Part 12
Zoodra hij vernomen had wat er gebeurd was, vloekte hij tegen Blifil, dien hij een erbarmelijken, kwaadaardigen schelm noemde, en dadelijk den jas uittrekkende, begon hij den boom te beklimmen waarin, de vogel gevlugt was.
Tom was op het punt van zijn kleinen naamgenoot terug te krijgen, toen de tak waarop hij zat, en die over een breede sloot hing, brak en de arme jongen hals over kop in het water plofte.
Sophia’s angst veranderde nu van voorwerp. Daar zij vreesde dat de jongen in levensgevaar verkeerde, gilde zij tienmaal harder dan te voren, en de jonge heer Blifil hielp haar nu met al de kracht zijner longen.
Het gezelschap, dat zich in de tuinkamer bevond, hoorde het geschreeuw en kwam naar buiten; maar juist als men het water bereikte, was Tom (daar het gelukkig tamelijk ondiep was op die plek), veilig weer aan land gekomen.
Thwackum viel den armen Tom dadelijk hevig aan, die druipende van het water voor hem stond te rillen; maar de heer Allworthy hem verzoekende geduld te hebben, wendde zich tot den jongen heer Blifil en zeide:
„Nu, kind, wat heeft aanleiding tot al deze drukte gegeven?”
De jonge Blifil hernam: „Wezenlijk, oom, ik heb al berouw over hetgeen ik gedaan heb; want ik heb ongelukkig aanleiding tot alles gegeven. Ik had Sophia’s vogel in de hand; en mij verbeeldende, dat het arme schepsel naar vrijheid snakte, beken ik, dat ik niet nalaten kon, het die te geven; want het kwam mij altijd zeer wreed voor iets op te sluiten. Dat scheen mij toe in strijd te zijn met de wetten der natuur, volgens welke alles regt heeft op de vrijheid; ja, het is zelfs onchristelijk; want het is niet doen gelijk wij wenschen dat ook ons geschieden zoude;—maar als ik me had kunnen voorstellen dat Sophia er zoo veel verdriet van gehad zou hebben, dan zou ik het zeker nooit gedaan hebben, ook niet als ik geweten had wat het vogeltje zelf overkomen zou; want toen Tom Jones in den boom klom, en in het water viel, ging de vogel weer vliegen, en werd dadelijk door een leelijken havik gepakt.”
De arme Sophia, die nu voor het eerst het lot van haar kleinen lieveling vernam (want haar angst over Tom had haar belet te zien wat daarmede gebeurd was), stortte nu een vloed van tranen. De heer Allworthy trachtte die te stillen door de belofte van haar een schooner vogel te bezorgen;—maar zij verklaarde, dat zij er nooit meer een hebben wilde. Haar vader berispte haar, dat zij zoo schreide om een onnoozelen vogel, maar kon zich niet onthouden van den jongen Blifil te zeggen, dat als hij zijn zoon was, hij een geducht pak slagen zou krijgen.
Sophia ging nu naar hare kamer, de beide jonge heeren werden naar huis gezonden, en het overige van het gezelschap keerde naar de wijnflesch terug, waarbij een zoo merkwaardig gesprek over den vogel voorviel, dat wij ons verbeelden, dat het op zich zelf een hoofdstuk waardig is.
HOOFDSTUK IV.
BEVATTENDE ZULKE GELEERDE EN ERNSTIGE ZAKEN, DAT HET WELLIGT NIET NAAR DEN SMAAK VAN SOMMIGE LEZERS ZAL ZIJN.
Square had naauwelijks de pijp opgestoken, toen hij zich tot Allworthy wendde en aldus begon:
„Mijnheer, ik kan niet nalaten u geluk te wenschen met uw neef, die op een leeftijd, waarop de meeste jonge lieden alleen eenig begrip hebben van het stoffelijke, zoo ver ontwikkeld is, dat hij regt en onregt weet te onderscheiden. Iemand of iets op te sluiten, wie of wat het ook zij, schijnt me toe in strijd te zijn met de natuurwetten, waardoor alles regt heeft op vrijheid. Deze waren zijne woorden, en de indruk, welken ze op mij gemaakt hebben, zal nooit uitgewischt worden. Kan een mensch helderder begrippen hebben van de regels van het regt en de eeuwige orde der dingen? Uit zulk een begin kan ik niet nalaten te voorspellen, dat de rijpere leeftijd van dezen jongeling gelijk zal zijn aan dien van den eersten of den tweeden Brutus.”
