Chapter 63 of 84 · 3996 words · ~20 min read

Part 63

Mejufvrouw Miller en hare dochter Nancy werden het nu beide met den heer Nightingale eens, en Jones zelf liet zich haast overhalen om dezelfde meening te omhelzen. En daar hij zich verbeeldde, dat de eenige dame die zijne woning kende, mevrouw Fitzpatrick moest zijn, begon hij zich met de hoop te vleijen dat alles van haar kwam, en dat hij welligt zijne Sophia ontmoeten zou. Deze hoop had wel is waar weinig grond; maar daar het gedrag van mevrouw Fitzpatrick, die in weerwil van hare belofte om hem te ontvangen, hem niet had willen zien, zoo vreemd en onverklaarbaar was, koesterde hij de flaauwe hoop dat zij (van wier grilligheid hij vroeger gehoord had), hem welligt op deze wonderlijke wijze, eene dienst wilde bewijzen, welke zij hem op eene meer eenvoudige wijze geweigerd had. Om de waarheid te zeggen, daar er uit zulk eene verrassende en vreemde gebeurtenis niets zekers op te maken was, had hij ook de grootste vrijheid om zich de meest hersenschimmige gevolgen daarvan te verbeelden. Daar hij ook van aard zeer levendig was, gaf hij thans den vrijen loop aan zijne verbeelding en stelde zich duizenderlei beelden voor van eene gelukkige ontmoeting met zijne lieve Sophia dienzelfden avond.

Zoo gij, lezer, mij iets goeds toewenscht, zal ik u dat vergelden door u zelven die opgeruimdheid toe te wenschen, daar ik,—na veel gelezen en gedacht te hebben over het menschelijke geluk, een onderwerp dat zoo vele beroemde pennen bezig gehouden heeft,—bijna geneigd ben het te stellen in het bezit van deze gemoedsstemming, die ons, in zekere mate, buiten het bereik van het noodlot plaatst, en ons, zonder zijn toedoen, gelukkig maakt. En werkelijk zijn de aangename gewaarwordingen welke wij daaraan te danken hebben, veel standvastiger en levendiger dan die welke de blinde geluksgodin ons schenkt; daar de natuur het wijsselijk zoo ingerigt heeft, dat alle onze genietingen zelfs de voortreffelijkste, een gevoel van verzadiging en afgematheid te weeg brengen,—ten einde te beletten dat wij niet zoo zeer daarmede vervuld worden, dat ze ons van alle andere bezigheden afleiden. Ik twijfel dus niet, dat op die wijze, de pas gepromoveerde advokaat, die zich verbeeldt in de toekomst groot kanselier van het rijk te worden,—en de jonge geestelijke, die zich later aartsbisschop verbeeldt te worden, gelukkiger zijn dan diegenen welke werkelijk in het bezit zijn van al de magt en al de voordeelen aan die hooge ambten verbonden.

De heer Jones besloot dus dien avond naar het gemaskerde bal te gaan, en de heer Nightingale bood aan om hem te vergezellen. Terzelfder tijd bood hij ook aan om kaartjes te nemen voor jufvrouw Nancy en hare moeder,—wat echter de goede vrouw van de hand wees.

Zij zeide, „dat zij zooveel kwaad, als sommige menschen er in zagen, in een gemaskerd bal niet zag; maar dat zulke kostbare vermakelijkheden alleen geschikt waren voor menschen van rang en vermogen, en niet voor jonge meisjes, die zelve den kost verdienen moesten, en op zijn best hopen konden de vrouw van den een of anderen winkelier te worden.”

„Een winkelier!” riep Nightingale. „Gij moet Nancy niet te gering schatten! Er is geen edelman ter wereld te goed voor haar!”

„O foei, mijnheer Nightingale!” hernam jufvrouw Miller, „gij moest het arme kind zulke gekheden niet in het hoofd zetten; maar als zij ooit het geluk had,” voegde zij er met een glimlach bij, „om een fatsoenlijken heer te vinden, die zoo dacht als gij, dan hoop ik, dat zij zijne edelmoedigheid beter beloonen zou dan door zich aan dergelijke uitspattingen over te geven. Inderdaad, als jonge meisjes zelve een groot vermogen mede brengen, hebben zij het regt om haar eigen geld uit te geven, en om die reden heb ik de heeren wel eens hooren zeggen, dat een man soms beter doet met eene arme dan met eene rijke vrouw te nemen. Maar wie ook mijne dochters trouwen, ik zal trachten te maken dat hare echtgenooten een schat aan haar hebben;—ik verzoek u dus mij niet over maskerades te spreken. Nancy, dat weet ik, is veel te verstandig om er heen te willen gaan; want zij zal zich wel herinneren, dat toen gij haar verleden jaar daarheen medenaamt, het haar het hoofd bijna op hol bragt, en dat het eene maand duurde eer zij bij haar naaiwerk en haar vroeger doen eenige rust vond.”

Hoewel een zachte zucht, door Nancy geslaakt, eenige geheime afkeuring van deze gevoelens scheen te kennen te geven, durfde zij ze niet openlijk weerleggen. Want de goede vrouw had, in weerwil van al hare teederheid, ook haar moederlijk gezag bewaard, en uit vrees voor de veiligheid en het toekomstig geluk harer dochters, liet zij nooit toe dat de bevelen, welke daarop gegrond werden, verzuimd of tegengegaan werden. En de jonge heer, die al twee jaren bij haar in huis gewoond had, wist dit zoo goed, dat hij dadelijk in hare weigering berustte.

De heer Nightingale, die met elk oogenblik meer met Jones ingenomen werd, verlangde zeer dat deze heer met hem dien dag eten zou in een wijnhuis, waar hij aanbood om hem met eenige zijner vrienden bekend te maken; maar Jones verontschuldigde zich, met te zeggen, „dat zijne kleeren nog niet in de stad aangekomen waren.”

Om de waarheid te zeggen, was de heer Jones nu in een toestand, waarin zich soms jonge heeren bevinden van veel betere positie dan hij. Met één woord, hij had geen duit meer op zak, een toestand waarmede de oude wijsgeeren veel meer ingenomen waren dan de hedendaagsche wijzen, die in de nabijheid van de beurs wonen, of den chocolaat-winkel van White bezoeken. Welligt is de groote eer welke die wijsgeeren aan een leegen zak bewijzen, ééne der redenen van die diepe verachting waarmede zij aan genoemde beurs en in voormelden winkel beschouwd worden.

Als nu de oude meening, dat de mensch zeer goed alleen van de deugd leven kan, een dwaling is, zoo als de hedendaagsche wijzen, die wij pas vermeld hebben, gelooven ontdekt te hebben, beweer ik, dat het niet minder verkeerd is te stellen, met sommige romanschrijvers, dat de mensch alleen van de liefde leven kan. Want, hoe heerlijk die ook sommige onzer zinnen en lusten streelen moge, is het zeker dat wij er velen hebben, welke er niets aan hebben. Diegenen dus, die in dergelijke schrijvers te veel vertrouwen stelden, zagen hunne dwaling in als het te laat was, en hebben ondervonden dat de liefde evenmin in staat is den honger te stillen, als eene roos om het gehoor te streelen, of de violine om den neus te vergasten.

In weerwil dus van al de lekkernijen welke de liefde hem voorgezet had,—namelijk de hoop om Sophia op het gemaskerde bal te ontmoeten, en waarop hij (hoe ongegrond ze ook zijn mogt) den heelen dag zijne weelderige verbeelding vergast had, begon de heer Jones, zoodra de avond viel, naar voedsel van groveren aard te verlangen.

