Chapter 71 of 84 · 3992 words · ~20 min read

Part 71

Vele dwaze verhalen kwamen in omloop over dit gezelschap, van welke een zeker aantal, welligt niet zonder grond, als bedenkselen der leden zelve beschouwd mogen worden. Bij voorbeeld, dat de duivel voorzitter van het gezelschap was, en dat hij in persoon plaats nam aan het hoofd van de tafel in een leuningstoel; maar, na naauwkeurig onderzoek gedaan te hebben, kan ik niet ontdekken, dat er eenige waarheid is in een enkele van al deze sprookjes, maar wel dat de leden werkelijk uit een heel goed slag van menschen bestonden, die slechts op de meest onschuldige wijze jokten, en alleen streefden om vrolijkheid en pret te verspreiden.

De heer Edwards was ook lid van dit grappige gezelschap. Lady Bellaston wendde zich dus tot hem, als een geschikt werktuig voor haar doel, en voorzag hem van een verdichtseltje, dat hij opdisschen moest zoodra de dame hem een wenk gaf, en dat zou niet geschieden vòòr den avond, als alle overige gasten, behalve Lord Fellamar, weg waren, en terwijl zij aan de whisttafel zaten.

Wij zullen ons dan nu verbeelden, dat het oogenblik gekomen was,—tusschen zeven en acht uur ’s avonds,—toen Lady Bellaston, Lord Fellamar, mejufvrouw Western en Tom Edwards aan het whisten waren, en deze den wenk kreeg van Lady Bellaston, onder de laatste partij van de robber, in deze woorden:

„Wel, Tom, gij zijt werkelijk in den laatsten tijd onverdragelijk geworden! Vroeger, plagt gij ons al het nieuws uit de stad te vertellen, en nu schijnt gij niets meer van de wereld te weten dan iemand, die er niet in leeft.”

Hierop begon de heer Edwards: „De schuld ligt niet aan mij, mevrouw; maar aan dezen vervelenden tijd, die niets oplevert, waarover het de moeite waard zou zijn te spreken.—Maar, o ja nu ik er om denk—die arme kolonel Wilcox,—die arme jongen!—hem is een droevig ongeluk overkomen!—Gij kent hem zeker, Milord? Iedereen kent hem! Wezenlijk,—ik beklaag hem van ganscher harte!”

„Maar wat is hem dan overkomen?” vroeg Lady Bellaston.

„O, hij heeft heden morgen iemand in een tweegevecht doodgeschoten: anders niets!”

Milord, die niet in het geheim was, vroeg ernstig, „wien hij gedood had?”

Hierop hernam Edwards: „Een jong mensch, dien wij geen van allen kennen:—een jongen, die pas uit Somerset naar de stad gekomen was,—zekere Jones,—een bloedverwant van zekeren mijnheer Allworthy, dien gij, Milord, wel eens hebt hooren noemen.—Ik zag den jongen dood liggen in een koffijhuis,—op mijn woord, een der schoonste lijken, die ik ooit gezien heb?”

Sophia, die pas begonnen was met te geven, toen Tom vertelde van het tweegevecht, hield een oogenblik op, en luisterde oplettend,—want alle dergelijke verhalen deden haar aan,—maar zoodra hij het einde van zijn verhaal genaderd was, begon zij weêr te geven,—en na den één drie, den tweeden zeven en den derden tien kaarten gegeven te hebben, liet zij eindelijk de overige kaarten vallen en zeeg achterover op haar stoel.

Het gezelschap gedroeg zich zoo als men meestal doet bij dergelijke gelegenheden. De gewone verwarring volgde, de gewone hulp werd ingeroepen, en eindelijk kwam Sophia op de gewone wijze bij, en werd weldra, op haar ernstig smeeken, naar hare kamer gebragt, waar, op verzoek van Milord, Lady Bellaston haar de waarheid vertelde, en haar de zaak als eene grap voorstelde welke zij zelve bedacht had, terwijl zij haar troostte met herhaalde verzekeringen, dat noch Milord noch Tom, die het verhaal gedaan had, het fijne van de zaak begrepen.

Lord Fellamar had geene verdere bewijzen noodig, om overtuigd te zijn, dat Lady Bellaston hem niets dan de zuivere waarheid verteld had, en bij haar terugkeer in de zaal, werd er een plan beraamd tusschen deze twee adellijke persoonaadjes, dat, hoewel het Milord zoo heel schandelijk niet scheen (daar hij plegtig beloofde, en zich ook plegtig voornam, om door een huwelijk der jonge dame alles te vergoeden, in zoo ver hij dat kon), zeker weinige lezers zonder billijken afschuw zullen vernemen.

De volgende avond, om zeven uur, werd bepaald voor het noodlottige doel, en Lady Bellaston nam op zich, dat Sophia alleen zou zijn, als Milord bij haar toegelaten werd. Het heele huisgezin zou daarnaar bezorgd worden; de meeste dienstboden zouden uitgezonden worden, en wat jufvrouw Honour betrof,—die, om alle vermoedens te voorkomen, tot de komst van Lord Fellamar bij hare meesteresse zou blijven,—Lady Bellaston zelve zoude haar bezig houden op eene kamer, zoo ver mogelijk verwijderd van het tooneel van het voorgenomen kwaad, en geheel en al buiten het bereik van Sophia’s stem.

Alles op deze wijze afgesproken zijnde, nam Milord afscheid, en Milady begaf zich ter rust, zeer ingenomen zijnde met een plan, aan welks welslagen zij volstrekt niet twijfelde en dat volkomen beletten zou dat Sophia in het vervolg eenig beletsel ware voor hare intrigue met Jones,—vooral daar zij zelve nooit eenige schuld zou dragen; al werd zelfs de zaak wereldkundig,—wat zij echter hoopte te voorkomen door het overhaaste huwelijk waartoe, zij zich verbeeldde dat de onteerde Sophia gemakkelijk over te halen zou zijn,—en waarover alle leden harer familie zich verheugen zouden.

Maar de andere zamenzweerder was niet zoo gerust in zijn hart;—hij wankelde steeds in die kwellende onrust, zoo heerlijk door Shakespeare beschreven:

„Tusschen het bedenken en de uitvoering Eener wreede misdaad, is de tusschentijd Als koortsig ijlen, of een nare droom. De geest des menschen en zijn ligchaamskrachten Raadplegen zâam;—zijn geheel bestaan is Gelijk aan een koningrijkje, zwaar geschokt Door bruischend oproer.—”

Hoewel de hevigheid van zijn hartstogt hem, op het eerste gezigt, het plan vurig had doen omhelzen, vooral daar het van eene bloedverwante van de dame kwam,—begon evenwel toen die vriend van het overleg,—het hoofdkussen,—hem de voorgenomene daad in al hare zwarte kleuren afgeschilderd had, met al de omstandigheden die haar moesten vergezellen,—en de gevolgen, welke ze waarschijnlijk zou hebben,—toen, zeg ik, begon zijn besluit te wankelen, of inderdaad, naar de tegenovergestelde rigting over te hellen, en na een langen strijd, (die den geheelen nacht duurde), tusschen eergevoel en hartstogt zegevierde eindelijk het eerste en hij besloot zijne opwachting bij Lady Bellaston te maken en van het voornemen af te zien.

Hoewel het heel laat ’s morgens was, lag Lady Bellaston nog te bed en Sophia zat naast haar, toen de kamenier Lord Fellamar aanmeldde, die beneden wachtte om haar te spreken. Milady liet hem zeggen, dat als hij een oogenblik vertoeven wilde, zij hem dadelijk zou spreken; maar zoodra zij weder alleen waren, begon de arme Sophia hare nicht te smeeken om de bezoeken van dien „naren Lord,”—zooals zij hem eenigzins onbillijk noemde,—om harentwil niet aan te moedigen.

„Ik begrijp best wat hij wil,” zeide zij; „want hij maakte mij gisteren morgen bepaaldelijk het hof; maar, daar ik vast besloten heb nooit zoo iets van hem te dulden, smeek ik u ons nooit meer alleen te laten en aan uwe bedienden te bevelen, dat zij steeds niet te huis geven, als hij naar mij vraagt.”

„Wel, kind!” riep Lady Bellaston, „gij meisjes van het platte land denkt aan niets anders dan vrijers! Gij verbeeldt u dat ieder man, die een beleefd woord tegen u spreekt, u het hof maakt! Hij is echter een der aardigste jonge lieden in de geheele stad en ik ben overtuigd, dat hij niets anders bedoelde dan een beetje hoffelijkheid. U het hof maken? Ik wenschte maar van ganscher harte, dat hij het doen wilde, en gij zoudt dan bepaald waanzinnig moeten wezen om hem te weigeren!”

„Daar ik nu echter zeker zoo waanzinnig zou zijn,” hernam Sophia, „hoop ik dat zijne bezoeken mij niet opgedrongen zullen worden.”

„Kom kind!” riep Lady Bellaston, „ge behoeft u daaromtrent niet te verontrusten. Als gij besloten hebt u te laten schaken door dien Jones, dan weet ik niet wie u dat beletten zoude.”

„Op mijn woord, Milady,” riep Sophia, „gij doet me groot ongelijk aan! Ik zal me nooit door wien ook laten schaken, en ik zal nooit zonder toestemming van mijn vader in het huwelijk treden.”

„Nu dan, mejufvrouw Western,” hernam de dame, „als gij heden morgen geen lust hebt om bezoeken te ontvangen, moet ik u verzoeken naar uwe eigene kamer te gaan; want ik ben niet bang voor Lord Fellamar en moet hem op mijne kleedkamer ontvangen.”

Sophia bedankte Lady Bellaston en verwijderde zich, terwijl Lord Fellamar naar boven gebragt werd.

HOOFDSTUK IV.

WAARUIT BLIJKT HOE GEVAARLIJK EENE DAME WORDT, ALS ZIJ HARE WELSPREKENDHEID GEBRUIKT OM EENE SLECHTE ZAAK TE BEPLEITEN.

Zoodra Lady Bellaston de bezwaren van den jongen edelman vernam, behandelde zij ze met dezelfde minachting, waarmede een van die wijze regtsgeleerden, die zijne praktijk zoekt in het verdedigen der spitsboeven tegenover het geregt, de gewetensbezwaren van een jeugdigen getuige behandelt.

„Mijn waarde Lord,” zeide zij, „gij hebt zeker eene hartversterking noodig. Ik moet bij Lady Edgely zenden om een harer sterkste middelen! Foei! vat moed! Schrikt gij voor het woord: „geweld gebruiken?” Of vreest gij—? Nu als het verhaal van Helena iets nieuws ware, zou ik het voor onnatuurlijk houden;—namelijk, het gedrag van Paris,—niet de liefde van de dame;—want alle vrouwen houden van een moedigen man. Er is ook nog een ander verhaal van de Sabijnsche dames,—en ik dank den hemel dat het eveneens heel oud is. Gij zult welligt verbaasd staan over mijne belezenheid, Milord; maar, als ik mij niet bedrieg, is het de heer Hooke, die ons vertelt, dat die dames later redelijk goede echtgenooten werden. Ik verbeeld me dan, dat weinige mijner vriendinnen door hare mannen geroofd zijn!

„Kom, kom, waardste Lady Bellaston,” riep hij, „drijf toch niet den spot met mij op die wijze!”

„Wel, mijn beste Lord,” hernam zij, „gelooft gij niet dat iedere vrouw in Engeland in haar hart om u lagchen zou, welke preutschheid zij ook verkiezen mogt op haar gelaat te toonen?—Gij dwingt mij om eene wonderlijke taal te gebruiken, en op eene schandelijke wijze mijn eigen geslacht bloot te geven;—maar ik vergenoeg me met te weten dat mijne bedoelingen goed zijn, en dat het mijn doel is om mijne nicht te dienen; want, in weerwil van dit alles, geloof ik, dat gij een goede man voor haar zijn zult, of, op mijn woord, ik zou haar niet willen overhalen, om zich weg te werpen, alleen om een ijdelen titel te voeren! Ik wilde ook niet dat zij het mij later wijten zoude, dat zij een flinken man verloren had; want zelfs zijne vijanden moeten bekennen dat deze arme jongen een fiksch mensch is!”

Laat diegenen, die ooit de voldoening gesmaakt hebben om gedachten als deze door zijne vrouw of zijne beminde te hooren uiten, verklaren of ze eenigzins verzacht worden door over vrouwenlippen te komen! Zeker is het, dat zij bij Milord dieper indruk maakten dan iets dat Demosthenes of Cicero bij eene dergelijke gelegenheid hadden kunnen zeggen.

Lady Bellaston, die begreep dat zij den trots van den jongen Lord opgewekt had, begon nu, als een ervaren redenaar, ook de hulp van andere hartstogten daarbij in te roepen.

„Milord,” zeide zij, heel ernstig, „heb de goedheid u te herinneren, dat gij zelf eerst over deze zaak met mij gesproken hebt; want ik wilde volstrekt niet hebben dat gij u verbeelden zoudt dat ik u mijne nicht opdringen wilde. Tachtig duizend pond sterling bevelen zich zelve aan, ook zonder advokaat.”

„En mejufvrouw Western,” hernam hij, „heeft hoegenaamd niet de aanbeveling van haar vermogen noodig; want, naar mijn gevoelen, is er nooit eene vrouw geweest, die de helft harer bekoorlijkheden bezat.”

„O toch, Milord!” riep de dame, met een blik in den spiegel, „o toch wel! Ik kan u verzekeren dat er vrouwen zijn die zelfs meer dan de helft van hare bekoorlijkheden bezitten!—Niet dat ik haar om die reden minder tel;—het is een heerlijk meisje,—dat is ontegenzeggelijk,—en binnen weinige uren zal zij ook in de armen vliegen van iemand die haar zeker niet waardig is;—hoewel, om hem regt te doen, ik werkelijk overtuigd ben, dat het hem niet aan moed ontbreekt.”

„Ik hoop dat gij gelijk hebt, mevrouw,” hernam Milord; „ofschoon ik ook moet bekennen, dat hij haar onwaardig is; want als de hemel, of gij, Milady, mij niet in den steek laat, zal zij binnen weinige uren de mijne zijn!”

„Goed gezegd, Milord!” hernam de dame; „ik beloof u dat gij van mijn kant geene teleurstelling te vreezen hebt, en ik hoop u binnen een week als mijn neef te begroeten!”

Het overige van dit tooneel bestond uit loutere uitroepingen, verontschuldigingen en complimenten, die zeer vermakelijk waren welligt voor de daarbij betrokkene personen, maar die het eenigzins vervelend zou wezen hier te herhalen. Wij zullen dus thans een einde maken aan het gesprek, en ons haasten tot het ongelukkige oogenblik te komen, waarop alles voorbereid was om de arme Sophia te gronde te rigten.

Daar dit echter de meest tragische zaak is in onze geheele geschiedenis, zullen wij het in een afzonderlijk hoofdstuk behandelen.

HOOFDSTUK V.

BEVATTENDE SOMMIGE DINGEN WELKE DEN LEZER AANDOEN EN ANDERE WELKE HEM WELLIGT VERRASSEN ZULLEN.

De klok had zeven uur geslagen, en de arme Sophia, geheel alleen en zeer droefgeestig gestemd, zat in een treurspel te lezen. Het was „het Noodlottige Huwelijk,” en zij was juist aan dat gedeelte van het stuk gekomen, waar de arme, ongelukkige Isabella haren trouwring verkoopen moet.

Hier ontviel haar het boek en een tranenvloed stroomde uit hare oogen. Zij was naauwelijks één minuut in dezen toestand geweest, toen de deur openging en Lord Fellamar binnentrad. Sophia sprong van haren stoel op toen hij verscheen, en Milord, haar naderende, zeide met eene diepe buiging:

„Ik vrees, mejufvrouw Western, dat ik u zeer onverwacht kom storen?”

„Inderdaad, Milord,” hernam zij, „ik moet bekennen, dat ik eenigzins verwonderd ben over zulk een onverwacht bezoek.”

„Als mijn bezoek onverwacht is,” zei Lord Fellamar, „dan moeten mijne oogen zeer slechte tolken van mijn hart geweest zijn, toen ik de eer had u den laatsten keer te ontmoeten; want anders zoudt gij zeker er niet aan gedacht hebben mijn hart in uw bezit te houden, zonder een bezoek te wachten van den eigenaar er van.”

Sophia, hoe verlegen ook, antwoordde op dezen onzin (en naar het mij voorkomt, zeer gepast), met een onbeschrijfelijk minachtenden blik, waarop Milord eene tweede en veel langere redevoering van denzelfden aard hield.

Daarop hernam Sophia, die begon te beven: „Moet ik me werkelijk verbeelden, Milord, dat uw verstand beneveld is? Wezenlijk, er bestaat geene andere verontschuldiging voor zulk een gedrag—”

„Ja,—ik ben inderdaad in den toestand, welken gij veronderstelt,” riep Milord, „en zeker zult gij de gevolgen van een waanzin vergeven, door u zelve veroorzaakt; want de liefde heeft mijn verstand zoodanig beneveld, dat ik naauwelijks meer verantwoordelijk kan zijn voor mijne handelingen.”

„Op mijn woord, Milord,” hernam Sophia, „uwe woorden en uw gedrag zijn me beide even onverklaarbaar!”

„Vergun me dan,” riep hij, „aan uwe voeten beide uit te leggen, door mijn geheele hart voor u uit te storten en te verklaren, dat ik u in den hoogsten graad bewonder en aanbid! O beminnelijkste, o goddelijkste der vrouwen, hoe zal ik in woorden de gevoelens van mijn hart uitdrukken?”

„Ik verzeker u, Milord, dat ik niet langer blijven zal, om zulke taal aan te hooren!” riep Sophia.

„Wees niet zoo wreed,” smeekte hij, „mij op deze wijze te verlaten! Kendet gij slechts de helft mijner martelingen, dan zou uw gevoelig hart medelijden hebben met de kwellingen door uwe oogen veroorzaakt!”

Daarop, met een zwaren zucht, hare hand grijpende, draafde hij eenige minuten lang door op een toon, die den lezer evenmin als de dame tot wie alles gerigt was, bevallen zou, en eindigde met te zeggen, „dat als hij de geheele wereld bezat, hij zich haasten zou alles aan hare voeten te leggen.”

Sophia ontrukte hem nu hare hand met geweld, en antwoordde met veel moed: „Ik verzeker u, Milord, dat ik evenzeer de geheele wereld als hem die ze me aanbood, verachten zoude!”

Hierop wilde zij zich verwijderen; maar Lord Fellamar greep hare hand weder, en zeide: „Vergeef me, bemind meisje, als ik eenige vrijheden neem, waartoe niets dan de wanhoop mij zou kunnen drijven!—Geloof me, als ik had kunnen veronderstellen, dat mijn titel of mijn vermogen, welke beide alleen onaanzienlijk zijn als zij bij uwe waarde vergeleken worden, door u aangenomen zouden zijn, zou ik ze op de onderdanigste wijze aan u aangeboden hebben;—maar u verliezen, kan ik niet! Bij den hemel, ik zou liever de eeuwige zaligheid missen!—Gij zijt, gij moet alleen de mijne wezen!”

„Milord,” hernam zij, „ik smeek u eene ijdele vervolging op te geven, want, op mijn woord van eer, ik wil niets meer op dit punt aanhooren. Laat mijne hand los, Milord! Ik heb vast besloten op dit oogenblik de kamer te verlaten en u nooit van mijn leven weder te zien!”

„Dan moet ik gebruik maken van dit gunstig oogenblik;—want ik wil en kan ook niet zonder u leven!” riep Milord.

„Wat beteekent dat, Milord?” riep Sophia. „Ik zal het heele huisgezin bijeen roepen!”

„Ik vrees niets anders dan u te verliezen,” hernam hij, „en ik heb besloten dat te voorkomen op de eenige wijze, welke de wanhoop mij ingeeft!”

Hij greep haar toen in zijne armen, waarop zij het zoo hard uitgilde, dat zeker iemand tot hare hulp zou zijn opgedaagd, als Lady Bellaston niet gezorgd had alle menschen verwijderd te houden.

Maar eene gelukkige gebeurtenis vond op dit oogenblik voor Sophia plaats. Een ander geluid namelijk, deed zich hooren, dat hare kreten bijna smoorde, want het geheele huis weerklonk van het geroep:

„Waar zit zij? Wel verd—! Ik zal haar dadelijk opjagen! Wijs me hare kamer, zeg ik! Waar is mijne dochter! Ik weet dat zij hier in huis is, en als zij nog boven aarde is, zal ik haar vinden! Wijs me hare kamer, zeg ik!”

Bij deze laatste woorden vloog de deur open, en de heer Western stormde naar binnen, door dominé Supple en eene heele bende volgelingen vergezeld.

Hoe ongelukkig moet niet de toestand van de arme Sophia geweest zijn, dat de stem van haren vertoornden vader haar welkom in de ooren klonk! Welkom inderdaad, en gelukkig voor haar; want niets anders ter wereld had kunnen beletten, dat zij op dat uur alle verder levensgeluk verloren had.

Sophia, niettegenstaande hare verwarring, herkende dadelijk haar vaders stem, en Milord, in weerwil van zijne drift, luisterde naar de stem der rede, die hem stellig verzekerde, dat het nu geen oogenblik was om zijn schandelijk voornemen uit te voeren.

De naderende stem dus vernemende en tevens begrijpende wiens stem het was;—want de landjonker brulde meer dan eens de woorden „mijne dochter,” uit, terwijl Sophia, te midden der worsteling, haren vader riep, vond hij goed zijn prooi los te laten, na alleen haren halsdoek losgerukt, en met zijne onkuische lippen haren blanken hals aangeraakt te hebben.

Als de verbeelding van den lezer mij niet bijstaat, zal ik nooit in staat wezen den toestand der beide hoofdpersonen in dit tooneel te beschrijven, op het oogenblik dat Western in de kamer trad. Sophia wankelde naar een stoel, waar zij verward, bleek, hijgende, en verontwaardigd over Lord Fellamar’s gedrag, bleef zitten,—verschrikt en toch nog meer verheugd over de komst van haren vader.

Milord ging in hare nabijheid zitten, met zijne pruik scheef op het hoofd, en zijne overige kleeding eenigzins in de war, terwijl iets meer dan gewoonlijk van de borst van zijn overhemd te zien was. Overigens was hij verbaasd, verschrikt, teleurgesteld en beschaamd.

Wat mijnheer Western betreft, deze was toevallig op dit oogenblik door een vijand overrompeld, die zeer dikwerf de woeste landjonkers van dit rijk vervolgt en zelden nalaat hen ten onder te brengen: hij was letterlijk geheel dronken, welke omstandigheid, met zijne aangeborene hevigheid gepaard, niets anders uitwerkte dan dat hij regelregt op zijne dochter toeliep, die hij met de meeste verbittering met zijne vuile taal aanviel;—ja, hij zou haar zelfs waarschijnlijk handtastelijk aangevallen hebben, als de dominé niet tusschenbeide gekomen ware, en hem gezegd had:

„In ’s hemels naam, mijnheer, bedenk dat gij onder het dak zijt van eene zeer voorname dame! Laat mij u smeeken uwen toorn te matigen! Gij moest u daarmede tevreden stellen dat het u gegeven is uwe dochter weder te vinden;—want de wraakneming is den mensch niet geoorloofd. Ik zie sporen van groote wroeging op het gelaat der jonge dame. Ik koester de vaste overtuiging, dat als gij haar vergiffenis schenkt, zij berouw zal gevoelen over hare verkeerde handelingen en verder getrouw blijven op het pad, door den pligt afgebakend.”

De kracht van des dominé’s handen was in het begin nuttiger geweest dan al de kracht zijner welsprekendheid, maar de laatste woorden, welke hij uitte, werkten toch iets en de landjonker hernam:

„Ik zal haar vergeven als zij hem nu hebben wil! Als ge hem nemen wilt, Sophia, zal alles vergeten zijn. Waarom spreekt ge niet? Wilt ge hem hebben? Verd—, wilt ge hem nemen? Heeft men ooit zulk een koppige feeks gezien!”

„Ik smeek u, mijnheer,” zei de dominé, „bedaar toch een weinig! Gij jaagt de jonge dame zooveel schrik aan, dat gij haar buiten staat stelt om één woord te zeggen!”

„Een woord te—donderen!” brulde de landjonker. „Dus kiest gij ook partij voor haar? Gij zijt me een rare soort van een dominé om zoo voor een pligtvergeten kind partij te trekken! Ik zou jou eene collatie bezorgen! Om den drommel niet! Ik geef ze liever aan den Satan zelven!”

„Ik smeek nederig om vergiffenis,” hernam de predikant; „ik verzeker u, mijnheer, dat ik niets kwaads bedoelde!”

Op dit oogenblik trad Lady Bellaston in de kamer en naderde den landjonker, die, zoodra hij haar zag, aan de raadgevingen zijner zuster besloot te gehoorzamen, en op zijn boers, eene diepe buiging voor haar maakte, en haar daarop op eenige zijner meest uitgezochte beleefdheden onthaalde. Daarna ging hij dadelijk tot zijne klagten over, en zeide:

„Ziedaar, mevrouw en nicht, het meest pligtvergeten kind in het geheele rijk! Zij snakt naar een kalen schelm van een bedelaar, en wil hem niet tot man nemen, dien wij voor haar gekozen hebben, en die een der grootste partijen in het land is!”

„Wezenlijk, neef Western,” hernam de dame, „ik gevoel me overtuigd dat gij mijne nicht onregt aandoet. Ik heb een veel beter begrip van haar verstand. Ik ben overtuigd dat zij iets niet afslaan zal, dat zij overtuigd moet wezen, zoo zeer voordeelig voor haar is!”

Dit was willens en wetens eene verwarring van denkbeelden door Lady Bellaston; want zij wist zeer goed wat de heer Western bedoelde, hoewel zij zich welligt verbeeldde dat men hem er gemakkelijk toe zou kunnen overhalen om het huwelijksaanzoek van den Lord te begunstigen.

„Hoort ge nu wat Milady zegt?” riep de landjonker; „onze geheele familie wil het huwelijk! Kom, Sophia, wees maar een braaf kind, doe wat uw pligt gebiedt en maak uwen vader gelukkig!”

„Als mijn dood u gelukkig maken kan, vader,” hernam Sophia, „zult gij niet lang daarop behoeven te wachten.”

„Dat is een leugen,—Sophia, een verd— leugen! En dat weet gij zelve best!” riep de landjonker.

„Gij zijt werkelijk onbillijk jegens uwen vader, mejufvrouw Western,” zei Lady Bellaston; „hij beoogt niets anders dan uw voordeel bij dit huwelijk, en ik zelve en uwe geheele familie erkent de eer welke zulk een huwelijksaanzoek ons huis aandoet.”

„Ja—allemaal!” riep de heer Western; „het was ook geen huwelijk dat ik bedacht had:—zij weet best dat hare tante het eerste woord daarvan sprak.—Nu, Sophia, nog eenmaal! Wees een braaf kind, en geef me uwe toestemming in het bijzijn uwer nicht!”

„Nicht,” zei de dame, „laat me u smeeken hem uwe hand te geven;—het is nu mode om tijd uit te winnen en lange vrijaadjes.”

„Bah!” riep de landjonker; „wat komt het op tijd aan? Zullen zij later geen tijd kunnen vinden om elkaar het hof te maken? De menschen kunnen elkaar best als man en vrouw het hof maken!”

Daar Lord Fellamar zich verzekerd hield dat hij de door Lady Bellaston bedoelde persoon was,—vooral daar hij van zijn leven geen woord van Blifil vernomen had,—twijfelde hij volstrekt niet, dat ook de vader partij voor hem trok. Hij naderde den landjonker dus en zeide: