Part 68
„Helaas, mijnheer, dat weet ik best!” hernam zij. „Ik weet ook zeer goed wie gij zijt; want mijnheer Allworthy heeft me zelf alles verteld;—maar ik verzeker u, al waart gij twintig maal zijn zoon geweest, had hij geene meerdere liefde voor u kunnen uiten, dan hij aan mij gedaan heeft. Gij behoeft u volstrekt niet te schamen, mijnheer, over wat gij zijt;—ik verzeker u dat geen goed mensch ter wereld u minder daarom achten zal. Neen, mijnheer Jones, de woorden „van oneerlijke geboorte” zijn onzin, zoo als mijn beste goede man plagt te zeggen,—tenzij het woord „oneerlijk” toegepast worde op de ouders; want de kinderen kunnen geene schande dragen van eene daad, waaraan zij geheel onschuldig zijn.”
Hier zuchtte Jones zwaar, en zeide:
„Daar ik zie, jufvrouw, dat gij mij wezenlijk kent, en de heer Allworthy goed gevonden heeft mij aan u te noemen, en daar gij ook zoo openhartig met mij geweest zijt omtrent uwe eigene zaken, zal ik u ook bekend maken met eenige omstandigheden, welke mij betreffen.”
Dewijl nu jufvrouw Miller het grootste verlangen en de meeste nieuwsgierigheid toonde om hem te hooren, begon hij dadelijk en vertelde haar zijne geheele geschiedenis, zonder echter eenige melding te maken van Sophia’s naam.
Er bestaat eene soort van sympathie onder eerlijke zielen, waardoor zij er ligt toe komen om elkaar vertrouwen te schenken. Jufvrouw Miller geloofde dan ook alles wat Jones haar mededeelde, en toonde veel medelijden en deelneming met zijn lot. Zij was al begonnen met over zijn verhaal uit te weiden; maar werd in de rede gevallen door Jones; want daar het uur der komst van Lady Bellaston nu naderde, begon hij te onderhandelen over eene tweede zamenkomst met die dame op zijne kamer, belovende dat deze de laatste zou wezen in dat huis; terwijl hij zwoer dat het iemand van hoogen stand was, en dat er niets gebeuren zou dat niet geheel onschuldig was;—en ik geloof ook vast dat hij voornemens was, om woord te houden.
Eindelijk haalde hij jufvrouw Miller over, en Jones ging naar zijne kamer, waar hij tot middernacht bleef wachten, zonder dat Lady Bellaston verscheen.
Daar wij vermeld hebben, dat die dame eene vurige liefde tot Jones koesterde,—wat werkelijk gebleken is het geval te wezen, zal de lezer welligt verwonderd zijn, dat zij thans geen woord hield, op het oogenblik dat zij hem door ziekte in huis gebonden waande,—eene gelegenheid waarbij dergelijke vriendschappelijke bezoeken vooral vereischt worden. Sommigen zullen dus welligt het gedrag der dame als onnatuurlijk afkeuren;—maar dat is onze schuld niet;—want het is alleen onze taak om de waarheid op te teekenen.
HOOFDSTUK VI.
EEN TOONEEL BEVATTENDE, DAT, ZONDER TWIJFEL DEN LEZER ZEER TREFFEN ZAL.
De heer Jones deed geen oog digt in de eerste uren van den nacht,—wat niet toe te schrijven was aan eenig verdriet over de teleurstelling, welke Lady Bellaston hem berokkend had;—noch was Sophia zelve (hoewel zij de meeste zijner slapelooze uren op hare rekening had) thans de oorzaak van zijne rusteloosheid. Het ware van de zaak was, dat de arme Jones een der goedaardigste menschen ter wereld was, en dat hij gebukt ging onder die zwakheid, welke men medelijden noemt, en die den mensch zoo zeer vernedert in vergelijking van hen die het geluk hebben van die edelmoedige standvastigheid te bezitten, welke den mensch, als het ware, in zich zelven oprolt, en hem ongevoelig maakt voor de rampen van anderen. Hij kon dus niet nalaten om medelijden te gevoelen met de arme Nancy, wier liefde tot den heer Nightingale hem zoo duidelijk zigtbaar scheen, dat hij verbaasd stond over de verblinding harer moeder, die den vorigen avond, meer dan eens gesproken had over de groote verandering in hare dochter, „die,” zoo als zij zeide, „vroeger een der levendigste, vrolijkste meisjes ter wereld was, en thans op eens diep neerslagtig en droefgeestig scheen geworden te zijn.”
De slaap echter overwon eindelijk alle bezwaren, en scheen als ware hij werkelijk eene godheid geweest, zoo als de ouden zich verbeeldden,—en nog wel eene vertoornde, van zijne duurgekochte overwinning gebruik te willen maken. Om duidelijker te spreken, en zonder eenige beeldspraak,—de heer Jones sliep tot den volgenden morgen elf uur, en zou welligt nog een tijdlang de rust genoten hebben, als hij niet door een hevig rumoer in huis gewekt ware geworden.
Hij riep Partridge, vroeg wat er te doen was en vernam „dat er beneden in huis een vreeselijk onweer losgebarsten was; dat jufvrouw Nancy het op de zenuwen had, en dat de andere zuster en de moeder, beiden, over haar stonden te jammeren en te klagen.”
Jones drukte veel ontsteltenis uit over deze tijding, welke Partridge trachtte te verligten, door met een glimlach te zeggen, „dat hij niet geloofde dat de jonge dame in doodsgevaar verkeerde; want dat Suze, de meid, hem had doen verstaan, dat het niets buitengewoons was; met één woord,” zeide hij, „jufvrouw Nancy heeft lust gekregen om even wijs te worden als hare moeder ’t is; anders niets! Het schijnt dat zij wat gulzig geweest is, en aan tafel is gegaan zonder te bidden;—en dus wacht men een kindje voor het Vondelingen-Huis.”
„Ik verzoek u uit te scheiden met dergelijke laffe aardigheden!” riep Jones. „Durft gij te spotten met de ellende dezer arme menschen? Ga dadelijk naar jufvrouw Miller, en zeg haar, dat ik verlof vraag neen, blijf hier! Gij zoudt de eene of andere domheid begaan;—ik zal zelf gaan; zij vroeg me gisteren avond om heden morgen bij haar te komen ontbijten.”
Hij stond dus op, kleedde zich aan, zoo vlug mogelijk, en terwijl hij bezig was, kon Partridge zich niet onthouden, in weerwil van vele strenge verwijten, om zekere grofheden, die gewoonlijk aardigheden genoemd worden, over deze zaak te uiten. Zoodra Jones klaar was, ging hij naar beneden, tikte aan de deur en werd dadelijk door de meid in de voorkamer gelaten, welke even weinig menschen als toebereidselen voor het ontbijt bevatte. Jufvrouw Miller was in de binnenkamer met hare dochter, van waar de meid spoedig den heer Jones de boodschap bragt, „dat de jufvrouw hoopte, dat hij haar de teleurstelling te goed zoude houden, maar dat er een ongeluk gebeurd was, waardoor het haar onmogelijk was om het genoegen te hebben hem dien morgen aan ’t ontbijt te zien, en dat hij het haar vergeven moest, dat zij verzuimd had hem vroeger daarvan te verwittigen.”
Jones verzocht dat zij zich volstrekt niet om hem bekommeren zoude,—dat het hem alleen speet, dat zij zulk eene treurige aanleiding had om hem niet te ontvangen; en dat hij in alles, waartoe hij bij magte was, tot hare dienst stond.
Hij had dit naauwelijks gezegd toen jufvrouw Miller, die alles had kunnen hooren, plotseling de deur open wierp en hem met een stortvloed van tranen naderende, uitriep:
„O, mijnheer Jones, gij zijt zeker een der beste menschen ter wereld! Duizendmaal dank voor uwe aangebodene diensten; maar, helaas, mijnheer, het staat niet aan u, om mijn arm meisje te redden! O mijn kind! Mijn kind! Zij is te gronde gerigt, zij is voor altijd verloren!”
„Ik hoop toch jufvrouw,” zeide Jones, „dat geen eerlooze schelm—”
„O, mijnheer Jones!” riep zij uit, „de ellendeling, die gisteren mijn huis verliet, heeft mijn arm meisje verraden en haar geheel ongelukkig gemaakt.—Ik weet dat gij een man van eer zijt! Gij hebt een edel en goed hart, mijnheer Jones! Al wat ik zelve van u gezien heb, bewijst dat! Ik zal u alles vertellen;—en het is ook onmogelijk, na hetgeen gebeurd is, om het geheim te houden. Die Nightingale, die ongevoelige booswicht, heeft mijne dochter,—o, mijnheer Jones,—zij—zij—moet moeder worden,—door hem,—en in dien toestand heeft hij haar verlaten! Hier, mijnheer, lees zijn wreedaardigen brief! Lees hem mijnheer Jones, en zeg me of er een grooter monster dan hij ter wereld bestaat!”
De brief luidde als volgt:
„Liefste Nancy!
„Daar het mij onmogelijk was u mondeling datgene mede te deelen, wat, naar ik vrees, u niet minder dan mij grieven zal, heb ik mijne toevlugt moeten nemen tot dit middel, om u te doen weten, dat mijn vader er op staat, dat ik onmiddellijk aanzoek zal doen om de hand van eene rijke jonge dame, die hij uitgezocht heeft voor mijne—ik kan het gehate woord niet schrijven!
„Uw eigen gezond verstand zal u doen beseffen, hoe alleen de dwang mij tot eene gehoorzaamheid noodzaakt, welke mij voor altijd uit uwe schoone armen rukt. De toegenegenheid uwer moeder zal u aanmoedigen om haar de ongelukkige gevolgen onzer liefde toe te vertrouwen, welke gemakkelijk voor de wereld een geheim kunnen blijven,—en voor welke, even als voor u, ik ruimschoots zorgen zal.
„Ik hoop dat gij door dit alles minder zult lijden dan ik;—roep uw geheelen moed op, om u bij te staan en vergeet en vergeef den man, dien niets dan de onvermijdelijke ondergang had kunnen dwingen om dezen brief op te stellen. Ik smeek u mij alleen als minnaar te vergeten;—want den besten uwer vrienden zult gij altijd vinden in,
Uw getrouwen, ongelukkigen J. N.”
Toen Jones dezen brief uitgelezen had, bleven beide elkaar een oogenblik zwijgend aanzien;—eindelijk echter zeide hij:
„Ik kan geene woorden vinden, jufvrouw, om uit te drukken, hoe zeer ik getroffen ben door hetgeen ik hier gelezen heb;—maar laat ik u toch raden in één opzigt, den wenk van den schrijver te volgen:—vergeet niet den goeden naam uwer dochter!”
„Die is al weg, die is al verloren, mijnheer Jones!” riep zij, „even als hare onschuld. Zij ontving dien brief in eene kamer vol menschen, viel dadelijk in zwijm zoodra zij hem gelezen had, en de inhoud er van werd aan iedereen bekend. Maar het verlies van haren goeden naam hoe, erg ook, is niet het allerergste. Ik zal mijn kind verliezen; zij heeft al twee maal getracht zich van kant te maken; en hoewel men haar dat belet heeft, zweert zij haar ongeluk niet te willen overleven:—ik zelve zou zoo iets niet kunnen overleven.—Wat moet er dan worden van mijne Betsy, dat hulpelooze, zwakke kind? Dat schepseltje zal ook, geloof ik, van verdriet sterven, als zij de ellende ziet van hare zuster en van mij, zonder te begrijpen waardoor wij tot wanhoop gebragt worden. O, zij is het gevoeligste en teerhartigste schepseltje! O die wreedaard,—hij heeft ons allen te gronde gerigt! O mijne arme kinderen! Is dit het loon voor al mijne zorgen? Is dit de uitslag van mijne verwachtingen? Heb ik met zoovele opgeruimdheid al de zorgen en pligten eener moeder waargenomen,—ben ik zoo bezorgd geweest voor hare kindschheid,—voor hare opvoeding, heb ik zoo vele jaren gezwoegd, en zelfs veel ontbeerd, ten einde iets voor haar over te leggen,—om nu eene, of beiden, op deze wijze te verliezen?”
„Wezenlijk, jufvrouw,” zeide Jones, „ik heb innig medelijden met u!”
„O, mijnheer Jones,” hernam zij, „zelfs gij, wiens goedaardigheid mij bekend is, kunt u geen begrip maken van hetgeen ik gevoel! De beste, de liefste, de gehoorzaamste mijner dochters! O, mijne arme Nancy! Mijne lieveling! De vreugde mijner oogen, de trots van mijn hart! Waar ik inderdaad te trotsch op was! Want aan de dwaze, eerzuchtige hoop, welke op hare schoonheid gegrond was, dank ik haren ondergang. Helaas! Ik zag met welgevallen de neiging, welke die man voor haar koesterde. Ik dacht dat het eene eerlijke liefde was, en vleide mij in mijne dwaze ijdelheid, met de gedachte van haar gehuwd te zien met iemand, die naar de wereld, zoo veel boven haar verheven was. En duizendmaal, in mijn bijzijn,—en in het uwe,—heeft hij deze hoop aangemoedigd en gestreeld door de edelmoedigste verklaring omtrent belangelooze liefde,—welke hij ook altijd tot mijn arm meisje rigtte, en aan welker opregtheid zij, even als ik, geloofde! Had ik kunnen vermoeden, dat dit alleen strikken waren om mijn arm onschuldig kind en om ons allen te gronde te rigten!”
Bij deze woorden kwam de kleine Betsy in de kamer loopen, met den uitroep: „Lieve mama, in ’s hemels naam, kom bij zuster Nancy! Zij heeft het weder op de zenuwen, en nicht kan haar niet meer houden!”
Jufvrouw Miller verwijderde zich dadelijk; maar beval Betsy bij mijnheer Jones te blijven, hem smeekende haar een paar minuten bezig te houden, terwijl zij met de meeste aandoening zeide: „Goede Hemel! Laat mij ten minste één mijner kinderen behouden!”
Jones bewilligde in haar verzoek en deed zijn best om het kind te troosten, schoon hij zelf werkelijk zeer aangedaan was door het verhaal van jufvrouw Miller. Hij verzekerde het meisje, „dat hare zuster spoedig weder beter zou wezen, en dat zij, door zich zoo aan te stellen, niet slechts hare zuster benadeelen, maar ook hare moeder ziek zou maken.”
„Wezenlijk, mijnheer,” hernam het meisje, „ik zou niets ter wereld willen doen om haar te benadeelen! Ik zou het liever verkroppen tot mijn hart brak, dan dat zij mij zagen weenen.—Maar, mijne arme zuster kan me niet meer zien weenen! Wezenlijk,—ik kan haar niet missen! Neen, dat kan ik niet! En onze arme mama! Wat moet er van haar worden?—Zij zegt ook dat zij sterven wil, en mij alleen laten;—maar, ik heb vast besloten om niet alleen te blijven.”
„Vreest gij den dood niet, mijne kleine Betsy?” vroeg Jones.
„Ja,” antwoordde het kind, „ik ben altijd bang geweest dat ik sterven zou, omdat ik dan mama en Nancy had moeten verlaten;—maar ik vrees niet waarheen ook te gaan met degenen die ik lief heb.”
Jones was zoodanig met dit antwoord ingenomen, dat hij het kind hartelijk kuste, en jufvrouw Miller trad kort daarop in de kamer, zeggende, „dat zij den Hemel dankte, dat Nancy nu weer bijgekomen was. En nu, Betsy,” voegde zij er bij, „ga maar naar binnen; want uwe zuster bevindt zich iets beter en verlangt om u te zien.”
