Chapter 60 of 84 · 3750 words · ~19 min read

Part 60

Alle eerlijke voorstanders der vrijheid zullen, zonder twijfel, ons de lange uitweiding vergeven, waartoe wij ons aan het einde van het laatste hoofdstuk lieten verleiden, ten einde te beletten dat onze geschiedenis misbruikt werd ten voordeele van de verderfelijkste leer, welke het priesterdom ooit de boosheid, of de onbeschaamdheid heeft gehad te verkondigen.

Wij zullen nu den heer Jones verder vergezellen, die zoodra het onweder voorbij was, afscheid nam van zijne Heidensche Majesteit, na herhaalde dankbetuiging voor de genadige ontvangst en behandeling, en zijne reis voortzette naar Coventry, waarheen een Heiden (daar het nog pikdonker was) bevolen werd hem te geleiden.

Daar Jones, door den omweg welken hij gemaakt had elf in plaats van zes mijlen gereisd had, en meestal langs afschuwelijke wegen, waarop men zelfs om eene baker te halen geen haast had kunnen maken, was het bijna twaalf uur eer hij te Coventry aankwam. Het was ook over twee uur eer hij weder in den zadel kon komen, want het was niet gemakkelijk om postpaarden te krijgen, en de stalknecht en de postiljon hadden lang niet zoo veel haast als hij, maar verkozen liever om met het geduld van Partridge in te stemmen, die, daar hij de versterking der rust missen moest, elke gelegenheid waarnam om zich dat te vergoeden, door iedere andere verkwikking welke hij krijgen kon, te gebruiken en nooit beter in zijn schik was dan als hij eene herberg bereikt had, en nooit minder tevreden dan als hij ze weder verlaten moest.

Jones reisde thans met postpaarden; wij zullen hem dus, volgens onze gewoonte volgen,—en overeenkomstig de regels van Longinus,—op dezelfde wijze.

Van Coventry bereikte hij Daventry; van Daventry kwam hij te Stratford, en van Stratford te Dunstable, welke stad hij den volgenden dag na den middag bereikte, en weinige uren nadat Sophia ze verlaten had, en hoewel hij hier langer vertoeven moest dan hij wenschte, terwijl een smid, zeer op zijn gemak, zijn paard besloeg, hoopte hij toch zijne Sophia in te halen eer zij uit St. Albans vertrok, waar hij rekende dat Milord blijven zou om het middagmaal te gebruiken.

En, als hij zich in deze gissing niet bedrogen had, zou hij waarschijnlijk zijn engel ook hier ingehaald hebben; maar ongelukkig had Milord het middagmaal besteld in zijn eigen huis te Londen, en ten einde bij tijds dáár aan te komen, had hij zich versche paarden te St. Albans te gemoet doen zenden. Toen Jones dus dáár aankwam, vernam hij dat de reiskoets met de zes paarden reeds twee uren geleden vertrokken was.

Al waren er zelfs paarden gereed geweest, wat echter niet het geval was, zou het toch blijkbaar onmogelijk geweest zijn de koets in te halen eer ze Londen bereikte, zoodat Partridge dacht nu eene geschikte gelegenheid te hebben, om zijn vriend aan iets te herinneren, dat deze geheel scheen vergeten te hebben. De lezer zal gissen wat dit was, als wij hem mededeelen dat Jones slechts één gebakken ei gegeten had sedert zijn vertrek uit de herberg, waar hij den eersten gids ontmoet had, die van Sophia terugkeerde; want bij de Heidenen had hij zich alleen geestelijk verkwikt.

De waard was het zoo volmaakt eens met het gevoelen van den heer Partridge, dat hij naauwelijks hoorde hoe deze zijn vriend verzocht om toch te blijven eten, of hij viel hem dadelijk bij, en zijn woord weder intrekkende, dat hij hem gegeven had om hem postpaarden te verschaffen, verzekerde hij den heer Jones dat hij geen tijd verliezen zou door een middagmaal te bestellen, dat, zoo als hij verzekerde, eerder klaar zou zijn dan het mogelijk was de paarden uit de weide te halen, en ze een goed voer haver te geven eer ze de reis ondernamen.

