Part 16
Sophia verklaarde, dat zij hoegenaamd geen angst gevoelde, en voegde er bij: „Als gij de slagader raakt, schenk ik u vooraf mijne vergiffenis.”
„Zoo!” riep Western. „Ik niet; om den drommel niet! Als hij u het minste kwaad doet, wil ik verd.... worden, als hij het zelf er levend afbrengt!”
De heelmeester nam aan haar op deze voorwaarden ader te laten, en ging nu tot die operatie over, welke hij met de beloofde behendigheid, en ook met den meesten spoed volbragt; want hij nam haar slechts weinig bloed af, verzekerende dat het veiliger was om dat bij herhaling te doen, dan om te veel tegelijk af te tappen.
Zoodra Sophia’s arm verbonden was, verwijderde zij zich; want zij wenschte niet (en het zou ook welligt niet al te gepast geweest zijn), bij hetgeen met Jones volgen moest, tegenwoordig te zijn. Inderdaad, één bezwaar, dat zij tegen het aderlaten had (hoewel zij het niet uitte), was het oponthoud, dat het veroorzaken zoude met het zetten van den arm. Want Western, als er sprake was van Sophia, dacht alleen aan haar, en wat Jones betreft, hij zat geduldig als een lam zijn eigen pijn te dragen. Om de waarheid te zeggen, toen hij het bloed zag vloeijen uit Sophia’s schoonen arm, dacht hij naauwelijks aan hetgeen hem zelven overkomen was.
De heelmeester beval nu den patient tot op het hemd uit te kleeden, en den arm geheel en al ontblootende, begon hij er aan te trekken en hem te onderzoeken op zulk eene wijze, dat die marteling Jones eenige scheve gezigten deed trekken, welke de heelmeester zag en zeer verbaasd uitriep: „Wat scheelt er aan, mijn heer? Het is onmogelijk dat ik u pijn doe!”
Daarop, den gebroken arm ophoudende, begon hij eene zeer lange en zeer geleerde anatomische verhandeling te houden, waarin hij zeer uitvoerig sprak over enkele en dubbele breuken, en de verschillende wijzen uitlegde, waarop Jones den arm had kunnen breken, met allerlei opmerkingen daarbij, om te bewijzen, dat sommige gevallen veel erger waren en sommige veel beter dan het onderhavige.
Eindelijk, gedaan hebbende met zijne uitgewerkte redevoering, waardoor zijn gehoor, hoewel men hem oplettend en met veel bewondering aanstaarde, weinig gesticht was, daar men eigenlijk geen woord begreep van hetgeen hij vertelde, ging hij aan het werk, dat hij sneller afmaakte dan hij het begonnen was.
Hij beval toen Jones naar bed te gaan, wat de heer Western hem dwong dáár te doen, en veroordeelde hem verder om niets dan wat grutten te gebruiken.
Onder de toeschouwers in de kamer, terwijl de arm gezet werd, bevond zich ook juffer Honour, die geroepen zijnde door hare meesteresse toen alles gedaan was, ook gevraagd werd hoe de jonge heer het maakte, waarop zij dadelijk uitweidde in buitensporige loftuitingen over de heldhaftigheid, zoo als zij het noemde, van zijn gedrag, wat zij „betooverend vond,” zeide zij, „in zulk een beeldschoon jong mensch.” Daarop uitte zij nog vurige lofspraken op zijne schoonheid, vele bijzonderheden opsommende, en eindigende met de blankheid van zijn vel.
Deze woorden hadden eene uitwerking op hare meesteresse, welke der sluwe dienaresse misschien niet ontgaan zou zijn, als zij slechts eenmaal onder het spreken hare dame aangezien had: daar echter een spiegel, die, zeer te pas, vlak tegenover haar hing, haar de gelegenheid verschafte om die gelaatstrekken te aanschouwen, welke zij boven alle andere het meest bewonderde, had zij niet ééns onder hare geheele redevoering haar oog van dat beminde voorwerp laten gaan.
Jufvrouw Honour dus was zoodanig verdiept in het onderwerp waarover zij hare tong liet uitweiden, en in de beschouwing van hetgeen zij zelve voor oogen had, dat zij hare meesteresse den tijd liet om hare verwarring meester te worden, waarop zij glimlachte en tot hare kamenier zeide, „dat die zeker op dien jongen heer verliefd was!”
„Ik verliefd, jufvrouw!” riep deze. „Wel jufvrouw! Op mijn woord van eer dat ben ik niet!”
„Nu, en al waart ge verliefd, dat zou geene schande zijn; want hij is zeker een heel knappe jongen,” zei hare meesteresse.
„Ja, jufvrouw,” hernam de andere, „dat is waar! Hij is het knapste manspersoon, dien ik van mijn leven gezien heb! Ja, dat is waar, en, gelijk gij zegt, jufvrouw, ik weet niet waarom ik mij schamen zou als ik op hem verliefd was,—al is hij ook van een anderen stand dan ik. Want de groote luî zijn toch maar vleesch en bloed, even als wij arme dienstboden. Bovendien, wat mijnheer Jones aangaat, hoewel mijnheer Allworthy een fatsoenlijk man van hem gemaakt heeft, is hij van afkomst niet zoo goed als ik; want, al ben ik slechts eene arme ziel, ben ik toch eerlijke luî’s kind, en mijn vader en moeder waren getrouwd, wat meer is dan sommige menschen, die nu zoo grootsch doen, van de hunne kunnen getuigen. Wel kom aan! ’t Is me wat liefs! Al is zijn vel nog zoo blank,—en dat is waar, blanker kon het niet zijn,—ben ik een Christen mensch net zoo goed als hij, en geen mensch kan zeggen dat ik niet van eerlijke ouders ben;—mijn grootvader was ook geestelijke [2] en hij zou wat kwaad zijn geweest als iemand van zijne familie zich met zoo’n vuile Molly Seagrim haar afval had willen behelpen!”
Misschien had Sophia, uit gebrek aan moed om haar te doen stilzwijgen, wat, gelijk de lezer begrijpt, geene zeer gemakkelijke taak was, hare kamenier op deze wijze laten doorslaan; want, voorzeker, waren er eenige dingen in hetgeen zij zeide, die de dame volstrekt niet aanstonden. Daar er echter geen einde kwam aan den stroom der woorden, begreep zij dat het tijd werd dien te stuiten.
„Ik ben er verbaasd over,” zeide zij, „dat gij het waagt op zulk een toon te spreken over een van mijn vaders vrienden. Wat het meisje aangaat, ik verzoek u haar nooit in mijn bijzijn te noemen. En ten opzigte van de geboorte van den jongen heer zelven, als men niets meer tot zijn nadeel kan zeggen, dan is het wel zoo goed daarover te zwijgen, gelijk ik u verzoek voortaan te doen.”
„Het spijt me zeer, jufvrouw,” hernam Honour, „dat ik u beleedigd heb. Ik weet zeker dat ik Molly Seagrim evenzeer verfoei als gij dat zelve doen kunt, en wat het kwaadspreken over mijnheer Jones aangaat, ik kan alle dienstboden in huis tot getuigen roepen, dat als er ooit sprake is van onechte kinderen, ik altijd partij voor hem getrokken heb. „Want, wie van u,” zei ik tot den knecht, „zou geen onecht kind willen wezen, als hij het maar worden kon, om een mijnheer te zijn?” zei ik. „En hij is zeker een heele mijnheer, en heeft zulke blanke vingers als iemand ter wereld,” zei ik, „dat is waar! En hij is een der vriendelijkste, beleefdste heeren, die men zich denken kan,” zei ik, en al de dienstboden en al de buren in het rond houden van hem. „En—ja,—het is waar,—maar ik vrees u kwaad te maken als ik het u vertelde,—”
„Wat zoudt ge me kunnen vertellen, Honour?” vroeg Sophia.
„Wel, jufvrouw,—’t is ook waar, dat hij er niets mede bedoelde, daarom hoop ik, dat het u niet kwaad zal maken.”
„Vertel nu maar wat ge bedoelt,” zei Sophia. „Ik moet het dadelijk weten!”
„Wel, jufvrouw,” hernam Honour, „verleden week, kwam hij in de kamer waar ik zat te werken, en daar lag uw mof op een stoel, en hij stak er de handen in,—het was de mof die, gij me gisteren gegeven hebt.—„Wel, mijnheer Jones,” zei ik, „ge zult de mof van de jufvrouw heel en al uit elkaar rekken en bederven!” Maar hij hield er de handen nog in, en toen kuste hij ze;—zoo’n kus heb ik van mijn leven niet gezien!”
„Hij zal wel niet geweten hebben dat ze mij toebehoorde,” zei Sophia.
„Dat zult gij wel hooren, jufvrouw! Hij kuste ze en kuste ze weer, en zeide, dat het de mooiste mof was die hij ooit gezien had. „Wel, mijnheer,” zei ik, „ge hebt ze wel honderdmaal gezien!” „Ja, jufvrouw Honour,” riep hij, „dat is mogelijk; maar wie kan iets anders zien als uwe schoone meesteresse zelve dáár is?” En dat was niet alles; maar ik hoop, dat het u niet kwaad zal maken; want hij bedoelde er zeker niets mede; maar, op zekeren dag, toen gij aan de klavecimbel zat voor mijnheer te spelen, bevond zich mijnheer Jones in de kamer daarnaast en het kwam mij voor, dat hij er zeer bedroefd uitzag. „Nu, mijnheer Jones,” zei ik, „ik zou wel willen weten, waar gij aan denkt!” „Wel, meisje!” riep hij, uit zijn droom opschrikkende, „waar zou ik aan denken als die engel, uwe meesteresse, speelt!” En mij daarop bij de hand grijpende, „o, jufvrouw Honour,” zeide hij, „hoe gelukkig zal de man zijn, die—” en daar zuchtte hij;—op mijn woord zijn adem is zoo geurig als een ruiker;—maar wezenlijk, hij bedoelde er niets kwaads mede. Dus hoop ik, jufvrouw, dat gij er geen woord over spreken zult; want hij gaf me een daalder om er niets van te zeggen, en liet me er een eed op zweren,—op een boek,—maar ik geloof niet, dat het de Bijbel was.”
Tot men iets schooners dan het vermiljoen uitgevonden zal hebben, zal ik er niets van zeggen hoe Sophia bij deze gelegenheid bloosde.
„O... Honour!” zeide zij, „ik—ik—als gij belooft mij niets meer hierover te zeggen,—en—niemand anders ook, dan zal ik u niet verklappen,—ik meen dan zal ik niet meer boos op u zijn;—maar ik ben wezenlijk bang voor uwe praatjes! Waarom, meisje, geeft ge uwe tong zooveel vrijheid?”
„Wel, jufvrouw!” hernam de andere; „ik zou me liever de tong afbijten, dan iets zeggen om u te beleedigen! Gij kunt er gerust op aan, dat ik nooit iets zal oververtellen, dat gij wenscht verzwegen te hebben!”
„Nu dan,” hernam Sophia, „ik wilde wel, dat gij hiervan verder zweegt; want het kon mijn vader ter ooren komen, en hij zou boos worden op mijnheer Jones,—hoewel hij zeker, zooals gij zegt, er niets bij bedoelde. Ik zou zelve heel boos zijn, als ik me verbeeldde—”
„Neen, jufvrouw!” riep Honour, „ik verklaar dat ik heilig geloof, dat hij er niets meê bedoelde! Ik dacht wel, dat hij als een gek praatte;—ja, hij zei zelf, dat hij dacht dat hij gek was, om zoo iets te zeggen. „Ja, mijnheer,” zei ik, „dat geloof ik ook.” „Ja, Honour,” zeide hij—maar ik vraag vergiffenis, jufvrouw! Daar verpraat ik me weder! Ik zou me de tong willen afbijten!”
„Ga maar voort,” zei Sophia, „als er iets meer is, kunt ge het me wel vertellen.”
„Ja, Honour,” zeide hij, „—dit was nog wat later, toen hij mij den daalder gaf,—„ik ben noch zulk een kwast noch zulk een schurk, dat ik anders aan haar zou denken, dan als aan eene godin; en als zoodanige zal ik haar altijd beminnen en aanbidden zoolang ik leef!” Dat was alles, jufvrouw, dat ik me herinneren kan, daar wil ik een eed op doen. Ik was zelve heel kwaad op hem, tot ik ontdekte, dat hij er niets kwaads mede bedoelde.”
„Ik geloof wezenlijk, Honour,” hernam Sophia, „dat ge opregt veel van mij houdt;—ik was verleden, toen ik u de dienst opzeide, heel boos op u; maar, als ge wenscht nog bij me te blijven, dan moogt ge dat doen.”
„O wezenlijk, jufvrouw,” antwoordde Honour, „ik verlang niets liever dan altijd bij u te blijven. Wezenlijk, ik schreide me haast blind, toen gij mij de dienst opzeidet. Het zou zeer ondankbaar van mij zijn, als ik u verlaten wilde;—omdat ik zeker nooit weder zoo’n goede dienst zou krijgen. Ja, jufvrouw, ik zou bij u willen leven en sterven; want, zooals die arme mijnheer Jones zeide,—gelukkig de man, die—”
Hier stoorde de etensklok een gesprek, dat zooveel indruk op Sophia maakte, dat zij misschien meer moest danken aan de aderlating van dien morgen, dan zij zelve veronderstelde. Wat den tegenwoordigen toestand van haar gemoed betreft, ik zal mij aan een stelregel van Horatius houden, als ik, uit wanhoop van te slagen, niet op mij neem dien te beschrijven. De meeste mijner lezers kunnen zich dat voorstellen, en de weinigen, die dat niet kunnen, zouden de schildering niet begrijpen, of verklaren dat ze onnatuurlijk was, al teekende ik ze nog zoo goed.
BOEK V.
Bevat een tijdvak van iets meer dan een half jaar.
HOOFDSTUK I.
VAN DEN ERNST IN HET SCHRIJVEN, EN WAARTOE DIE DIENT.
Misschien zal er niets wezen in dit verbazend werk, dat den lezer minder genoegen schenkt dan juist datgene, wat den schrijver de meeste moeite kostte. Hieronder zal men waarschijnlijk tellen die inleidende verhandelingen, welke de geschiedkundige stof van elk boek vooraf gaat, en die wij als onmisbaar achten bij den schrijftrant waarvan wij het voorbeeld willen geven.
Wij rekenen ons volstrekt niet verpligt, eenige reden aan te voeren voor dit ons gevoelen; daar het reeds meer dan voldoende is, dat wij het als een noodzakelijken regel vastgesteld hebben bij alle proza-komisch-epische geschriften. Wie heeft ook ooit de redenen gezocht van die eenheden van tijd en plaats, die nu zoo bepaaldelijk als een vereischte worden beschouwd in de dramatische dichtkunst? Aan welken criticus heeft men ooit durven vragen, waarom een tooneelstuk niet even goed twee dagen als slechts één mogt bevatten? Of waarom de toehoorders (mits zij als vrije kiezers kosteloos van de eene plaats tot de andere vervoerd worden), niet even goed vijftig als vijf mijlen zouden reizen? Heeft eenige commentator ooit de beperkingen verklaard, die een criticus onder de ouden voorgeschreven heeft voor het drama, dat, volgens hem, niet meer en ook niet minder dan vijf bedrijven bevatten mag? Of heeft eenig levend mensch ooit getracht uit te leggen, wat onze nieuwere theaterbeoordeelaren bedoelen met het woord „plat”, waardoor het hun gelukt is om alle humor van het tooneel te bannen en zij de komedie zoo vervelend als eene receptiezaal gemaakt hebben? Bij al deze gelegenheden schijnt de wereld een stelregel van onze regtsgeleerden omhelsd te hebben, namelijk: cuicunque in arte sua perito credendum est; want het schijnt eenigzins moeijelijk te begrijpen, dat iemand de onbescheidenheid zou hebben om, zonder eenig regt, stellige regels voor eenige kunst of wetenschap voor te schrijven. In zulke gevallen dus, zijn wij geneigd te gelooven, dat er in den grond wezenlijk gezonde en degelijke redenen bestaan, hoewel wij, ongelukkig, niet zoo diep kunnen zien.
Maar, inderdaad, de wereld is al te beleefd jegens de critici geweest, en heeft zich verbeeld, dat zij veel dieper denken dan wezenlijk het geval is. Deze toegevendheid heeft de critici aangemoedigd om zich eene dictatoriale magt toe te eigenen, en dit is hun in zoo ver gelukt, dat zij nu de meesters zijn geworden en de stoutheid hebben de wetten voor te schrijven aan die schrijvers, van wier voorgangers zij ze oorspronkelijk gekregen hebben.
De criticus, wel beschouwd, is niets meer dan de griffier, wiens ambt het is, om de regels en wetten over te schrijven, door die verhevene regters vastgesteld, wier onmetelijk genie hen als wetgevers doet beschouwen in de verschillende vakken, waarin zij uitgeblonken hebben. Dit was ook het eenige ambt, waarnaar de critici van ouds streefden, en zij waagden het nooit een vonnis te vellen, zonder het te bekrachtigen door het gezag van den regter, van wien zij het gekregen hadden.
Maar, met der tijd, en in de eeuwen der onwetendheid, begon de griffier inbreuk te maken op het gezag en zich de waardigheid van zijn meester aan te matigen. De wetten van het schrijven waren niet meer gegrond op de gewoonten van den schrijver, maar op de voorschriften van den beoordeelaar. De griffier werd de wetgever, en diegenen, wier oorspronkelijke taak het was de wetten slechts af te schrijven, stelden nu zelve zeer willekeurig de wet.
Hieruit is een blijkbare en misschien onvermijdelijke dwaling ontstaan; want deze critici, mannen zijnde van zeer geringe bekwaamheden, namen zeer ligt den schijn voor het wezen aan. Zij handelden op de wijze van een regter, die de doode letter van de wet zou willen volgen zonder aan den geest te denken. Kleine bijzonderheden, welke misschien slechts toevallig bij een grooten schrijver gevonden worden, werden door deze critici beschouwd als zijn hoofdverdienste en als hoofdvereischte ook aanbevolen aan al zijne opvolgers. Aan deze inbreuken verleenden tijd en onwetendheid, de beide groote steunpilaren van het bedrog, gezag, en dus werden vele regels voor het schrijven vastgesteld, welke noch in de natuur noch in de waarheid eenigen grond hebben, en die gewoonlijk tot niets anders dienen dan om het genie te belemmeren en te beteugelen, op dezelfde wijze als men den dansmeester belemmerd zou hebben, als men in de vele heerlijke leerboeken over die kunst, als stelregel aangenomen had, dat iedereen geboeid moet dansen.
Om derhalve alle beschuldigingen te voorkomen van regels voor de nakomelingschap te hebben willen vaststellen, alleen gegrond op het gezag van een ipse dixit, waarvoor wij bekennen niet bijzonder veel eerbied te koesteren, zullen wij het voorregt, dat men zich vroeger aanmatigde, hier opgeven, en voortgaan met den lezer de redenen bloot te leggen, welke ons overgehaald hebben de verschillende tusschengevoegde afwijkingen in den loop van dit werk in te lasschen.
