Part 28
„Maar wezenlijk, tante,” hernam Sophia, „ik zal nooit een man huwen, voor wien ik afkeer gevoel. Als ik mijn vader beloof nooit zonder zijne toestemming een huwelijk aan te gaan, dan, dunkt me, dat ik het regt heb te hopen dat hij mij ook nooit dwingen zal tegen mijn zin te huwen.”
„Tegen uw zin!” riep de tante met eenige drift. „Tegen uw zin! Uwe onbeschaamdheid verbaast mij! Een jong meisje van uw leeftijd en ongehuwd, praat er van om „tegen haar zin” te huwen! Maar wat ook uw zin zij, mijn broeder heeft zijn besluit genomen, en daar gij van „uw zin” praat, zal ik hem raden de zaak hoe eerder hoe liever ten einde te brengen! Uw zin, waarlijk!”
Sophia wierp zich nu op de knieën en de tranen begonnen rijkelijk uit hare schitterende oogen te vloeijen. Zij smeekte hare tante barmhartig te wezen en haar niet zoo wreed te straffen, alleen omdat zij onwillig scheen zich ongelukkig te maken, dikwijls er op aandringende dat de zaak haar zelve alleen betrof, en dat alleen haar geluk op het spel stond.
Even als een deurwaarder, die zijn bevel tot arrestatie in handen heeft, en eenmaal den een of anderen ongelukkigen schuldenaar bemagtigd hebbende, diens tranen zonder aandoening ziet, terwijl de ellendige gevangene te vergeefs zijn medelijden tracht op te wekken, en de teedere echtgenoote, van haar man beroofd, het babbelende jongentje, of het verschrikte dochtertje aanvoert, om zijn verzet te wettigen,—even als in weerwil daarvan, de deurwaarder doof en blind voor alle rampen, zich ver verheft boven alle menschelijkheid en besluit zijn prooi aan den gevangenbewaarder over te leveren;—zoo ook, even blind en doof voor Sophia’s smeekingen, had de wijze tante vast besloten het sidderende meisje in de armen van den stokbewaarder Blifil te voeren. Zij hernam dus met veel drift:
„’t Is verre van daar, mejufvrouw, dat alleen uwe belangen gemoeid zijn,—uwe belangen zijn van geen de minste beteekenis in deze zaak. Het is de eer uwer familie die in deze zaak gemoeid is; gij zijt alleen het werktuig! Verbeeldt ge u, mejufvrouw, dat bij een staatkundig huwelijk tusschen twee vorstelijke persoonaadjes; bij voorbeeld, als eene dochter van Frankrijk in Spanje uitgehuwd wordt, verbeeldt gij u dan dat de prinses zelve alleen in aanmerking komt? Neen, het is eerder een huwelijk tusschen twee rijken dan tusschen twee personen. Hetzelfde is ook het geval in zulke groote familiën als de onze. De verbindtenis tusschen de twee huizen is de hoofdzaak. Ge moet meer zien op de eer van uwe familie dan op uwe eigene persoon, en als het voorbeeld eener vorstin u niet met deze verhevene gevoelens bezielen kan, dan moest ge u ten minste niet beklagen als men u niet slechter behandelt dan eene prinses.”
„Naar ik hoop, tante,” zei Sophia met eenige verheffing, „zal ik nooit iets doen om mijne familie te onteeren; maar wat den heer Blifil aangaat, wat ook de gevolgen zijn mogen, ik heb besloten niet met hem te trouwen en geen magt ter wereld zal mij dwingen ten zijnen gunste te veranderen.”
Western, die het grootste gedeelte van dit gesprek uit de verte gehoord had, geraakte nu buiten zich zelven van drift; hij stoof de kamer in, met de meeste woede en riep:
„Wel verd—! Ge zult hem hebben! Verdraaid! Ge zult hem hebben! Ge zult hem hebben! Ik zeg niets! Verdraaid! Ge zult hem hebben!”
Mejufvrouw Westerns toorn, die door hare nicht opgewekt was, ontlastte zich nu op den landjonker.
„’t Is toch verwonderlijk, broeder,” riep zij, „dat gij u nu mengen wilt in eene zaak, die ge aan mijne leiding hadt overgelaten. Achting voor mijne familie heeft me er toe overgehaald als bemiddelaarster op te treden, ten einde de gevolgen van die verkeerde opvoeding tegen te gaan, welke gij aan uwe dochter gegeven hebt. Want, broeder, gij zijt het,—het is uw bespottelijk gedrag, dat al de goede zaden uitgeroeid heeft, die ik vroeger in haar kinderlijk hart gestrooid had—”
„Wat drommel!” riep de landjonker, letterlijk schuimbekkende, „gij zoudt het geduld van den Satan zelven uitputten! Heb ik niet mijne dochter geleerd gehoorzaam te zijn?—Daar staat zij—spreek maar eerlijk op, meisje, heb ik jou ooit geleerd ongehoorzaam te zijn tegen mij? Heb ik niet alles gedaan om u uw zin te geven en om u genoegen te doen, en om u gehoorzaam te maken? En zij was ook altijd zeer gehoorzaam zoo lang zij een klein kind was,—eer gij haar onder handen naamt en haar bedierft door haar het hoofd op hol te brengen met allerlei malle, hoofsche begrippen! Wel—hm!—ja,—hoorde ik niet zoo op het oogenblik hoe gij haar zeidet, dat zij zich als eene prinses moest houden? Gij hebt een Whig van het meisje gemaakt, en hoe zou nu haar vader, of iemand anders, gehoorzaamheid van haar kunnen verwachten?”
„Broeder,” hernam mejufvrouw Western, met de meeste minachting, „ik kan u niet zeggen hoe zeer ik al uwe staatkunde, van welken aard ook, veracht! maar ik zal me ook beroepen op de jonge dame zelve, en haar vragen of ik haar ooit iets dat op ongehoorzaamheid geleek, geleerd heb? Integendeel! Heb ik niet getracht, nicht, u een juist denkbeeld te geven van de verschillende betrekkingen waarin de mensch tot de zamenleving staat? Heb ik me niet oneindig veel moeite gegeven om u aan te toonen, dat de wet der natuur het den kinderen tot pligt maakt om hunne ouders te gehoorzamen? Heb ik u niet verteld wat Plato over dat onderwerp zegt?—Een onderwerp waaromtrent gij zoo schreeuwend onwetend waart, toen gij eerst onder mijne hoede kwaamt, dat ik waarlijk geloof, dat ge niet eens wist welke betrekking er bestond tusschen een vader en zijne dochter!”
„Dat is gelogen!” brulde Western. „Het meisje is zoo dom niet, dat zij op den leeftijd van elf jaren niet eens geweten zou hebben, dat zij eene bloedverwant van haar vader was!”
„O meer dan Gothische onwetendheid!” hernam de dame.—„En wat uwe manieren aangaat, broeder, moet ik u zeggen, dat men die met een stok verbeteren moest!”
„Nu, geef mij maar een pak slagen, als ge u daartoe in staat gevoelt!” riep de landjonker, „en het zou me niet verwonderen, als uwe nicht u gaarne daarbij helpen zou!”
„Broeder,” hernam mejufvrouw Western, „hoewel ik u onbeschrijfelijk veracht, verkies ik uwe onbeschoftheid niet langer te verdragen; ik verzoek dus mijne koets dadelijk te laten inspannen, daar ik me vast voorgenomen heb heden nog uw huis te verlaten.”
„’t Zal eene gelukkige verlossing wezen!” antwoordde hij. „Als ge daarmede aankomt, moet ik u zeggen, dat ik ook niet langer uwe onbeschoftheid kan verdragen! Wat drommel! ’t Is al haast genoeg om mijne dochter aan mijn gezond verstand te doen twijfelen, als zij ieder oogenblik hoort hoe gij zegt dat ge me veracht!”
