Chapter 50 of 84 · 3891 words · ~19 min read

Part 50

Verder: hoewel men eenige gebreken in het boek moge aanwijzen,—als deze niet in de hoofdzaken zijn, of als ze opgewogen worden door nog grootere schoonheden, zal het eerder getuigen van de kwaadaardigheid van een lasteraar dan van het oordeel van een degelijken recensent, als men het geheel vonnist, alleen wegens de gebreken van enkele gedeelten, wat geheel in strijd is met de gevoelens van Horatius:

„Verum ubi plurima nitent ni carmine, non ego paucis Offendar maculis, quas aut incuria fudit, Aut humana parum cavit natura,—”

Want, zoo als Martialis zegt: Aliter non fit, avite, liber. Geen boek kan anders geschreven worden. Alle schoonheid van karakter, van gelaatstrekken, kortom, al wat menschelijk is, moet op deze wijze beoordeeld worden. Het zou ook inderdaad wreed zijn indien een werk als deze geschiedenis, die ons eenige duizend uren gekost heeft om ze te schrijven, afgekeurd moest worden, omdat het eene of andere hoofdstuk, of welligt eenige hoofdstukken, zeer billijke en verstandige berisping verdienen. En toch is niets algemeener dan deze zeer strenge veroordeeling van boeken op zulke gronden van afkeuring, die als ze goed begrepen werden (wat niet altijd het geval is), volstrekt niets doen tot de verdiensten van het geheel;—vooral op het tooneel, kan men zeker wezen, dat ééne enkele uitdrukking, welke niet overeenkomt met den smaak van het publiek, of met dien van een enkelen criticus onder het gehoor, uitgefloten zal worden, en één afgekeurd tooneel brengt het heele stuk in gevaar. Het is even onmogelijk te schrijven volgens zulke strenge regels als deze, als te leven op eene wijze, die volgens de meening van sommige zwartgallige menschen alleen onberispelijk is, en als wij oordeelden volgens de gevoelens van sommige critici en van sommige christenen, zou er geen schrijver hier op aarde, of sterveling hiernamaals ooit zalig worden.

HOOFDSTUK II.

SOPHIA’S AVONTUREN NADAT ZIJ UPTON VERLATEN HAD.

In ons verhaal hadden wij (juist eer wij ons genoodzaakt zagen om terug te keeren), het vertrek van Sophia en hare kamenier uit het logement vermeld;—wij zullen dus nu dat bekoorlijk wezen op den voet volgen, en haren onwaardigen minnaar verlaten, terwijl hij bezig is zijn ongeluk, of liever zijn wangedrag, te beklagen.

Sophia, haren gids bevolen hebbende de landwegen in te slaan, trok nu over de Severne en was naauwelijks een kwartier van de herberg verwijderd, toen zij, omkijkende, verscheidene ruiters zag, welke in vollen ren hen achterop kwamen. Dit wekte haren angst in hooge mate, en zij riep haren gids toe om zoo snel mogelijk voort te maken.

Hij gehoorzaamde onmiddellijk en zij reden in gestrekten galop verder. Maar, hoe harder zij reden, des te harder reden ook diegenen die hen vervolgden, en daar de paarden van de achterste ruiters iets vlugger waren dan die van de voorste, werden zij ook eindelijk ingehaald. En dit was een geluk voor de arme Sophia, die door vrees, met vermoeijenis gepaard, bijna uitgeput was, en nu in een oogenblik gerust gesteld werd door eene vrouwenstem, die haar zoo zacht mogelijk, en met de meeste beleefdheid, aansprak. Zoodra Sophia weder vrij adem halen kon, beantwoordde zij deze begroeting met de meeste hoffelijkheid en voldoening.

De reizigers, die Sophia gevolgd en haar zulk een schrik aangejaagd hadden, bestonden, even als haar eigen gezelschap, uit twee vrouwen en een gids. De beide troepjes reden nu wel een uur ver naast elkaar voort, zonder dat iemand het waagde den mond weder open te doen, toen onze heldin haren angst tamelijk meester geworden,—hoewel zij eenigzins verwonderd was dat de andere steeds bij haar bleef, ofschoon zij den grooten weg niet volgde en reeds meer dan één zijweg ingeslagen was,—de vreemde dame op de meest verpligtende wijze aansprak en zeide: „dat het haar veel genoegen deed te zien dat zij beiden denzelfden weg volgden.”

De andere, die, even als een spook, alleen wachtte om aangesproken te worden, hernam dadelijk, „dat het genoegen aan haar was; dat zij geheel vreemd was in die landstreek, en zich zoo overgelukkig gevoelde om iemand van haar eigen geslacht aan te treffen, dat zij zich welligt aan eene onbeleefdheid had schuldig gemaakt, door altijd gelijken tred met haar te houden,—waarvoor zij vergiffenis vragen moest.”

Er werden nu nog meer beleefdheden gewisseld tusschen die dames; want jufvrouw Honour had plaats gemaakt voor de rijk gekleede vreemdelinge en reed achteraan. Maar hoewel Sophia zeer nieuwsgierig was om te weten waarom de andere dame steeds dezelfde zijwegen insloeg als zij, ja, hoewel dit haar eenige ongerustheid veroorzaakte, werd zij door angstvalligheid, of bescheidenheid, of iets anders, belet om haar dat te vragen.

De vreemde dame leed nu onder een bezwaar, dat het bijna beneden de waardigheid der geschiedenis schijnt, te vermelden. Haar hoed was haar niet minder dan vijfmaal van het hoofd gewaaid in het laatste kwartier, en zij kon lint noch strik vinden, om hem onder hare kin vast te binden. Zoodra Sophia dit vernam, voorzag zij haar dadelijk met een doekje tot dat einde; maar terwijl zij bezig was met het uit haren zak te halen, verzuimde zij, welligt, om genoegzaam acht te geven op haar paard; want het dier struikelde eerst en viel toen op de knieën, de schoone rijdster uit den zadel werpende.

Ofschoon Sophia voorover viel, bezeerde zij zich, gelukkig, hoegenaamd niet en dezelfde omstandigheden, welke welligt haren val bewerkt hadden, bewaarden haar nu voor verlegenheid; want de laan waardoor zij reden, was naauw en digt met boomen begroeid, zoo dat de maan hier zeer weinig licht verspreidde, en bovendien op dat oogenblik zoodanig achter eene wolk verborgen was, dat het zeer duister was. Hierdoor werd de overgroote zedigheid der jonge dame, evenmin als hare ledematen gekwetst, en zij klom weder in den zadel zonder iets anders van haren val dan den schrik ondervonden te hebben.

Het daglicht vertoonde zich eindelijk in vollen glans, en nu, toen de beide dames, die naast elkaar over eene heide reden, op hetzelfde oogenblik elkaar in de oogen zagen, bleven zij elkaar ook op hetzelfde oogenblik aanstaren;—beider paarden maakten halt, en beide te zamen, met even veel vreugde, riepen uit; de eene: „Sophia!” de andere: „Henriette!”

De dames waren, waarschijnlijk, meer verbaasd over deze onverwachte ontmoeting dan de scherpzinnige lezer, die zich wel lang verbeeld zal hebben dat de vreemde dame niemand anders kon zijn dan mevrouw Fitzpatrick, de nicht van mejufvrouw Western, die, zoo als wij vertelden, slechts weinige minuten na haar de herberg verlaten had.

Zoo groot was de verrassing en de vreugde der beide nichten bij deze ontmoeting,—want zij waren vroeger zeer gemeenzaam en zelfs bevriend met elkaar geweest, toen zij zamen bij hare tante Western gewoond hadden,—dat het onmogelijk zou zijn de helft der wederzijdsche gelukwenschen te herhalen, welke geuit werden eer zij elkaar de zeer natuurlijke vraag deden: waarheen zij gingen?

Eindelijk werd deze vraag eerst gedaan door mevrouw Fitzpatrick, maar hoe gemakkelijk en natuurlijk ze ook schijnen moge, vond Sophia het zeer moeijelijk een vlug en stellig antwoord te geven. Zij smeekte dus hare nicht geduld te hebben tot zij ergens een logement vonden, „dat,” voegde zij er bij, „wel zoo lang niet meer duren zal, en geloof me, Henriette, dat ik zelve evenveel geduld gebruiken moet; want, naar ik meen, is de eene van ons even verwonderd als de andere.”

Ik verbeeld me, dat het verdere gesprek tusschen de dames onderweg naauwelijks waard was dat men het hier herhalen zou, wat, zeker, nog minder het geval was met dat tusschen de twee kameniers, die elkâar nu allerlei beleefdheden begonnen te bewijzen. Wat de gidsen aangaat, die misten het genot van eenig gesprek, daar de een de voorhoede en de andere de achterhoede uitmaakte.

Op deze wijze reisden zij eenige uren ver, tot zij aan een breeden, veel beganen weg kwamen, dien zij regts volgden tot zij eene zeer knappe herberg bereikten, waar zij allen afstegen; maar Sophia was zoo vermoeid, en het had haar zooveel moeite gekost gedurende de laatste paar uren om te paard te blijven, dat zij nu buiten staat was, om zonder hulp af te stijgen. Zoodra de waard, die haar paard hield, dit ontwaarde, bood hij dadelijk aan om haar uit den zadel te ligten, en zij nam maar al te gaarne zijn aanbod aan. Maar het noodlot scheen dien dag besloten te hebben Sophia te doen blozen, en de tweede kwaadaardige poging daartoe gelukte beter dan de eerste; want de waard had naauwelijks de jonge dame in de armen, of zijne voeten, die onlangs zeer veel van de jicht geleden hadden, bezweken, en hij rolde omver; maar terzelfder tijd gelukte het hem, met niet minder behendigheid dan hoffelijkheid, om zich zelven onder zijn bekoorlijken last te werpen, zoodat hij alleen door den val gekneusd werd; want het grootste nadeel dat Sophia ondervond, was de hevige schok aan hare zedigheid toegebragt door een onbeschaamd gegrijns, dat zij op het gelaat van bijna alle omstanders opmerkte zoodra zij van den grond opstond. Dit deed haar gissen wat er wezenlijk gebeurd was, en wat wij hier niet herhalen zullen ten behoeve van die lezers, die in staat zijn om te lagchen over iets, dat eene jonge dame deed blozen. Wij zelve hebben ongelukken van dezen aard nooit als iets komieks beschouwd, en wij schroomen niet te zeggen, dat diegene, die de zedigheid van eene jonge schoone zou willen opofferen aan het onwaardige genoegen van een lach, er slechts een zeer onvolkomen denkbeeld van hebben moet.

De angst en deze schok, gepaard met de vermoeijenis van geest en ligchaam, waren bijna al te veel zelfs voor Sophia’s uitnemend gestel, en zij behield naauwelijks kracht genoeg over om, leunende op den arm harer kamenier, in huis te komen. Daar was zij pas op een stoel neêrgezegen, toen zij om een glas water riep, dat jufvrouw Honour, naar mijn gevoelen, zeer oordeelkundig in een glas wijn herschiep.

Zoodra mevrouw Fitzpatrick van jufvrouw Honour vernam dat Sophia in twee nachten niet op bed was geweest, en zag hoe bleek en uitgeput van vermoeijenis zij was, smeekte zij haar wat rust te nemen. Zij wist nog niets van hare geschiedenis of hare vrees; maar al had zij beide gekend, zou zij haar toch denzelfden raad hebben gegeven; want het was blijkbaar dat zij rust hebben moest, en hare lange reis langs allerlei zijpaden, had elk gevaar van ontdekt te worden zoo onwaarschijnlijk gemaakt, dat zij zelve zich op dat punt geheel gerustgesteld gevoelde.

Sophia liet zich gemakkelijk overhalen om den raad harer vriendin te volgen, die krachtig door Honour ondersteund werd. Mevrouw Fitzpatrick bood ook aan om bij hare nicht te blijven, wat Sophia met het meeste genoegen aannam.

Zoodra hare meesteresse te bed lag, maakte zich de dienaresse gereed om haar voorbeeld te volgen. Zij begon met zich zeer te verontschuldigen tegenover de andere kamenier, dat zij haar in zulk eene verschrikkelijke plaats als eene herberg alleen moest laten; maar de andere viel haar spoedig in de rede, daar zij even verlangende was als Honour om een slaapje te doen, en vroeg om de eer te mogen hebben haar bed met haar te deelen. Sophia’s kamenier stemde onmiddellijk hierin toe; maar hield vol dat de eer aan haar was. Dus, na vele pligtplegingen en complimenten, gingen de kameniers naar bed, even als hare meesteressen gedaan hadden.

Het was de gewoonte van den waard (wat ook het geval is bij de geheele broederschap), om naauwkeurig onderzoek te doen bij alle koetsiers, knechts, postiljons en anderen, naar de namen zijner gasten,—naar hunne bezittingen, en de ligging er van. Het is dus niet vreemd, dat de vele zonderlinge omstandigheden, welke hij bij onze reizigers opmerkte, en vooral dat zij op zulk een wonderbaarlijken en ongewonen tijd als tien uur ’s morgens zich naar bed begaven, zijne nieuwsgierigheid opwekte. Zoodra dus de gidsen in de keuken kwamen, begon hij met te vragen wie de dames waren en van waar zij kwamen; maar hoewel de gidsen hem getrouw alles mededeelden wat zij wisten, gevoelde hij zich daardoor slechts weinig voldaan. Integendeel, zij deden zijne nieuwsgierigheid eerder ontvlammen dan dat zij ze bluschten.

Deze waard had den naam, onder zijne buren, van een zeer slimme vent te zijn. Men dacht dat hij verder en dieper zag dan iedereen in de gemeente,—de dominé zelf niet uitgezonderd. Welligt had zijn oogopslag niet weinig bijgedragen om hem dezen roem te verwerven; want er was iets verbazend wijs en veelbeteekenends in, vooral als hij eene pijp in den mond had, wat bijna altijd het geval was. Zijn gedrag strekte ook zeer om dit begrip van zijne wijsheid te bevorderen. Zijne houding was plegtig, zoo niet norsch, en als hij sprak, wat slechts zelden geschiedde, uitte hij zijne woorden met eene zachte stem, en ofschoon zijne volzinnen steeds kort waren, werden ze telkens afgebroken door „hm,” en „ha,” en „ja, ja!” en andere dergelijke uitingen, zoodat, hoewel hij zijne woorden door zekere verklarende gebaren ophelderde, zoo als een knikje, of een hoofdschudden, of met den vinger te wijzen, hij gewoonlijk zijne toehoorders veel meer te verstaan gaf dan hij hun vertelde; ja, hij gaf hun zelfs gewoonlijk een wenk, dat hij veel meer wist, dan hij goedvond mede te deelen. Deze laatste omstandigheid alleen kan inderdaad zeer goed verklaren hoe hij aan den naam van groote wijsheid kwam; daar de menschen wonderbaarlijk geneigd zijn, datgene wat zij niet verstaan te roemen.

Deze deftige persoonaadje, zijne vrouw nu ter zijde nemende, vroeg haar, „wat zij dacht van de pas aangekomene dames?”

„Wat ik van haar denk?”

„Ik weet wel wat ik denk,” zeide hij. „De gidsen vertellen rare dingen. De ééne geeft voor van Gloucester te komen; de andere van Upton;—en voor zoo ver ik zie, weet geen van beide waar zij heen gaan. Maar,—welke menschen reizen ooit dwars door het land heen,—van Upton hierheen,—om naar Londen te komen? En eene van de kamenieren vroeg, toen zij hier afsteeg, of dit niet de weg was naar Londen. Nu heb ik al deze omstandigheden overlegd,—en voor wie denkt ge dat ik haar houd?”

„Wel,” hernam zij, „ge weet wel dat ik het nooit waag iets te gissen dat gij ontdekt hebt.”

„Dat is braaf, kind,” zeide hij, haar onder den kin strelende; „ik moet ook bekennen, dat gij u altijd aan mijn beter oordeel onderworpen hebt in dergelijke zaken. Nu dan,—let op wat ik zeg;—ge kunt er op aan, dat deze twee dames behooren bij die rebellen, die, zoo als men verhaalt, altijd met den jongen Pretendent rondtrekken, en nu zoo’n omweg gemaakt hebben, om aan het leger van den hertog te ontsnappen.”

„Dat hebt ge zeker getroffen, man!” riep de vrouw; „want ééne van de dames is gekleed als eene prinses, en ziet er ook uit als eene.—Maar toch, wanneer ik één ding bedenk,—”

„Gij bedenken!” riep de man met minachting. „Kom! laat eens hooren wat gij bedacht hebt?”

„Nu,” hernam de vrouw, „het is dat zij veel te nederig is om eene groote dame te zijn; want terwijl onze Bet het bed warmde, sprak zij haar steeds als „kind,” aan, en als „mijne lieve,”—en wat niet al meer, en toen Bet aanbood om haar de schoenen en kousen uit te trekken, wilde zij dat niet toelaten en zeide, dat zij haar al die moeite niet geven wilde.”

„Bah!” zei de waard: „Dat is niemendal! Gelooft gij, omdat gij eenige groote dames hebt gezien, die lomp en ruw zijn in den omgang met hare minderen, dat zij geene van allen zich fatsoenlijk weten te gedragen tegenover hare ondergeschikten? Ik geloof wel dat ik weet wat een fatsoenlijk mensch is als ik er een zie. Ja, ja, dat weet ik wel! Heeft zij niet om een glas water gevraagd zoodra zij in huis kwam? Eene andere soort van vrouw zou ’n borrel besteld hebben,—zoo als ge wel weet. Als deze geene dame is van zeer hoogen rang, verkoop mij dan voortaan maar als gek,—en ik geloof dat hij die me koopt, leelijk er in zal loopen! En zou nu eene dame van stand zonder knecht reizen, tenzij bij eene zeer buitengewone gelegenheid?”

„Nu ja, manlief,” antwoordde zij; „ge hebt meer verstand van die zaken dan ik, of de meeste menschen; dat is waar!”

„Ik geloof ook,” hernam hij, „dat ik zoo heel gek niet ben.”

„En ge moest eens gezien hebben,” zei de vrouw, „hoe ellendig het arme schepseltje er uitzag toen zij binnen kwam en op dien stoel ging zitten:—ik kon het niet laten haar bijna evenzeer te beklagen alsof het een arm mensch geweest ware. Maar, wat moeten we nu doen, manlief? Als zij tot de rebellen behoort, denk ik wel, dat gij haar aan de hofpartij uitleveren zult. Nu; het is een lief, zachtzinnig mensch, wat zij ook anders zij, en ’t zal me moeite kosten om niet te schreijen als ik hoor dat men haar gaat ophangen, of onthoofden.”

„Bah!” hernam de man.—„Maar het is zoo gemakkelijk niet om te beslissen wat er gedaan moet worden. Ik hoop dat wij,—vóór haar vertrek,—de tijding krijgen van een grooten slag; want als de Pretendent overwint, zal zij welligt haar invloed voor ons bij het hof gebruiken,—en onze fortuin maken zonder dat wij haar behoeven te verraden.”

„Nu, dat is ook zeker waar,” zeide de vrouw; „ik hoop van ganscher harte, dat zij het zal kunnen doen. ’t Is zeker een lief, best mensch, en ’t zou me aan ’t hart gaan als haar een ongeluk overkwam.”

„Kom, kom!” riep de waard; „de vrouwen zijn altijd zoo teerhartig. Ge zoudt toch geene rebellen willen herbergen,—niet waar?”

„Neen,—dat niet,” zei de vrouw, „en als we haar uitleveren moeten, wat er dan ook van kome, geen mensch zou ons dat kwalijk kunnen nemen. Dat zou iedereen doen in ons geval.”

Terwijl onze diplomatieke waard, die, zoo als wij gezien hebben, niet ten onregte den naam had van groote wijsheid onder zijne buren, de zaak aldus bij zich zelven overlegde,—want hij gaf niet veel om de meening zijner vrouw,—kwam de tijding dat de rebellen aan den hertog ontsnapt en hem een dagmarsch vóór waren, op weg naar Londen; en kort daarop trad een bekende Jakobietsch gezinde landjonker binnen, die met de meeste opgewondenheid den waard de hand drukte en uitriep: „We hebben gewonnen spel, kereltje! Er zijn tien duizend Franschen in Suffolk geland! Oud-Engeland boven! tien duizend Franschen, kereltje! Ik ga er dadelijk een glas op drinken!”

Dit nieuws bevestigde den wijzen waard in zijn gevoelen en hij besloot zich verdienstelijk te maken bij de jonge dame zoodra zij opstond; want nu, zeide hij, had hij ontdekt dat het niemand anders kon wezen dan die trouwe aanhangster van den Pretendent, Jenny Cameron zelve!

HOOFDSTUK III.

EEN ZEER KORT HOOFDSTUK, WAARIN MEN ECHTER VINDT: EENE ZON, EENE MAAN, EENE STER EN EEN ENGEL.

De zon, welke in dezen tijd van het jaar vroeg naar bed gaat, was reeds een tijdlang verdwenen, toen Sophia, zeer verkwikt, uit den slaap opstond, welke, hoe kort ook, alleen door vermoeijenis had veroorzaakt kunnen worden; want, hoewel zij hare kamenier (en welligt zich zelve ook) wijs had gemaakt dat zij zeer gerust was geworden zoodra zij Upton verlaten had, is het zeker dat haar geest eenigzins aangedaan was door die ziekte, welke vergezeld gaat van al de kenteekens van de koorts, en welke welligt juist die ongesteldheid is door de geneesheeren bedoeld,—als zij er iets mede bedoelen;—wanneer zij van „koortsige onrust” spreken.