Jones werd voornamelijk door dit laatste argument van den waard overgehaald om te blijven, en een stuk schapenvleesch werd aan het braadspit gedaan. Terwijl het geregt klaar gemaakt werd, toefde Partridge in hetzelfde vertrek met zijn vriend, of liever zijn meester, en nam de gelegenheid waar om hem, als volgt, toetespreken:

„Wezenlijk, mijnheer, als ooit een mensch een meisje verdiende, hebt gij nu jufvrouw Western verdiend! Want hoeveel liefde moet hij niet gevoelen die er geheel van leeft, zoo als gij nu doet! Ik weet zeker dat ik dertig maal zoo veel gegeten heb binnen de laatste vier en twintig uren als gij, mijnheer, en toch ben ik nu weer bijna uitgehongerd;—want niets prikkelt den eetlust meer dan het reizen,—vooral bij zulk koud, guur weder. En toch begrijp ik het niet, maar mijnheer schijnt volmaakt gezond en heeft er zeker nooit beter of frisscher uit gezien. Gij leeft zeker van de liefde!”

„Dat is ook eene zeer bezwarende kost, Partridge,” hernam Jones. „Maar heeft het goede geluk mij gisteren niet iets heel lekkers gezonden? Gelooft ge niet dat ik meer dan vier en twintig uren van dit lieve zakboekje leven kan?”

„Wel ja! Zonder twijfel!” riep Partridge; „er is genoeg in dat boekje om meer dan één goeden maaltijd te betalen. Het geluk heeft het mijnheer op een zeer geschikt oogenblik gezonden; want uw geld moet nu bijna op zijn?”

„Wat bedoelt gij?” riep Jones. „Ik hoop toch niet dat gij u verbeeldt dat ik oneerlijk genoeg zou zijn, om gebruik te maken van het geld, al behoorde het ook aan iemand anders dan mejufvrouw Western—”

„Oneerlijk!” herhaalde Partridge, „de hemel beware mij er voor om u van zoo iets te verdenken; maar waarom zou het oneerlijk zijn om eene kleinigheid te leenen voor de behoeften van het oogenblik, daar gij later zoo best in staat zult wezen het de dame terug te geven? Ja, zeker zou ik er sterk vóór zijn dat mijnheer het zoo spoedig mogelijk weder afbetaalde;—maar hoe zou er eenig kwaad in steken om er nu gebruik van te maken, als gij het noodig hebt? Als het aan een arm schepsel toebehoorde, dan zou het eene geheel andere zaak wezen; maar zulk eene groote dame zal het zeker nooit noodig hebben, vooral nu zij bij een Lord is, die, ongetwijfeld, haar van alles voorzien zal wat zij noodig heeft. Bovendien, al heeft zij iets noodig, het geheel heeft zij zeker niet noodig en daarom zou ik er haar slechts weinig van geven;—maar ik liet me liever ophangen, dan dat ik haar dadelijk zeide dat ik het gevonden had,—vóór dat ik wat geld van mijn eigen had; want, naar ik hoor, is er geene ergere plaats ter wereld dan Londen als men gebrek aan geld heeft. Werkelijk, als ik niet geweten had aan wie het toebehoorde, had ik het voor heksengeld kunnen houden, en zou ik bang geweest zijn er gebruik van te maken;—daar gij echter van het tegendeel overtuigd zijt, en het op eene eerlijke wijze in uwe handen gekomen is, zou het zijn de Fortuin te beleedigen om het alles af te geven, op het oogenblik dat gij het zelf zoo noodig hebt. Gij kunt ook naauwelijks verwachten dat de godin u weder op dezelfde wijze begunstigen zal; want fortuna nunquam perpetuo est bona. In weerwil van al wat ik zeg, zult gij toch uw zin doen; maar ik herhaal: ik liet me liever ophangen dan één woord van het geld te reppen!”

„Naar ik zie, Partridge,” hernam Jones, „is het hangen iets non longe alienum a Scaevolae studiis.”

„Gij moest liever alienus zeggen,” riep Partridge: „ik herinner me die aanhaling. Ze is een voorbeeld bij den regel: „communis, alienus, immunis, variis casibus serviunt.””

„Als ge u den regel herinnert,” riep Jones, „zie ik dat ge er toch niets van begrijpt; maar ik zeg u ronduit, vriendje, dat hij die het eigendom van een ander vindt en willens en wetens het den eigenaar onthoudt, in foro conscientiae evenzeer de galg verdient als hij die het gestolen heeft. En wat die banknoot in kwestie betreft, die aan mijn engel toebehoort en eens in hare lieve handen was, ik zal ze ook in geene andere hand dan de hare geven, om welke reden ook;—neen, zelfs niet al had ik zooveel honger als gij, en geen ander middel om aan mijn eetlust te voldoen. Ik hoop nu dat me dat gelukken zal eer ik me ter rust begeef; maar als dat niet gelukt, dan gelast ik u, op straf van mijn eeuwigdurenden toorn, mij niet meer te grieven door ooit weer te spreken van dergelijke verfoeijelijke laagheden.”

„Als ik het in dat licht gezien had,” hernam Partridge, „zou ik er ook nu niet van gesproken hebben; want ik haat al wat slecht is, evenzeer als wie ook ter wereld;—maar gij zijt welligt wijzer dan ik,—en toch zou ik me verbeeld hebben, dat ik niet zoo oud ben geworden en niet zoo vele jaren onderwijs gegeven heb, zonder het onderscheid tusschen fas et nefas te begrijpen;—maar, naar het schijnt, is men nooit te oud om te leeren. Ik herinner me mijn ouden leermeester, die dikwerf zeide,—op zijn Grieksch—, dat de kip wel van het ei wat leeren kan. Ik heb waarlijk mijn tijd wel op eene nuttige wijze doorgebragt, als ik op mijne jaren de grammatica nog leeren moet! Welligt zult gij eens van meening veranderen, jonge heer, als gij zoo oud moogt worden als ik; want ik herinner me, dat ik me op twintigjarigen leeftijd voor even wijs hield als nu. Ik weet zeker dat men mij altijd alienus leerde, en zóó had het ook mijn meester vóór mijn tijd geleerd!”

Er waren niet vele gelegenheden denkbaar waarbij Partridge het in zijne magt had om Jones kwaad te maken, en er waren ook niet vele, waarbij Partridge zelf er toe zou hebben kunnen komen om zijn eerbied voor Jones te vergeten. Ongelukkig echter hadden beide nu eene dergelijke gelegenheid gevonden. Wij hebben reeds gezien dat Partridge het niet verdragen kon dat men aan zijne geleerdheid twijfelde, en er was het een of ander in de woorden welke Partridge pas geuit had, dat Jones niet verdragen kon. Hij keek dus zijn makker aan met een blik van minachting (iets dat bij hem niet veel voorkwam) en riep: „Ik zie nu, Partridge, dat gij een verwaande oude gek zijt, en ik hoop dat ge niet tevens een oude schelm zijt! Inderdaad, als ik evenzeer van het laatste als van het eerste overtuigd ware, zoudt ge geen stap verder met mij reizen!”

De wijze schoolmeester was reeds voldaan dat het hem gelukt was aan zijne verontwaardiging lucht te geven, en even als de slak, trok hij nu de horens in. Hij zeide spijt te gevoelen van iets geuit te hebben dat als eene beleediging kon opgenomen worden, wat volstrekt niet in zijne bedoeling lag;—maar „nemo omnibus horis sapit.”

Hoewel nu Jones de gebreken bezat aan een driftigen aard eigen, was hij geheel vrij van die van een koel karakter, en als zijne vrienden bekennen moesten, dat hij zich ligt uit zijn humeur liet brengen, moesten ook zelfs zijne vijanden toegeven, dat zijne drift spoedig weder bedaarde,—daar ze volstrekt niet op de zee geleek, welker woelen heviger en gevaarlijker is na den storm, dan terwijl die woedt. Hij nam dus dadelijk genoegen met de onderwerping van Partridge, gaf hem de hand en zeide hem, met de meeste vriendelijkheid, allerlei streelende dingen, terzelfder tijd zich zelven zwaar veroordeelende, hoewel hij dat niet half zoo streng deed, als de meeste onzer geachte lezers waarschijnlijk zullen doen.

Partridge was nu geheel weder gerust gesteld, daar zijne vrees van Jones beleedigd te hebben dadelijk week en zijn hoogmoed voldaan was door de schuldbekentenis van zijn vriend,—welke hij toepaste op hetgeen, waardoor hij zich juist het meest gegriefd had gevoeld,—en hij herhaalde dus, voor zich heen mompelende: „’t Is zeker waar, mijnheer, dat uwe kennis van sommige zaken de mijne wel overtreft; maar wat de grammatica betreft, houd ik het er voor dat ik iedereen daarin staan kan. Ik geloof dat ik die ten minste op mijn duimpje ken.”

Als er iets ter wereld was dat de voldoening van den goeden man op dit oogenblik vermeerderen kon, was het de heerlijke schapenbout, die op dit oogenblik op tafel gezet werd,—en nadat beide een goeden maaltijd daarvan gedaan hadden, bestegen zij weder hunne paarden en vertrokken naar Londen.

HOOFDSTUK XIV.

HETGEEN DEN HEER JONES OVERKWAM OP ZIJNE REIS VAN ST. ALBANS.

Zij waren omstreeks drie kwartier achter Barnet gekomen, toen de schemering begon te vallen, en een fatsoenlijk uitziend mensch, maar op een zeer slecht paard gezeten, op Jones toereed en hem vroeg of hij naar Londen ging; waarop deze toestemmend antwoordde.

De heer hervatte het gesprek nu en zeide: „Ik zou u zeer verpligt wezen, als ik met u reizen mogt; want het begint laat te worden, en ik ben een vreemdeling in deze streken.”

Jones stond dit verzoek gereedelijk toe en zij reisden verder zamen, onder dat soort van gesprekken als bij dergelijke gelegenheden gebruikelijk zijn.

Het voornaamste onderwerp was natuurlijk de straatroovers, waarvoor de vreemdeling grooten angst te kennen gaf; maar Jones verklaarde dat hij weinig te verliezen en dus weinig te vreezen had.

Hier kon Partridge niet nalaten zich in het gesprek te mengen.

„Mijnheer mag van weinig spreken, als hem dat goeddunkt; maar ik weet wel dat als ik eene banknoot van honderd pond op zak had, zoo als hij, dat het mij zeer spijten zou ze te verliezen; maar, wat mij betreft, ik heb nooit van mijn leven minder vrees gekoesterd dan op dit oogenblik; want wij zijn met ons vieren, en als wij elkaar slechts trouw bijstaan, zal de sterkste kerel in geheel Engeland ons niet afzetten. Verondersteld ook dat hij een pistool had, zou hij slechts één van ons kunnen doodschieten, en de mensch kan maar éénmaal sterven;—dat is mijn troost, zeg ik:—men kan toch slechts éénmaal sterven!”

Behalve zijn vertrouwen op de meerderheid in getal, eene soort van heldenmoed, welke zeker volk heden ten dage veel roem verschaft heeft, bestond er ook eene andere reden voor de buitengewone dapperheid door Partridge nu aan den dag gelegd;—want de drank had hem met zoo veel moed begiftigd als men maar bij mogelijkheid daaraan ontleenen kan.

Ons reisgezelschap was thans omstreeks een groot kwartier van Highgate, toen de vreemdeling zich plotseling tegen Jones keerde, een pistool te voorschijn haalde en die kleine banknoot vroeg, waarvan Partridge gesproken had.

Jones was voor het oogenblik eenigzins overrompeld; maar vermande zich spoedig en verklaarde aan den roover dat al het baar geld, dat hij bij zich had, hem zeer ten dienste stond, en met deze woorden haalde hij iets meer dan drie guinjes te voorschijn, en bood ze hem aan. De andere echter hernam met een vloek, dat hij daarmede niet gediend was.

Jones antwoordde thans heel koelbloedig, dat het hem speet, en stak het geld weder op.

De roover dreigde nu, dat als Jones hem niet dadelijk de banknoot gaf, hij hem doodschieten zou, terwijl hij hem het pistool op de borst hield. Jones greep den kerel dadelijk bij de hand, welke zoodanig beefde dat hij naauwelijks het pistool kon houden, en keerde den loop van zich af. Hierop volgde eene worsteling, waarin Jones spoedig het wapen uit de hand van zijn vijand rukte en beide zamen op den grond vielen, de roover op den rug en de zegevierende Jones boven op hem.

De arme kerel begon nu de genade van den overwinnaar in te roepen, want hij was, werkelijk, wat kracht betreft, volstrekt niet bestand tegen Jones.

„Wezenlijk, mijnheer,” riep hij, „ik kon niet voornemens zijn om u dood te schieten; want gij zult zien dat het pistool niet geladen was. Het is de eerste keer dat ik voor struikroover heb willen spelen, en de nood heeft me daartoe gedreven!”

Op dit oogenblik hoorde men op een afstand van ongeveer honderd vijftig el iemand die op den grond lag te brullen om genade, veel harder dan de struikroover zelf. Dit was niemand anders dan Partridge, die den strijd trachtende te ontloopen, van het paard geworpen was en plat op den buik lag, zonder te durven opkijken, en elk oogenblik wachtte dood geschoten te worden.

Zoo lag hij tot de gids, die nu geene andere vrees koesterde dan voor zijne paarden, het gestruikelde paard greep, en hem naderde met het berigt dat zijn meester den struikroover verslagen had.

Partridge sprong bij deze woorden dadelijk op, en liep naar de plek terug, waar Jones, met den degen in de hand, den armen drommel stond te bewaken, en zoodra Partridge dit zag, riep hij uit: „Sla hem dood, mijnheer! Steek hem door het lijf;—maak hem dadelijk dood, mijnheer!”

Tot zijn geluk echter, was de roover in genadige handen gevallen; want nadat Jones het pistool onderzocht en werkelijk bevonden had dat het niet geladen was, begon hij geloof te hechten aan al wat de man hem verteld had eer Partridge naderde;—namelijk dat hij een nieuweling in het rooversberoep was, en dat hij daartoe gedreven was door den grootst mogelijken nood, welken men zich verbeelden kan;—namelijk dat hij vijf hongerige kinderen had, terwijl zijne vrouw in gebrek en ellende van het zesde in de kraam was. De struikroover betuigde met de meeste hartstogtelijkheid, dat dit alles volkomen waar was en bood aan den heer Jones daarvan te overtuigen indien hij zich slechts de moeite wilde geven hem naar zijn huis te volgen,—een half uurtje van daar, zeggende, „dat hij geene genade vroeg tenzij hij alles bewijzen kon, wat hij tot zijne verontschuldiging aangevoerd had.”

Jones hield zich eerst alsof hij den kerel bij zijn woord wilde nemen, en met hem gaan, verklarende dat zijn lot afhangen zou van de waarheid van zijn verhaal. Hierover drukte de arme drommel zooveel vreugde uit, dat Jones volkomen overtuigd was dat hij de waarheid gesproken had, en nu medelijden met hem begon te gevoelen. Hij gaf hem dus het ongeladen pistool terug, raadde hem aan eerlijker middelen te zoeken om in zijne behoeften te voorzien, en schonk hem een paar guinjes, om den dringenden nood van zijn huisgezin te verligten; terwijl hij er bijvoegde, „dat hij om zijnentwil wel wenschte dat hij meer had; maar dat de honderd pond waarvan sprake was geweest, hem niet toebehoorden.”

Onze lezers zullen wel verdeeld zijn in hun oordeel over deze handelwijze; sommigen zullen ze welligt roemen als buitengewoon menschlievend, terwijl anderen, van meer zwartgalligen aard ze beschouwen zullen als een gebrek aan dien eerbied voor geregtigheid, welke iedereen aan zijn vaderland verschuldigd is. Partridge bezag de zaak zeker uit dit oogpunt, drukte zijne groote ontevredenheid er over uit, haalde een oud spreekwoord aan en zeide dat het hem niet verwonderen zou als de schelm hen weder aanviel eer zij Londen bereikten.

De struikroover was onuitputtelijk in de betuiging van zijne overgroote dankbaarheid. Hij stortte er zelfs tranen bij,—of veinsde ten minste dat te doen. Hij zwoer ook dat hij dadelijk naar huis terugkeeren en nooit weder eene dergelijke misdaad ondernemen zou. Het zal welligt later blijken of hij woord hield of niet.

Onze reizigers, hunne paarden weder bestegen hebbende, kwamen nu, zonder verdere avonturen, te Londen aan. Onderweg viel er veel en druk te praten tusschen Jones en Partridge over hunne laatste ontmoeting. Jones drukte veel medelijden uit voor de struikroovers die, door onoverkomelijke rampen, als het ware, gedreven worden tot zulke onwettige handelingen, die hun meestal eindelijk een schandelijken dood berokkenen. „Ik bedoel,” zeide hij, „slechts diegenen, die nooit eene grootere misdaad dan rooverij plegen, en die zich niet schuldig maken aan wreedheid of beleediging van wien ook,—eene omstandigheid, dat moet ik zeggen, welke, tot eer van ons vaderland, de Engelsche straatroovers onderscheidt van die van alle andere volken,—waar de moord bijna altijd den roof vergezelt.”

„Daar twijfelt geen mensch aan, zei Partridge, „dat het beter is iemand zijn geld dan zijn leven te benemen, en toch is het zeer hard voor eerlijke lieden, dat zij voor hunne zaken niet reizen kunnen, zonder gevaar te loopen door die schelmen. En zeker is het dat het beter zou zijn dat alle schurken opgehangen en opgeruimd werden, dan dat één eerlijk man benadeeld werd. Wat mij betreft, het is waar dat ik niet gaarne den dood van één van hen voor mijne verantwoording zou hebben; maar het is heel goed dat de wet hen allen opknoopt. Welk regt heeft iemand ter wereld mij een duit af te nemen, als ik hem het geld niet schenken wil? Kan zoo iemand een greintje eerlijkheid bezitten?”

„Wel, neen!” riep Jones, „zeker niet! Niet meer dan hij, die iemand de paarden van stal zou willen nemen, of tot zijn eigen gebruik het geld dat hij vindt, aanwenden, als hem de regtmatige eigenaar bekend is.”

Deze wenken legden Partridge het stilzwijgen op, en hij opende den mond niet weder totdat Jones eenige spottende aanmerkingen over zijne lafhartigheid maakte en hij zich trachtte te verontschuldigen door de overmagt der vuurwapenen aan te voeren, terwijl hij zeide; „Duizend ongewapende mannen zijn niet bestand tegen één pistool; want hoewel het waar zij, dat men met één schot slechts één mensch dooden kan, weet niemand of hij niet juist die ééne zal wezen.”

EINDE VAN HET TWEEDE DEEL.

HENRY FIELDING.

TOM JONES, OF DE LOTGEVALLEN VAN EEN VONDELING.

UIT HET ENGELSCH VERTAALD DOOR DR. M. P. LINDO.

Derde Deel.

HAARLEM, A. C. KRUSEMAN. 1862.

TOM JONES, DE GESCHIEDENIS VAN EEN VONDELING.

BOEK XIII.

Bevattende den tijd van twaalf dagen.

HOOFDSTUK I.

EENE AANROEPING.

Kom, schoone liefde tot den roem; beziel mijn gloeijend hart! Niet u roep ik aan, die over golvende stroomen van bloed en tranen heen, den held tot den krijgsroem voert, terwijl de zwellende zeilen gevuld worden door de zuchten van millioenen; maar u, schoone, zachtaardige maagd, die Mnemosyne, de gelukkige nimf, aan de oevers van den Hebrus ter wereld bragt. Gij, die door Maeonia opgevoed, die door Mantua bekoord werd, en die op dien schoonen heuvel zeteldet, welke Brittanniës trotsche hoofdstad overziet, terwijl Milton de snaren uwer heldenlier zoet stemde,—o beziel gij mijne verrukte verbeelding met de hoop van latere eeuwen nog te bekoren! Voorspel mij, dat de eene of andere teedere maagd, wier grootmoeder nog niet geboren is, als zij, onder den verdichten naam van Sophia van de echte deugd leest, welke eens in mijne Charlotte leefde, een zucht van deelneming uit de diepte van haar hart zal slaken. Leer mij niet slechts den toekomstigen roem voorzien, maar ook te genieten,—ja, mij er mede te voeden! Troost me met de plegtige verzekering, dat als het kleine vertrek waar ik op dit oogenblik zit, vervangen is door eene armzalige kist, mijne werken gelezen en eervol genoemd zullen worden, door diegenen, welke mij nooit gezien of gekend hebben, en die ik ook nooit zien of kennen zal.