Chapter 34 of 84 · 3923 words · ~20 min read

Part 34

Daar wij nu een boek beginnen, waarin de loop van ons verhaal ons noodzaakt om eenige dingen te beschrijven, die vreemder en wonderbaarlijker klinken dan al wat tot dus ver voorgevallen is, zal het niet ongepast wezen in ons inleidend hoofdstuk het een en ander te zeggen van het wonderbaarlijke in het schrijven. Hierin zullen wij ons, om onzen eigen wil en ook om dien van anderen, eenige perken trachten te stellen, en inderdaad dit is zeer noodzakelijk, daar recensenten [5] van verschillenden aard geneigd zijn ten dezen opzigte tot verschillende uitersten te vervallen. Want terwijl sommigen, met Dacier, gereed zijn toe te geven, dat iets, al is het onmogelijk, toch soms waarschijnlijk kan wezen, hebben anderen zoo weinig historisch of dichterlijk geloof, dat zij niets voor mogelijk of waarschijnlijk houden, dat zijn weerga niet heeft in hetgeen door hen zelven opgemerkt is.

Ten eerste dan, komt het mij voor, dat men redelijker wijze, van iederen schrijver verwachten mag, dat hij binnen de grenzen van het waarschijnlijke blijve, en dat hij zich steeds herinnere, dat het naauwelijks mogelijk is voor den mensch te gelooven, dat een ander mensch het onmogelijke zou kunnen verrigten. Deze overtuiging schonk welligt het aanzijn aan vele verhalen omtrent de Heidensche goden,—van welke de meesten eene dichterlijke afkomst hebben; want de dichter, die aan eene weelderige en buitensporige verbeelding den teugel wilde laten schieten, nam zijne toevlugt tot eene magt, van welker uitgebreidheid zijne lezers niets wisten, of liever, welke zij voor oneindig groot hielden, en dus niet schrikten, welke wonderen er ook van verhaald werden. Hierin heeft men eene krachtige verdediging gezocht voor de wonderen van Homerus, en het is welligt eene degelijke verdediging,—en volstrekt niet zoo als de heer Pope wilde doen gelooven,—namelijk dat Ulysses eene reeks van onwaarheden aan de Feniciërs opdischte, omdat die een dom volk waren;—maar veeleer wijl de dichter zelf zong voor Heidenen, bij wie de dichterlijke fabelen tot het geloof behoorden. Wat mij zelven betreft, ik beken dat ik zoo medelijdend van aard ben, dat ik wenschte dat Polyphemus zich tot zijne melkkost bepaald en zijn oog behouden had; en Ulysses zelf kon niet bedroefder zijn dan ik toen zijne makkers in zwijnen veranderd werden door Circé,—die, naar het mij voorkomt, te veel op had met menschenvleesch, dan dat men veronderstellen zou, dat zij lust gevoelde het in spek te veranderen. Ik wenschte ook van ganscher harte, dat Homerus het voorschrift van Horatius had kunnen kennen, om slechts zoo zelden mogelijk bovennatuurlijke wezens te laten optreden. Wij zouden dan niet gezien hebben hoe zijne Goden op nietsbeteekenende boodschappen uitgezonden worden, en zich dikwijls zoo gedragen, dat zij niet slechts alle aanspraken op onzen eerbied verbeuren, maar ook het voorwerp van spot en verachting worden. Een dergelijk gedrag moet het geloof van een vromen en verstandigen Heiden gekrenkt hebben, en is niet te verdedigen, tenzij door eene veronderstelling, waartoe ik soms overhel, namelijk dat de ongetwijfeld voortreffelijke dichter voornemens was het bijgeloof van zijne eigene eeuw en van zijn eigen vaderland belagchelijk te maken.