Mevrouw Fitzpatrick stond ook terzelfder tijd op, en hare kamenier geroepen hebbende, kleedde zij zich dadelijk aan. Zij was, werkelijk, eene zeer mooije vrouw, en in ander gezelschap dan dat van Sophia, had men haar welligt voor beeldschoon kunnen houden; maar toen jufvrouw Honour van zelve verscheen (want hare meesteresse wilde volstrekt niet hebben dat men haar wekte), en onze heldin uitgedost had, ondergingen de bekoorlijkheden van mevrouw Fitzpatrick, die de rol van de morgenster gespeeld had, ook het lot van die ster, en werden geheel verduisterd zoodra de nieuwe heerlijkheden zich vertoonden.

Misschien zag Sophia er ook nooit schooner uit dan op dit oogenblik. Wij moeten het dus niet als overdrijving afkeuren in de dienstmeid van de herberg, toen zij naar beneden gaande, nadat zij het vuur aangelegd had, verklaarde, en met een eed bevestigde, dat, als er ooit een engel op aarde geweest was, die engel nu boven in huis was.

Sophia had hare nicht bekend gemaakt met haar voornemen om naar Londen te gaan, en mevrouw Fitzpatrick had er in toegestemd haar te vergezellen; want de aankomst van haar man te Upton had haar plan verijdeld om naar Bath, of naar hare tante Western te gaan.

Zoodra zij dus gedaan hadden met thee drinken, stelde Sophia voor om weder te vertrekken, daar de maan buitengewoon helder scheen, en wat de koude betrof, die trotseerde zij, en gevoelde ook niets van die vrees, welke vele jonge dames bezield zou hebben bij de gedachte van des nachts te reizen; want, zoo als wij reeds opgemerkt hebben, het ontbrak haar van nature volstrekt niet aan moed, die nog verhoogd werd door de gewaarwordingen van dat oogenblik, welke bijna aan wanhoop grensden. Bovendien, daar zij reeds tweemaal heel veilig bij maanlicht gereisd had, zag zij er des te minder bezwaar in om zich ten derden male daaraan toe te vertrouwen.

Mevrouw Fitzpatrick was angstiger van aard; want, hoewel de grootere angst den mindere had overwonnen, en de tegenwoordigheid van haar man te Upton haar op zulk een ontijdig uur uit die stad verdreven had, bevond zij zich nu op eene plaats, waar zij zich tegen zijne vervolging veilig achtte, en daardoor werkte weder deze mindere angst voor ik weet niet wat, zoo sterk, dat zij hare nicht ernstig smeekte tot den morgen te blijven, en zich niet aan het gevaar bloot te stellen van des nachts te reizen.

Sophia, die zelfs overdreven toegevend was, zoodra zij zag dat scherts noch ernst hare nicht met moed bezielen kon, bezweek eindelijk. Had zij van haar vaders aankomst te Upton geweten, dan zou het welligt moeijelijker gevallen zijn haar over te halen;—want, wat Jones aangaat, vrees ik dat de angst van door hem ingehaald te worden niet heel sterk bij haar werkte;—ja, om de waarheid te zeggen, ik geloof dat zij dat eerder wenschte dan vreesde,—ofschoon ik dit, zonder oneerlijk te zijn voor den lezer, had kunnen verbergen, als eene van die geheime opwellingen van de ziel, die geheel vreemd blijven aan het verstand.

Zoodra onze jonge dames besloten hadden den geheelen nacht in de herberg door te brengen, werden zij opgewacht door de waardin, die wenschte te weten wat de dames gebruiken wilden. Er was iets zoo liefelijks in de stem, in de houding en in de vriendelijkheid van Sophia, dat de waardin geheel bekoord was, en die goede vrouw, besluitende dat zij Jenny Cameron bediende, werd van dat oogenblik eene vurige Jakobiete en aanhangster van de zaak van den jongen Pretendent, alleen om den wille van de liefheid en vriendelijkheid waarmede zijne veronderstelde beminde haar behandeld had.

De twee nichten begonnen nu elkaar hare nieuwsgierigheid mede te deelen om te vernemen aan welke buitengewone omstandigheden deze voor beide vreemde en verrassende ontmoeting toe te schrijven was. Eindelijk begon mevrouw Fitzpatrick (na van Sophia de belofte verkregen te hebben dat zij op hare beurt alles vertellen zou), datgene mede te deelen, wat de lezer, als hij het verlangt, in het volgende hoofdstuk lezen kan.

HOOFDSTUK IV.

DE GESCHIEDENIS VAN MEVROUW FITZPATRICK.

Na eenige oogenblikken gezwegen te hebben, slaakte mevrouw Fitzpatrick een diepen zucht en begon aldus: