Chapter 69 of 84 · 3911 words · ~20 min read

Part 69

„Ik heb de eer niet van uw vader te kennen” hernam Jones; „maar, verondersteld dat hij zich liet overhalen, zoudt gij zelf gereed zijn om het eenige middel te kiezen om die arme menschen te redden?”

„Ik weet niets wat mij gelukkiger zou maken,” antwoordde Nightingale; „want bij eene andere vrouw zal ik nooit gelukkig wezen. O, waarde vriend, als gij u voorstellen kondet wat ik dezen nacht voor mijn arm meisje gevoeld heb, dan ben ik overtuigd dat niet zij alleen al uw medelijden eischen zoude! De liefde trekt mij alleen tot haar, en als ik eenige valsche begrippen van eer koesterde, hebt gij mij geheel daarvan genezen. Als mijn vader maar overgehaald kon worden om in mijne wenschen toe te stemmen, zou er niets meer ontbreken aan mijn geluk, of aan dat mijner Nancy!”

„Dan ben ik besloten om het te beproeven,” riep Jones. „Gij moet niet boos op mij wezen, in welk licht ik me ook genoodzaakt mogt zien de zaak voor te stellen, welke,—zoo veel is zeker,—niet lang voor uw vader verborgen kan blijven; want dingen van dezen aard worden spoedig algemeen verspreid, als ze maar eens aan enkelen bekend zijn geworden,—zoo als ongelukkig hier het geval is. Bovendien, als er het eene of andere ongeluk volgde,—wat, op mijn woord, wel dreigt, als het niet bij tijds voorkomen wordt,—zou het publiek met uw naam bekend worden op eene wijze, welke uw vader, als hij eenig menschelijk gevoel heeft, diep grieven zou. Als gij mij dus zeggen wilt, waar ik den ouden heer kan vinden, zal ik geen oogenblik in deze zaak laten verloren gaan; en terwijl ik daarmede bezig ben, kunt gij niets beters doen dan een bezoek te brengen aan het arme meisje. Gij zult zien dat ik niets overdreven heb in de berigten, welke ik u van het ongelukkige huisgezin medegebragt heb.”

Nightingale was het dadelijk eens met dit voorstel, en Jones bekend gemaakt hebbende met het adres van zijn vader, en met het koffijhuis, waar hij hem waarschijnlijk aantreffen zou, aarzelde hij een oogenblik eer hij zeide:

„Mijn beste Tom, gij gaat het onmogelijke ondernemen. Als gij mijn vader kendet, zoudt gij er aan wanhopen om zijne toestemming te verkrijgen.—Maar, wacht!—er is welligt één middel!—Verondersteld, dat gij hem zeidet dat ik al gehuwd was? Het zou misschien gemakkelijker vallen hem met de daad te verzoenen als ze onherroepelijk was,—en, op mijn woord, ik ben zoo getroffen door hetgeen gij mij gezegd hebt, en ik houd zoo dol veel van Nancy, dat ik bijna wenschte, dat wij gehuwd waren,—wat ook de gevolgen mogten zijn.”

Jones keurde dit plan goed, en beloofde dienovereenkomstig te handelen. Daarop scheidden zij: Nightingale om bij zijne Nancy te gaan, en Jones om den ouden heer op te zoeken.

HOOFDSTUK VIII.

HETGEEN ER VOORVIEL TUSSCHEN DE HEEREN JONES EN NIGHTINGALE,—EN DE AANKOMST VAN IEMAND, DIE TOT DUSVER NIET IN DEZE GESCHIEDENIS OPGETREDEN IS.

Niettegenstaande het gevoelen van den Latijnschen hekeldichter, die de goddelijkheid der Fortuin ontkent, wat door Seneca beaamd wordt, is Cicero, dien ik voor een wijzer man dan de beide anderen houd, bepaaldelijk van het tegendeel overtuigd; en zeker is het, dat er sommige gebeurtenissen in dit leven zijn, die zoo vreemd en onverklaarbaar blijven, dat het meer dan menschelijke kunde en doorzigt schijnt te eischen om ze te doen ontstaan.

Iets van dezen aard gebeurde er thans met Jones, die den heer Nightingale, den vader, op zulk een kritiek oogenblik aantrof, dat vrouw Fortuna zelve, als zij wezenlijk de aanbidding verdiende, welke men haar te Rome schonk, er geen tweede van dien aard had kunnen bedenken. Met één woord, de oude heer en de vader der dame, die hij voor zijn zoon bestemd had, waren uren lang druk bezig met elkaar geweest; de laatstgenoemde was pas vertrokken, en had den eersten verlaten, die zich verheugde, dat hij de bovenhand gekregen had in den langdurigen twist tusschen de vaders van de aanstaande bruid en bruidegom;—een twist, waarin beide partijen getracht hadden elkaar te foppen, en, zoo als dikwerf het geval is bij zulke gelegenheden waarin beide volmaakt overtuigd waren, dat zij de overwinning behaald hadden.

Deze heer, dien Jones nu opzocht, was hetgeen men noemt, „een wereldsch man;” dat wil zeggen, iemand, die als het ware, overtuigd dat er geene andere wereld is, zich alleen er op toelegt, om het zoo goed mogelijk in deze te hebben. In zijne jeugd was hij in den handel geweest; maar een ruim vermogen verworven hebbende, had hij onlangs zijne zaken opgegeven,—of liever, hij had den handel in goederen laten varen, om handel te drijven in geld, dat hij altijd in ruimte voorhanden had, en waarvan hij een zeer voordeelig gebruik wist te maken, soms bij de behoeften van partikulieren, soms bij die van den staat. Hij had zich, inderdaad, zoo uitsluitend met geldzaken bezig gehouden, dat men er bijna aan twijfelen moest, of hij wel wist, dat er iets anders ter wereld bestond:—en men mag met zekerheid beweren, dat hij in elk geval geloofde, dat er niets anders van wezenlijke waarde te vinden was.

Ik verbeeld me dat de lezer toestemmen zal, dat het lot geen ongeschikter persoon had kunnen bedenken, dan deze, om door Jones aangevallen te worden met eenige hoop op welslagen; en de grillige vrouw Fortuna kon er ook geen ongeschikter oogenblik voor uitgezocht hebben.

Daar nu het geld altijd boven dreef in de gedachten van dezen heer, zoodra hij een vreemdeling zag binnen komen, stond het bij hem vast, dat die komen moest, óf om hem geld te brengen, óf om geld van hem te vragen. En naar mate de eene of andere dezer gedachten de overhand had, vatte hij een gunstig, of een ongunstig denkbeeld van zijn bezoeker op.

Tot ongeluk van Jones, kwam het laatste thans bij hem op; want daar hij den vorigen dag het bezoek had ontvangen van een jongen heer, met een wissel van zijn zoon, voor een speelschuld, vreesde hij, op het eerste gezigt van Jones, dat deze met eene dergelijke boodschap kwam. Zoodra hij dus van hem vernam dat hij hem over zijn zoon wenschte te spreken, gevoelde de oude heer zich in zijn vermoeden bevestigd, en barstte uit met den uitroep, „dat hij zich die moeite sparen kon!”

„Zou het dan mogelijk wezen, mijnheer, dat gij mijne boodschap gist?” vroeg Jones.

„Als ik goed geraden heb,” hernam de andere, „dan herhaal ik, dat het vergeefsche moeite is. Ik veronderstel dat gij een van die vrienden zijt, die mijn zoon verleidt tot allerlei uitspattingen en losbandigheden, die hem te gronde zullen rigten; maar, ik verklaar u, dat ik geene enkele rekening meer voor hem zal betalen! Ik verwacht dat hij in ’t vervolg zich van dergelijken omgang onthouden zal! Als ik dit niet verwachtte, zou ik geene vrouw voor hem gezocht hebben; want ik wilde geen mensch ongelukkig maken!”

„Hoe, mijnheer?” riep Jones; „hebt gij hem dan die vrouw bezorgd?”

„Mag ik u vragen, mijnheer, wat u dat aangaat?” hernam de oude heer.

„Ik bid u, waarde heer, u niet beleedigd te achten als ik belang stel in al wat het geluk kan bevorderen van uw zoon wien ik de meest opregte vriendschap en genegenheid toedraag;—het was juist over dat punt dat ik u kwam spreken. Ik kan u niet zeggen, hoe gelukkig ik me acht door al wat gij gezegd hebt; want ik verzeker u dat ik den meesten eerbied voor uw zoon koester.—Ja, mijnheer, het valt mij niet gemakkelijk, om u te zeggen hoezeer ik u hoogacht, die zoo edelmoedig, zoo goed, zoo toegevend zijt geweest voor uw zoon en hem zulk eene vrouw geschonken hebt,—die, dat zou ik durven zweren, hem tot den gelukkigsten mensch ter wereld zal maken.”

Er is naauwelijks iets ter wereld, dat een mensch zoo zeer bij ons aanbeveelt, als, wanneer zijne eerste verschijning ons verontrust heeft, en wij die ongerustheid op eens zien wegnemen. De vrees die wij gevoelden, wordt dan ook dadelijk vergeten en wij meenen onze tegenwoordige gerustheid juist aan dien persoon verpligt te zijn, welke ons den eersten schrik aangejaagd heeft.

Dit was thans het geval met Nightingale, die veel welbehagen begon te scheppen in Jones, zoodra hij ontdekte dat deze niets van hem te vragen had.

„Wees zoo goed om plaats te nemen, waarde heer,” zeide hij; „ik herinner me niet het genoegen te hebben gehad van u vroeger te ontmoeten; maar, daar gij verklaart een vriend van mijn zoon te zijn, zal ik gaarne alles hooren wat gij omtrent de jonge dame in kwestie te zeggen hebt. Als hij niet gelukkig met haar wordt, zal het zeker zijne eigene schuld wezen. Ik heb het mijne gedaan door voor de hoofdzaak te zorgen. Zij zal hem een schat brengen, waarmede ieder redelijk, verstandig, matig mensch gelukkig kan wezen.”

„Wel zeker,” riep Jones; „want zij is in zich zelve een schat, zoo schoon, zoo fatsoenlijk, zoo goedaardig, zoo goed opgevoed;—zij heeft inderdaad vele begaafdheden;—zij zingt heerlijk en speelt prachtig op de klavecimbel.”

„Daar weet ik niets van,” hernam de oude heer; „want ik heb de dame nooit gezien; maar wat gij mij van haar vertelt, vermindert mijne gunstige meening omtrent haar niet, en het bevalt me wel van haar vader, dat hij bij onze onderhandelingen geen gewigt scheen te hechten aan deze gaven van haar. Ik zal dat altijd beschouwen als een blijk van zijn gezond verstand. Een dwaas mensch zou dit alles mede in rekening gebragt hebben bij haar vermogen; maar, om hem regt te doen, sprak hij geen woord van die dingen, hoewel het ontegenzeggelijk is, dat zij eene vrouw niet ontsieren.”

„Ik verzeker u, mijnheer,” riep Jones, „dat zij ze alle in hooge mate bezit. Ik moet echter bekennen, dat ik van mijn kant vreesde, dat gij zelf iets minder gunstig gestemd zoudt zijn voor het huwelijk; want uw zoon vertelde me, dat gij nooit de dame gezien hadt;—ik kwam dus eigenlijk, mijnheer, u bidden en smeeken, als gij eenigen prijs stelt op het geluk van uw zoon, om zijn huwelijk niet af te keuren met eene vrouw, die niet slechts de gaven bezit, welke ik opgenoemd heb, maar nog veel meer bovendien.”

„Als dat uwe boodschap was, mijnheer,” hernam de vader, „zijn wij beiden u zeer veel verpligt, en gij kunt volkomen gerust wezen; want ik geef u mijn woord, dat ik zeer voldaan ben met wat zij ten huwelijk mede brengt.”

„Mijnheer,” riep Jones; „mijn eerbied voor u vermeerdert met elk oogenblik. Dat gij zoo ligt tevreden, zoo matig zijt op dat punt, is een bewijs van uw gezond verstand evenzeer als van uwe edele denkwijze!”

„Van overgroote matigheid zullen we niet spreken, jonge heer,” hernam de vader.

„Gij toont hoe langer zoo meer edelmoedigheid,” zei Jones, „en vergeef me als ik ook zeg, verstand; want het is zeker weinig minder dan razernij om het geld te beschouwen als den eenigen grondslag van het geluk. Zulk eene vrouw als deze, met haar gering, haar nietig fortuintje—”

„Naar ik zie, vriend,” hernam de oude heer, „hebt gij een eenigzins vreemd denkbeeld van de waarde van het geld;—of gij zijt beter met de persoon der dame dan met hare omstandigheden bekend. Wel! Op hoeveel taxeert gij het vermogen der dame?”

„Vermogen?” riep Jones. „Het is niet noemenswaardig bij dat van uw zoon vergeleken.”

„Nu, nu,” hernam de andere, „hij had welligt beter kunnen doen.”

„Dat moet ik ontkennen,” zei Jones, „want eene betere vrouw ken ik niet.”

„Ja, ja, maar ik spreek van het geld,” hernam de andere,—„en toch;—zeg maar hoeveel denkt gij dat uw vriend met zijne vrouw meê krijgt?”

„Hoe veel?” vroeg Jones; „hoe veel? Wel! Op zijn hoogst twee honderd pond.”

„Houdt ge me voor den gek, jonge heer?” vroeg de vader, beginnende boos te worden.

„Neen,—dat niet, op mijn woord,” hernam Jones. „Ik spreek in ernst. Ik geloof niet dat zij een duit meer zal krijgen,—als het ooit zoo veel is. Als ik de dame te laag schat, spijt het me.”

„Maar dat is wel het geval!” riep de vader. „Ik weet wel dat zij vijftig maal die som heeft, en zij zal dat nog verdubbelen, eer ik mijne toestemming geef tot haar huwelijk met mijn zoon!”

„Wel,” zei Jones, „het is nu wat laat om van toestemming te spreken:—al had zij geen rooden duit, zij is toch met uw zoon getrouwd!”

„Getrouwd?” riep de oude heer, verbaasd.

„Wel,” zei Jones, „ik dacht dat gij het wist!”

„Mijn zoon al getrouwd met jufvrouw Harris!” vroeg de vader.

„Met jufvrouw Harris?” riep Jones; „wel neen! Met jufvrouw Nancy Miller,—de dochter van jufvrouw Miller, bij wie hij kamers had;—eene jonge dame, die hoewel hare moeder genoodzaakt is kamers te verhuren—”

„Schertst gij—of is u dat ernst?” riep de vader, op plegtigen toon.

„Mijnheer,” hernam Jones, „ik veracht het karakter van een spotvogel. Ik kwam bij u in goeden ernst, mij verbeeldende, wat nu blijkt waar te zijn, dat uw zoon het niet gewaagd had u met een huwelijk bekend te maken, dat, wat het geld betreft, zoo gering is voor uw zoon, hoewel de goede naam der dame niet duldt dat het langer geheim blijve.”

Terwijl de vader als verstomd door deze tijding bleef staan, trad iemand in de kamer, die hem met den naam van broeder begroette.

Maar hoewel deze beiden door bloedverwantschap in zulke naauwe betrekking tot elkaar stonden, waren zij in karakter bijna lijnregt aan elkaar tegenovergesteld. De broeder, die nu binnen trad, was ook als handelaar groot gebragt, maar had naauwelijks een zes duizend pond sterling verdiend, of hij kocht met het grootste gedeelte van zijn geld een klein landgoed, en trok zich daar terug, en huwde de dochter van een armen geestelijke, eene jonge dame, die hoewel noch schoon noch rijk, zich aan hem aanbevolen had alleen door hare meer dan gewone goedaardigheid.

Met deze vrouw had hij vijfentwintig jaren lang een leven geleid, dat meer geleek op het beeld, hetwelk zekere dichters van de gouden eeuw ophangen, dan op eenig voorbeeld, dat men in deze dagen aantreft. Zij had hem vier kinderen geschonken, van welke er geen groot was geworden dan ééne dochter, die door hem en zijne vrouw, zoo als men zegt, „bedorven” werd;—dat is, zij hadden haar opgevoed met de meeste teederheid en liefde, welke zij hun zoodanig vergold, dat zij werkelijk een zeer voordeelig huwelijk met een heer die naauwelijks veertig jaren oud was afgeslagen had, alleen omdat zij er niet toe komen kon om van hare ouders te scheiden.

De jonge dame, welke de heer Nightingale voor zijn zoon bestemd had, woonde in de buurt van zijn broeder, en was eene kennis van zijne nicht; en het was juist wegens het voorgenomen huwelijk dat de broeder nu naar de stad gekomen was,—niet, om de verbindtenis te bevorderen, maar integendeel om zijn broeder een plan af te raden, dat, volgens zijn gevoelen, zijn neef geheel te gronde zou rigten; want hij voorzag niets anders van diens huwelijk met mejufvrouw Harris, in weerwil van haar groot vermogen, daar noch haar uiterlijk noch haar karakter eenig huwelijksgeluk scheen te voorspellen;—zij was namelijk zeer lang, zeer mager, zeer leelijk, zeer gemaakt, zeer dwaas, en zeer slecht van humeur.

Zoodra dus zijn broeder melding maakte van het huwelijk van zijn neef met jufvrouw Miller, drukte hij de meeste voldoening daarover uit, en toen de vader hevig over zijn zoon uitvoer en hem tot den bedelstaf doemde, begon de oom, als volgt:

„Als gij iets minder driftig waart, broeder, zou ik u vragen, of gij uw zoon om zijnentwil, of om u zelven bemint? Denkelijk zoudt gij antwoorden, en u ook verbeelden, dat het om zijnentwil was, en het was zonder twijfel zijn geluk dat gij ten doel hadt met het voorgenomen huwelijk.

„Nu is het mij, broeder, altijd zeer ongerijmd voorgekomen om regels voor te schrijven voor het geluk van anderen, en ook zeer willekeurig om zich het regt daartoe aan te matigen. Ik weet wel, dat dit eene algemeene dwaling is;—maar eene dwaling blijft ze toch. En als dit ongerijmd is in andere zaken, is het des te ongerijmder als het een huwelijk betreft, daar het geluk daarvan alleen afhangt van de neiging die tusschen het paar bestaat.

„Ik heb het dus steeds als zeer onredelijk beschouwd, wanneer de ouders bij deze gelegenheid voor hunne kinderen eene keuze verlangden te doen, daar het onmogelijk is de liefde te dwingen, die zelfs zoo veel afkeer heeft voor al wat geweld is, dat zij welligt door eene ongelukkige, maar toch ongeneesselijke verkeerdheid in onzen aard, veelal onvatbaar is voor overtuiging.

