Part 42
„En nu, mijnheer, heb ik de geschiedenis van mijn leven afgehandeld; want, wat de lange reeks van jaren betreft, die ik hier in afzondering heb doorgebragt, die levert geene afwisseling op om u te vermaken en zou bijna als één dag kunnen beschouwd worden. Die afzondering is zoo volmaakt geweest, dat ik naauwelijks eene meer volstrekte eenzaamheid had kunnen smaken in de woestijnen der Thebaïs dan in het hart van dit druk bevolkte land. Daar ik geene landerijen bezit, word ik door geene pachters of rentmeesters geplaagd; mijn jaargeld wordt me tamelijk geregeld uitbetaald, wat ook wel zoo behoort, daar het veel minder bedraagt dan wat ik had mogen verwachten, ter vergoeding van hetgeen ik opgegeven heb. Bezoeken ontvang ik niet; en de oude vrouw, die voor mijne huishouding zorgt, weet dat het behoud harer dienst geheel daarvan afhankelijk is, dat zij me de moeite uitwint van datgene te koopen wat ik niet missen kan; dat zij alle zaken van mij afhoudt, en dat zij altijd zwijgt als ik er bij ben. Daar ik alleen des nachts wandel, ben ik tamelijk zeker in deze woeste, onbezochte plaats geene menschen te ontmoeten. Eenige weinigen heb ik toevallig ontmoet, en hen met een grooten angst naar huis gejaagd, daar ze mij wegens mijne vreemde kleeding voor een spook of een boozen geest aanzagen. Maar hetgeen er heden avond gebeurd is, bewijst dat ik zelfs hier niet tegen de schurkenstreken der menschen beveiligd ben; want, zonder uwe hulp zou men mij niet slechts bestolen, maar zeer waarschijnlijk ook vermoord hebben.”
Jones bedankte den vreemdeling voor de moeite, welke hij genomen had, met zijne geschiedenis te vertellen, en drukte dan eenige verbazing uit, „dat het mogelijk was zulk een eenzaam leven te verdragen, gedurende hetwelk,” zeide hij, „gij wel over gebrek aan afwisseling moogt klagen;—inderdaad, ik begrijp niet hoe gij zoo veel tijd hebt kunnen doorbrengen of dooden.”
„Ik geloof gaarne,” hernam de andere, „dat iemand, wiens neigingen en gedachten op de wereld gevestigd zijn, de tijd verschrikkelijk lang moet schijnen welken ik hier beleefd heb; maar er is ééne handeling, waarvoor het geheele leven van den mensch te kort schiet. Hoeveel tijd zou voldoende zijn voor de beschouwing en aanbidding van dat heerlijke, onsterfelijke, dat eeuwige Wezen, tot wiens verbazende schepping niet alleen deze aarde, maar zelfs al de tallooze hemellichten behooren, die in het zwerk flikkeren, van welke er vele zijn, die, welligt als zonnen, geheele stelsels verlichten en toch slechts vlekjes schijnen, vergeleken bij de door ons bewoonde aarde! Kan een mensch, die door goddelijke overpeinzingen, als het ware toegelaten wordt tot den omgang met deze onvergelijkelijke, onbegrijpelijke Majesteit, dagen, jaren of eeuwen te lang vinden voor de voortzetting van zulk eene verrukkelijke eer? Moeten de beuzelachtige tijdverdrijven, de walgelijke genoegens, de dwaze dingen dezer wereld, voor ons de uren maar al te snel doen heenvliegen, en zal de gang des tijds traag schijnen voor een geest, die zich oefent in studiën, die zoo hoog, zoo belangrijk, zoo heerlijk zijn? Even als er geen tijd is, die voor zoo iets toereikend is, zoo is er ook geene plaats, die daartoe ongeschikt kan wezen. Op welk voorwerp wij ook zien, worden wij bezield met het