Maar ik heb te lang uitgeweid over eene leer, die geen christen-schrijver ooit baten kan; want daar hij in geen zijner werken eenige van die hemelsche wezens kan invoeren, die tot zijn geloof behooren, is het verschrikkelijk kinderachtig om de Heidensche godenleer te doorsnuffelen, ten einde Godheden te zoeken, die sedert lang van hunne onsterflijkheid beroofd zijn.

Lord Shaftesbury heeft opgemerkt dat niets ons zoo koud laat als het aanroepen der Muze door een hedendaagschen dichter. Hij had er bij kunnen voegen, dat niets bespottelijker kan zijn! Heden ten dage kan men veel sierlijker eene ballade inroepen,—gelijk sommigen zich verbeelden dat het geval was met Homerus, of een kan bier, zoo als de dichter Butler deed, en uit dit laatste is welligt meer poëzy geput en proza ook, dan uit al het vocht van den Hippokreen of den Helicon.

De eenige bovennatuurlijke wezens welke wij heden mogen doen optreden, zijn de geesten van afgestorvenen; maar ik zou den schrijver raden ook met deze zeer spaarzaam te werk te gaan. Zij hebben inderdaad veel van rattenkruid en andere gevaarlijke middeltjes, die slechts met de uiterste voorzigtigheid te gebruiken zijn. Ik zou ook het optreden daarvan altijd afraden in die werken, of door die schrijvers, bij wie een hartelijke lach van den lezer groote ergernis of teleurstelling zou veroorzaken.

Wat elfen en feeën en dergelijke dwaasheden betreft, van deze spreek ik met opzet in ’t geheel niet, daar ik niet gaarne paal of perk zou willen stellen aan de verbazende verbeeldingskracht van die auteurs, voor welker reusachtige bevatting de grenzen der menschelijke natuur al te bekrompen zijn; wier werken beschouwd moeten worden als eene nieuwe schepping, en die dus het volmaaktste regt hebben om te doen wat zij willen met hetgeen hun toebehoort.

De mensch dan is (tenzij bij zeer buitengewone gelegenheden,) het verhevenste voorwerp, dat zich voordoet voor de pen van den geschiedschrijver of dichter, en in het beschrijven zijner handelingen moet men groote zorg dragen om de vermogens van hem, dien men beschrijft, niet overdreven voor te stellen.

Wij kunnen ons ook niet alleen door „het mogelijke” regtvaardigen; wij moeten tevens binnen de perken van het waarschijnlijke blijven. Het is, geloof ik, een gezegde van Aristoteles,—en zoo niet van hem van een anderen wijze, wiens gezag even groot zal zijn als hij even oud geworden is,—„dat het geene verontschuldiging voor een dichter is als hij iets ongeloofelijks verhaalt, dat het wezenlijk waar is.” Dit moge welligt het geval zijn met de poëzy, maar men zou het onmogelijk tot den geschiedschrijver mogen uitstrekken, die de zaken moet opteekenen zoo als hij ze vindt, al zijn ze zoo buitengewoon van aard dat er niet weinig historisch geloof vereischt wordt om ze te slikken. Zoodanig was de ongelukkige onderneming van Xerxes, door Herodotus beschreven, en de gelukkige togt van Alexander, door Arrianus vermeld. Zoodanig was ook in latere tijden de zege te Azincourt, door Hendrik V behaald, en de overwinning van Karel XII van Zweden bij Narva. Al welke voorbeelden, hoe langer wij er over nadenken, hoe ongeloofelijker ze ons toeschijnen.

Daar echter dergelijke daadzaken in den loop van het verhaal voorkomen,—ja, zelfs het belangrijkste deel er van uitmaken,—is het niet slechts billijk dat de geschiedschrijver ze vermelde, maar het zou inderdaad onvergeefelijk in hem zijn als hij ze wegliet of veranderde.