Partridge ontdekte dit door intuïtie, en nam de gelegenheid waar om eenige zijdelingsche wenken te geven omtrent de banknoot, en toen deze met minachting verworpen werden, verzamelde hij weder zijn moed om te spreken van eene terugreis naar den heer Allworthy.

„Partridge!” riep Jones, „gij kunt u mijn toestand niet wanhopiger voorstellen dan ik dat doe;—en ik begin er hartelijk berouw over te gevoelen, dat ik u van eene plaats, waar gij gevestigd waart, liet weggaan, alleen om mij te volgen. Maar nu sta ik er toch op, dat gij naar huis gaat, en ik verzoek u al de kleeren, welke ik bij u gelaten heb, als eene kleine vergoeding te beschouwen voor de onkosten en moeite welke gij u om mijnentwil hebt getroost. Het spijt me dat ik u niets anders aanbieden kan.”

Hij was zoo aangedaan toen hij deze woorden uitte, dat Partridge, die onder al zijne ondeugden, geene ongevoeligheid of hardvochtigheid telde, in tranen uitbarstte, en zwerende dat hij hem nooit in den nood verlaten zou, er ernstig op begon aan te dringen, dat hij naar huis terugkeeren zou.

„In ’s hemels naam, mijnheer,” riep hij, „bedenk wel wat gij doet! Hoe is het mogelijk in Londen te leven zonder geld? Wat gij ook doet, mijnheer, of waarheen gij ook gaat, ik heb besloten bij u te blijven. Maar, mijnheer, om uw eigen wil, bid ik u, overleg wel wat u te doen staat en ik ben overtuigd dat uw eigen gezond verstand u zeggen zal dat gij weer naar huis moet gaan!”

„Hoe dikwerf moet ik u toch herhalen,” vroeg Jones, „dat ik geen te huis heb, waarheen ik zou kunnen terugkeeren? Kon ik eenige hoop koesteren dat het huis van mijnheer Allworthy voor mij open zou staan, ik behoefde niet door den nood gedwongen te zijn eer ik daarheen ging;—ja, er is niets ter wereld dat mij één oogenblik beletten zou om hem op te zoeken, ware het niet, helaas, dat ik juist door hem zelven gebannen ben. Zijne laatste woorden waren,—o Partridge, ze klinken me nog in de ooren!—zijne laatste woorden waren, toen hij mij eene som gelds ter hand stelde,—hoeveel het was, weet ik niet, maar zeker was het iets aanzienlijks, zijne laatste woorden dan waren: „Van heden af, om welke reden ook, wil ik niets meer met u te maken hebben!””

Hier verstomde Jones een oogenblik van aandoening en Partridge van verbazing; maar deze herkreeg weldra het gebruik van zijn spraakvermogen, en na eene korte inleiding, waarin hij verklaarde volstrekt niet nieuwsgierig te zijn, vroeg hij, wat Jones toch bedoelde met „eene aanzienlijke som gelds; hij wist niet hoeveel,” en waar het toch gebleven was?

Op deze beide punten kreeg hij nu voldoende inlichtingen, en was bezig met zijne aanmerkingen er op te maken, toen hij gestoord werd door eene boodschap van mijnheer Nightingale, die zijn meester verzocht bij hem op de kamer te komen.

Toen de beide heeren voor de maskerade gekleed waren, en de heer Nightingale twee draagstoelen besteld had, geraakte Jones in eene verlegenheid, welke iets heel bespottelijks zal hebben voor vele mijner lezers. Dit was, hoe zich een shilling te verschaffen; maar als zulke lezers zich herinneren willen wat zij zelve ondervonden hebben als zij het gemis gevoelden van duizend pond, of welligt van slechts tien of twintig, om het eene of andere geliefkoosde plan uit te voeren, zullen zij een volmaakt begrip hebben van hetgeen de heer Jones nu ondervond. Hij wendde zich dus tot Partridge om deze som,—voor de eerste maal, dat hij hem iets had laten voorschieten,—en voor de laatste maal, zoo als hij zich voornam, dat de arme drommel iets in zijne dienst zou uitgeven. En, om de waarheid te zeggen, had Partridge in den laatsten tijd niets van dien aard aangeboden, hetzij hij verlangde dat Jones de banknoot zou aanspreken, of, door den nood gedrongen, weer naar huis zou gaan,—of om eenige andere reden;—maar dat zal ik niet beslissen.

HOOFDSTUK VII.

AL DE PRET VAN EENE MASKERADE.

Onze ridders bereikten nu den tempel waar Heydegger, de groote arbiter deliciarum, de hoogepriester van het genoegen, zijn verblijf houdt, en even als alle andere heidensche priesters, zijne volgelingen fopt door de gewaande aanwezigheid der godheid, terwijl er inderdaad geene godheid aanwezig is.

De heer Nightingale, na een paar maal met zijn makker op en neder gewandeld te hebben, verliet hem weldra, en ging met eene dame weg, terwijl hij zeide: „Nu dat gij eens hier zijt, mijnheer, moet gij verder voor u zelven zorgen.”

Jones begon nu levendig de hoop te koesteren dat zijne Sophia aanwezig was, en deze hoop maakte hem opgeruimder dan de verlichting, de muzijk en het gezelschap bij elkaar, hoewel dezen tamelijk sterke middelen zijn tegen de droefgeestigheid. Hij sprak ook iedere vrouw aan, die hij zag, welke in gestalte, houding of grootte eenige gelijkenis had met zijne beminde.

Jegens allen trachtte hij iets piquants te zeggen, dat een antwoord uitlokken moest, waardoor hij de stem herkennen kon, waarin hij het onmogelijk achtte, dat hij zich vergissen zou. Eenigen antwoordden met zelve te vragen, op eene piepende stem: „Kent gij mij?” Maar op verre na, de meesten zeiden: „Ik ken u niet, mijnheer!” en geen woord meer. Eenigen noemden hem „impertinent,” eenigen gaven hem in ’t geheel geen antwoord,—enkelen zeiden: „Wezenlijk, ik herken uwe stem niet en wil niets met u te maken hebben!” terwijl ook vele anderen hem zoo vriendelijk antwoordden als hij maar wenschen kon,—maar zonder dat hij de geliefde stem vernam.

Terwijl hij met eene dezer laatsten praatte,—die als herderin gekleed was,—naderde hem eene dame in een domino, en hem op den schouder tikkende, fluisterde zij hem in het oor: „Als gij langer met dat vrouwspersoon blijft praten, zal ik het aan mejufvrouw Western zeggen!”

Zoodra Jones dien naam hoorde, verliet hij zijne andere gezellin, en wendde zich tot de domino, haar biddende en smeekende hem bij Sophia te brengen, als zij zich in de zaal bevond.

De dame ging haastig naar het boveneinde van het binnenste vertrek eer zij sprak, en dáár, in plaats van hem antwoord te geven, ging zij zitten en verklaarde dat zij zeer vermoeid was. Jones nam plaats naast haar, en hield steeds vol met smeeken, tot de dame eindelijk heel koel antwoordde: „Ik had me verbeeld, dat de heer Jones een al te vurige minnaar was dan dat eenige verkleeding hem beletten kon zijne beminde te ontdekken.”

„Is zij dan hier, mevrouw?” vroeg Jones, eenigzins driftig. Waarop de dame hernam: „Bedaar, mijnheer! Gij zult de aandacht van iedereen op u vestigen! Ik geef u mijn woord van eer dat mejufvrouw Western niet hier is.”

Jones greep nu de gemaskerde dame bij de hand en smeekte haar, op de meest ernstige wijze om hem te zeggen waar hij Sophia vinden kon, en toen hij geen regtstreeksch antwoord uit haar krijgen kon, begon hij haar zacht te verwijten dat zij hem den vorigen dag zoo teleurgesteld had, en eindigde met te zeggen: „Waarlijk, mijne schoone koningin der feeën, ik ken uwe majesteit zeer goed, in weerwil van de wijze waarop gij tracht uwe stem te veranderen. Wezenlijk, mevrouw Fitzpatrick, het is wat wreed van u om u aldus ten mijnen koste te vermaken!”

De gemaskerde dame hernam: „Hoewel gij mij zoo slim herkend hebt, zal ik voortgaan met mijne stem te veranderen, om niet door anderen herkend te worden. Maar gelooft gij, mijnheer, dat ik niet te veel van mijne nicht houd, om eene liefdezaak tusschen u en haar te bevorderen, welke haar, zoowel als u zelven ongelukkig moet maken? Bovendien, ik verzeker u dat mijne nicht niet dolzinnig genoeg is om haren eigenen ondergang te zoeken, al zijt gij nog zoo zeer haar vijand, dat gij zoo iets van haar verlangt.”

„Helaas, mevrouw,” zei Jones, „gij kent mij zeer weinig, als gij mij voor een vijand van Sophia houden kunt!”

„Gij zult toch moeten bekennen,” hernam de gemaskerde dame, „dat het wel iets vijandigs is als men iemand te gronde rigten wil, en als men daardoor, willens en wetens, ook zich zelven ongelukkig maakt, is dat niet even dol en krankzinnig als misdadig? Nu bezit mijne nicht, mijnheer, slechts weinig meer dan haar vader haar geven zal,—dus slechts zeer weinig voor iemand van haar stand;—en gij kent haar vader en uwe eigene positie.”

Jones verklaarde dat hij geen voornemen van dien aard ten opzigte van Sophia koesterde; „dat hij liever den wreedsten dood wilde sterven dan hare belangen aan zijne wenschen opofferen. Hij zeide, dat hij wist hoe hij haar in alle opzigten onwaardig was, dat hij lang geleden besloten had al zulke hoogvliegende wenschen op te geven; maar dat zekere vreemde gebeurtenissen hem hadden doen verlangen haar nog éénmaal te zien,—om, dat beloofde hij, een laatst afscheid van haar te nemen. Neen, mevrouw,” eindigde hij, „mijne liefde is niet van dien verachtelijken aard, die alleen eigene voldoening zoekt op kosten van haar die ik boven alles bemin. Ik zou alles ter wereld willen opofferen om Sophia de mijne te noemen,—behalve Sophia zelve!”

Hoewel de lezer geen zeer verheven denkbeeld zal koesteren van de deugd der gemaskerde dame, en ofschoon het welligt later blijken zal, dat haar karakter juist niet een der verhevenste was, is het toch zeker dat deze edelmoedige gevoelens diepen indruk op haar maakten en de genegenheid zeer versterkten, welke zij reeds voor onzen jongen held opgevat had.

Na eenige oogenblikken van stilte, hernam de dame:

„Dat zij niet zoo zeer iets ongepasts, als wel iets zeer onvoorzigtigs zag in zijne aanspraken op Sophia’s hand. Jonge lieden,” zeide zij, „kunnen nooit te hoog vliegen. Ik houd van een jongen die eerzuchtig is, en ik zou in uwe plaats de eerzucht zoo veel mogelijk aankweeken. Misschien zult gij slagen bij diegenen die ver verheven boven u zijn in vermogen;—ja ik ben overtuigd dat er vrouwen zijn;—maar houdt gij mij niet voor een wonderlijk schepsel, mijnheer Jones, dat ik het waag om een man raad te geven, dien ik zoo weinig ken, en met wiens gedrag ten opzigte van mij zelve, ik zoo weinig reden heb te vreden te zijn?”

Jones begon zich nu te verontschuldigen en te hopen dat hij haar niet beleedigd had door iets dat hij van hare nicht gezegd had. Waarop de gemaskerde dame antwoordde: „Weet gij zoo weinig van ons geslacht, dat ge u verbeeldt eene dame ooit grievender te kunnen beleedigen dan door haar te onthalen op uwe liefde voor eene andere? Als de Feeën-koningin geen beter denkbeeld gekoesterd had van uwe beleefdheid, zou zij u bezwaarlijk op een gemaskerd hebben willen ontmoeten.”

Jones had nooit minder lust gevoeld om eene nieuwe liefdeszaak aan te knoopen dan op dit oogenblik; maar hoffelijkheid jegens de dames behoorde onder zijne grondbeginselen als man van eer, en hij beschouwde het evenzeer als pligt voor hem om eene uitdaging in de liefde als eene tot een gevecht aan te nemen. Ja, zelfs zijne liefde tot Sophia maakte het noodzakelijk voor hem op een goeden voet met deze dame te blijven, daar hij overtuigd was, dat het in hare magt stond om hem bij de andere te brengen.

Hij begon dus zeer vurig op haar laatste gezegde te antwoorden, toen een masker, als eene oude vrouw gekleed, zich bij hen voegde. Deze was eene dier dames, die alleen naar eene maskerade gaan, om haar kwaden luim bot te vieren, door de menschen onaangename waarheden te zeggen, en, gelijk men zegt, anderen zooveel mogelijk „de pret te bederven.”

Deze goede dame dan, Jones en de andere, die haar wel bekend was, in druk gesprek met elkaar in een hoek van de kamer gezien hebbende, besloot, dat zij hare kwaadaardigheid niet beter luchten kon dan door hen te storen. Zij viel hen dus dadelijk aan, verdreef hen weldra uit hunne afzondering, en vergenoegde zich niet eens daarmede, maar vervolgde hen overal waar zij heen vlugtten om haar te ontloopen, tot de heer Nightingale, zijn vriend in nood ziende, hem eindelijk redde en de oude dame overhaalde om nu anderen te gaan kwellen.

Terwijl Jones en de gemaskerde dame zamen door de zaal wandelden en zich van hunne vervolgster zochten te bevrijden, zag hij de dame verscheidene maskers aanspreken, met dezelfde gemeenzaamheid alsof zij niet verkleed waren. Hij kon niet nalaten zijne verbazing daarover te uiten, en zeide: „Gij moet zeker zeer scherpzinnig zijn, mevrouw, om al die menschen, in weerwil van hunne vermomming te herkennen!”

De dame hernam: „Gij kunt u niets laffer en kinderachtiger voorstellen dan eene maskerade voor menschen van de wereld, die, over het algemeen, elkaar hier even goed kennen als op eene partij of op een bezoek, en geene vrouw van aanzien zal ook, met wien het zij, spreken, dien zij niet kent. Met één woord, de meeste menschen, die gij hier ziet, komen eigenlijk alleen hier om den tijd te dooden, en als zij naar huis gaan, zijn zij gewoonlijk nog meer vermoeid dan na de langste preek. Om de waarheid te zeggen, het begint me ook zóó te gaan, en als ik de gave bezit van uwe gedachten te raden, bevalt het u hier niet veel beter dan mij. Ik geloof wezenlijk, dat het eene weldaad voor u zou zijn, als ik naar huis ging!”

„Ik weet slechts ééne weldaad, die daarmede in vergelijking komt,” riep Jones, „en die zou zijn, dat gij mij veroorloofdet u naar huis te brengen.”

„Wel!” hernam de dame, „gij hebt zeker een heel wonderlijk denkbeeld van mij opgevat, als gij u verbeeldt dat ik, die u zoo weinig ken, u op zulk een uur van den nacht bij mij toelaten zou! Gij zult, zonder twijfel, de vriendschap welke ik voor mijne nicht koester, aan eene andere beweegreden toeschrijven! Beken het maar eerlijk: gij beschouwt onze vooraf beraamde bijeenkomst hier als weinig anders dan een bepaald rendez-vous? Zijt gij er aan gewoon, mijnheer Jones, om zulke plotselinge veroveringen te maken?” „Ik ben er niet aan gewoon zelf zoo plotseling overwonnen te worden, mevrouw,” zei Jones. „Maar, nu gij mijn hart verrast hebt, heeft het overige gedeelte van mijn ligchaam het regt om u te volgen;—vergeef me dus als ik u vergezel, waar gij ook heen gaat.”

Hij liet deze woorden vergezeld gaan door eenige daden, welke daarmede overeenstemden, waarop de dame, na het hem zachtjes verweten te hebben, en zeggende dat hunne gemeenzaamheid in het oog vallen zou, zeide: „dat zij bij eene kennis ging souperen, waarheen zij hoopte dat hij haar niet volgen zou; want als gij dat doet,” vervolgde zij, „zal men mij voor een zeer ongerijmd wezen houden, hoewel mijne vriendin volstrekt niet ergdenkend is;—maar ik hoop toch, dat gij mij niet volgen zult;—ik verklaar niet te weten wat ik zeggen moet als gij dat doet!”

Kort daarop verliet de dame de zaal, en Jones, in weerwil van haar streng verbod, waagde het haar te volgen. Hij bevond zich thans weder in denzelfden nood als vroeger: hij had namelijk geen stuiver geld om een draagstoel te betalen en kon nu niets leenen. Hij stapte dus stout achter den draagstoel der schoone, gevolgd door een luid hoera der dragers, die zeer wijsselijk, steeds hun best doen om hunne meerderen af te schrikken van ooit te voet te gaan. Gelukkig echter dat de dragers, die naar de opera gaan, het te druk hadden om hunne praktijk op te geven, en daar het zoo laat was dat hij geen hunner kameraden op straat ontmoette, vervolgde hij onbelemmerd zijn weg in eene kleeding, welke op een ander uur een geheelen oploop veroorzaakt zou hebben.

De dame hield stil in eene straat niet ver van Hanover-square; de huisdeur werd wijd open gezet en de dame werd binnen gedragen, terwijl de heer haar zonder eenige pligtplegingen volgde.

Jones en zijne schoone bevonden zich thans in een zeer goed ingerigt verwarmd vertrek, en de dame, steeds met de piepende maskerstem sprekende, verklaarde verbaasd te zijn dat hare vriendin de afspraak scheen vergeten te hebben;—hierop drukte zij eerst hare groote verontwaardiging uit, en vervolgde met eenige vrees te uiten voor Jones, terwijl zij hem vroeg, wat de menschen er van denken zouden, als men hen op dat uur van den nacht zoo alléén daar vond?

Maar, in plaats van haar regtstreeks antwoord te geven op die gewigtige vraag, begon Jones de dame te smeeken om zich te ontmaskeren, waartoe hij haar eindelijk overhaalde,—en niet mevrouw Fitzpatrick, maar Lady Bellaston zelve zich aan zijne blikken vertoonde.

Het zou vervelend wezen om het gesprek verder te beschrijven, dat niets bevatte wat niet van zeer gewonen en dagelijkschen aard is, en dat van twee tot zes uur ’s morgens duurde. Genoeg als wij melding maken van hetgeen er in van belang was voor onze geschiedenis. En dit was, dat de dame beloofde haar best te doen om Sophia te ontdekken en hem in staat te stellen om haar te ontmoeten, onder voorwaarde dat het alleen zou zijn om afscheid van haar te nemen. Dit afgesproken zijnde,—en tevens eene tweede bijeenkomst dien avond op dezelfde plaats, scheidden zij:—de dame ging naar huis en Jones naar zijne kamers.

HOOFDSTUK VIII.

BEVATTENDE EEN TOONEEL VAN ELLENDE, DAT DE MEESTE LEZERS ZEER VREEMD ZAL TOESCHIJNEN.