Hier viel hem Thwackum driftig in de rede, en wat van zijn wijn stortende en het overige met veel haast doorslikkende, hernam hij:
„Uit eene andere uitdrukking, welke bij bezigde, hoop ik, dat hij op veel betere menschen zal gelijken. De natuurwetten zijn slechts klanken, die niets beteekenen. Ik ken zulke wetten niet, noch eenig regt dat daaruit zou kunnen ontleend worden. Doen hetgeen wij wenschen dat ook ons geschiede, dat is wezenlijk eene christelijke beweegreden, zoo als de jongen zeer juist zeide, en ik ben blijde te zien, dat mijn onderwijs zulke goede vruchten gedragen heeft.”
„Als de ijdelheid iets geoorloofds ware,” zei Square, „zou ik bij deze gelegenheid wel eenigzins trotsch mogen wezen; want, me dunkt, dat het tamelijk duidelijk is, van waar hij zijne begrippen van regt en onregt ontleend heeft. Als er geene wet der natuur bestaat, dan is er ook geen regt of onregt.”
„Hoe!” riep de geestelijke, „loochent ge dus de openbaring? Praat ik met een deïst of een atheïst?”
„Kom, drinkt maar uit,” zei Western. „De drommel hale uwe natuurwetten! Ik weet niet wat gij beiden wilt met uw regt en onregt. Naar mijn gevoelen, was het verkeerd om mijn meisje van haar vogel te berooven; en buurman Allworthy kan doen wat hem goeddunkt, maar jongens in dergelijke praktijken te versterken, is zoo veel als hen voor de galg groot brengen.”
Allworthy hernam, „dat hij spijt gevoelde over hetgeen zijn neef gedaan had, maar er niet in kon toestemmen om hem te straffen, daar hij eerder uit eene edele dan eene onedele beweegreden alzoo gehandeld had.” Hij voegde er bij: „Als de jongen den vogel gestolen had, dan zou hij de eerste zijn om op eene strenge kastijding aantedringen; maar het was duidelijk, dat hij dit niet bedoeld had,” en inderdaad, hij begreep dat de jongen geene andere bedoeling kon hebben, dan die welke hij zelf bekend had; want het kwaadaardige voornemen door Sophia verondersteld, kwam Allworthy volstrekt niet in de gedachte. Hij eindigde nog met de handeling als onbedachtzaam aftekeuren, en als eene die alleen in een kind te vergeven zou zijn.
Square had zijne meening al zoo onverholen gezegd, dat hij door nu te zwijgen, er in had moeten toestemmen om zijn gevoelen te hooren berispen. Hij hernam dus met eenige drift:
„Dat de heer Allworthy te veel hechtte aan verachtelijke bedenkingen omtrent eigendomsregt. Dat, in het beoordeelen van grootsche en verhevene daden, alle kleine bijzonderheden buiten de rekening moesten blijven; want dat men door zich te zeer aan deze kleingeestige regels te hechten, er toe komen kon om den jongeren Brutus van ondankbaarheid te beschuldigen en den anderen van kindermoord.”
„En als men hen wegens die misdaden opgehangen had,” riep Thwackum, „dan zouden zij hun verdiend loon gekregen hebben. Een paar heidensche schelmen! Goddank, dat wij heden ten dage geene Brutussen meer hebben! Ik wilde maar, mijnheer Square, dat gij het laten kondet mijne leerlingen de hersenen op hol te brengen met zulken onchristelijken onzin; want het gevolg is, dat zoolang zij aan mijne zorgen toevertrouwd blijven, ik het er weer uitranselen moet. Daar is uw discipel Tom,—die is al bijna bedorven. Ik hoorde hem een dag of wat geleden tegen den jongen heer Blifil volhouden, dat er geen verdienste was in het geloof zonder werken. Ik weet, dat dit één uwer leerstellingen is, en ik vermoed, dat hij ze van u vernomen heeft.”
„Beschuldig mij niet van hem bedorven te hebben,” zei Square. „Wie leerde hem lagchen om al wat deugdzaam en betamelijk en voegzaam en regt is in de natuur der dingen? Hij is uw eigen leerling en ik verloochen hem. Neen, neen! De jonge heer Blifil is mijn jongen! Hoe jeugdig hij ook zij, ik zet het u in hem de begrippen van zedelijke regtvaardigheid uit te roeijen!”
Thwackum grijnsde minachtend bij deze woorden en hernam: „Ja, ja, ik durf hem aan u te wagen. Hij is te goed onderlegd om benadeeld te worden door al uwe wijsgeerige wartaal. Neen, neen! Ik heb zorg gedragen hem zulke grondbeginselen in te prenten—”
„Ik heb hem ook grondbeginselen ingeprent,” riep Square. „Wat anders dan het verhevene denkbeeld der deugd, had den menschelijken geest kunnen bezielen met de edelmoedige gedachte om het arme diertje de vrijheid te verleenen? En ik herhaal, als het betamelijk was hoogmoedig te zijn, dan zou ik me de eer mogen aanmatigen van hem met dat denkbeeld bezield te hebben.”
„En als de hoogmoed niet verboden was,” zei Thwackum, „dan zou ik me er op kunnen beroemen dat ik hem den pligt geleerd heb, welken hij als de drijfveer van zijne handeling opgaf.”
„Dus met u beiden,” zei de landjonker, „hebt ge den jongen geleerd mijne dochter van haar vogeltje te berooven? Ik moet op mijne patrijzenkooijen letten! Ik zal op een goeden dag den een of anderen deugdzamen, godsdienstigen man zien komen, om al mijne patrijzen in vrijheid te stellen.” Daarop, een regtsgeleerde, die mede aan tafel zat, op den rug slaande, riep hij uit: „Wat zegt gij, mijnheer de advokaat? Is dat niet in strijd met de wet?”
De regtsgeleerde sprak, met de meeste deftigheid, als volgt: „Als er kwestie was van een patrijs, dan is het buiten kijf, dat de eisch toegelaten zou worden; want hoewel die vogel tot de ferae naturae behoort, wordt evenwel, wanneer hij eenmaal aan een eigenaar toebehoort, daardoor het eigendomsregt verzekerd; maar als men het geval aanneemt van een klein vogeltje, hoewel dat ook een eigenaar hebbe, moet het desniettemin, als zijnde eene zaak van geene waarde, beschouwd worden als nullius in bonis. In dit geval, zou de eischer niet ontvankelijk worden verklaard, en ik zou ten sterkste afraden eenigen eisch van dien aard in te stellen.”
„Nu” zei de gastheer, „als het nullus bonus is, laat ons dan maar voortgaan met drinken en wat over de politiek praten, of over iets daar we allen verstand van hebben; want ik verklaar u, dat ik hiervan niets begrijp. Het mag alles heel geleerd en verstandig wezen, voor mijn part; maar ge kunt me er toch niet van overtuigen. Wat drommel! Ge hebt geen van allen één woord gezegd van den armen jongen, die lof verdient;—want het was eene edele, moedige daad om zijn hals te wagen alleen om mijn meisje pleizier te doen. Ik heb geleerdheid genoeg om dat intezien. Wel! Ik drink op Tom’s welzijn. Ik zal van dien jongen houden tot den laatsten dag van mijn leven!”
Aldus werd de strijd gesmoord; maar ze zou waarschijnlijk spoedig hervat geworden zijn, als de heer Allworthy niet den wagen besteld en de twee strijders mede genomen had.
Dit was de afloop van het avontuur met den vogel, en van het gesprek dat daaruit voortvloeide, en hetwelk wij niet nalaten konden den lezer mede te deelen, hoewel het eenige jaren vóór den tijd voorviel, waartoe onze geschiedenis nu gekomen is.
HOOFDSTUK V.
BEVATTENDE ZAKEN MEER NAAR DEN ALGEMEENEN SMAAK.
„Parva leves capiunt animos,” „geringe zaken treffen een onbezwaarden geest,” was het gevoelen van een grooten kenner van de liefde. En zeker is het dat van dezen dag af, Sophia eenige genegenheid begon te koesteren voor Tom Jones, en niet weinig afkeer van zijn makker.
Vele gebeurtenissen droegen van tijd tot tijd bij om deze gewaarwordingen in haar hart te versterken, welke de lezer, ook zonder dat wij ze beschrijven, zich wel voorstellen kan uit hetgeen wij reeds gezegd hebben van den verschillenden aard der beide jongens, en hoe de eene meer dan de andere haar sympathie inboezemde. Om de waarheid te zeggen, ontdekte Sophia reeds zeer vroeg, dat Tom, hoewel een onnadenkende, luije, dolzinnige schelm, alleen zijn eigen vijand was, terwijl de jonge heer Blifil, hoewel een voorzigtig, bescheiden, bedaard jong mensch, alleen ernstig bezorgd was voor de belangen van één enkel persoon; en wie die persoon was, zal de lezer wel gissen, zonder mijne hulp.
Twee karakters als deze worden niet altijd in de wereld beoordeeld naar dien verschillenden maatstaf, waarop ieder regt heeft, en dien men zich verbeelden zou dat de menschen, al ware het alleen uit eigenbelang, moesten gebruiken. Maar welligt rust die schijnbare onregtvaardigheid toch op op eene fijne berekening—als de menschen iemand vinden van een wezenlijk welwillenden aard, verbeelden zij zich een schat gevonden te hebben, welken zij, even als alle goede dingen, voor zich wenschen te houden. Om die reden begrijpen zij, dat den roem van zoo iemand te verkondigen, even dwaas zou zijn als zijn middagmaal op de stoep te zetten en iedereen in de gelegenheid te stellen, dat te gebruiken, wat zij voor zich alleen bestemd hadden. Als deze reden den lezer niet voldoet, weet ik geen ander middel om de weinige achting te verklaren, welke men gewoonlijk ziet schenken aan karakters, die wezenlijk der menschelijke natuur veel eer aandoen, en der maatschappij het grootste voordeel opleveren. Maar het was anders met Sophia gesteld. Zij vereerde Tom Jones en verachtte den jongen heer Blifil bijna zoodra zij oud genoeg was om de beteekenis dezer beide woorden te begrijpen.
Sophia was meer dan drie jaren van huis geweest en had bij hare tante gelogeerd, gedurende welken tijd zij slechts weinig van deze beide jonge heeren gezien had. Zij dineerde echter eens met hare tante bij den heer Allworthy. Dit was slechts weinige dagen na het reeds beschrevene avontuur met de patrijs. Sophia hoorde het geheele verhaal aan tafel aan, waar zij niets zeide, en op weg naar huis, kon hare tante ook maar weinig uit haar lokken; maar terwijl hare kamenier bezig was met haar uit te kleeden, zei deze bij toeval:
„Nu, jufvrouw, gij zult heden den jongen heer Blifil wel gezien hebben?” waarop Sophia met veel drift uitriep:
„Ik haat den naam van den jongen heer Blifil, als alles wat laag en verraderlijk is, en het verwondert me dat mijnheer Allworthy toeliet, dat die wreede, oude schoolmeester den anderen armen jongen zoo streng tuchtigde voor iets, dat hij alleen uit goedheid gedaan had.”
Daarop verhaalde zij alles aan de kamenier, er bijvoegende, tot slot:
„Vindt ge niet, dat hij een edele jongen is?”
De jonge dame was nu weder bij haar vader terug gekeerd, die haar het bestuur over zijne huishouding liet, en haar de eereplaats aan tafel gaf, waar Tom (die wegens zijne liefhebberij voor de jagt een groote gunsteling van den huisheer geworden was), dikwijls mede aanzat. Jongelingen van openhartigen, edelen aard, zijn van natuur geneigd tot galanterie, die, als zij daarbij gezond verstand bezitten, wat bij Tom het geval was, zich uit in een verpligtend, hoffelijk gedrag jegens alle vrouwen in het algemeen. Dit onderscheidde Tom zeer van de luidruchtige en ruwe landjonkers van den eenen kant en van den plegtstatigen, eenigzins knorrigen jongen Blifil van den anderen kant, en hij begon nu, op zoowat twintigjarigen leeftijd, den naam te hebben van „een aardigen jongen” onder alle vrouwen in de buurt.
Tom onderscheidde Sophia volstrekt niet anders dan welligt door haar meer eerbied dan aan iemand anders te betoonen. Op deze onderscheiding scheen zij aanspraak te hebben door hare positie, hare schoonheid en hare beminnelijkheid; maar voornemens omtrent haar koesterde hij in het geheel niet,—om welke reden wij voor het oogenblik het aan den lezer overlaten moeten hem van domheid te beschuldigen;—terwijl wij echter welligt later dit redelijk goed zullen kunnen verklaren.
Sophia, ofschoon zoo onschuldig en zedig als mogelijk was, bezat toch veel levendigheid van aard. Deze vermeerderde nog zoodanig als zij zich in gezelschap met Tom bevond, dat als hij niet zeer jong en zeer onnadenkend geweest ware, hij het had moeten opmerken. En als de gedachten van den heer Western zelven niet doorgaans bezig waren geweest met de jagt, de stal of de honden, had het welligt eenigen argwaan bij hem opgewekt; maar de goede man was zoo ver van iets te vermoeden, dat hij Tom bij zijne dochter iedere gelegenheid verschafte, welke een minnaar had kunnen wenschen. En Tom, op de meest onschuldige wijze, maakte er beter gebruik van door alleen de ingevingen zijner aangeborene galanterie en goedaardigheid te volgen, dan hij welligt zou gedaan hebben, als hij in het geheim eenige plannen gekoesterd had op de hand van de jongedame.
Maar het kan inderdaad slechts weinig verwondering baren, dat deze zaak door anderen onopgemerkt bleef, daar de arme Sophia zelve er niets van merkte en haar hart reddeloos verloren had, eer zij zelfs vermoedde dat het in gevaar was.
Zoo stonden nu de zaken, toen Tom, op zekeren namiddag Sophia alleen vindende, na eene korte inleiding, verlof vroeg, met een heel ernstig gezigt, om eene gunst van haar af te smeeken, die hij hoopte dat zij hem niet weigeren zoude.
Hoewel noch de houding van den jongeling, noch de wijze waarop hij de zaak ingeleid had, bij haar eenig redelijk vermoeden opwekken kon, dat hij voornemens was haar zijne liefde te verklaren,—evenwel, hetzij dat de natuur haar iets in het oor fluisterde, of om eenige andere reden—dat laat ik daar,—maar zeker, is het dat iets van dien aard zich aan haar opgedrongen moet hebben; want hare wangen verbleekten, zij beefde aan alle ledematen en hare stem zou haar begeven hebben als Tom op antwoord gewacht had; maar hij verloste haar weldra uit den nood, door voort te gaan en haar zijn verzoek mede te deelen, dat niets anders was dan haar invloed in te roepen ten behoeve van den jager, wiens eigen ondergang, alsmede die zijner groote familie, gelijk hij zeide, veroorzaakt zou worden door de vervolging, door den heer Western ingesteld.
Sophia herstelde spoedig van hare verlegenheid en met een liefelijken glimlach zeide zij:
„Is dit dan de groote gunst, daar ge zoo ernstig om smeekt? Ik zal het van ganscher harte doen. Ik heb wezenlijk medelijden met den armen man en pas gisteren zond ik zijne vrouw eene kleinigheid.” Deze kleinigheid bestond uit een harer eigen kleedjes, wat linnengoed en tien shillings aan geld,—waarvan Tom reeds gehoord had, en wat hem eigenlijk zijn verzoek in het hoofd gezet had.
De jongen nu, door den voorspoed aangemoedigd, besloot om de zaak verder door te zetten, en waagde zelfs te vragen dat zij den jager aanbevelen zou, om in haar vaders dienst genomen te worden, daar hij verklaarde hem te houden voor een der eerlijkste menschen van het graafschap, die ook buitengewoon geschikt was voor de plaats van jager, welke toen, gelukkig, open was.
Sophia hernam: „Nu, dit zal ik ook beproeven; maar ik kan u niet beloven daarmede zoo goed te slagen als met het eerste wat ge vraagt;—en ik verzeker u, dat ik mijn vader geen rust zal laten, tot ik dat ten minste verkregen heb. Ik zal ook alles doen wat in mijne magt ligt voor den armen man; want wezenlijk, ik heb medelijden met hem en zijn huisgezin.—En nu, mijnheer Jones, heb ik ook eene gunst van u te vragen.—”
„Eene gunst! O, als gij wist hoe gelukkig ik me gevoelde in de hoop van een bevel van u te ontvangen, dan zoudt gij begrijpen, dat door mij er een op te leggen, gij mij reeds de hoogste gunst bewijst, want bij deze lieve hand, ik zou mijn leven kunnen opofferen in uwe dienst!”
Hij greep bij deze woorden hare hand en kuste die met veel vuur, wat de eerste keer was dat hij haar met de lippen aangeraakt had. Het bloed, dat straks uit hare wangen weggevloeid was, vergoedde dit nu door met zooveel geweld terug te stroomen naar haar hals en gelaat, dat beide met een diepen blos gekleurd werden. Zij gevoelde ook nu eene gewaarwording, die haar tot nu toe vreemd was geweest, en welke, toen zij tijd vond om er over na te denken, haar bekend begon te maken met eenige geheimen, welke, als de lezer ze nu niet kent, hij met der tijd wel zal leeren inzien.
Zoodra Sophia nu spreken kon,—wat niet oogenblikkelijk was,—maakte zij hem bekend, dat de gunst welke zij van hem te vragen had, was om haar vader op de jagt niet aan zooveel gevaar bloot te stellen; want uit hetgeen zij gehoord had, telkens als zij zamen uitgingen, vreesde zij haren vader met gebroken armen of beenen te huis te zien brengen. Zij smeekte hem dan, om harentwil voorzigtiger te zijn, en daar hij wel wist dat de heer Western hem overal volgen zou, niet meer zoo roekeloos te zijn te paard en geene gevaarlijke sprongen meer te doen.
Tom beloofde haar getrouw te gehoorzamen en na haar bedankt te hebben voor de vriendelijke toestemming in zijn verzoek, nam hij afscheid en ging heen, uiterst verrukt over zijn welslagen.
De arme Sophia was ook verrukt; maar op eene geheel andere wijze. Hare gevoelens echter zal zich de lezer in zijn hart (als hij er een heeft), beter kunnen voorstellen, dan ik ze zou kunnen beschrijven, al had ik even veel monden als zich ooit een dichter toegewenscht heeft,—naar ik veronderstel, om die lekkernijen te eten, waarmede hij zoo ruimschoots voorzien is.
Het was de gewoonte van den heer Western om iederen namiddag, zoodra hij dronken was, naar zijne dochter te zitten luisteren als zij op de klavecimbel speelde, want hij was een groot liefhebber der toonkunt, en als hij te Londen gewoond had, had hij welligt voor een kenner kunnen doorgaan; want hij had altijd iets te zeggen op de prachtigste compositiën van mijnheer Händel. Hij hield van geene muzijk, die niet ligt en luchtig van aard was; en zijne meest geliefkoosde deuntjes waren eenige vrolijke oude balladen en drinkliederen.
Zijne dochter, die zeer bedreven in de muzijk was, en die nooit als zij haar eigen zin had gevolgd, eenige andere muzijk dan die van Händel zou gespeeld hebben, was zoodanig begeerig om haar vader genoegen te doen, dat zij al die deuntjes leerde om hem te behagen. Evenwel trachtte zij tusschenbeide hem tot haar eigen smaak over te halen, en als hij om de herhaling zijner balladen vroeg, smeekte zij om daarvan verschoond te mogen zijn, en bad iets anders te mogen spelen.
Dezen avond echter, toen hij met de flesch gedaan had, speelde zij al zijne lievelingsstukken driemaal over, zonder dat hij er haar om verzocht. Dit beviel den goeden landjonker zoo zeer, dat hij van zijn stoel opsprong, zijne dochter een kus gaf en zwoer dat zij veel aangeleerd had. Zij nam deze gelegenheid waar om hare belofte jegens Tom te houden, waarin zij zoo goed slaagde, dat haar vader verklaarde, gereed te zijn den jager den volgenden morgen zijne benoeming te zenden als zij één der balladen nog eens spelen wilde. Het lied werd gespeeld en weder gespeeld tot de bekoorlijke muzijk den heer Western in slaap suste. Den volgenden morgen verzuimde Sophia niet hem aan zijne belofte te herinneren, en zijn zaakwaarnemer werd onmiddellijk gehaald, en kreeg het bevel om de verdere vervolging te staken en tevens dadelijk de benoeming op te maken.
Tom’s welslagen in deze zaak werd spoedig door het geheele graafschap ruchtbaar, en zeer uiteenloopend waren de oordeelvellingen daarover. Sommigen keurden het goed, als een blijk van goedaardigheid; anderen spotten en zeiden, „dat het geen wonder was dat de eene deugniet den anderen voorstond.” De jonge Blifil was er woedend om. Hij had sedert lang den Zwarten George evenzeer gehaat als Tom hem bemind had,—niet om eenige grieven, welke hij tegen hem kon hebben; maar alleen uit groote liefde tot godsdienst en deugd; want de Zwarte George had den naam van een lossen klant te zijn. Blifil stelde dit dus voor als openlijk verzet tegen den heer Allworthy en verklaarde, met veel leedwezen, dat het onmogelijk was eenige andere beweegreden te vinden om zulk een ellendeling goed te doen.
Thwackum en Square hieven insgelijks hetzelfde lied aan; zij waren nu (vooral de laatste), zeer ijverzuchtig op den jongen Jones geworden tegenover de weduwe: want thans, op twintigjarigen leeftijd, was hij wezenlijk een knappe jongen, en die dame scheen, door de wijze, waarop zij hem aanhaalde, dagelijks meer en meer in dat gevoelen versterkt te worden.