Maar er zijn andere feiten van minder belang, en die minder noodzakelijk zijn, welke, hoe geloofwaardig ook en door getuigenis ondersteund, desniettemin, om den wille van de ongeloovigheid van den lezer, aan de vergetelheid prijs gegeven moesten worden. Van dien aard is, bijvoorbeeld, het merkwaardige verhaal van de geestverschijning van George Villiers, dat men beter gedaan zou hebben aan Dr. Drelincourt te schenken, om het spook van mevrouw Veale gezelschap te houden in zijne verhandeling over den Dood, dan het in zulk een ernstig werk als de geschiedenis van den opstand in te vlechten.

Wezenlijk als de geschiedschrijver zich maar beperken wilde tot hetgeen werkelijk gebeurd is, met algeheele verwerping van iedere omstandigheid, die hoe geloofwaardig ook verhaald, naar zijne innerlijke overtuiging echter onwaar is, zal hij welligt soms tot het wonderbaarlijke moeten overgaan, maar nooit tot het ongeloofelijke. Hij zal dikwerf de verwondering en verbazing van den lezer opwekken, maar nooit den ongeloovigen haat opwekken, door Horatius vermeld. Het is dus door tot verdichting over te gaan, dat wij gewoonlijk tegen den regel zondigen, om nooit de waarschijnlijkheid te verzaken, welke de geschiedschrijver zelden opgeeft, zonder zijn karakter te verloochenen en een romanschrijver te worden. Hierin hebben diegenen, welke de openbare zaken beschrijven, veel voor boven ons, die ons beperken tot tooneelen van het huisselijk leven. Hunne geloofwaardigheid wordt lang staande gehouden door de algemeene bekendheid van hetgeen zij behandelen, en officiële stukken en de onderlinge overeenkomst van vele schrijvers getuigen ook voor de waarheid in latere eeuwen. Dus gelooft het nageslacht evenzeer aan het bestaan van een Trajanus en een Antoninus, als van een Nero en een Caligula, en geen mensch twijfelt er aan dat dergelijke uitstekend goede en uitstekend slechte menschen eens de wereld regeerden.

Maar wij, die met bijzondere personen te doen hebben, die in de donkerste schuilhoeken snuffelen moeten, en voorbeelden van deugd en ondeugd uit alle hoeken en gaten der wereld te voorschijn moeten halen, zijn in een veel gevaarlijker toestand. Daar wij geen algemeene bekendheid, geen met het onze overeenkomend verhaal, geene officiële stukken hebben, om hetgeen wij geven te staven, betaamt het ons niet slechts binnen de grenzen der mogelijkheid, maar ook binnen die der waarschijnlijkheid te blijven, en dit vooral in de schildering van hetgeen bij uitstek goed en beminnelijk is. Schelmerij en dwaasheid, hoe buitensporig ook, zullen eerder geloof vinden; want de boosheid van ons eigen hart versterkt en steunt het geloof ten deze krachtdadig.

Dus zouden wij, welligt, met weinig gevaar, de geschiedenis van Fisher kunnen verhalen, die, na lang zijn brood verschuldigd te zijn geweest aan den heer Derby, op zekeren morgen eene ruime gift uit diens handen ontving, en toen, in de hoop van zich te bemagtigen van al wat nog overbleef in de geldkist van zijn vriend, zich in een kantoor verborg, dat door een gang gemeenschap had met het woonhuis van den heer Derby, in de Tempel. Daar hoorde hij uren achtereen, hoe de heer Derby zich met eenige vrienden vermaakte op een feestmaal dat hij hun gaf, en waartoe ook Fisher uitgenoodigd was. Gedurende dezen langen tijd, kwam geen enkele teedere of dankbare herinnering bij hem op, om hem van zijn voornemen af te brengen; maar zoodra de arme man zijne vrienden had zien vertrekken, trad Fisher uit zijn schuilhoek, liep zijn weldoener zachtjes achterna tot in zijne kamer, en schoot hem door het hoofd. Dit zal men nog gelooven als de beenderen van Fisher vermolmd zijn even als zijn hart het was. Ja, men zal welligt zelfs nog willen gelooven dat de ellendeling een paar dagen later met eenige jonge dames naar den schouwburg ging, om Hamlet te zien opvoeren, en met een onwrikbaar gelaat eene der dames hoorde zeggen: (die weinig vermoedde hoe digt zij bij den persoon was van wien zij sprak) „mijn hemel! als de moordenaar van den heer Derby nu tegenwoordig ware!” De schurk toonde hij deze gelegenheid zeker een meer verhard en ongevoelig gemoed dan Nero zelf, van wien Suetonius zegt dat „de bewustheid zijner schuld hem, dadelijk na den dood zijner moeder, ondragelijk werd, en dat ook bleef, en de gelukwenschen der krijgslieden, van den Senaat en van het volk, zijn gewetensangst niet tot bedaren konden brengen.”