En dit zal ons noodzakelijk aanleiding geven om eene nieuwe bron van kennis te openbaren, die, al werd ze reeds vroeger ontdekt, voor zoo ver wij weten, nooit door eenigen ouden of nieuwen schrijver gebruikt is. Deze bron is niets anders dan die der tegenstelling, welke zigtbaar is in alle werken der schepping, en waarschijnlijk er veel toe bijdraagt om het begrip van alle schoonheid in ons duidelijk te maken; want waardoor wordt de schoonheid, of de heerlijkheid van wat ook, meer bewezen, dan door het tegenovergestelde daarvan? Dus wordt de schoonheid van den dag en die van den zomer verhoogd door de afgrijsselijkheid van den nacht en van den winter. En ik geloof, dat als het mogelijk ware voor een mensch slechts de beide eersten te zien, hij een zeer onvolmaakt denkbeeld van hunne schoonheid zou hebben.
Maar, om een al te ernstigen toon te vermijden:—kan men er aan twijfelen, dat de schoonste vrouw ter wereld al de voorregten van hare bekoorlijkheden zou missen, in het oog van een man, die nooit eene minder begaafde vrouw had gezien? De dames zelve schijnen hiervan zoo overtuigd, dat zij zich alle beijveren iets te vinden dat afsteekt tegen hare schoonheid;—ja, zij nemen die rol op zich tegenover zich zelve; want ik heb wel eens opgemerkt (vooral te Bath), dat zij zich moeite geven om ’s morgens zoo leelijk mogelijk te schijnen, ten einde de schoonheid, welke zij des avonds ten toon willen spreiden, des te meer in het oog te doen vallen.
De meeste kunstenaren kennen de praktijk van dit geheim, hoewel velen welligt de theorie er van niet bestudeerd hebben. De juwelier weet, dat de schoonste diamant gezet moet worden, om goed uit te komen, en de schilder oogst dikwijls grooten roem in door de tegenstelling, welke zijne figuren opleveren.
Een groot genie onder de Engelschen bewijst deze stelling ten duidelijkste. Ik kan hem inderdaad niet brengen onder eenige kathegorie der gewone kunstenaren, daar hij aanspraak heeft op eene plaats onder diegenen
„Inventas qui vitam excoluere per artes.”
„Die door het uitvinden der kunsten het leven veredeld hebben.”
Ik bedoel hiermede de uitvinder van dat heerlijke tijdverdrijf de Engelsche Pantomime.
Dit schouwspel bestond uit twee deelen, welke de uitvinder onderscheidde als het ernstige en het komische deel. Het ernstige vertoonde een zeker aantal heidensche goden en helden, die zeker het slechtste en vervelendste gezelschap uitmaakten waarin de toehoorder ooit gebragt werd, en die (en dit was een geheim slechts aan weinigen bekend,) eigenlijk alleen op deze wijze voorgesteld werden, om het komieke gedeelte van de voorstelling te doen uitkomen en de kunstjes van den harlekijn des te voordeeliger te laten uitblinken.
Het was welligt niet heel beleefd zulke persoonaadjes tot zulk een doeleinde te gebruiken, maar de uitvinding was niettemin zeer vernuftig en miste hare uitwerking niet. En dit zal nu duidelijk blijken, als wij, in plaats van de woorden ernstig en komiek, de uitdrukking „vervelender” en „allervervelendst” bezigen; want het komieke was zeker vervelender dan iets wat men vroeger ten tooneele gevoerd had, en kon alleen schitteren door de tegenstelling met hetgeen in den hoogsten graad vervelend was,—zoo als het ernstige.
Inderdaad, die goden en helden waren zoo onverdragelijk ernstig, dat harlekijn (hoewel de Engelschman van dien naam geene familie is van zijn naamgenoot in Frankrijk; waar hij veel ernstiger van aard is), altijd op het tooneel welkom was, daar hij de toehoorders verloste van veel slechter gezelschap.