Zij wendde zich daarop weder tot Jones en begon met nieuwe verontschuldigingen, dat zij hem bij het ontbijt teleurgesteld had.
„Ik hoop, jufvrouw,” hernam hij, „een nog heerlijker feestmaal te genieten, dan gij mij hadt kunnen verschaffen,—als het mij maar gelukt aan uw liefderijk huisgezin eenige dienst te bewijzen,—en hoe ook mijne pogingen afloopen, heb ik toch vast besloten, om iets te wagen. Ik zou me zeer vergissen in den heer Nightingale, als hij, niettegenstaande hetgeen er gebeurd is, in den grond van zijn hart niet even goed is als hij opregte liefde jegens uwe dochter koestert. Is dat het geval, dan geloof ik wel, dat hij getroffen zal worden door de schilderij welke ik voor hem ophangen zal. Tracht inmiddels, jufvrouw, u zelve en uwe dochter zoo veel mogelijk te troosten. Ik ga dadelijk den heer Nightingale zoeken, en hoop u spoedig goede berigten te brengen.”
Jufvrouw Miller viel op de knieën en riep den zegen des Hemels over Jones in, tevens op de hartstogtelijkste wijze hare dankbaarheid uitende. Daarop vertrok hij om den heer Nightingale op te sporen, en de goede vrouw keerde terug om hare dochter te troosten, die eenigzins verligt werd door hetgeen hare moeder haar vertelde,—en beide vereenigden zich nu om den lof van Jones te verkondigen.
HOOFDSTUK VII.
DE ONTMOETING TUSSCHEN DE HEEREN JONES EN NIGHTINGALE.
Het goed of het kwaad, dat wij anderen aandoen, komt dikwerf, naar ik meen, op ons zelven terug. Want, gelijk menschen van goedigen aard genot hebben van hunne eigene weldadige handelingen, evenzeer als de daardoor bevoordeelden, zoo zijn er ook te naauwernood wezens zoo geheel duivelsch van aard, dat zij in staat zijn om kwaad te doen, zonder zelve met eenige smart voor het lijden te boeten, dat zij een hunner medemenschen berokkenen.
De heer Nightingale, ten minste, was geen mensch van dien stempel. Integendeel, Jones vond hem in zijne nieuwe woning, droefgeestig bij het vuur zittende, en in stilte den ongelukkigen toestand betreurende, waarin hij de arme Nancy verlaten had.
Zoodra hij zijn vriend zag verschijnen, stond hij haastig op om hem te groeten, en na zijne vreugde betoond te hebben over zijne komst, zeide hij:
„Wezenlijk, niets kon tijdiger komen dan dit vriendelijk bezoek; ik ben van mijn leven niet meer ontstemd geweest dan nu.”
„Het spijt me,” hernam Jones, „dat ik u waarschijnlijk eene tijding breng, welke u niet opgeruimder zal maken,—ja, ik vrees zelfs dat ze u diep grieven zal. Het is echter noodzakelijk om u alles mede te deelen. Zonder verdere inleiding dan, ik kom bij u, mijnheer Nightingale, om over eene waardige familie, welke gij in het verderf gestort hebt, te spreken”
De heer Nightingale verbleekte bij deze woorden; maar, zonder daarop acht te geven, ging Jones voort met op de meest levendige wijze het tragische verhaal te doen, waarmede de lezer in het vorige hoofdstuk bekend is geworden.
Nightingale viel hem geen enkele maal in de rede, hoewel hij tusschenbeide de hevigste aandoening liet blijken. Maar toen het gedaan was, zeide hij, met een diepen zucht:
„Wat gij mij mededeelt, vriend, treft me op de gevoeligste wijze. Ik kan me geen verwenschter ongeluk voorstellen dan dat het arme meisje mijn brief niet wist geheim te houden. Haar goede naam ware dan veilig gebleven, en men had de heele zaak kunnen sussen,—zoodat het meisje later eene heel goede partij had kunnen doen;—want zoo iets ziet men dikwerf gebeuren hier in de stad, en als de man dan, als het te laat is, vermoedens krijgt,—doet hij het best met ze te verbergen voor zijne vrouw en voor de wereld.”