denkbeeld van zijne magt, van zijne wijsheid, en van zijne goedheid. Het is niet noodzakelijk dat de opgaande zon hare vurige stralen verspreide aan de oosterkimme, noch dat de onstuimige winden hunne holen verlaten en het hooge bosch doen sidderen: noch dat de barstende wolken hare stortvloeden over de vlakte uitgieten;—het is niet noodzakelijk, zeg ik, dat een van deze allen zijne Majesteit verkondigen; er is geen insekt, geene plant, hoe klein ook in de geheele schepping, die niet de kenmerken draagt van den grooten Schepper,—den stempel niet alleen van zijne magt, maar ook van zijne wijsheid en goedheid. De mensch alleen, de koning dezer aarde, het laatste en grootste werk van het Opperwezen onder de zon, de mensch alleen heeft laaghartig zijne eigene natuur onteerd en door oneerlijkheid, wreedheid, ondankbaarheid en verraad, aan de goedheid van den Schepper doen twijfelen, door het ons moeijelijk verklaarbaar te maken, hoe zulk een weldadig Wezen zulk een dwaas, zulk een verachtelijk dier heeft kunnen scheppen. En dit is het schepsel van welks omgang ge u denkelijk verbeeldt dat ik ongelukkig uitgesloten blijf, en zonder welks gezegenden omgang het leven, naar uw gevoelen, vervelend en nietsbeteekenend moet zijn!”
„Wat het eerste gedeelte betreft van hetgeen gij gezegd hebt,” hernam Jones, „dat stem ik gaarne en van harte toe; maar ik geloof en hoop tevens, dat de afschuw, welken gij aan den dag legt voor de geheele menschheid, wat te ver uitgestrekt is. Inderdaad, gij vervalt daarin tot eene dwaling, welke ik, volgens mijne weinige ondervinding, voor zeer algemeen houd, namelijk om uw denkbeeld omtrent het karakter der menschheid te vormen naar de slechtsten en verachtelijksten er onder; terwijl een uitmuntende schrijver opgemerkt heeft, dat niets als kenmerkend van een geheel geslacht moet beschouwd worden, dat niet bij de beste en volmaaktste individuën er van opgemerkt wordt. Deze dwaling, geloof ik, wordt veelal begaan door diegenen, die, uit gebrek aan gepaste voorzorg in de keuze hunner vrienden en kennissen, van slechte en onwaardige menschen verongelijkingen hebben ondervonden, van welke men twee of drie voorbeelden, zeer ten onregte, op de geheele menschheid toepast.”
„Ik verbeeld me,” hernam de andere, „dat het mij niet aan ondervinding ontbroken heeft. Mijne eerste beminde en mijn eerste vriend verraadden mij op de schandelijkste wijze, en in een geval, dat de ergste gevolgen dreigde te hebben,—zelfs om mij tot een schandelijken dood te brengen.”
„Houd het me echter ten goede,” zei Jones, „als ik u herinner wie die beminde en die vriend waren! Wat zou men beters verwachten van de liefde eener ligtekooi, of van eene vriendschap, aan de speeltafel gesloten. Om het karakter der vrouwen naar het eerste voorbeeld te beoordeelen, of dat der mannen naar het laatste, zou even onbillijk zijn, als te beweren dat de lucht een stinkend en ongezond element is, wanneer we dat ondervinden—in een riool! Ik heb nog slechts kort in de wereld geleefd, en toch heb ik menschen gekend, die de hoogste vriendschap, en vrouwen die de reinste liefde waardig zijn.”
„Helaas, jongeling!” hernam de vreemde, „ge bekent zoodoende slechts zeer kort in de wereld geleefd te hebben;—ik was nog ouder dan gij toen ik ook nog die meening koesterde!”