Oordeelkundige schrijvers hebben altijd deze kunst met den besten uitslag beoefend. Het verwondert me, dat Horatius ze bij Homerus berispt; maar inderdaad, hij spreekt zich zelven tegen in den eerstvolgenden regel:
„Indignor quandoque bonus dormitat Homerus; Verum opere in longo fas est obrepere somnum.”
„’t Spijt me als soms Homerus zelf slaapt, Schoon bij lang werk men aanspraak heeft op rust.”
Want wij moeten het niet zoo opnemen, als sommigen welligt gedaan hebben, dat de schrijver wezenlijk inslaapt onder het schrijven. ’t Is wel waar dat zoo iets den lezer ligt overkomt; maar al is het werk nog zoo lang, stelt de schrijver zelf er veel te veel belang in om het minste gevaar te loopen van dommelig te worden. Hij is, gelijk Pope zegt:
„Slaaploos zelf, opdat de lezer slape!”
Eigenlijk gezegd, zijn deze slaapwekkende deelen slechts zoovele ernstige tooneelen, kunstmatig er in geweven, om het overige te doen uitkomen, en dit is hetgeen wezenlijk bedoeld werd door wijlen zekeren grappigen schrijver, die het publiek verzekerde, dat telkens als men hem vervelend vond, men er op staat kon maken, dat dit zijn voornemen was. In dit licht dan, of liever in deze duisternis, wenschte ik dat de lezer deze inleidende verhandelingen beschouwen wilde;—en als hij na deze waarschuwing, van meening is, dat hij nog ernst genoeg zal vinden in andere deelen van deze geschiedenis, kan hij deze inleidingen, waarin het ons voornemen is bepaaldelijk vervelend te zijn, overslaan, en de volgende boeken bij het tweede hoofdstuk beginnen.
HOOFDSTUK II.
WAARIN DE HEER JONES VELE VRIENDSCHAPPELIJKE BEZOEKEN ONTVANGT GEDURENDE ZIJNE ZIEKTE, MET EENIGE HEEL KLEINE SPOREN VAN VERLIEFDHEID, DIE NAAUWELIJKS VOOR HET BLOOTE OOG ZIGTBAAR ZIJN.
Tom Jones kreeg gedurende zijne genezing vele bezoeken, waarvan sommige hem welligt niet zeer aangenaam waren. De heer Allworthy zag hem bijna dagelijks; maar hoewel hij medelijden gevoelde met Tom’s smarten, en zeer ingenomen was met de onversaagdheid, welke daar aanleiding toe gegeven had, hield hij dit toch voor eene gunstige gelegenheid om hem tot rijp nadenken te brengen over zijn overigens ligtzinnig gedrag, en dacht dat goede raad tot dat einde, nooit meer ingang zou vinden dan op dit oogenblik, terwijl Tom’s hart vermurwd was door pijn en ziekte en verschrikt door gevaar, en zijne oplettendheid niet afgetrokken werd door die woelige hartstogten, welke ons verleiden tot het najagen van genot.
Ten allen tijde dus, als de waardige man alleen was met den jongeling, en vooral als deze zonder pijn was, nam hij de gelegenheid waar om hem aan zijne vroegere wanbedrijven te herinneren; maar steeds op de zachtste en liefderijkste wijze, en alleen met het doel om hem in de toekomst voorzigtigheid aan te raden. „Want hiervan alleen,” verzekerde hij hem, „zoude zijn eigen geluk afhangen zoowel, als de liefde welke hij zich nog vleijen kon van zijn aangenomen vader te ondervinden, tenzij hij zich later diens achting onwaardig maakte; want,” voegde hij er bij, „wat het verledene betrof, dat was alles vergeten en vergeven. Daarom moedigde hij hem aan, om zich zijn ongeluk ten nutte te maken opdat; het op den duur blijken mogt eene bezoeking te zijn geweest tot zijn eigen best.”