Wanneer ik daarentegen den lezer vertelde, dat ik een man gekend had, wiens helder verstand hem in staat gesteld had een vermogen te verwerven op eene wijze, die hij zelf ontdekte, en die in het begin niets scheen te beloven;—dat hij dit gedaan had zonder eenigen smet op zijne eerlijkheid, en niet slechts zonder iemand te benadeelen of te kort te doen, maar tot groot voordeel van den handel en tot verbazende vermeerdering van ’s lands inkomsten;—dat hij één gedeelte van de renten van zijn vermogen besteedde aan werken van den zuiversten smaak, waarin de meeste waardigheid met de reinste eenvoudigheid gepaard ging, en een ander gedeelte zijner inkomsten door eene bovenmenschelijke goedheid ten toon te spreiden in weldaden, aan menschen besteed, die geene andere aanbeveling hadden dan hunne verdiensten of hunne behoeften;—dat hij ijverig was in het opsporen van verdienstelijke armen ten einde hen bij te staan, en dan even bezorgd (welligt al te bezorgd), om hetgeen hij gedaan had geheim te houden;—dat zijn huis, zijne meubelen, zijne tafel, zijne tuinen, zijne huisselijke gastvrijheid, en zijne openbare mildheid, allen gekenmerkt waren door den geest van welken ze een uitvloeisel waren,—dat ze alle innerlijk rijk en edel waren, zonder valschen opschik, of uiterlijk vertoon; dat hij elken pligt van het leven met de grootste naauwgezetheid beoefende, dat hij opregt godsdienstig was jegens zijn Schepper; ijverig en getrouw voor zijn koning; een teeder echtgenoot, een liefderijke bloedverwant, een milde beschermer, een vurige en standvastige vriend, een verstandige en opgeruimde makker, toegevend voor zijne dienstboden, gastvrij voor zijne buren, en welwillend voor alle menschen. Wanneer ik waagde bij dit alles te voegen de namen van wijs, dapper, sierlijk, in één woord, elke goede hoedanigheid, die onze taal weet uit te drukken, dan zou ik zeker kunnen zeggen:

„—Quis credit? nemo, Hercule! nemo; Vel duo, vel nemo.”

En toch ken ik iemand, die aan deze beschrijving beantwoordt. Maar één enkel voorbeeld (en een tweede ken ik niet), is niet genoeg om ons te regtvaardigen, als wij voor duizenden schrijven, die nooit van dien persoon gehoord hebben, of van iemand die op hem geleek. Zulke rarae aves moeten overgelaten worden aan de vervaardigers van grafschriften, of aan den een of anderen dichter, die zich verwaardigen wil hem in een paar regels te bezingen, of eventjes, met een schijn van achteloosheid en als zonder opzet, een rijmpje op hem slaat, zonder den lezer te ergeren.

Eindelijk, moeten de handelingen altijd zijn niet slechts binnen het bereik der menschelijke vermogens,—en zoodanige, die de menschelijke vermogens waarschijnlijk kunnen verrigten, maar ze moeten waarschijnlijk schijnen in de menschen en karakters die ze uitvoeren. Want hetgeen slechts verbazend en verwonderlijk is bij den één, kan onwaarschijnlijk, of zelfs onmogelijk worden bij den andere.

Dit laatste vereischte is hetgeen de dramatische recensenten „karakterteekening” noemen en vordert buitengewoon veel oordeel en eene zeer naauwkeurige kennis der menschelijke natuur.

Het wordt zeer te regt opgemerkt door een uitstekenden schrijver, dat de drift een mensch evenmin brengen kan tot eene daad, die met zich zelve in strijd is, als een sterke stroom een vaartuig tegen den stroom kan doen zwemmen. Ik waag het te zeggen, dat een man die handelt in strijd met de ingevingen zijner natuur, zoo niet het onmogelijke, dan toch het onwaarschijnlijke en wonderbaarlijke verrigt. Als men de beste gedeelten van de geschiedenis van Marcus Antoninus aan Nero toeschreef, of de slechtste dingen die Nero bedreven heeft, aan Antoninus, zou dat in beide gevallen ongeloofelijk schijnen; terwijl ze, van diegenen van wie ze werkelijk waar zijn, verhaald, niet meer dan wonderbaarlijk zijn.

Onze hedendaagsche tooneelschrijvers hebben bijna algemeen de hier aangewezene dwaling begaan:—hunne helden zijn gewoonlijk bekende schelmen en hunne heldinnen losbandige sletten gedurende de vier eerste bedrijven; maar in het vijfde worden zij zeer waardige heeren en de meest deugdzame en zedige vrouwen; terwijl de schrijver zelden de goedheid heeft zich de minste moeite te geven om deze monsterachtig ongerijmde verandering te verklaren. Men kan er ook inderdaad geene andere reden voor geven, dan—dat het tooneelstuk ten einde loopt; alsof het niet minder natuurlijk ware voor een schelm om berouw te krijgen in het laatste bedrijf van een tooneelstuk, dan in het laatste bedrijf van zijn leven; bij voorbeeld, zoo als wij dikwijls zien onder de galg, waarmede sommige drama’s zeer welvoegelijk eindigen zouden, daar de helden er van gewoonlijk uitmunten juist in die gaven, welke de menschen niet slechts tot de galg brengen, maar hen ook in staat stellen om daar eene heldhaftige rol te spelen.

Buiten en behalve deze weinige beperkingen dan houd ik het er voor dat men aan iederen schrijver de vrijheid moest laten om zoo veel hij verkiest van het wonderbaarlijke gebruik te maken. Ja, als hij zich maar aan de regelen van het geloofwaardige houdt, hoe meer hij den lezer verrassen kan, des te meer zal hij zijne aandacht boeijen en bekoren. Zoo als een groot genie opmerkt: „De groote kunst in alle poëzy is waarheid met verdichting ineen te smelten, ten einde het geloofwaardige met het verrassende te vereenigen.”

Want hoewel ieder degelijke schrijver zich binnen de grenzen der waarschijnlijkheid beperken zal, is het daarom volstrekt niet noodig dat zijne karakters, of zijne handelingen, vervelend, gemeen, of overbekend zijn, zoo als men er in elk huis en elke straat ziet, of zoo als men vindt onder de „Binnenlandsche Berigten” in elke courant.

Men moet hem ook niet verbieden vele personen en zaken te laten zien, die welligt aan de meerderheid zijner lezers onbekend zijn. Als de schrijver maar streng de regels opvolgt, die hier boven vermeld zijn, heeft hij het zijne gedaan, en mag daar eenig geloof van zijn lezer eischen, die, inderdaad, zich aan kritisch ongeloof schuldig maakt, als hij hem niet vertrouwt.

Uit gebrek aan geloof van dien aard, herinner ik me dat de rol van eene jonge dame van hoogen rang op het tooneel afgekeurd werd als onnatuurlijk, door een talrijk gehoor van klerken en leerjongens, hoewel ze reeds goedgekeurd was door vele dames van den hoogsten stand, waarvan eene, die een uitmuntend verstand bezit, mij verklaard had, dat die rol een portret was van de helft der jonge dames, die zij kende.

