter weldra, verzekerde hem dat haar niets deerde en bedankte hem voor de hulp, welke hij haar geschonken had.
„Als ik u maar gered heb, dan ben ik al meer dan genoegzaam beloond, want ik verzeker u dat ik u gaarne voor het geringste ongeluk behoeden zou, op kosten van een veel grootere ramp dan me nu overkomen is.”
„Hoe! Een ramp!” riep Sophia ontsteld. „Ik hoop toch dat u geen ongeluk getroffen heeft?”
„Wees niet bezorgd,” hernam Jones; „Goddank, dat gij zoo gelukkig het dreigende gevaar ontgaan zijt;—als ik den arm gebroken heb, beschouw ik dat slechts als eene kleinigheid, vergeleken bij hetgeen ik voor u vreesde!”
Sophia gilde het nu uit: „Uw arm gebroken? Dat verhoede de Hemel!”
„Ik vrees dat het zóó is,” zei Jones; „maar, bid ik u, laat me nu eerst verder voor u zorgen. Ik heb nog den regterarm tot uwe dienst, om u door die weide te brengen, van waar wij slechts een heel klein eindje hebben naar uw huis.”
Sophia, die nu zag dat zijn linkerarm langs zijne zijde nederhing, terwijl hij den anderen gebruikte om haar te ondersteunen, twijfelde niet meer aan de juistheid zijner woorden. Zij verbleekte nu veel meer dan zij pas van te voren uit vrees voor haar zelve gedaan had. Zij sidderde zoodanig aan alle ledematen, dat Tom haar naauwelijks ondersteunen kon, en daar hare gedachten uiterst verward waren, kon zij zich niet onthouden van zulk een teederen blik op Jones te werpen, dat die bijna een krachtiger gevoelen in haar hart verried, dan zelfs de dankbaarheid en het medelijden vereenigd in het weekste vrouwenhart kunnen opwekken, als ze niet bijgestaan worden door een derden en meer krachtigen hartstogt.
De heer Western, die een eindje vooruit gereden was, eer dit ongeluk gebeurd was, keerde nu terug met de overige ruiters. Sophia deelde hun dadelijk mede wat Jones overkomen was, en smeekte hen voor hem te zorgen, waarop Western, die zeer ongerust was geworden, toen hij zijn dochters paard zonder ruiter aan zag komen, en die nu verrukt was haar ongedeerd weer te zien, uitriep:
„Nou! Ik ben blijde dat het zoo afgeloopen is! En als Tom den arm gebroken heeft, zullen wij een timmerman laten komen, om hem heel te maken.”
Hierop steeg de landjonker van het paard en ging te voet naar huis met zijne dochter en Jones. Een onwetende voorbijganger, die hen onderweg ontmoet had, zou, naar het uiterlijk te oordeelen, opgemaakt hebben dat Sophia alleen zijn medelijden verdiende; want, wat Jones betreft, hij verheugde zich er over het leven der jonge dame waarschijnlijk gered te hebben alleen, ten koste van een gebroken arm, en de heer Western, ofschoon niet onverschillig voor het ongeluk dat Jones getroffen had, was in nog hoogere mate verheugd over de redding zijner dochter.
Sophia had de edelmoedigheid om de houding van Jones als uiterst dapper te beschouwen, en daardoor maakte deze een diepen indruk op haar hart; want het is zeker, dat er geene hoedanigheid is, welke den man zoozeer bij de vrouw aanbeveelt als deze. En dit is, volgens de algemeene meening toe te schrijven aan de algemeene vreesachtigheid van het schoone geslacht, „welke,” zegt de heer Osborne, „zoo groot is, dat de vrouw het lafhartigste is van alle schepselen.” Een gevoelen dat eerder merkwaardig is voor de onbewimpelde wijze waarop het uitgedrukt is, dan wegens de waarheid, welke het bevat. Ik geloof dat Aristoteles in zijne „Politeia” regtvaardiger jegens haar is, als hij verklaart: „De zedigheid en de moed van den man verschillen van die deugden bij de vrouw; want de moed, welke eene vrouw goed staat, zou niet meer dan lafhartigheid zijn in een man, en de zedigheid, welke een man betaamt, zou haast onbeschaamdheid zijn bij de vrouw.” Even weinig waarheid is er welligt in het gevoelen van diegenen, die de genegenheid, welke de vrouwen den dapperen toedragen, aan hare bovenmatige vreesachtigheid toeschrijven. De heer Bayle, (naar ik meen, in zijn artikel over Helena), schrijft dit toe, met grooten schijn van regt, aan hare hevige ingenomenheid met den roem,—wat bekrachtigd wordt door hem, die beter dan alle anderen de menschelijke natuur peilde en die de heldin zijner Odyssee, dat toonbeeld van huwelijksliefde en trouw, voorstelt, als den roem van haar echtgenoot vermeldende als de eenige bron harer liefde tot hem.
Hoe dit ook zij, het blijft onbetwistbaar, dat deze gebeurtenis grooten indruk maakte op Sophia, en inderdaad, na de zaak rijpelijk onderzocht te hebben, ben ik geneigd te gelooven, dat juist te dezer tijd de bekoorlijke Sophia niet minder indruk op het hart van Jones maakte: om alles te bekennen, hij was sedert kort bewust geworden van de onweerstaanbare magt harer bekoorlijkheden.
HOOFDSTUK XIV.
DE AANKOMST VAN EEN HEELMEESTER. ZIJNE OPERATIËN EN EEN LANG GESPREK TUSSCHEN SOPHIA EN HARE KAMENIER.
Zoodra zij bij den heer Western in huis traden, zeeg Sophia, die slechts met groote inspanning zich zoo lang goed gehouden had, op een stoel neder; maar, door het gebruik van hartshoorn en water werd eene onmagt voorkomen, en zij was bijkans geheel hersteld, toen de heelmeester, om wien men gezonden had om Jones bijtestaan, verscheen.
De heer Western, die al deze verschijnselen bij zijne dochter toegeschreven had aan de gevolgen van haar val van het paard, gaf haar den raad zich dadelijk te doen aderlaten, om nog grooter onheil te voorkomen. In dit gevoelen werd hij ondersteund door den heelmeester, die zoovele redenen daarvoor aanvoerde en zoovele gevallen opsomde van miskramen, alleen omdat men het aderlaten verzuimd had, dat de landjonker zeer lastig werd op dat punt en inderdaad ten stelligste eischte, dat zijne dochter zich wat bloed zou laten afnemen.
Sophia bezweek weldra voor de bevelen van haar vader, hoewel die geheel in strijd waren met hare eigene overtuiging, want zij vreesde, naar ik vermoed, veel minder erge gevolgen van den schrik dan haar vader of de geneesheer.
Zij strekte dus den schoonen arm uit en de heelmeester begon zich voor zijn werk gereed te maken.
Terwijl de dienstboden bezig waren met het noodige er bij te halen, begon de heelmeester, die Sophia’s onwilligheid aan vrees toeschreef, haar te troosten met de verzekering dat er geen het minste gevaar te duchten was; want, zeide hij, er kon bij het aderlaten geen ongeluk plaats hebben, zonder de monsterachtige onkunde van een kwakzalver, welke hij tamelijk onbewimpeld te verstaan gaf, dat nu niet te vreezen was.