Chapter 11 of 84 · 3976 words · ~20 min read

Part 11

De jonge heer Blifil bezat, in veel minderen graad dan zijn makker, de beminnelijke hoedanigheid van het medelijden; maar hij overtrof hem daarentegen evenzeer in eene andere, die veel verhevener van aard is, en waarin hij zoowel de leerstellingen als het voorbeeld van Square volgde; want hoewel beiden het woord medelijden dikwijls gebruikten, was het duidelijk dat in de werkelijkheid Square het beschouwde als onbestaanbaar met de wetten van het regt, terwijl Thwackum de geregtigheid wilde uitoefenen en de barmhartigheid aan den Hemel overlaten.

Die twee mannen verschilden inderdaad zoo zeer in gevoelen omtrent de voorwerpen van deze verhevene deugd, dat Thwackum, op zijne wijze, waarschijnlijk de eene helft van het menschelijk geslacht en Square de andere helft vernietigd zou hebben.

De jonge heer Blifil dan, hoewel hij zweeg in het bijzijn van Jones, kon toch, toen hij over de zaak nadacht, het denkbeeld niet verdragen, dat zijn oom den onwaardige met weldaden zou overladen. Om deze reden besloot hij dadelijk zijn oom bekend te maken met het feit, waarvan wij den lezer eventjes een wenk gegeven hebben. De toedragt er van was als volgt:

De jager had, omstreeks een jaar na zijn ontslag uit de dienst van den heer Allworthy, en eer Tom het paard verkocht, en toen hij gebrek had aan brood voor zich zelven of zijn huisgezin, een zittenden haas ontdekt, terwijl hij door een veld ging dat den heer Western toebehoorde. Dit dier had hij op eene barbaarsche en laaghartige wijze met een knuppel doodgeslagen,—wat voorzeker zeer in strijd was met de wetten van het land en met die der jagt.

De handelaar aan wien de haas verkocht werd, werd ongelukkig vele maanden later gesnapt met eene menigte gestroopt wild, en was om den heer van de plaats te verzoenen, genoodzaakt den een of anderen wilddief te verraden. Daartoe werd de Zwarte George door hem uitgezocht, als iemand, dien de heer Western reeds ongenegen was, en die ook in de omstreken reeds een slechten naam had. De handelaar kon bovendien zelf geen voordeeliger offer brengen, daar George hem in al dien tijd geen wild geleverd had, en aldus vond hij gelegenheid zijne beste leveranciers te redden; want daar de heer Western verrukt was de gelegenheid te hebben om den Zwarten George te straffen, dien eene enkele overtreding geheel te gronde zou rigten, deed hij geen verder onderzoek.

Als men dit feit onvergroot den heer Allworthy blootgelegd had, zou het waarschijnlijk den jager zeer weinig hebben benadeeld. Maar geen ijver is meer verblind, dan die welke ontstaat uit de zucht om den boosdoener te straffen. De jonge heer Blifil vergat hoe lang geleden alles gebeurd was. Hij veranderde ook eenigzins de zaak, en door het onvoorzigtige gebruik van het woord hazen in plaats van haas, maakte hij een groot verschil en beschuldigde George van strikken te leggen om hazen te vangen. Deze verandering had welligt kunnen verbeterd worden, als de jonge heer Blifil niet heel ongelukkig den heer Allworthy eene belofte van geheimhouding afgeperst had eer hij hem de zaak mededeelde;—maar nu werd de arme jager veroordeeld zonder de gelegenheid te hebben om zich te regtvaardigen; want, daar het onbetwistbaar was dat hij één haas gedood had, en daarom geregtelijk vervolgd werd, twijfelde de heer Allworthy aan het overige van het verhaal niet.

Zeer kort dan was de vreugde dezer arme menschen; want de heer Allworthy verklaarde den volgenden morgen, dat hij eene nieuwe reden had, die hij niet opgeven wilde, om vertoond op George te zijn, en hij gelastte Tom diens naam nooit meer te noemen; hoewel, wat zijn huisgezin betrof, hij zijn best beloofde te doen om te beletten dat dat van honger omkwam;—met den jager zelven wilde hij echter niet te doen hebben, maar zou hem aan de wetten overlaten, die hij voor geen geld ter wereld wilde schenden.

Tom kon volstrekt niet gissen wat het was, dat de toorn van den heer Allworthy opgewekt had, want zijne verdenking viel niet op den jongen heer Blifil. Daar echter zijne vriendschap zich door niets liet afschrikken, besloot hij om een ander middel te baat te nemen om den armen man van den ondergang te redden.

Jones was in den laatsten tijd zeer intiem geworden met den heer Western. Hij had zich zoodanig aan dien heer aanbevolen, door zijn stout rijden op de jagt en andere heldenfeiten van dien aard, dat die heer verklaarde dat Tom zeker nog eens een groot man zou worden als hij slechts aanmoediging vond. Hij wenschte dikwijls zelf zulk een begaafden zoon te hebben, en verklaarde eens op eene drinkpartij dat hij er duizend pond onder verwedden wilde, dat geen jager in het geheele land zoo goed met de honden kon jagen als Tom.

Deze had zich door die gaven zoodanig bemind gemaakt bij den landjonker, dat hij altijd een zeer gewenschte gast was aan zijne tafel en zijn lievelingsmakker op de jagt. Alles wat de landjonker het kostbaarste achtte; te weten: geweren, honden en paarden, waren nu ook even zeer tot Tom’s beschikking als of ze hem zelven toebehoorden. Hij besloot dus om gebruik te maken van deze gunst ten behoeve van zijn vriend den Zwarten George, dien hij in het huis van den heer Western hoopte te doen opnemen in dezelfde hoedanigheid als vroeger bij den heer Allworthy. Als de lezer bedenkt, dat deze mensch reeds zeer gehaat was bij den heer Western en verder in overweging neemt welke gewigtige zaak den toorn van dien heer had gaande gemaakt, zal hij misschien de onderneming van Tom als dwaas en wanhopig beschouwen; maar als hij den jongen Jones om die reden veroordeelt, zal hij het toch prijzenswaardig vinden, dat hij zich in deze moeijelijke taak trachtte te versterken door elk hulpmiddel, waarover hij beschikken kon, te baat te nemen.

Tot dit einde dan wendde zich Tom tot de dochter van den heer Western, eene jonge dame van ongeveer zeventienjarigen leeftijd, die door haar vader (na de bovenvermelde onmisbare voorwerpen voor de jagt), boven alles ter wereld bemind en geschat werd. Terwijl zij dus eenigen invloed op haar vader bezat, bezat ook Tom eenigen invloed op haar. Daar deze dame echter de toekomstige heldin van dit boek wordt,—eene dame waarop wij zelf zeer verliefd zijn, en op wie waarschijnlijk vele onzer lezers verliefd zullen worden eer wij gedaan hebben, zou het niet gepast zijn haar aan het einde van een boek voor het eerst te doen optreden.

BOEK IV.

Bevattende den tijd van één jaar.

HOOFDSTUK I.

BEVATTENDE VIER BLADZIJDEN.

Daar onze geschriften niets dan de waarheid behelzen en zich aldus onderscheiden van die ijdele romans, die met monsters vervuld zijn, geene voortbrengselen der natuur, maar van een ziekelijk brein, en welke om die reden door een beroemden criticus alleen tot gebruik van den suikerbakker worden aanbevolen, om er zakjes van te maken,—zoo moeten wij ook, van den anderen kant, alle overeenkomst trachten te vermijden met die soort van geschiedenis, welke een groot dichter schijnt te meenen dat geschreven is in het voordeel van den bierbrouwer evenzeer als van den lezer, daar de lektuur er van altijd vergezeld moet gaan van een stevig glas bier:

„Terwijl het glas met ale bij het vrolijk drinkgelag ’t Verhaal van haar verzacht, hoe droevig ’t wezen mag.”

Ja, even als dit de drank is der hedendaagsche geschiedschrijvers, of welligt zelfs, hunner Muze, als wij het gevoelen van Butler mogen omhelzen, die hunne inspiratie aan het bier toeschrijft, moest het ook de drank van den lezer zijn, daar elk boek gelezen moest worden in den geest waarin en op dezelfde wijze waarop het geschreven is. Dus zei de beroemde schrijver van Hurlothrumbo aan een geleerden bisschop, dat de reden waarom zijn hoogeerwaarde het ware genot van dat stuk niet had, was, dat hij het niet las met de viool in de hand, welk instrument hij zelf, onder het opstellen er van, telkens bespeelde.

Ten einde dus het gevaar te voorkomen, dat ons werk bij dat dier geschiedschrijvers vergeleken worde, hebben wij iedere gelegenheid te baat genomen om het geheel te doorspekken met allerlei beelden, beschrijvingen en dergelijke dichterlijke opsiering meer. Deze dienen, inderdaad, om het bier te vervangen, en den geest te verkwikken telkens als de slaap, welke bij een werk van langen adem den lezer even goed als den schrijver overvalt, hem dreigt. Zonder tusschenpoozingen van dezen aard, zou het beste verhaal van eenvoudige, dagelijksche zaken iederen lezer vervelen; want niets dan de eeuwigdurende waakzaamheid door Homerus aan Jupiter toegeschreven, zou bestand zijn tegen een courant in vele boekdeelen.

Wij laten het aan den lezer over te beslissen met hoeveel oordeel wij de verschillende gelegenheden gekozen hebben om ons werk op die wijze op te luisteren. Men zal zeker bekennen, dat er geene geschikter kon zijn dan de tegenwoordige, waarbij wij op het punt zijn eene gewigtige persoonaadje ten tooneel te voeren,—niemand anders dan de heldin van dit episch-historisch-proza-gedicht. Wij hebben het dus hier gepast geacht den lezer op hare verschijning voor te bereiden, door zijn geest te vervullen met de aangenaamste beelden, welke wij aan de natuur konden ontleenen. En wij hebben vele voorbeelden om deze handelwijze te regtvaardigen. Ten eerste, is deze kunst zeer bekend aan en wordt ze ook zeer veel gebruikt door onze tragische tooneeldichters, die zelden nalaten den toeschouwer voor te bereiden op het optreden van de hoofdpersonen.

Dus wordt de held altijd door trompetgeschal en pauken voorafgegaan, ten einde een krijgshaftigen geest onder de toehoorders op te wekken, en hunne ooren te gewennen aan bombast en grootspraak, welke door den blinde van den heer Lock niet oneigenaardig met het geluid van een trompet had kunnen vergeleken worden—maar, als een minnend paar optreden zal, wordt het met zachte muzijk binnengeleid, hetzij om de toeschouwers voor den tederen hartstogt te stemmen, of om hen te sussen en voor te bereiden op dien zachten slaap, waarin het volgende tooneel hen waarschijnlijk wiegen zal.

En niet slechts de dichters zelven, maar ook de heeren en meesters der dichters, de tooneeldirecteuren, schijnen dit geheim te kennen; want behalve voornoemde pauken enz., die de nadering van den held aankondigen, wordt hij gewoonlijk op het tooneel gevolgd door eene heele bende verkleede timmerlieden en decorateurs; en hoe noodzakelijk die geacht worden bij zijne optreding, kan men uit het volgende tooneelverhaaltje opmaken.

De koning Pyrrhus was aan tafel, in eene naburige herberg, naast de komedie, toen hij geroepen werd om op het tooneel te verschijnen. Daar de held echter zijn schapenbout niet verlaten wilde, en er toch niet opgesteld was om zich de verontwaardiging van den heer Wilks (zijn mede-directeur), op den hals te halen door de toehoorders te laten wachten, had hij zijne trawanten omgekocht, om uit den weg te blijven. Dus terwijl de heer Wilks, met donderende stem riep: „Waar zijn de timmerluî, die den koning Pyrrhus voorafgaan moeten?” zat die vorst heel kalm zijn schapenbout te eten en de toeschouwers, hoe ongeduldig ook, moesten zich met de muzijk troosten zoo lang hij afwezig bleef.

Om opregt te zijn, moet ik ook bekennen, dat het mij zeer waarschijnlijk voorkomt, dat de staatsman, die gewoonlijk een fijnen neus heeft, ook het nut van dit gebruik eenigzins heeft leeren inzien. Ik ben overtuigd dat die ontzagwekkende magistraat, de Lord-Mayor, veel van den eerbied, welke hem het geheele jaar door volgt, te danken heeft aan de vele vertooningen, die zijne installatie voorafgaan. Ja, ik moet nog bekennen, dat zelfs ik, die niet bijzonder vatbaar ben om door eene bloote vertooning ingepakt te worden, in geene geringe mate bezweken ben voor de indrukken door groote staatsie opgewekt. Als ik een man in een optogt heb zien wandelen, achter anderen, die alleen dáár waren om hem vooraf te gaan, heb ik een veel grooter besef van zijne waardigheid gekregen dan als ik hem in eene dagelijksche positie gezien had. Maar één voorbeeld ken ik, dat volmaakt met mijn doel overeenkomt. Dit is de heerschende gewoonte om eene vrouw met een mandvol bloemen bij een krooningsoptogt op het tooneel vooraf te zenden, ten einde bloemen te strooijen eer de groote persoonaadjes den omgang beginnen. De ouden zouden zeker de godin Flora tot dit doel ingeroepen hebben, en het zou den priesters, of den staatslieden volstrekt niet moeijelijk gevallen zijn om het volk te overtuigen van de wezenlijke verschijning der godin, hoewel zij voorgesteld werd door een eenvoudige sterveling die haar ambt op zich genomen had.

Maar het is ons voornemen niet den lezer te foppen, en daarom kunnen diegenen, welke iets tegen de heidensche godenleer hebben, als zij verkiezen, onze godin in bovenvermelde vrouw met de mandvol bloemen veranderen. Ons voornemen is, met één woord, onze heldin met de meest mogelijke plegtigheid binnen te leiden, met eene verheffing van stijl en alle andere omstandigheden, die geschikt zijn om den eerbied van den lezer op te wekken. Inderdaad, wij zouden, om zekere redenen, diegenen onzer lezers, die een hart hebben, den raad geven om niet verder te lezen, indien wij niet verzekerd waren, dat hoe aanbiddenswaardig ook het beeld onzer heldin schijne, het toch slechts eene kopij is naar de natuur, en er vele onzer schoone landgenooten te vinden zijn, die overwaardig zijn het voorwerp van ieders liefde te worden, en die volkomen beantwoorden zullen aan elken eisch der vrouwelijke volmaaktheid, die wij ons in staat gevoelen te schilderen.

En nu, zonder verdere voorrede, gaan wij tot het volgende hoofdstuk over.

HOOFDSTUK II.

EEN GERING BLIJK VAN HETGEEN WAARTOE WIJ IN STAAT ZIJN IN DEN VERHEVEN SCHRIJFTRANT, EN EENE BESCHRIJVING VAN MEJUFVROUW SOPHIA WESTERN.

Gestild zij iedere ruwe storm! Dat de heidensche bestuurder der winden de oproerige leden van den luidruchtigen Boreas, en den puntigen neus van den bitter nijpenden Eurus in ijzeren boeijen sla! En gij, o zoete Zephyr, sta op van uwe geurige rustplaats, en beklim den westerschen hemel en zend ons hierheen die heerlijke koeltjes, welker bekoorlijkheden de schoone Flora uit haar verblijf lokken, versierd met de parelen van den dauw, als de bloeijende maagd, op den eersten Junij, haar geboortedag, zwierig getooid, luchtig trippelt over het groene veld, waar iedere bloem zich verheft om haar hulde te brengen, tot het geheele land daarmede prijkt, en kleuren en geuren met elkaar wedijveren om ons op het zeerst te bekoren.

Alzoo bekoorlijk verschijne zij ons nu! En gij, gevederde koorzangers der natuur, wier zoetste noten zelfs Händel niet overtreffen kan, stemt de welluidende keel, om hare verschijning te vieren. Uit de liefde ontstaat uwe muzijk, en tot de liefde keert zij terug. Wekt dus den zoeten hartstogt op in elken herder;—want, ziet! versierd met al de bekoorlijkheden, waarmede de natuur haar tooijen kan, opgeschikt met schoonheid, jeugd, opgeruimdheid, onschuld, zedigheid en teêrheid, geuren ademende uit de rozeroode lippen en vuur schietende uit de schitterende oogen,—daar verschijnt de heerlijke Sophia!

Lezer! gij hebt welligt de Venus de Medicis gezien? Wel ligt hebt gij ook de galerij van schoonheden gezien in het Paleis van Hampton Court! Gij herinnert u welligt al de schoone Churchills in die verzameling en al die schoonheden op wie men in de Kit-cat Club toasten instelde? Of, zoo hare regering voor uw tijd was, hebt gij ten minste hare dochters gezien, de niet minder schitterende schoonheden van deze eeuw, wier namen wij hier niet inlasschen kunnen, omdat ze het boekdeel zouden opvullen.

Als gij nu deze allen gezien hebt, vrees dan niet het onbeleefde antwoord te ontvangen, dat Milord Rochester eens aan zeker iemand gaf, die heel veel gezien had. Neen; als gij deze alle gezien hebt, zonder te weten wat schoonheid is, hebt gij geene oogen; en zonder hare magt te gevoelen, dan hebt gij geen hart.

En toch is het mogelijk, vriend, dat gij deze alle gezien hebt, zonder u een juist denkbeeld van Sophia te kunnen maken; want op geene van dezen allen geleek zij volkomen. Zij geleek het meest op het portret van Milady Ranelagh, en ik heb gehoord, dat zij nog sterker geleek op de beroemde hertogin van Mazarin; maar, het meest geleek zij op iemand, wier beeld nooit uit mijn hart gewischt kan worden, en als gij u haar herinnert, dan kunt gij u, vriend, een juist denkbeeld van Sophia vormen.

Daar gij echter welligt dat geluk niet gesmaakt hebt, zullen wij met de meeste inspanning trachten dit pronkstuk der schepping te beschrijven, hoewel wij beseffen dat al onze gaven slechts zeer onvoldoende zijn voor die taak.

Sophia dan, de eenige dochter van den heer Western, was van middelbare grootte, maar eerder groot dan klein. Hare gestalte was niet slechts onberispelijk maar ook zeer tenger, en de schoone vorm harer armen getuigde van de heerlijke symmetrie harer overige ledematen. Haar donker hoofdhaar was zoo weelderig dat het tot haar midden reikte, eer zij het kortte om aan de mode te voldoen, en viel nu in zulke bevallige krullen op haren hals, dat slechts weinige gelooven konden, dat het echt was. Als de nijd eenig gedeelte van het gelaat kon vinden, dat minder aanprijzing verdiende, dan was het mogelijk het voorhoofd, dat, zonder haar te benadeelen, iets hooger had kunnen zijn. De wenkbraauwen waren schoon, gelijkmatig en gewelfd, zooals geene kunst dat nadoen kan. Hare zwarte oogen schitterden met een vuur, dat al de zachtheid van haar gemoed niet uitblusschen kon. Haar neus was volmaakt regelmatig, en haar mond, waarin zich twee rijen ivoor bevonden, beantwoordde volmaakt aan Sir John Suckling’s beschrijving, in de volgende regels:

„Haar lippen waren rond, en dun de een Aanschouwd bij de onderlip, die onlangs scheen Gestoken door een bij.—”

De vorm van haar gelaat was het zuiverst ovaal, en in de regterwang was een kuiltje, dat zich bij elk harer lachjes vertoonde. Hare kin droeg zeker tot de schoonheid van haar gelaat bij; maar het viel moeijelijk te zeggen of die te groot of te klein was;—hoewel misschien eerder het eerste dan het laatste. Hare gelaatskleur had meer van de lelie dan de roos; maar als beweging, of de blos der zedigheid hare natuurlijke kleur verhoogde, kon geen vermiljoen ze evenaren. Dus, inderdaad, had men met Dr. Donne kunnen uitroepen:

—————„Op hare wangen sprak Haar edel bloed met onmiskenbre macht, Zoodat het scheen dat ook haar ligchaam dacht.”

Haar hals was slank en fijn, en hier, als ik niet vreesde hare kieschheid te beleedigen, zou ik te regt kunnen zeggen, dat de grootste bekoorlijkheden van de Venus de Medicis overtroffen werden. Hier was eene blankheid welke door geene leliën, geen ivoor, geen albast, geëvenaard kan worden. Men mag ook veronderstellen, dat het fijnste batist slechts uit spijt een boezem verborg, die blanker was dan de stof zelve. Inderdaad:

„Nitor splendens Pario marmore purius.”

„Schitterende met een glans, reiner dan die van het Parisch marmer.”

Zoodanig was Sophia uiterlijk: en deze schoone gestalte werd door eene even schoone ziel bewoond. Haar geest was in alle opzigten aan haar uiterlijk gelijk; ja zelfs had dit laatste eenige bekoorlijkheden aan den eerste te danken; want als zij glimlachte, verspreidde hare zachtaardigheid een glans op haar gelaat, dien zelfs de regelmatigste gelaatstrekken alleen niet geven kunnen. Daar er echter geene volmaaktheden van den geest bestaan, die zich niet zullen doen kennen in den loop van dit verhaal, waarin wij den lezer in de naauwste betrekking met dit bekoorlijk wezen zullen brengen, is het noodeloos ze hier op te sommen;—ja, zelfs zou dit eene soort van beleediging wezen voor het verstand van den lezer, en hem welligt berooven van het genoegen dat hij zelf smaken zal in het beoordeelen van haar karakter.

Het is echter niet ongepast te zeggen, dat, welke gaven zij ook van de natuur ontvangen had, deze eenigzins ontwikkeld en gevormd waren door de kunst: want zij werd onder het oog eener tante groot gebragt, die eene zeer wijze dame was, met zeer veel wereldkennis, daar zij in hare jeugd lang aan het hof gewoond, en eerst sedert eenige jaren dit verlaten had, om op het land te leven. Door den omgang met haar en door hare lessen, kon men van Sophia zeggen, dat zij volmaakt wel opgevoed was, hoewel zij welligt iets van die gemakkelijkheid miste, welke men alleen verkrijgt door de gewoonte, en door te leven in hetgeen men „den beschaafden kring” noemt. Maar, om de waarheid te zeggen, wordt dit voorregt dikwerf maar al te duur gekocht,—hoewel het bekoorlijkheden heeft, die zoo onbeschrijfelijk zijn, dat de Franschen, onder andere hoedanigheden, ook deze welligt bedoelen, als zij zeggen, dat zij niet juist weten wat het is. Maar het gemis daarvan wordt best vergoed door de onschuld, en het gezond verstand en de aangeboren fatsoenlijkheid zijn er nooit om verlegen.

HOOFDSTUK III.

WAARIN DE GESCHIEDENIS TERUG GAAT, OM EENE KLEINE GEBEURTENIS TE VERMELDEN, DIE EENIGE JAREN VROEGER VOORVIEL, EN HOE GERING OOK, ZEKERE GEVOLGEN HAD IN DE TOEKOMST.

De beminnelijke Sophia was, bij haar optreden in deze geschiedenis in haar achttiende jaar. Haar vader, gelijk gezegd is, hield meer van haar dan van eenig ander menschelijk wezen. Tot haar dus wendde zich Tom Jones, ten einde hare hulp in te roepen voor zijn vriend den jager.

Maar eer wij hiermede voortgaan, zal eene korte opsomming van eenige vroegere zaken noodzakelijk wezen.

Hoewel de uiteenloopende karakters van den heer Allworthy en mijnheer Western niet toelieten, dat zij zeer gemeenzaam werden, leefden zij toch op hetgeen men een betamelijken voet noemt met elkaar, waardoor de jonge lieden van beide familiën elkaar sedert hunne kindschheid kenden, en daar zij bijna van denzelfden leeftijd waren, ook dikwerf met elkaar speelden.

De opgeruimdheid van Tom beviel Sophia beter dan de ernstige, bedaarde houding van den jongen heer Blifil. En de voorkeur, welke zij eerstgenoemden schonk, bleek dikwerf zoo duidelijk, dat iemand die hartstogtelijker van aard was dan de jonge heer Blifil, welligt eenig ongenoegen daarover betoond zou hebben.

Daar hij echter uiterlijk geene ontevredenheid van dien aard liet blijken, zou het verkeerd van ons zijn de diepte van zijn gemoed te peilen, even als sommige slechte menschen de geheimste zaken hunner vrienden onderzoeken, en dikwerf in hunne kisten en kasten loeren, alleen om hunne armoede en ellende aan de wereld te ontdekken.

Evenwel, daar dezulken, die vermoeden dat zij anderen reden tot ongenoegen gegeven hebben, geneigd zijn te denken, dat zij wezenlijk boos zijn, zoo schreef ook Sophia zekere handeling van den jongen heer Blifil toe aan zijn nijd, terwijl de meerdere schranderheid van Thwackum en Square een veel beteren oorsprong daarvoor wisten te vinden.

Tom Jones had namelijk, heel in zijne jeugd, Sophia een vogeltje geschonken, dat hij uit het nest genomen en groot gekweekt had en had leeren zingen.

Op dit vogeltje werd Sophia, die toen omstreeks dertien jaren oud was, zoo verzot, dat hare hoofdbezigheid was, het te voeden en te verzorgen, en haar grootste genoegen daarmede te spelen. Op deze wijze werd de kleine Tommy, gelijk hij genoemd werd, zoo tam, dat hij uit de hand zijner meesteresse at, op haar vinger zat, of stil in haar boezem lag, waar hij bijna bewust scheen van zijn geluk, hoewel zij hem altijd aan een touwtje om den poot vasthield, en hem nooit de vrijheid gaf om weg te vliegen.

Op zekeren dag toen de heer Allworthy met zijne geheele familie bij den heer Western dineerde, verzocht de jonge heer Blifil, die met de kleine Sophia in den tuin was en de groote liefde opmerkte, welke zij voor het vogeltje koesterde, haar hem het diertje voor een oogenblik toe te vertrouwen. Sophia stemde dadelijk in dit verzoek toe en na eenige voorafgaande waarschuwing, gaf zij hem het vogeltje over, dat hij naauwelijks in handen had, of hij maakte het touwtje los, en wierp den vogel in de lucht.

Het onnoozele diertje had ter naauwernood zijne vrijheid verkregen, of al de gunsten vergetende, die het van Sophia ontvangen had, vloog het dadelijk weg en ging zitten in een boom op eenigen afstand.

Sophia haar vogeltje aldus kwijt zijnde, begon zoo hard te gillen, dat Tom Jones, die niet ver van daar was, haar dadelijk ter hulp snelde.