„Wezenlijk, mijn beste,” hernam Jones, „dit had nooit het geval kunnen wezen met uwe arme Nancy. Gij bezit zoo onverdeeld hare geheele liefde, dat het verlies van u en niet dat van haar goeden naam, haar nu zoo rampzalig maakt,—en dat het eindigen zal met den ondergang van haar en van hare geheele familie.”
„Wat dat aangaat,” hernam Nightingale, „ik houd zoo dol veel van haar, dat ik u verzekeren kan, dat wie ik ook tot vrouw krijgen moge, deze slechts een zeer gering aandeel aan mijne liefde hebben zal.”
„Zou het dan mogelijk wezen,” riep Jones, „dat gij toch besloten hebt om haar te verlaten?”
„Wel, wat zou ik anders doen?” hernam de andere.
„Vraag dat maar aan Nancy zelve,” riep Jones driftig. „In den toestand waartoe gij haar gebragt hebt, geloof ik vast, dat zij zelve moest beslissen, welke vergoeding gij haar schenken zult. Haar belang alleen, en volstrekt niet het uwe, moet hierbij in aanmerking komen. Maar als gij mij vraagt, wat u te doen staat?” ging hij voort; „welnu, wat zoudt gij anders kunnen doen, dan de verwachtingen van hare familie en van haar zelve verwezenlijken.—Vergeef me, als ik te veel waag na onze korte vriendschap,—maar ik heb diep medelijden met deze arme schepselen. Uw eigen hart zal u ook best weten te zeggen, of gij nooit voornemens zijt geweest door uw gedrag moeder en dochter te overtuigen dat gij eene eerlijke liefde koesterdet,—en zoo gij dat gedaan hebt, hoewel zonder eene regtstreeksche huwelijks-belofte, dan laat ik het aan u zelven over te beslissen, in hoe ver het pligt voor u is om u thans niet terug te trekken.”
„Ik moet niet slechts bekennen dat ik gehandeld heb zoo als gij veronderstelt,” hernam Nightingale; „maar, ik vrees, dat ik zelfs de belofte gedaan heb, waarop gij zinspeelt.”
„En kunt gij, na zulk eene bekentenis nog één oogenblik aarzelen?” riep Jones.
„Bedenk eens, vriend, wat gij van mij vergt,” hernam de andere: „Ik weet wel dat gij zelf man van eer zijt, en geen mensch iets aanraden zoudt, dat daarmede in strijd ware;—maar, gelooft gij zelf, alle andere bezwaren daargelaten, dat ik, na de openbaarmaking harer schande zonder oneer aan zulk eene verbindtenis zou kunnen denken?”
„Dat kunt gij zonder twijfel doen!” antwoordde Jones, „en de hoogste en heiligste eer, de eer der liefde, eischt dit van u. Daar gij echter dit bezwaar geopperd hebt, vergun mij het met u te onderzoeken. Kunt gij,—behoudens uwe eer—u schuldig weten van, onder valsche voorwendselen, een jong meisje en hare familie bedrogen te hebben, en haar, op die wijze van hare onschuld beroofd te hebben? Kunt gij,—behoudens uwe eer,—de bewuste, de willekeurige oorzaak,—zelfs de listige bewerker van het ongeluk van een menschelijk wezen zijn? Kan de eer de gedachte verdragen, dat dit wezen een teeder, hulpeloos, weerloos meisje is? Een meisje dat u bemint, dat met u dweept, dat om u sterft;—dat vast vertrouwen stelde in uwe beloften,—en aan dat vertrouwen alles opgeofferd heeft wat haar dierbaar moet zijn? Kan de eer slechts voor één oogenblik zulk eene gedachte verdragen?”
„Het gezond verstand,” hernam Nightingale, „moet alles billijken wat gij zegt; maar gij weet toch wel dat de wereld er anders over denkt, en dat als ik een eerloos meisje huwde,—al ware het mijne eigene maitresse,—ik mij zou moeten schamen mij ergens weder te vertoonen.”
„Foei, mijnheer Nightingale!” riep Jones; „geef haar toch zoo’n onteerenden naam niet! Toen gij beloofdet haar te huwen, werd zij uwe echtgenoote,—en zij heeft eerder tegen de voorzigtigheid dan tegen de deugd gezondigd. En wie zijn die menschen in de wereld, voor wie gij u zoudt schamen? Alleen de lagen, de dwazen en de loshandigen! Vergeef me, als ik beweer, dat zulk eene schaamte eene valsche schaamte is,—wijl ze op valsche begrippen van eer steunt! Maar ik blijf vast overtuigd, dat er geen echt verstandig of goed mensch ter wereld is, die eene dergelijke daad niet goedkeuren en vereeren zou. Zelfs toegegeven, dat niemand anders het deed, zoudt gij het niet in uw hart doen? En verschaft ons niet het levendige, verrukkelijke bewustzijn van eene eerlijke, edele, grootmoedige daad verrigt te hebben, meer geluk dan de onverdiende loftuitingen van millioenen menschen. Bezie de zaak naauwkeurig van beide kanten! Zie van den eenen kant, dit arme, ongelukkige, teerhartige, goedgeloovige meisje, den laatsten snik geven in de armen harer rampzalige moeder! Hoor, hoe haar hart, onder zijne kwellingen breekt, terwijl zij uw naam zucht, en eerder uwe wreedheid beklaagt dan dat zij u beschuldigt, hoewel zij daardoor te gronde gerigt wordt. Tracht u voor te stellen in uwe verbeelding, den toestand der liefderijke, wanhopige moeder, tot razernij, of welligt tot het graf gebragt, door het verlies harer bekoorlijke dochter. Denk aan het arme, hulpelooze weesje, dat achterblijven zou, en als gij u zoo iets slechts één oogenblik hebt voorgesteld, beschouw u zelven dan als de oorzaak van al de rampen van dit kleine, waardige, weerlooze huisgezin.—Van den anderen kant, stel u voor dat gij hen uit hun tegenwoordig lijden verlost! Verbeeld u met welke vreugde, met welke verrukking, de schoone in uwe armen zal vliegen. Zie, hoe het bloed terug vloeit naar de bleeke wangen,—hoe het vuur weer schittert in de kwijnende oogen, en de zaligheid terug keert in het gekwelde hart! Denk aan de vreugde harer moeder;—aan het geluk van allen! Zie dit kleine huisgezin, door deze ééne daad van u volmaakt gelukkig!—Stel u beide tooneelen voor, en zeker heb ik mij in mijn vriend vergist, als hij lang behoeft te overleggen, of hij deze rampzaligen voor altijd verpletteren zal, of hen door ééne edelmoedige, schoone handeling opheffen van den rand van het verderf tot den hoogsten top der menschelijke gelukzaligheid! Voeg hierbij nog slechts deze bedenking, dat het uw pligt is zoo te handelen,—dat de ellende, van welke gij deze arme menschen verlossen zult, de ellende is, waarin gij hen willens en wetens gestort hebt.”
„O waarde vriend!” riep Nightingale, „ik had geene behoefte aan uwe welsprekendheid om mij op te wekken! Ik heb van ganscher harte medelijden met de arme Nancy, en zou gaarne alles ter wereld geven, als ik het verledene ongedaan kon maken. Ja, geloof, dat het me een zwaren strijd kostte eer ik er toekwam om dien wreeden brief te schrijven, welke die arme menschen zoo diep ongelukkig heeft gemaakt. Als ik niemands neigingen dan mijne eigene behoefde te raadplegen, zou ik haar morgen vroeg huwen;—dat zou ik, werkelijk!—Maar gij zult toch wel willen gelooven dat het onmogelijk zou zijn mijn vader over te halen zijne toestemming tot zulk een huwelijk te geven. Hij heeft ook reeds eene andere vrouw voor mij op het oog,—en morgen, op zijn bepaald verlangen, moet ik mijne opwachting bij haar maken.”