„Dat zou nog met u het geval kunnen zijn,” antwoordde Jones, „als gij niet ongelukkig,—ik waag het zelfs te zeggen, onvoorzigtig geweest waart in het wegschenken uwer toegenegenheid. Al ware er nog veel meer kwaad in de wereld dan er is, het zou toch zulke algemeene beschuldigingen tegen de menschelijke natuur niet wettigen, daar er veel van door toeval ontstaat, en menigeen die kwaad begaat, niet geheel slecht, of in zijn hart bedorven is. Inderdaad, het komt me voor dat niemand het regt heeft te beweren dat de menschelijke natuur noodzakelijk en algemeen bedorven is, dan hij die er één voorbeeld van kent en wel in zijne eigene, aangeborene bedorvenheid,—en ik geloof niet dat gij in dat geval verkeert.”
„Dergelijke menschen,” hernam de vreemdeling, „zullen altijd de laatsten zijn om zoo iets te beweren. Schelmen zullen evenmin trachten ons van de bedorvenheid der menschheid te overtuigen, als struikroovers u waarschuwen zullen voor het gevaar van aangerand te worden. Dat zou slechts dienen om u op uwe hoede te doen zijn, en om hunne eigene doeleinden te verijdelen. En om deze reden, hoewel de schurken gereed genoeg zijn om enkele menschen uit te schelden, werpen zij nooit een blaam op de menschelijke natuur in het algemeen.”
De oude heer zei dit met zoo veel drift, dat Jones, die er aan wanhoopte om hem te bekeeren en hem niet gaarne beleedigen wilde, geen antwoord gaf.
De eerste stralen van den dageraad begonnen nu te schemeren, en Jones verontschuldigde zich bij den vreemde dat hij zoo lang gebleven was en hem welligt van zijne rust beroofd had.
De vreemde hernam, „dat hij nooit minder behoefte aan rust had gevoeld dan op dat oogenblik; want dat dag en nacht hem geheel onverschillig waren, en dat hij gewoonlijk gedurende den eersten zijne rust nam en den laatsten gebruikte voor zijne wandelingen en overpeinzingen. Maar,” zeide hij, „het is een heerlijke morgen en als gij zelf nog, rust en voedsel ontberen kunt, zal het me genoegen doen u eenige zeer schoone uitzigten te laten zien, die u waarschijnlijk nog onbekend zijn.”
Jones nam dit aanbod zeer gaarne aan en zij verlieten de hut te zamen. Wat Partridge betreft, die was al in een diepen slaap gevallen, op het oogenblik dat de vreemde zijn verhaal ten einde bragt; want zijne nieuwsgierigheid was voldaan, en het daarop volgende gesprek was niet belangrijk genoeg om den slaap te bezweren. Jones liet hem dus zijne rust ongestoord genieten, en daar de lezer welligt nu dezelfde gunst verlangt, zullen wij hier een einde maken aan het achtste boek onzer geschiedenis.
BOEK IX.
Bevattende den tijd van twaalf uren.
HOOFDSTUK I.
OVER DIEGENEN DIE HET REGT HEBBEN, EN DIEGENEN DIE HET REGT NIET HEBBEN OM EENE GESCHIEDENIS ALS DEZE TE SCHRIJVEN.
Onder de nuttige oogmerken, waarom ik goedgevonden heb deze inleidende hoofdstukken te schrijven, behoort ook, dat—ik ze eenigzins beschouw als een merk of stempel, dat den dagelijkschen lezer in staat moet stellen om later hetgeen echt en degelijk is in deze soort van historische geschriften te onderscheiden van hetgeen valsch en nagemaakt is. En werkelijk, er zal waarschijnlijk binnen kort een werk van dezen aard noodig wezen, daar het gunstige onthaal dat een stuk of twee drie schrijvers gevonden hebben bij het publiek voor soortgelijke werken, denkelijk vele anderen aanmoedigen zal om iets dergelijks te ondernemen. Zoodoende zullen er eene menigte dwaze novellen en monsterachtige romans het licht zien, hetzij tot groot nadeel van de boekverkoopers, of tot groot tijdverlies, of zedenbederf van den lezer;—werken, die zelfs dikwerf dienen zullen om laster en kwaadsprekendheid te verspreiden en om vele waardige en eerlijke lieden in naam en faam te benadeelen.
Het staat bij mij vast dat de vernuftige schrijver van den Spectator hoofdzakelijk er toe gebragt werd om Grieksche of Latijnsche opschriften te plaatsen boven elk zijner opstellen, ten einde zich te beveiligen tegen de navolging van die papierverknoeijers, die van het schrijven niets wetende dan wat zij van den schrijfmeester geleerd hebben, toch evenmin schroomen, of zich schamen, de titels aan te nemen van het grootste genie, als hun langoorige broeder in de fabel zich schaamde in de leeuwenhuid te balken.
Door de list met de opschriften, werd het voor iedereen onmogelijk om den Spectator na te volgen als hij ten minste niet een enkelen volzin in de oude talen lezen kon. Op dezelfde wijze heb ik me gewaarborgd tegen de navolging van diegenen die geheel onbekwaam zijn om over iets na te denken, en wier geleerdheid niet toereikende is om eene verhandeling te schrijven.
Men begrijpe dit echter niet zoo, alsof ik te verstaan wilde geven, dat de grootste verdienste van zulke historische geschriften ooit liggen zou in deze inleidende hoofdstukken; maar inderdaad, leveren die gedeelten er van, welke alleen het verhaal bevatten, veel meer aanmoediging voor den navolger op, dan al hetgeen bestaat uit overpeinzingen en opmerkingen. En hier spreek ik van navolgers van dien aard als Rowe was van Shakespeare, of als sommige Romeinen die barvoets liepen en zure gezigten trokken (volgens Horatius) van Cato waren.
Het is welligt eene zeldzame gave om een goed verhaal te bedenken en het goed te vertellen; en toch, heb ik opgemerkt, dat er slechts weinige menschen zijn, die niet naar beide streven; en als wij de romans en novellen, waarmede wij overstelpt worden, onderzoeken, geloof ik dat wij te regt zouden mogen besluiten, dat de meeste schrijvers het niet gewaagd zouden hebben met de klompen op het ijs te komen (men vergeve mij die uitdrukking), in eenig ander genre van schrijven;—noch dat zij over eenig ander onderwerp een dozijn volzinnen hadden kunnen bijeenbrengen. Scribimus indocti doctique passim, [6] kan men waarlijk eerder zeggen van den geschiedschrijver en den biograaf dan van eenigen anderen schrijver, daar alle kunsten en wetenschappen,—zelfs het recenseren—een weinig geleerdheid en kennis eischen.
Men zou welligt kunnen denken dat de poëzy hierop eene uitzondering maakt; maar die eischt maat, of iets dat op maat gelijkt; terwijl men voor het opstellen van novellen en romans niets noodig heeft dan pen en inkt, met de bedrevenheid om ze te gebruiken. Ik geloof dat de schrijvers zelve door hunne voortbrengselen bewijzen, dat dit ook hun denkbeeld is, en dit moet ook het gevoelen hunner lezers zijn,—als zij er eenige hebben.
Daaraan moeten wij ook de algemeene minachting toeschrijven, waarmede de wereld, die steeds de geheele klasse naar de meerderheid daarvan beoordeelt, steeds alle geschiedkundige schrijvers behandeld heeft, die hun stof niet uit de archieven gehaald hebben. Het was ook de vrees voor deze minachting, welke ons zoo streng de benaming van roman heeft doen ontwijken, waarmede wij, voor dit werk, ons anders wel tevreden stellen konden. Maar, daar wij goede autoriteiten hebben voor al onze karakters,—namelijk die van het groote boek der natuur zelve,—zooals wij reeds vroeger te kennen gaven,—heeft ons werk wel degelijk aanspraak op den naam van geschiedenis. ’t Is waar, dat het eenigzins onderscheiden is van die werken, welke een der geestigste menschen beschouwde als enkel voortbrengselen van een pruritus, of nog liever, van een ziekelijk brein.
Maar, behalve de schande welke nu een der nuttigste en vermakelijkste schrijftranten aankleeft, bestaat er grondige reden te veronderstellen, dat wij door zulke schrijvers aantemoedigen, veel schande van een anderen aard zullen verspreiden namelijk die, dat wij den naam van vele goede en waardige leden der maatschappij zullen bezoedelen; want de stomste schrijvers zijn, evenmin als de stomste makkers, altijd de meest onschuldige. Zij kennen woorden genoeg om onbetamelijk en beleedigend te zijn. En zeker, als dit geen ongegrond denkbeeld is, dan kan het ons niet verwonderen, dat werken die zulk eene vuile bron hebben, zelve vuil zijn en de strekking hebben om anderen ook te besmetten.
Ten einde dus in de toekomst zulk schandelijk misbruik van tijd, van letterkunde en van persvrijheid te voorkomen,—vooral omdat de wereld thans meer dan anders daarmede bedreigd wordt, zal ik het wagen hier eenige gaven te noemen, welke alle, in redelijk hooge mate, vereischt worden bij geschiedschrijvers van dezen aard.
Het eerste is het genie, zonder hetwelk, zoo als Horatius zegt, geen studie ons helpen kan. Onder genie, versta ik het vermogen, of liever de vermogens van den geest, die in staat zijn om door te dringen in alle dingen welke binnen ons bereik zijn, en om hun wezenlijk onderling verschil op te merken. Dit is niets anders dan vinding en oordeel, en beide worden met den collectieven naam van genie bestempeld, daar ze onder die gaven der natuur behooren, welke wij met ons ter wereld brengen, en betreffende welke vele menschen zeer schijnen te dwalen; want onder vinding verstaat men, geloof ik, algemeen, zeker scheppings-vermogen,—hetwelk inderdaad bewijzen zou dat de meeste romanschrijvers daarop aanspraak maken;—terwijl men er eigenlijk niets meer mede bedoelt, volgens de ware beteekenis van het woord, dan de gave van iets te vinden, of te ontdekken;—of, om het breedvoeriger te beschrijven, een vlug en verstandig inzigt in het wezen van alle voorwerpen die wij beschouwen. Dit kan, dunkt me, naauwelijks bestaan zonder de bijkomende hulp van het oordeel; want hoe men zou kunnen zeggen dat men het wezenlijke onderscheid tusschen twee dingen begrijpt, zonder dat onderscheid opgemerkt te hebben, schijnt moeijelijk te vatten. Dit laatste is echter de onbetwiste taak van het oordeel, en toch zijn sommige knappe menschen het met al de domkoppen ter wereld eens geworden, dat deze twee gaven zelden of nooit bij één en denzelfden persoon gevonden worden.
Maar zelfs waar dit het geval is, zijn ze onvoldoende zonder eenige kennis;—en hier zou ik weder het gezag van Horatius kunnen inroepen, en van vele anderen ook, als het noodig was te bewijzen, dat werktuigen den werkman niet baten, als ze niet door de kunst geslepen zijn, of het hem aan regels ontbreekt waarnaar zijn werk in te rigten, of aan stof om te bewerken. In dit een en ander wordt door kennis voorzien; want de natuur kan ons allen bekwaamheid schenken, of, zoo als ik het uitgedrukt heb, de werktuigen voor ons beroep:—de kennis moet ze geschikt maken voor het gebruik, moet ze daarbij bestieren, en eindelijk, ten minste, een deel der grondstoffen leveren. Eene voldoende kennis der geschiedenis en der schoone letteren is hier bepaald noodzakelijk; en zonder deze kennis, is het even dwaas de rol van schrijver op zich te willen nemen, als te trachten een huis te bouwen zonder hout of kalk, ijzer of steen. Homerus en Milton, hoewel zij hun werk met maat en rijm opsierden, waren beide geschiedschrijvers van onzen aard, en ervaren in al de geleerdheid van hun tijd.
Van den anderen kant, is er ééne soort van kennis welke de geleerdheid niet schenken kan, en die verkrijgt men door den omgang. Deze is zoo noodzakelijk om het karakter der menschen te leeren kennen, dat niemand daarin onwetender is dan die geleerde pedanten, die hun leven gesleten hebben op het studeervertrek en onder boeken; want hoe voortreffelijk ook de menschelijke natuur door sommige schrijvers afgeschilderd moge zijn, kan het ware, praktische stelsel alleen in de wereld aangeleerd worden. En dit is ook het geval met iedere andere soort van wetenschap. Noch de natuurkunde, noch de regtsgeleerdheid zijn praktisch uit de boeken te leeren. Zelfs de landbouwer, de planter, de tuinier, moet door ondervinding datgene volmaken, waarvan hij de grondbeginselen uit de boeken gehaald heeft. Hoe naauwkeurig ook de kundige Miller eene plant beschreven heeft, raadt hij den leerling toch aan ze in den tuin te gaan bezigtigen. Even als wij zien dat onder het lezen, sommige der fijnste zetten van een Shakespeare, een Johnson, of een Wycherly ons ontgaan, welke ons eerst in het oog vallen bij het oordeelkundig spel van een Garrick, eene Cibber, of eene Clive, [7] dus toont zich ook op het levenstooneel het karakter in een sterker en stouter licht dan men wel beschrijven kan. En als dit het geval is met die fijne en krachtige schilderingen, welke groote schrijvers zelve naar het leven geteekend hebben, hoeveel te meer zal dit niet blijken als de schrijver zelf zijne karakters niet naar de natuur, maar naar de boeken teekent! Zulke karakters zijn alleen de flaauwe copijen eener copij en kunnen de juistheid noch den geest van het oorspronkelijke bezitten.
En onze geschiedschrijver moet een algemeenen omgang hebben met menschen van allerlei stand en rang; want de kennis van hetgeen men de groote wereld noemt, zal hem niets leeren omtrent de lagere klassen,—en e converso, zal hij uit den omgang met zijne minderen, de manieren zijner meerderen niet leeren kennen. En, hoewel men zou kunnen denken, dat de kennis van een van beide hem ten minste in staat zou stellen te beschrijven wat hij gezien heeft, zal hij toch zelfs hierin ver van de volmaaktheid blijven; want de dwaasheden van alle standen dienen werkelijk om elkaar ten sterkste te doen uitkomen. Bij voorbeeld: de gemaaktheid in de groote wereld toont zich te duidelijker en bespottelijker als men ze vergelijkt bij de eenvoudigheid der mindere klassen; en de ruwheid en woestheid dezer laatsten komt ons te ongerijmder voor, als ze tegenover de beschaving der hoogere klassen staat. Bovendien, zullen de manieren van onzen geschiedschrijver zelven verbeterd worden door een gemengden omgang; want bij de eene zal hij, zonder bezwaar, voorbeelden vinden van eenvoudigheid, eerlijkheid en opregtheid, en bij de andere verfijning, sierlijkheid en vrijzinnigheid van oordeel, welke laatste hoedanigheid ik zelf haast nooit gevonden heb bij menschen van lage afkomst en weinige opvoeding.
Maar al de gaven welke ik nu mijn schrijver geschonken heb, zullen hem weinig baten, ten zij hij ook bezit hetgeen men over het algemeen noemt een goed hart en gevoel. De schrijver, zegt Horatius, die mij wil doen weenen, moet beginnen met zelf tranen te storten. Werkelijk, kan ook geen mensch een leed goed beschrijven, dat hij zelf niet voelt onder de schildering daarvan, en ik twijfel ook niet of de aandoenlijkste en treffendste tooneelen zijn onder tranen geschreven. Hetzelfde geldt van het belagchelijke. Ik ben overtuigd dat ik den lezer nooit hartelijk kan doen lagchen zonder met hem te lagchen,—ten zij ik hem zelf de gelegenheid geef, om over mij, in plaats van met mij te lagchen. Dit is welligt het geval geweest bij sommige punten van dit hoofdstuk,—eene vrees, die mij het hier doet eindigen.