„Twijfelen?” riep de tante;—„het is onmogelijk te twijfelen aan het verstand van zoo’n boer—”
„Boer!” gilde de landjonker; „ik ben geen boer en geen ezel en ook geen Hannoversche rot, mejufvrouw! Vergeet dat niet! Ik ben geen rot! Ik ben een echt Engelschman en geen van dat Hannoversch ongedierte, dat het volk opvreet!”
„Gij zijt een van die wijze mannen,” riep zij, „wier waanzinnige begrippen het volk te grond gerigt hebben, door de banden van ons inwendig bestuur te verzwakken, door onze vrienden te ontmoedigen en onze vijanden in het buitenland aan te moedigen.”
„O, ge komt weer op uwe politiek terug!” riep de landjonker; „wat die betreft, ik veracht ze;—ik geef er geen —— om!” En dit laatste woord liet hij met een gebaar vergezeld gaan, dat best daarbij voegde. Of het nu dit woord was, of de minachting, welke hij voor haar politiek uitdrukte, die mejufvrouw Western het meest trof, wil ik niet beslissen; maar ook zij geraakte in hevige drift, braakte woorden uit, die niet geschikt zijn om hier herhaald te worden, en stoof dadelijk het huis uit. Noch haar broeder, noch hare nicht vonden goed haar tegen te houden, of haar na te loopen; de laatste was te zeer door leed ter neder geslagen; de eerste zoodanig door toorn overweldigd, dat beiden zich niet verroeren konden.
Western zond echter zijne zuster hetzelfde geroep achterna, dat de jager doet hooren als een haas pas door de honden opgejaagd is. Hij was, inderdaad, zeer bedreven in al deze geluiden en had een eigenaardige kreet voor bijna elke gebeurtenis van het menschelijk leven.
Vrouwen, die zooals jufvrouw Western de wereld kennen, en die zich op de wijsbegeerte en de politiek toegelegd hebben, zouden gebruik gemaakt hebben van de stemming, waarin de landjonker nu verkeerde, om zijn verstand op eene listige wijze te roemen, ten koste van zijn afwezigen tegenstander. Maar hiertoe was Sophia te eenvoudig. Door dit woord willen wij den lezer volstrekt niet doen gelooven dat zij dom was, wat gewoonlijk als gelijkluidend met eenvoudig beschouwd wordt;—want zij was werkelijk een zeer verstandig meisje, met heerlijke geestvermogens, maar het ontbrak haar aan die nuttige listen, welke de vrouwen tot zoo vele goede doeleinden in dit leven bezigen, en die daar ze veeleer uit het hart dan uit het hoofd voortkomen, dikwijls de domste vrouwen eigen zijn.
HOOFDSTUK IV.
PORTRET VAN EEN LANDJONKER, NAAR HET LEVEN GETEEKEND.
De heer Western zijn hoera uitgebulderd hebbende, begon, na adem gehaald te hebben, zeer aandoenlijk te klagen over den toestand van mannen, die altijd, volgens hem, gegeesseld worden door de nukken van de eene of andere verwenschte heks.
„Ik meende,” zeide hij, „dat uwe moeder mij, armen drommel, hard genoeg viel, maar nu ik haar kwijt ben, komt er nog zoo’n feeks om mij het leven te verbitteren; maar de drommel zal me halen, als ik me door welke vrouw ook zóó laat kwellen!”
Sophia had vóór deze ongelukkige zaak met Blifil, nooit eenigen twist met haar vader gehad, om welke reden ook, behalve tot verdediging harer moeder, die zij zeer teeder beminde, hoewel zij haar, toen zij pas elf jaren oud was, verloren had.
De landjonker, voor wien de arme vrouw haar leven lang eene soort van getrouwe opperste dienstbode was geweest, had haar dat vergolden door te zijn, wat men in de wereld noemt, een goede echtgenoot. Hij vloekte zelden tegen haar; hij gaf haar geene reden hoegenaamd tot ijverzucht, en liet haar vrij over al haren tijd beschikken; want zij werd nooit gestoord door haar man, die den heelen morgen met zijne landelijke vermaken bezig was, en den geheelen avond met zijne vrienden bij de flesch zat. Zij zag hem, inderdaad, zelden anders dan aan tafel, waar zij het genoegen had die geregten voor te dienen, voor welker toebereiding zij eerst gezorgd had. Van deze maaltijden verwijderde zij zich vijf minuten na de overige dienstboden, daar zij alleen bleef zitten tot men op „den koning, aan genen kant van het Kanaal” [4] gedronken had. Naar het schijnt, geschiedde dit op bevel van den heer Western; want het was een stelregel bij hem, dat de vrouwen met den eersten toast weer heengaan moeten. De gehoorzaamheid aan deze bevelen viel welligt niet zwaar; want het gesprek aan tafel, (als het dien naam verdient), was zelden van dien aard, dat eene dame er eenig genoegen bij smaken kon. Het bestond voornamelijk uit gebrul, gezang, jagtverhalen, gemeene taal en schelden op de vrouwen en het gouvernement.
Het was echter alleen bij deze gelegenheden dat de heer Western zijne vrouw zag; want als hij naar bed ging, was hij gewoonlijk zoo dronken, dat hij haar niet zien kon, en in het jagtsaizoen stond hij altijd voor het aanbreken van den dag op.
Zij kon dus vrij over haren tijd beschikken, en had bovendien gewoonlijk eene koets met vier paarden tot hare orders, ofschoon de slechte toestand der wegen en der buurt dit laatste voorregt ongelukkig van zijne meeste waarde beroofde; want niemand, die geen lust had den nek te breken, zou langs die wegen hebben willen rijden, en niemand, die eenigen prijs stelde op zijn tijd, had hem in die buurt aan bezoeken willen verspillen. Om nu den lezer de ronde waarheid te zeggen, was zij niet zoo dankbaar voor al deze goedheid als men wel had mogen verwachten;—want zij was, tegen haar zin, door een dwazen vader uitgehuwd, omdat de verbindtenis, wat haar betrof, eenigzins voordeelig was, daar Western meer dan twee duizend pond sterling ’s jaars te verteren had, terwijl haar kapitaal niet meer dan acht duizend pond bedroeg.
Vandaar was zij eenigzins somber van aard geworden; want zij was eerder eene uitmuntende dienstbode dan eene goede echtgenoote, en niet dankbaar genoeg, om zelfs met een vriendelijken glimlach de brullende vreugde te beantwoorden, waarmede zij door haar man soms ontvangen werd. Bovendien bemoeide zij zich wel eens met dingen, die haar niet aangingen,—zooals het drinken van haar man, wat zij, bij sommige der weinige gelegenheden, die zij daartoe vond, hem op de meest zachtaardige wijze verweet. Eens in haar leven ook, had zij hem ernstig gesmeekt haar een paar maanden in Londen te laten doorbrengen, wat hij kort af weigerde; ja, hij verweet zijne vrouw dat verzoek steeds; daar hij de innige overtuiging had dat alle mannen in Londen door hunne vrouwen bedrogen worden.
Om deze laatste en vele andere dergelijke redenen, eindigde Western er mede zijne vrouw van ganscher harte te haten, en daar hij dezen haat vóór haar dood nooit verborg, vergat hij hem ook nooit later; maar als iets hem uit zijn humeur bragt, zoo als een slechte dag op de jagt, de ziekte zijner honden, of eenige ramp van dien aard, gaf hij zich altijd lucht door de overledene uit te schelden, er bij voegende: „Als mijne vrouw nog leefde, zou haar dat pleizier doen!”
Hij was er bijzonder op uit deze smaadredenen in Sophia’s bijzijn te uiten; want daar hij haar wezenlijk meer dan alles ter wereld lief had was hij ook werkelijk ijverzuchtig en vreesde hij dat zij meer van hare moeder dan van hem gehouden had. En Sophia bleef bij zulke gelegenheden zelden in gebreke om zijne ijverzucht te verhoogen; want hij was niet tevreden met hare ooren te kwetsen met de scheldnamen waarmede hij hare moeder overlaadde; maar hij trachtte haar eene stilzwijgende goedkeuring daarvan af te persen,—een wensch echter, welker vervulling hij noch door beloften, noch door bedreigingen van haar verkrijgen kon.
Sommige mijner lezers zullen zich nu verwonderen, welligt, dat Western Sophia niet evenzeer haatte als hare moeder; maar ik moet in bedenking geven, dat de haat geen gevolg der liefde is,—zelfs waar er ook ijverzucht bestaat. Het is, inderdaad, zeer mogelijk dat een ijverzuchtig mensch het voorwerp zijner ijverzucht zou dooden;—maar niet daarom haten. Daar dit gevoelen nu een tamelijk zware brok is, en eenigzins paradox luidt, zullen wij het den lezer aan het einde van dit hoofdstuk overlaten, om er rijpelijk over na te denken.
HOOFDSTUK V.
SOPHIA’S EDELMOEDIG GEDRAG TEN OPZIGTE HARER TANTE.
Sophia bewaarde het stilzwijgen gedurende de laatstvermelde redevoering van haar vader, en antwoordde niet anders dan met een zucht; daar hij echter de taal der oogen volstrekt niet begreep, kon hij zich niet tevreden stellen zonder eenige andere goedkeuring zijner gevoelens, welke hij nu van zijne dochter eischte, haar, op zijne gewone wijze, vertellende, „dat hij wel wachtte dat zij gereed zou zijn partij tegen hem te kiezen voor iedereen, zoo als zij altijd gedaan had voor die verwenschte heks, hare moeder.”
Daar Sophia steeds nog bleef zwijgen, riep hij uit:
„Zijt ge sprakeloos? Waarom spreekt ge niet? Was uwe moeder geene vervloekte feeks? Antwoord daarop! He! Ge begint uw vader misschien ook te verachten, en keurt hem niet waardig een woord uit jou mond te vernemen!”
„In ’s Hemels naam, vader,” hernam Sophia, „geef geene zoo onbillijke uitlegging aan mijn stilzwijgen! Ik zou liever sterven dan me schuldig maken aan iets dat oneerbiedig was ten uwen opzigte;—maar hoe zou ik het wagen den mond open te doen, als elk woord dat ik me liet ontvallen, òf mijn besten vader moet beleedigen, òf mij zelve schuldig doen worden aan de zwaarste ondankbaarheid jegens de beste der moeders;—want, dat weet ik, voor mij is mama dat altijd geweest.”
„En jou tante zal ook zeker de beste der zusters zijn!” hernam de landjonker. „Zult ge zoo goed wezen te bekennen dat die eene feeks is? Dat mag ik billijk van u vergen, dunkt me!”
„Wezenlijk, vader,” zei Sophia, „ik heb groote verpligtingen aan tante. Zij is steeds eene tweede moeder voor mij geweest.”
„En een tweede vrouw voor mij ook!” riep Western. „Dus trekt ge ook partij voor haar? Ge wilt niet bekennen dat zij, voor ’n zuster, zoo gemeen mogelijk gehandeld heeft?”
„Op mijn woord, vader,” antwoordde Sophia, „ik zou eene zeer onvergeefelijke onwaarheid zeggen, als ik dat deed. Ik weet dat gij en tante in uwe denkwijze zeer verschillen, maar ik heb duizendmaal gehoord, hoe zij de grootste liefde tot u aan den dag legde, en ik ben overtuigd, dat verre van de slechtste zuster ter wereld te zijn, er weinigen zijn, die haren broeder opregter lief hebben dan zij.”
„Wat met ronde woorden zeggen wil,” hernam de landjonker, „dat ik ongelijk heb! O ja—zeker! Zeker! De vrouw heeft altijd gelijk en de man steeds ongelijk!”
„Met uw verlof, vader,” zei Sophia, „dat beweerde ik volstrekt niet!”
„Hoe! Zegt ge dat niet?” riep haar vader. „Ge hebt de onbeschaamdheid vol te houden dat zij gelijk heeft, en volgt niet daaruit dat ik natuurlijk ongelijk heb? Misschien heb ik ook ongelijk gehad dat ik zulk eene presbyteriaansche, Hannoverschgezinde heks ooit in mijn huis duldde. Zij is er best toe in staat mij van hoog-verraad aan te klagen en al mijne bezittingen in handen van het gouvernement te spelen!”
„Ver van u geldelijk te willen benadeelen, vader,” zei Sophia, „ben ik overtuigd dat als tante gisteren gestorven ware, zij u haar geheel vermogen nagelaten zou hebben.”
Of Sophia dit met bedoeling zeide of niet, zal ik niet wagen te beslissen; maar zeker is het dat haar vader getroffen werd door deze laatste woorden, welke veel meer uitwerkten dan al wat zij te voren gezegd had. Zij raakten hem inderdaad zoo wat op dezelfde wijze als een kogel door het hoofd. Hij schrikte, beefde en verbleekte. Hierop zweeg hij een oogenblik, en hervatte toen aarzelende, als volgt:
„Gisteren? Zij zou me gisteren haar geheel vermogen nagelaten hebben? Zou zij dat gedaan hebben? Waarom juist gisteren? Denkelijk dan, als zij morgen sterft, zal zij het aan iemand anders vermaken en zal het voor de familie verloren gaan!”
„Tante is zeer driftig van aard, vader,” riep Sophia, „en het is onmogelijk te voorzien wat zij onder den invloed van den toorn zou kunnen doen.”
„Zoo! Is dat onmogelijk?” hernam haar vader, „En mag ik weten wie aanleiding gegeven heeft om haar driftig te maken? Neen! Wie heeft haar eigenlijk driftig gemaakt? Waart gij niet met haar al aan den gang eer ik in de kamer kwam? Bovendien, was het niet alleen over u dat wij kibbelden? Al jaren lang heb ik met zuster geen ruzie gehad dan alleen over u,—en nu wildet gij de geheele schuld op mij werpen, en het mij wijten als zij er toe komt haar geld aan vreemden te vermaken! Ik had ook niets beters van jou moeten wachten! Dat is de vergoeding die ge me schenkt voor al mijne liefde!”
„Ik smeek u dan,” riep Sophia, „op de knieën smeek ik u, als ik de ongelukkige aanleiding ben geweest tot dezen twist, om te trachten u met tante te verzoenen, en niet te dulden dat zij in hevigen toorn ontstoken dit huis verlaat;—zij is toch zeer goedig van aard en slechts eenige vriendelijke woorden zijn vereischt om haar te verzoenen! Laat me u smeeken, vader, dat te doen!”
„Zoo! En moet ik nu gaan vergiffenis vragen voor hetgeen gij misdaan hebt? Zoo!” riep Western. „Gij hebt het haas verloren en ik moet het weer gaan opsporen! Maar, als ik zeker was,—”
Hier brak hij af en Sophia, die steeds bleef smeeken, haalde hem eindelijk over, zoodat, na eenige scherpe, satirieke uitdrukkingen tegen zijne dochter gerigt te hebben, hij zoo snel mogelijk vertrok, om zijne zuster, als het kon, te verzoenen eer haar rijtuig ingespannen was.
Sophia keerde nu naar hare treurige kamer terug, waar zij zich overgaf (men vergeve mij die uitdrukking), aan al de weelde harer liefdepijn. Zij las en herlas meer dan eens den brief welken zij van Jones ontvangen had; de mof kwam ook bij deze gelegenheid weer te voorschijn en beide voorwerpen, even als zij zelve, baadden in tranen.
In dezen toestand gaf zich de welwillende juffer Honour de meeste moeite om hare bedroefde meesteresse te troosten. Zij somde de namen van eene menigte jonge heeren op en na hunne gaven en uiterlijk zeer geroemd te hebben, verzekerde zij Sophia dat zij daaronder kiezen kon.
Dergelijke middelen moeten zeker dikwijls met goed gevolg in soortgelijke ongevallen gebruikt zijn, of zulk een kundige praktizijn als juffer Honour zou nooit getracht hebben ze nu toe te passen;—ik heb zelfs wel eens gehoord, dat de fakulteit der kameniers ze onder de onfeilbaarste middelen rekent der geheele vrouwen-apotheek; maar, hetzij dat Sophia’s ziekte inwendig verschilde van die gevallen, welker uiterlijke kenmerken ze vertoonde, of om eenige andere reden,—maar werkelijk deed haar de goede kamenier meer kwaad dan goed, en vertoornde eindelijk hare meesteresse (wat niet gemakkelijk viel), zoo zeer, dat zij haar op verontwaardigden toon beval de kamer te verlaten.
HOOFDSTUK VI.
BEVATTENDE ALLERLEI.
De landjonker haalde zijne zuster in op het oogenblik, dat zij in het rijtuig wilde klimmen, en gedeeltelijk met geweld, gedeeltelijk door smeekingen, bragt hij haar er toe om de paarden weder te doen afspannen. Dit gelukte hem zonder veel moeite; want, gelijk wij reeds te kennen gegeven hebben, was de dame van zeer vreedzamen aard, en hield zij ook veel van haar broeder, hoewel zij zijne geestvermogens, of liever zijne geringe wereldkennis, verachtte.
De arme Sophia, die deze verzoening eigenlijk bewerkt had, werd er nu het slagtoffer van. Beiden kwamen overeen om haar gedrag te berispen; zij verklaarden haar gezamenlijk den oorlog en belegden dadelijk een raad, om maatregelen van de grootste kracht te beramen. Met dit doel stelde mejufvrouw Western voor, niet slechts om het contract met Allworthy dadelijk te sluiten, maar ook onmiddellijk de bepalingen er van te doen uitvoeren. Zij zeide tevens, „dat men alleen door gewelddadige middelen met hare nicht zou kunnen slagen, aan welke zij overtuigd was dat Sophia te zwak was om wederstand te bieden. Door geweld,” voegde zij er bij, „bedoel ik eigenlijk spoed;—want, wat opsluiting of bepaald dwang betreft, zoo iets moet volstrekt niet beproefd worden. Ons plan moet eene verrassing en geene bestorming zijn.”
Dit was dus alles afgesproken, toen de heer Blifil verscheen om zijne opwachting bij zijne beminde te maken. Zoodra de landjonker zijne komst vernam, verwijderde hij zich, op raad zijner zuster, om zijne dochter te bevelen haren aanstaande op eene betamelijke wijze te ontvangen, wat hij ook deed, met de hevigste bedreigingen en verwenschingen, toen zij dit weigerde.
Deze onstuimigheid van den landjonker maakte echter een einde aan allen tegenstand, en Sophia, zooals hare tante zeer wijsselijk voorzag, was niet in staat hem het hoofd te bieden. Zij stemde er dus in toe om Blifil te ontvangen, hoewel haar naauwelijks kracht of moed genoeg overbleef, om die woorden er uit te brengen. En wezenlijk, het was geene gemakkelijke taak voor haar, om een vader, dien zij zoo teeder beminde, iets te weigeren. Zonder deze bedenking, zou zij zich welligt hebben kunnen redden met veel minder vastberadenheid, dan zij wezenlijk bezat;—maar het is niets ongewoons daden, die grootendeels door liefde ingegeven worden, geheel en al aan vrees te zien toeschrijven.