HOOFDSTUK II.

WAARIN DE WAARDIN EEN BEZOEK AFLEGT BIJ DEN HEER JONES.

Toen Jones van zijn vriend, den luitenant, afscheid genomen had, trachtte hij de oogen digt te doen;—maar te vergeefs. Hij was te wakker en te levendig geworden om weder in te slapen. Dus na zich een tijdlang verstrooid, of liever gekweld te hebben met denken aan zijne Sophia, tot het dag was geworden, bestelde hij wat thee, bij welke gelegenheid de waardin zich verwaardigde hem zelve te bezoeken.

Dit was inderdaad de eerste keer dat zij hem zag, of eenige notitie van hem genomen had; daar de luitenant haar echter verzekerd had, dat hij zonder twijfel de een of andere jonge heer van goeden huize moest wezen, besloot zij hem nu met den meest mogelijken eerbied te behandelen; want haar huis was, zonder kwestie, een van diegenen, waar een fatsoenlijk man,—volgens de advertentiën,—„eene prompte bediening” vindt.

Zij was pas begonnen met de thee te zetten, toen zij ook begon met praten.

„Wel, mijnheer,” zeide zij; „wat is het jammer dat zoo’n mijnheer als gij zijt, zich vernedert om met die soldatentroep rond te trekken! Zij noemen zich ook heeren, dat is waar; maar, gelijk mijn eerste man zeide: zij moesten bedenken dat wij burgers hen eigenlijk betalen, en het is zeker zeer hard voor ons logement-houders hen te moeten betalen en hen te onderhouden op den koop toe. Daar waren er twintig van gisteren avond hier, behalve de officieren;—maar wat dat betreft, ik heb liever de soldaten dan de officieren, want voor die kwasten is niets goed genoeg,—en als gij de rekening zaagt, mijnheer;—’t is nagenoeg niets! Ik kan u verklaren dat ik minder moeite heb met eene heele familie van hoogen stand, die soms twee of drie pond in den loop van den avond verteert,—behalve hetgeen ze voor postpaarden betalen. En toch sta ik u er borg voor, dat er geen een van deze officieren is, die zich niet voor zoo goed houdt als de beste landedelman, die vijfhonderd pond ’s jaars te verteren heeft. Wel! ’t Is een grap om te zien hoe de manschappen rondloopen en hen groeten en salueren zonder einde! ’t Zijn me menschen er naar, die voor een shilling eten moeten ’s middags! Dan vloeken ze zoo onder elkaar, dat het mij doet beven;—want van zulke booze menschen kan nooit iets teregt komen. En nu heeft één van hen u op die barbaarsche wijze mishandeld! Ik wist ook wel hoe veilig de anderen hem bewaken zouden; want zij hangen allen aan elkaar, en als gij in doodsgevaar verkeerd hadt,—wat het me genoegen doet te zien dat niet het geval is—is er geen een onder dat slechte volk, die zich daarover bekommerd zou hebben. Zij zouden den moordenaar hebben laten loopen. De hemel zij hem genadig! Ik zou om alles ter wereld niets van dien aard op mijn geweten willen hebben. Maar, ofschoon gij, met ’s Hemels zegen, waarschijnlijk herstellen zult, bestaan er nog wetten, en als gij den advokaat Small wilt gebruiken, durf ik er voor in staan, dat hij den kerel zal noodzaken het land uit te vlugten;—hoewel hij misschien al weg is; want met zulke menschen is het heden hier en morgen daar! Ik hoop echter dat gij in het vervolg verstandiger zult wezen, en tot uwe vrienden terug keeren, die zeker diep ongelukkig zijn sedert zij u verloren hebben;—en wat zouden zij zeggen als zij wisten wat er met u gebeurd is? Mijn tijd! Ik ben blijde dat zij er niets van weten!—Kom, kom! Wij begrijpen best waaraan het hapert! maar als de eene niet wil, dan wil wel de andere;—zoo’n knappe jongen als gij zijt, kan altijd een liefje vinden! Dit weet ik wel: als ik in uwe plaats ware, dan zag ik de mooiste meid die ooit geleefd heeft, liever aan de galg, dan dat ik om harentwil soldaat werd! Neen, bloos maar zoo niet, mijnheer!” (want hij was rood als vuur geworden)—„Gij dacht zeker dat ik niets wist van die zaak met jufvrouw Sophia!”

„Hoe!” riep Jones, opspringende, „kent gij mijne Sophia?”

„Of ik haar ken? Wel zeker!” riep de waardin. „Zij heeft menigmaal hier gelogeerd.”

„O! zeker met hare tante?” vroeg Jones.

„Juist geraden!” riep de waardin. „Ja, ja, ik ken de oude dame best. En jufvrouw Sophia is ook een lief meisje, dat is waar!”

„Een lief meisje!” riep Jones: „Wel:

„Gij maalt een engel schoon, opdat dat beeld Op háár gelijken zou. Al wat ge u droomt Van hemelsche volmaaktheid vindt ge in háár: Die reinheid door lieftalligheid verhoogd, Die rust der ziel, die liefde zonder eind!”

„Hoe had ik me ooit kunnen voorstellen dat gij mijne Sophia kendet?”

„Ik wou maar voor u, dat gij haar half zoo goed kendet als ik! Hoe veel zoudt gij er niet om gegeven hebben om naast haar bed te zitten! Wat heeft zij een prachtigen hals! Zij heeft de schoone ledematen uitgestrekt op hetzelfde bed, waar gij nu op ligt.”

„Hier!” riep Jones; „heeft Sophia ooit in dit bed geslapen?”

„Ja, hier!—Hier, in dit bed,” zei de waardin, „en ik wenschte dat gij haar nu bij u hadt,—en zij zou dat ook misschien wel willen; want zij heeft me wel eens van u gesproken!”

„Hoe!” riep hij; „heeft zij ooit den armen Jones genoemd?—Ge vleit me zeker;—ik kan me dat haast niet verbeelden!”

„Nu,” hernam zij; „zoo waar ik hoop zalig te worden, moge de Satan me halen, als ik iets meer of minder dan de waarheid zeg! Ik heb haar van den heer Jones hooren spreken;—op de meest bescheidene en zedige wijze, dat beken ik; maar ik kon toch zien dat zij een heelen boel daarbij dacht.”

„O, mijne goede vrouw,” riep Jones; „ik zal het nooit waardig zijn, dat zij aan mij denkt. Zij is zoo goed, zoo lief, zoo beminnelijk! Waarom kwam ooit zulk een schelm als ik ter wereld, om haar liefderijk hart één oogenblik te kwellen? Waarom lig ik onder een vloek? Ik, die al de kwellingen en ellende zou willen ondergaan, welke de duivel ooit uitgevonden heeft tot marteling van het menschelijke geslacht, als ik haar maar iets goeds kon doen. De hoogste ellende zou zelfs geen ramp voor mij wezen, als ik maar wist dat zij gelukkig was!”

„Wel, kijk nou!” riep de waardin. „Zei ik haar niet dat gij zeker een trouwe minnaar waart?”

„Maar zeg me toch, jufvrouw, wanneer, of hoe gij iets van mij hebt gehoord; want ik ben nooit te voren hier geweest en ik herinner me ook niet u ooit vroeger gezien te hebben.”

„Het is ook niet mogelijk dat ge u mijner zoudt herinneren,” hernam zij; „want gij waart maar een heel klein kindje toen ik u bij mijnheer op schoot hield!”

„Hoe?” riep Jones, „gij kent dus den goeden, besten mijnheer Allworthy?”

„Wel zeker,” hernam zij. „Wie is er in het heele graafschap, die hem niet kent?”