HOOFDSTUK II.
BEVATTENDE EEN ZEER WONDERLIJK AVONTUUR VAN DEN HEER JONES, ONDER DE WANDELING MET DEN OUDEN MAN VAN DEN BERG.
Aurora had nu pas de hemelvensters geopend,—wat zeggen wil, dat het begon dag te worden, toen Jones en de vreemdeling zamen uitgingen en den Mazard Heuvel beklommen, op welks top zij een der heerlijkste gezigten ter wereld ontdekten, dat wij den lezer, zonder twee geldige redenen daartegen, ook zouden laten zien. Ten eerste: wanhopen wij op de goedkeuring van diegenen die het tooneel gezien hebben; en ten tweede, twijfelen wij ten sterkste, of zij, die het niet gezien hebben, er iets van begrijpen zouden.
Jones bleef eenige oogenblikken onbewegelijk staan, zijne blikken zuidwaarts rigtende, waarop de oude heer hem vroeg, waar hij zoo oplettend naar keek?
„Helaas, mijnheer,” hernam hij met een zucht; „ik trachtte mijne reis herwaarts na te gaan. Goede hemel, hoe ver is Gloucester niet van hier! Welk een afstand ligt er niet tusschen mij en mijn eigen te huis!”
„Ja, ja, jonge heer,” riep de andere, „en, naar uw zuchten te oordeelen, is er iets dat gij meer bemint dan uw te huis, of ik vergis me zeer! Ik zie nu dat hetgeen waaraan ge denkt buiten het bereik uwer oogen is, en toch verbeeld ik me dat het u goed doet dien kant uit te kijken.”
Jones hernam met een glimlach; „Naar ik zie, oude vriend, hebt gij de gewaarwordingen uwer jeugd nog niet vergeten.—Ik beken dat ik in mijne gedachten bezig was op de door u bedoelde wijze.”
Zij wandelden nu naar dat gedeelte van den heuvel dat noord-westwaarts ligt, en dat over een groot en uitgestrekt bosch ziet. Zij waren pas hier gekomen, toen zij in de verte in het bosch onder hunne voeten, luide hulpkreten hoorden van eene vrouwenstem. Jones luisterde een oogenblik en toen, zonder één woord te spreken tegen zijn makker,—want de nood scheen dringend,—liep, of liever rolde hij den heuvel af, en zonder te vreezen voor, of te denken aan zijne eigene veiligheid, spoedde hij zich naar de plaats vanwaar de kreten schenen te komen.
Hij was pas in het bosch geraakt, toen hij werkelijk een allerverschrikkelijkst gezigt ontwaarde, namelijk eene vrouw, die half ontkleed was, in handen van een schurk, die zijn kousenband om haren hals geslagen had, en haar aan een boom trachtte op te trekken. Jones hield zich met geene vragen op, maar viel den ellendeling dadelijk aan en maakte zoo goed gebruik van zijn eiken knuppel, dat hij hem ter aarde velde eer hij er aan denken kon om zich te verdedigen, of inderdaad, bijna eer hij wist dat hij aangevallen werd; en Jones hield ook niet op met zijne slagen, tot de vrouw zelve hem smeekte, zeggende, dat zij geloofde dat haar aanvaller er meer dan genoeg van had.
De arme vrouw viel toen voor Jones op de knieën en dankte hem wel duizend maal voor hare redding, en hij rigtte haar dadelijk op en vertelde haar hoe gelukkig hij zich gevoelde over het buitengewone toeval dat hem tot haar bijstand daarheen gebragt had, waar het zoo onwaarschijnlijk was, dat zij hulp zou vinden;—terwijl hij er bij voegde, dat de hemel hem scheen uitgezocht te hebben tot het gelukkige werktuig harer redding.
„Ja,” hernam zij, „ik zou u haast voor een beschermengel houden, en om de waarheid te zeggen, hebt gij in mijne oogen meer van een engel dan van een mensch.”