„Het blijft echter waar, dat hoewel een vader, naar ik meen, wijs doet met niets te bevelen op dit punt, hij het regt heeft om geraadpleegd te worden, en strikt genomen, moest hij ook welligt de magt bezitten om „neen” te zeggen. Ik beken dus, dat mijn neef zich vergrepen heeft, door een huwelijk aan te gaan zonder uwe toestemming te vragen. Maar, eerlijk gesproken, broeder, hebt gij zelf geene aanleiding tot dit vergrijp gegeven? Hebben niet uwe dikwerf geuite gevoelens op dit onderwerp hem de zedelijke overtuiging gegeven, dat gij uwe toestemming zoudt weigeren in elk geval waar het meisje gebrek aan vermogen had? Is ook uw toorn op dit oogenblik niet enkel en alleen aan dit gebrek aan geld toe te schrijven? En als hij, op dit punt, te kort geschoten is in zijn pligt, zijt gij niet evenzeer uw gezag te buiten gegaan, door bepaaldelijk, zonder hem daarin te kennen, over eene echtgenoote voor hem te onderhandelen, die gij zelf nooit gezien hebt, en die gij, als gij haar even goed kendet en even dikwerf gezien hadt als ik, het voor razernij zoudt moeten houden om in uwe familie te brengen.

„Ik blijf echter daarbij dat mijn neef een fout begaan heeft;—maar zeker geene die onvergeefelijk blijft. Hij heeft, inderdaad, zonder uwe toestemming gehandeld in eene zaak, waarbij hij die had moeten vragen;—maar het blijft toch eene zaak, waarmede voornamelijk zijn eigen belang gemoeid is,—gij zelf zult bekennen, dat ook gij alleen in zijn belang wildet handelen, en als hij ongelukkig van u verschilde in meening, omtrent zijn eigen geluk, zult gij, broeder, als gij hem werkelijk lief hebt, hem nog verder van zijn doel afbrengen? Zult gij de treurige gevolgen van zijne onverstandige keuze verergeren? Zult gij trachten om zijne handeling bepaald ongelukkig voor hem te maken, terwijl het nu nog de vraag is, of ze blijken zal zoo zeer betreurenswaardig te zijn? met één woord, broeder, omdat hij u belet heeft hem zoo rijk te maken, als gij wel bedoeldet, zoudt gij hem nu zoo arm mogelijk willen maken?”

Door de kracht van het echt katholieke geloof, zag men den heiligen Antonius de visschen bepraten. Orpheus en Amphion gingen zelfs iets verder, en bekoorden onbezielde dingen door de tooverkracht der muzijk. Alles even verbazend! Maar noch de geschiedenis noch de fabelkunde hebben het ooit gewaagd een voorbeeld te vermelden van iemand, die door kracht van redenering en van redenen over tot gewoonte gewordene geldzucht gezegevierd heeft.

De heer Nightingale, de vader, in plaats van te trachten zijn broeder te beantwoorden, vergenoegde zich met op te merken, dat zij altijd verschillend gedacht hadden over de opvoeding hunner kinderen.

„Ik wilde wel, broeder,” zeide hij, „dat gij uwe zorgen tot uwe eigene dochter bepaald hadt, zonder u ooit met mijn zoon te bemoeijen, die, naar ik geloof, even weinig goeds van uw onderrigt als van uw voorbeeld geleerd heeft.”

De jonge Nightingale was namelijk het petekind van zijn oom en had langer bij hem dan bij zijn eigen vader geleefd,—zoodat de oom dikwerf verklaard had, dat hij bijna evenveel van zijn neef hield als van zijn eigen kind.

Jones dweepte met dezen waardigen man, en toen zij, na lang praten, bevonden dat de vader in plaats van te bedaren, hoe langer zoo driftiger werd, bragt Jones den oom bij zijn neef, in het huis van jufvrouw Miller.

HOOFDSTUK IX.

VREEMDE DINGEN BEVATTENDE.

Bij zijne terugkeer naar huis, vond Jones den toestand der zaken aldaar sedert zijn vertrek zeer veranderd. De moeder, de beide dochters en de jonge heer Nightingale zaten zamen bij het avondmaal, toen de oom, op zijn eigen verzoek, zonder verdere pligtplegingen, zich bij het gezelschap voegde, waaraan hij reeds goed bekend was, daar hij zijn neef meer dan eens daar bezocht had.

De oude heer trad dadelijk op jufvrouw Nancy toe, begroette haar en wenschte haar geluk, alsmede zijn neef en de andere zuster, en eindelijk zijn neef, met even veel goedheid en hoffelijkheid alsof de jongen zijns gelijke, of eene meerdere in vermogen gehuwd had,—na inachtneming van alle vooraf geëischte plegtigheden.

Mejufvrouw Nancy en haar veronderstelde echtgenoot verbleekten en zagen er eerder verlegen dan gelukkig uit bij deze gelegenheid; maar jufvrouw Miller nam de eerste de beste gelegenheid waar om zich te verwijderen, liet Jones halen naar de eetkamer, wierp zich aan zijne voeten, en met een stortvloed van tranen noemde zij hem haar beschermengel, den redder van haar arm klein huisgezin, met vele andere eerbiedige en liefderijke benamingen,—terwijl zij hem dankte met al het vuur, hetwelk de grootste der weldaden in een gevoelig hart kan doen ontbranden.

Nadat de eerste opwelling iets bedaard was, die zij, zooals zij zeide, niet zou hebben kunnen smoren zonder het met den dood te boeten, ging zij er toe over om den heer Jones te berigten dat alles al afgesproken was tusschen mijnheer Nightingale en hare dochter, en dat zij den volgenden morgen in het huwelijk zouden treden. Hierover drukte Jones zijn groot genoegen uit en de arme vrouw kreeg weder een aanval van vreugde en dankbaarheid, welke hij slechts met moeite tot bedaren kon brengen, terwijl hij haar eindelijk overhaalde om zich weder met hem bij het gezelschap te voegen, dat even gelukkig was, als pas te voren.

Zij bragten nu een paar zeer aangename uren met elkaar door, gedurende welke de oom, die zeer veel van de flesch hield, zijn neef zoo druk ingeschonken had, dat deze hoewel niet dronken, eenigzins verhit begon te geraken, en den ouden heer Nightingale met zich naar boven nemende op de kamer, welke hij vroeger zelf bewoond had, als volgt aan zijn hart lucht gaf:

„Daar gij steeds de beste en liefste oom voor mij geweest zijt, en zulke weergalooze goedheid getoond hebt, in de wijze waarop gij mij dit huwelijk vergeven hebt, zou ik het mijzelven nooit kunnen vergeven als ik trachtte u in wat ook te bedriegen.”

Daarop vertelde hij hem de waarheid en alle nadere omstandigheden van de zaak.

„Hoe, Jaap!” riep de oude heer. „Dus zijt ge werkelijk nog niet met het meisje gehuwd?”

„Neen, oom, op mijn woord niet,” hernam Nightingale; „ik heb u alles naar waarheid verteld.”

„Mijn waardste jongen,” riep de oude heer, hem omhelzende, „daar ben ik hartelijk blijde om! Ik heb nooit van mijn leven iets vernomen, dat mij half zoo veel genoegen deed! Als gij getrouwd geweest waart, zou ik u zoo veel mogelijk geholpen hebben, om eene leelijke zaak weder goed te maken;—maar er bestaat een groot onderscheid in hoe men handelen moet in eene reeds afgedane zaak, die onherroepelijk is, en in eene die nog niet gedaan is! Raadpleeg uw gezond verstand, Jaap, en gij zult inzien dat dit huwelijk zoo allerdwaast en bespottelijk zou zijn, dat er geene lange betoogen noodig zijn, om u daarvan terug te houden.”

„Hoe, oom?” riep de jonge Nightingale; „bestaat er eenig verschil in, dat men reeds iets gedaan heeft,—of alleen verpligt is, als man van eer, om het te doen?”