Chapter 35 of 84 · 3931 words · ~20 min read

Part 35

„De roem van zijne goedheid,” antwoordde Jones, „moet zich ook verder uitgebreid hebben dan tot hiertoe; maar alleen de hemel kent hem zoo als hij is,—en kan die goedheid begrijpen, welke van den hemel zelven ontleend tot een voorbeeld op aarde gesteld werd. De menschen begrijpen even weinig zulke goedheid als zij ze verdienen; maar niemand minder dan ik zelf. Ik, die door hem zoo uit het stof verheven werd: ik, die zoo als gij weten moet, een arm verlaten, onecht kind, door hem aangenomen en als zijn eigen zoon behandeld werd, tot ik het waagde door mijne dwaasheid mij zijn toorn op den hals te halen! Ja! Ik heb het wel verdiend, en ik zal nooit de ondankbaarheid hebben om te zeggen, dat hij mij onregtvaardig behandeld heeft. Neen, ik verdiende de deur uitgezet te worden, gelijk mij overkomen is. En nu, jufvrouw,” voegde hij er bij, „geloof ik niet, dat ge ’t afkeuren zult dat ik dienst wil nemen;—vooral daar ik geen ander vermogen heb dan dit hier op zak!” En met deze woorden liet hij zijne beurs zien, waarin slechts zeer weinig overbleef, en wat de waardin nog minder toescheen.

De goede vrouw was, zoo te zeggen, als door den donder getroffen door dit verhaal. Zij antwoordde hem dus heel koel: „Dat de menschen zeker zelve het best weten moeten wat hun voegt,—maar luister eens!” riep zij: „Ik geloof dat ik geroepen word! Ja, ja! Ik kom! De drommel zal die dienstboden halen;—geen mensch schijnt iets te hooren! Ik moet naar beneden! Als gij nog meer ontbijt noodig hebt, zal de meid het wel boven brengen. Ja! Ik kom!”

En hiermede, zonder te groeten, stoof zij de kamer uit; want menschen uit de lagere volksklasse geven zeer veel om uiterlijke eerbewijzen, en hoewel zij die gaarne voor niet schenken aan personen van hoogen stand, zorgen zij wel ze niet te verspillen aan huns gelijken, zonder ruim daarvoor betaald te worden.

HOOFDSTUK III.

WAARIN DE HEELMEESTER TEN TWEEDENMALE OPTREEDT.

Eer wij verder gaan, is het noodzakelijk den lezer te melden, opdat hij zich niet vergisse en geloove dat de waardin meer wist dan werkelijk het geval was,—of zich verwondere dat zij zoo veel wist,—dat de luitenant haar gezegd had dat de naam van Sophia aanleiding tot den twist had gegeven, en wat het overige aangaat van al hetgeen haar bekend was, zal de verstandige lezer uit het vorige tooneel opgemerkt hebben hoe zij er aan kwam. Veel nieuwsgierigheid was inderdaad met hare deugden vermengd, en zij liet nooit gaarne iemand uit haar huis vertrekken, zonder zoo veel mogelijk omtrent naam, familie en vermogen van den gast ingelicht te zijn.

Zoodra zij weg was, begon Jones (in plaats van haar gedrag af te keuren), zich te herinneren dat hij op hetzelfde bed lag, waar zijne lieve Sophia ook gelegen had. Dit wekte duizenderlei teedere en aandoenlijke gedachten bij hem op, waarover wij langer uitweiden zouden, als wij niet overtuigd waren dat slechts zeer weinige minnaren zoo als hij er een was, onder onze lezers zullen gevonden worden.

Toen de heelmeester kwam om zijne wond te verbinden, vond hij hem in dezen toestand, en na onderzoek, opgemerkt hebbende dat zijn pols snel sloeg en dat hij niet geslapen had, verklaarde hij dat de zieke zich in groot gevaar bevond,—wat hij wilde tegengaan door eene aderlating,—waaraan zich Jones echter niet onderwerpen wilde, daar hij verklaarde geen bloed meer te willen verliezen;—en „Dokter,” zeide hij, „als gij zoo goed wilt wezen mijn hoofd te verbinden, twijfel ik niet dat het over een dag of wat geheel genezen zal zijn.”

„Ik wilde wel dat ik u de verzekering kon geven dat het binnen een paar maanden beter zal zijn,” hernam de heelmeester. „Wel! De menschen genezen waarlijk niet zoo spoedig van zulke kneuzingen. En, mijnheer, op mijn leeftijd, behoef ik niet van mijne patienten te leeren wat goed voor hen is en sta er bepaaldelijk op u eene aderlating te doen eer ik de wond verbind.”

Jones hield stijfhoofdig vol met zijne weigering en de dokter gaf eindelijk toe, hem tevens vertellende, dat hij voor de nadeelige gevolgen niet instaan kon, en hoopte dat hij hem het regt zou doen van te bekennen dat hij hem goeden raad gegeven had;—wat de zieke volgaarne beloofde.

De dokter ging nu naar de keuken, waar hij zich tot de waardin wendde en bitter klaagde over het wederspannige gedrag van den zieke, die, hoewel hij de koorts had, van geene aderlating hooren wilde.

„Als hij de koorts heeft, dan is het een eetkoorts,” zei de waardin, „want hij heeft heden morgen aan ’t ontbijt twee groote dikke sneden geroosterd brood, vet gesmeerd, verslonden.”

„Dat is best mogelijk,” hernam de dokter. „Ik heb meer menschen gekend, die de koorts hadden en toch aten;—en dat is zeer gemakkelijk te verklaren;—want het zuur, verwekt door de koortsachtige stoffen, kan de zenuwen van het middenrif prikkelen en daardoor eene graagte opwekken, welke gemakkelijk verward wordt met natuurlijken eetlust;—maar het voedsel zal niet geconcreteerd, noch opgenomen worden door de maagsappen, en zoodoende zal het in de openingen van de bloedvaatjes ontsteking veroorzaken en de koortsachtige verschijnselen doen vermeerderen. Wezenlijk, ik houd het er voor dat die mijnheer in een zeer gevaarlijken toestand verkeert,—en als ik hem niet aderlaat, vrees ik dat hij sterven zal.”

„Iedereen moet op zijn tijd sterven,” hernam de goede vrouw, „en dat zijn mijne zaken niet. Ge zoudt toch niet willen, dokter, dat ik hem vasthield terwijl gij hem aderlaat?—Maar, hoor eens, ik moet u een woordje in vertrouwen zeggen:—ik zou u aanraden, eer ge te ver gaat, te vragen wie u betalen zal?”

„Betalen?” riep de dokter, verschrikt. „Wel! Ik heb een fatsoenlijk man onder mijne behandeling—niet waar?”

„Dat verbeeldde ik me ook,” zei de waardin. „Maar, zoo als mijn eerste man plagt te zeggen: „De schijn bedriegt” Ik verzeker u dat hij een ellendige bedelaar is. Evenwel, verzoek ik u niet te laten uitlekken dat ik u iets van deze zaak verteld heb;—maar ik ben van meening, dat menschen, die zaken doen, elkaar omtrent dergelijke dingen moeten inlichten.”

„En,” riep de dokter in groote drift, „ik heb me door zoo’n kerel de les laten lezen! Zou ik me in mijn praktijk laten beleedigen door een mensch die me niet betalen kan! Ik ben blijde dat ik deze ontdekking bij tijds gedaan heb. Ik wil nu wel eens zien of hij van eene aderlating hooren wil of niet!”

Hij liep hierop onmiddellijk de trap op, rukte de deur van de slaapkamer met geweld open, wekte den armen Jones uit een gezonden slaap, waarin hij pas geraakt was—en nog erger uit een heerlijken droom van Sophia.

„Zal ik u aderlaten of niet?” riep de dokter woedend.

„Ik heb u al mijn besluit medegedeeld,” hernam Jones, „en ik wenschte maar van harte dat gij in mijn antwoord berust hadt; want ge hebt me uit den heerlijksten slaap gewekt, dien ik ooit genoten heb.”

„Ja, ja,” riep de dokter; „menigeen is zoo de eeuwigheid ingedommeld. De slaap is niet altijd goed;—evenmin als voedsel;—maar let er op, dat ik u voor de laatste keer vraag, of ik u aderlaten zal of niet?”

„Ik zeg u voor de laatste keer, neen!” hernam Jones.

„Dan wasch ik mijne handen in onschuld,” zei de dokter, „en verzoek u slechts mij de moeite te vergoeden, die ik reeds gehad heb. Twee reizen, ieder tegen vijf shillings; twee verbanden, ieder ook vijf shillings, en een daalder voor de aderlating.”

„Ik hoop toch,” zei Jones, „dat gij mij in dezen toestand niet verlaten zult?”

„Dat zal ik zeker doen!” hernam de andere.

„Dan,” riep Jones, „hebt ge me zoo gemeen mogelijk behandeld, en ik zal u geen duit betalen.”

„Best!” gilde de dokter. „’t Is bij tijds gewaarschuwd! Hoe drommel kwam de waardin er toe, mij bij zulk een landlooper te laten komen?” Met deze woorden stoof hij de kamer uit, en de zieke zich omkeerende, geraakte spoedig weder in slaap; maar zijn droom keerde ongelukkig niet weer.

HOOFDSTUK IV.

WAARIN EEN DER AARDIGSTE BARBIERS OPTREEDT, DIE OOIT IN EENIGE GESCHIEDENIS VERMELD WERDEN,—MET INBEGRIP ZELFS VAN DEN BARBIER VAN BAGDAD EN VAN DIEN IN DON QUICHOT.

De klok had vijf geslagen, toen Jones uit een slaap van zeven uren lang ontwaakte, zoo verkwikt en zoo volmaakt gezond en wel, dat hij besloot om op te staan en zich te kleeden; met welk doel hij zijn valies opende, en schoon linnen en andere kleederen er uithaalde; maar eerst schoot hij den rok aan, en ging naar beneden om in de keuken iets te bestellen, om aan de eischen zijner maag, die zich deden gevoelen, te voldoen.

Zoodra hij de waardin zag, sprak hij haar met de meeste beleefdheid aan, en vroeg, „wat zij hem te eten kon geven?”

„Te eten?” riep zij. „’t Is een wonderlijk uur van den dag om nog van eten te spreken! Wij hebben niets klaar in huis en het vuur is haast uit.”

„Ja, maar,” zeide hij, „iets te eten moet ik toch hebben, en het is me vrij onverschillig wat; want, om u de waarheid te zeggen, ik had nooit van mijn leven zoo’n honger.”

„Dan geloof ik wel,” zeide zij, „dat er nog een brok koud gekookt vleesch is, met wortels, dat u lijken zal.”

„Heerlijk!” riep Jones; „maar ik zou u zeer dankbaar wezen als ge ’t wildet laten opwarmen.”

Dit beloofde de waardin en voegde met een glimlach er bij: „dat het haar genoegen deed te zien dat hij zoo volmaakt hersteld was;” want de goedaardigheid van onzen held was bijna onweerstaanbaar. Bovendien, was zij in haar hart geene hardvochtige vrouw; maar zij hield zoo veel van het geld, dat zij alles haatte wat slechts den schijn van armoede had.

Jones ging nu naar zijne kamer terug om zich te kleeden, terwijl zijn middagmaal gereed gemaakt werd, en op zijn last werd de barbier gehaald.

Deze barbier, die in de wandeling „de kleine Benjamin” heette, was een zeer luimig en aardig kereltje, wat hem dikwerf allerlei kleine rampen berokkend had, zoo als klappen om de ooren, trappen onder zeker ligchaamsgedeelte, enz.

Want niet iedereen verstaat eene aardigheid, en diegenen die dat doen, houden er zelden van als zij zelven het voorwerp er van worden. Deze ondeugd was echter onverbeterlijk bij hem, en hoewel hij het dikwerf had moeten bezuren, zoodra hij eene grap bedacht, moest hij ze er uitbrengen, zonder aanzien van persoon, tijd of plaats.

Hij bezat ook nog vele andere zonderlingheden van karakter, die ik niet vermeld, daar de lezer ze zelf ligt ontdekken zal, als hij nader bekend wordt met dezen wonderlijken persoon.

Jones, die haast had om klaar te komen, om eene reden, welke men zich gemakkelijk voorstellen kan, vond dat de barbier zeer langzaam te werk ging met zijn zeepsop, en smeekte hem met wat meer spoed te werk te gaan, waarop de andere hernam:

„„Festina lente,” is een spreekwoord, dat ik leerde lang eer ik een scheermes aanraakte.”

„Zoo, vriendje? Zijt ge een geleerde?” vroeg Jones.

„Maar zoo wat,” zei de barbier. „Non omnia possumus omnes.”

„Alweer Latijn!” riep Jones. „Ik verbeeld me ook zeker dat ge verzen maakt?”

„Vraag excuus, mijnheer,” hernam de barbier. „Non tanto me dignor honore.” En daarop tot zijn werk overgaande, vervolgde hij: „Sedert ik met zeepsop omgegaan heb, mijnheer, heb ik slechts twee redenen kunnen ontdekken, waarom men zich scheren zou: de eene is om een baard te krijgen; de andere om den baard kwijt te worden. Ik veronderstel, mijnheer, dat het niet zoo lang geleden is, dat gij u om de eerste reden liet scheren. Op mijn woord, dat hebt gij met goed gevolg gedaan; want men kan wel van uw baard zeggen dat die tondenti gravior is.”

„Ik verbeeld me dat gij een wonderlijke snaak zijt,” zeide Jones.

„Gij vergist u zeer daaromtrent, mijnheer,” hernam de barbier. „Ik houd maar al te veel van de studie der wijsbegeerte; hinc illae lachrymae! Dat is mijn ongeluk geweest, mijnheer! Te veel geleerdheid heeft mij te gronde gerigt.”

„Waarlijk,” zei Jones, „het komt me voor dat ge geleerder zijt, dan men gewoonlijk ziet bij iemand van uw beroep; maar ik zie niet in hoe dat u heeft kunnen benadeelen.”

„Helaas, mijnheer,” hernam de barbier; „mijn vader heeft me daarom onterfd. Hij was dansmeester, en omdat ik vroeger lezen dan dansen kon, kreeg hij een afkeer van me, en liet elken duit, dien hij had, aan zijne overige kinderen na.—Verkiest gij, dat ik u de slapen,—maar hola! Ik vraag excuus; ik verbeeld me daar een hiatus in manuscriptis te zien! Ik hoorde dat gij te velde gingt trekken; maar dat was zeker eene vergissing!”

„Waarom denkt ge dat?” vroeg Jones.

„Wel, mijnheer,” antwoordde de barbier, „ge zijt zeker te wijs om met een gat in uw hoofd daarheen te gaan. Dat zou zijn water naar de zee brengen.”

„Op mijn woord,” riep Jones, „ge zijt een wonderlijke snaak! Uwe aardigheden bevallen me zeer; het zal me verheugen als ge na tafel bij me komen wilt om een glas wijn te drinken. Ik verlang nader kennis met u te maken.”

„O, mijn waarde heer,” hernam de barbier; „ik kan u eene tienmaal grootere dienst bewijzen, als ge dat verkiest.”

„Hoe zoo vriend?” vroeg Jones.

„Wel, mijnheer, ik wil wel eene heele flesch met u drinken, als gij verkiest; want ik houd dol veel van een goedaardig mensch, en als gij ontdekt hebt, dat ik een komiek mensch ben, zoo heb ik geen verstand van de gelaatkunde, als gij niet blijkt een der goedaardigste heeren ter wereld te zijn.”

Jones ging nu, netjes gekleed, naar beneden, en welligt bezat de schoone Adonis geene bekoorlijker gestalte;—evenwel had hij niets bekoorlijks voor de waardin, die even weinig van Venus in haar uiterlijk als in haar smaak had. Gelukkig ware het geweest voor Nancy, de werkmeid, als zij er even zoo over gedacht had als hare meesteresse; want het arme meisje werd binnen de vijf minuten zoo hevig verliefd op Jones, dat die hartstogt haar later menigen zucht kostte. Deze Nancy was zeer mooi en ook zeer moeijelijk; want zij had al een tapper geweigerd, en ook een paar jonge pachters uit de buurt; maar de schitterende oogen van onzen held deden al haar ijs oogenblikkelijk ontdooijen.

Toen Jones in de keuken kwam, was de tafel nog niet gedekt;—wat ook, inderdaad, overbodig zou geweest zijn, daar zijn middagmaal in statu quo was gebleven, even als het vuur om het op te warmen. Deze teleurstelling zou menig wijsgeerig gemoed in toorn hebben doen ontvlammen; maar had op Jones die uitwerking niet. Hij deed de waardin slechts een zacht verwijt, en zeide, „dat daar het zoo moeijelijk was iets warms te krijgen, hij het ook koud zou gebruiken.”

Hetzij nu de goede vrouw door medelijden of schaamte, of door eenige andere beweegreden aangedaan was,—dat weet ik niet; maar eerst beknorde zij hevig hare dienstboden dat zij de bevelen niet opgevolgd hadden, welke zij hun niet gegeven had, en daarop, na den knecht gelast te hebben de tafel te dekken in „de zon,” ging zij in goeden ernst aan het werk, dat ook spoedig verrigt werd.

„De zon,” waarheen Jones nu gebragt werd, had waarlijk den naam, even als lucus à non lucendo; want het was een vertrek waar naauwelijks ooit de zon schijnen kon. Het was inderdaad, de slechtste kamer in het huis,—en dat was geen geluk voor Jones. Evenwel, hij had nu te veel honger om over wat ook te knorren; maar eens zijn eetlust verzadigd hebbende, beval hij den knecht eene flesch wijn op eene betere kamer te brengen, en drukte eenige verontwaardiging uit, dat men hem in zulk een hok gebragt had.

De knecht gehoorzaamde aan zijne bevelen, en na eenigen tijd gezeten te hebben, kwam de barbier bij hem, die hem niet zoo lang zou hebben laten wachten, als hij niet in de keuken had moeten luisteren naar de waardin, die een kring waardoor zij omgeven was, onthaalde op de geschiedenis van den armen Jones, welke zij gedeeltelijk van zijne eigene lippen vernomen en gedeeltelijk zelve bedacht had. Want zij zeide, dat hij een arme dorpsjongen was, die in het huis van den heer Allworthy verpleegd en tot leerjongen groot gebragt werd, en nu, wegens zijne wanbedrijven, de deur uitgezet was,—gedeeltelijk omdat hij het hof gemaakt had aan zijne jonge meesteresse, en waarschijnlijk ook omdat hij iets gestolen had;—want anders, hoe zou hij aan het weinige geld komen dat hij had?—„En dit is nu iemand, dien gij een mijnheer noemt!”

„Uit het huis van den heer Allworthy?” vroeg de barbier. „En hoe heet hij?”

„Wel, hij vertelde me, dat hij Jones heette,” zeide zij: „misschien is dat slechts een aangenomen naam. Want hij vertelde me ook dat die mijnheer hem als zijn eigen zoon groot gebragt had, hoewel hij nu boos op hem was.”

„Als hij Jones heet, heeft hij u de waarheid verteld,” zei de barbier; „want ik heb betrekkingen in die streken;—en sommige menschen zeggen, dat hij zelfs Allworthy’s zoon is.”

„Waarom draagt hij dan niet zijns vaders naam?”

„Dat weet ik niet,” hernam de barbier; „er zijn vele menschen die hun vaders naam niet voeren.”

„Wel,” antwoordde de waardin, „als ik dacht dat hij de zoon was van een mijnheer, al ware hij ook een onecht kind, ik zou hem heel anders behandelen; want vele van die bastaarden worden groote lui op den duur, en zoo als mijn eerste man plagt te zeggen: men moet nooit een klant, die fatsoenlijk man is, beleedigen.”

HOOFDSTUK V.

EEN GESPREK TUSSCHEN DEN HEER JONES EN DEN BARBIER.

Dit gesprek viel gedeeltelijk voor terwijl Jones in zijn hok zat te eten, gedeeltelijk terwijl hij op de kamer op den barbier zat te wachten. En zoodra het afgeloopen was, ging de heer Benjamin, gelijk wij gezegd hebben, bij hem, en werd zeer vriendelijk verzocht plaats te nemen. Jones schonk toen de glazen in en dronk op zijn welzijn, hem als „doctissime tonsorum” aansprekende.

„Ago tibi gratias, domine!” hernam de barbier, en daarop Jones strak aankijkende, vroeg hij hem zeer ernstig, en schijnbaar met groote verwondering, alsof hij zich herinnerde zijn gezigt vroeger gezien te hebben:

„Mijnheer, mag ik zoo vrij wezen, te vragen of gij Jones heet?” Wat de andere bevestigde.

„Proh deum atque hominum fidem!” riep de barbier; „er gebeuren toch vreemde dingen in de wereld! Mijnheer Jones, ik ben uw onderdanige dienaar! Ik zie dat gij mij niet herkent, wat inderdaad, niet vreemd is, daar ge me slechts eenmaal van uw leven gezien hebt, en dat was in uwe teederste jeugd! Mag ik vragen, mijnheer, hoe de goede heer Allworthy het maakt, ille optimus omnium patronus?”

„Naar ik zie,” hernam Jones, „kent gij mij inderdaad; maar ik heb het geluk niet mij u te herinneren,—”

„Dat verwondert me niet,” riep Benjamin; „maar het verwondert mij toch dat ik u niet dadelijk herkende; want gij zijt in ’t geheel niet veranderd. En mag ik, mijnheer, zonder onbescheidenheid, vragen, waarheen gij dezen kant uit reist?”

„Schenk u maar in, mijnheer de barbier,” hernam Jones, „en doe geene onbescheidene vragen.”

„Neen, mijnheer,” antwoordde Benjamin, „ik wilde u in geen geval lastig vallen; en ik hoop dat gij mij niet voor onbescheiden zult houden; want dat is eene ondeugd, waarvan niemand mij betichten kan;—maar ik vraag u wel excuus; want als een mijnheer van uw stand zonder zijne knechts rondtrekt, mogen wij wel veronderstellen, dat hij, gelijk men zegt, in casu incognito is, en misschien had ik uw naam niet eens moeten noemen.”

„Ik beken,” zei Jones, „dat ik niet gedacht had in deze streken zoo goed bekend te zijn als het geval schijnt te wezen;—en, om bijzondere redenen, zou ik me zeer verpligt rekenen, als ge verder mijn naam, tot na mijn vertrek, verzwijgen wilt.”

„Pauca verba!” hernam de barbier; „ik wilde dat er niemand hier was dan ik, die u kende; want sommige menschen kunnen het babbelen niet laten; maar ik beloof u dat ik een geheim weet te bewaren. Die deugd moeten mij zelfs mijne vijanden laten.”

„En toch is die volstrekt niet het kenmerk van uw beroep,” hernam Jones.

„Helaas, mijnheer,” zuchtte Benjamin: „non si male nunc et olim sic erat. Ik verzeker u, dat ik niet als barbier geboren of groot gebragt werd. Ik heb veel tijd onder fatsoenlijke lieden gesleten, en al zeg ik het zelf, ik weet wat fatsoen is. En als gij mij uw vertrouwen even waardig gekeurd hadt als sommige andere menschen, zou ik u bewezen hebben dat ik uw geheim beter wist te bewaren;—ik zou uw naam niet in de keuken van eene herberg door den modder gehaald hebben; want, wezenlijk, mijnheer, er zijn sommige menschen die u niet goed behandeld hebben; want, behalve dat zij alle openlijk verkondigd hebben, wat gij hun verteld hebt van een twist tusschen u en mijnheer Allworthy, voegden zij er leugens bij van hun eigen,—leugens, die ik als zoodanige herkende.”

„Dat verwondert me zeer,” riep Jones.

„Op mijn woord, mijnheer,” hernam Benjamin, „ik zeg u meer noch minder dan de algeheele waarheid;—en ik behoef er niet bij te voegen dat ik van de waardin spreek. Ik verzeker u dat het me aandeed haar verhaal te hooren, en ik hoop dat het alles onwaar is; want, ik betuig u dat ik veel eerbied voor u koester, en dat heb ik steeds gedaan sedert uwe goedheid ten opzigte van den Zwarten George, wat in het heele graafschap bekend is, en waarover ik meer dan één brief ontvangen heb. Inderdaad, dat heeft u algemeen bemind gemaakt. Ge zult het me dus vergeven, dat ik u uit zuivere belangstelling eenige vragen deed; want alles wat naar onbeschofte nieuwsgierigheid zweemt, is mij onbekend;—maar ik houd van goedhartigheid,—en van daar amoris abundantia erga te.”

Als men ongelukkig is, vindt iedere vriendschapsbetuiging gemakkelijk ingang;—geen wonder dus, dat Jones, die behalve dat hij zich zeer ongelukkig gevoelde, bijzonder openhartig was, zeer gereedelijk alle betuigingen van Benjamin aanhoorde, en hem tot zijn hart nam.

De Latijnsche brokken, sommigen van welke Benjamin niet onaardig te pas bragt, hoewel ze geene groote geleerdheid deden blijken, schenen toch iemand te verraden die meer was dan een gewoon barbier;—en dit was inderdaad het geval met zijne geheele houding. Jones geloofde dus aan de waarheid van al hetgeen hij gezegd had ten opzigte van zijne vroegere opvoeding, en na veel smeekens, zeide hij eindelijk:

„Daar gij, vriend, zooveel omtrent mij reeds vernomen hebt, en ge zoo begeerig schijnt achter de waarheid te komen, als ge wat geduld wilt hebben, zal ik u alles mededeelen.”

„Geduld!” riep Benjamin. „Ja, en al hadt gij mij nog zoo veel te vertellen! En ik ben u zeer verpligt voor de eer welke gij mij bewijst.”

Jones begon nu en vertelde zijne geheele geschiedenis, slechts een paar omstandigheden overslaande, namelijk alles wat er gebeurd was op dien dag toen hij met Thwackum gevochten had,—en hij eindigde met zijn besluit te vermelden om op zee te varen, tot de opstand in Schotland hem van plan had doen veranderen en hem daarheen gebragt had, waar hij zich nu bevond.

De kleine Benjamin, die zeer oplettend was geweest, viel hem in het geheel niet in de rede; maar toen het verhaal uit was, kon hij niet nalaten op te merken, dat er zeker iets was dat door zijne vijanden bedacht zijn moest, en dat den heer Allworthy tegen hem ingenomen had, of dat zulk een goed mensch nooit iemand, dien hij zoo lief had gehad, op die wijze weggejaagd zou hebben.

Hierop hernam Jones, „dat hij er niet aan twijfelde dat men dergelijke schandelijke kunsten gebruikt had om hem te grond te rigten.”