Part 62
„Als hij haar ontdekt, kunt gij er op aan, Milady, dat hij niets onbeproefd zal laten om haar te naderen,” hernam de andere.
„Wel, mevrouw,” antwoordde Lady Bellaston, „het is onmogelijk voor hem om hier in huis te komen;—maar hij is welligt in staat om haar verblijf te ontdekken,—dan zal hij den heelen dag hier op den loer staan;—ik zou dus wel willen weten hoe hij er uitziet. Zoudt gij er niets op kunnen bedenken, mevrouw, om mij hem te doen zien;—ten einde te beletten, weet ge, dat mijne nicht hem zonder mijne voorkennis ontvangt.”
Mevrouw Fitzpatrick hernam, „dat hij haar dien namiddag met een tweede bezoek gedreigd had, en dat als Milady haar de eer wilde doen van dan bij haar te komen, zij hem zeker tusschen zes en zeven uur aantreffen zou, en dat als hij vroeger kwam, zij hem op de eene of andere wijze ophouden zou tot Milady dáár was.”
Deze dame hernam dat zij komen zou zoo spoedig als zij van tafel opstaan kon, wat, naar zij vermoedde, op het laatst tegen zeven uur zou wezen; want dat zij het volstrekt noodzakelijk achtte hem persoonlijk te kennen.
„Op mijn woord, mevrouw,” zeide zij, „het was zeer goed van u zoo bezorgd te zijn voor jufvrouw Western; maar uit bloote menschlievendheid, en uit achting voor onze familie, moeten wij beide ons best doen om dit verschrikkelijk huwelijk te voorkomen!”
Mevrouw Fitzpatrick verzuimde niet op eene passende wijze te antwoorden op deze beleefdheden van hare nicht en na eenige nietsbeteekenende woorden verwijderde zij zich, en zoo vlug mogelijk in haar draagstoel wippende, ten einde niet door Sophia of Honour ontdekt te worden, ging zij naar huis.
HOOFDSTUK IV.
BEZOEKEN.
De heer Jones was in het gezigt van zekere deur op en neer blijven wandelen, den heelen dag,—die hoewel een der kortste van het jaar, hem een der langste toescheen. Eindelijk sloeg echter de klok vijf uur en hij begaf zich bij mevrouw Fitzpatrick, die, ofschoon het een goed uur te vroeg was voor een fatsoenlijk bezoek, hem uiterst vriendelijk ontving, maar steeds volhield dat zij niets van Sophia wist.
Jones, steeds vragende naar zijn engel, had zich het woord „uwe nicht” laten ontvallen, waarop mevrouw Fitzpatrick zeide: „Ge weet dus, mijnheer, dat wij verwanten zijn, en in dat geval zult gij mij het regt toekennen van te vragen, welke bijzondere zaken gij met mijne nicht hebt?”
Jones aarzelde een tijdlang en antwoordde eindelijk, „dat hij eene aanzienlijke som gelds had, welke haar toebehoorde, en die hij verlangde haar in handen te geven.”
Daarop haalde hij het zakboekje te voorschijn, maakte mevrouw Fitzpatrick met den inhoud er van bekend, en hoe het in zijn bezit was gekomen. Hij had naauwelijks zijn verhaal geëindigd toen het geheele huis dreunde van een geweldig rumoer. Het zou onnoodig wezen dit geraas te beschrijven voor diegenen die het eens gehoord hebben, en het zou te vergeefs zijn er een begrip van te willen geven aan iemand, die het nooit vernomen heeft; want men kan met waarheid zeggen:
„———Non acuta Sicgeminant Corybantes aera.”
„Niet aldus rammelen de priesters van Cybele met het weergalmende koper.”
Met één woord,—een knecht klopte, of liever, donderde aan de huisdeur. Jones, die nooit dat geluid vroeger gehoord had, schrikte een weinig; maar mevrouw Fitzpatrick zeide heel bedaard, dat het zeker bezoek was, dat zij hem dus nu niets meer zeggen kon; maar dat als hij de goedheid wilde hebben te wachten tot de menschen weêr weg waren, zij hem welligt iets mede te deelen zou hebben.
De kamerdeur vloog nu open, en den hoepelrok zijwaarts vóór zich uit schuivende, trad Lady Bellaston binnen, die eerst eene diepe neiging maakte voor mevrouw Fitzpatrick,—even diep boog voor den heer Jones en daarop naar het boveneinde van het vertrek geleid werd.
Wij vermelden deze kleine bijzonderheden om den wille van eenige buiten-dames die wij kennen, en die van meening zijn dat de welvoegelijkheid verbiedt dat zij de knie buigen voor eenig man.
Het gezelschap had echter naauwelijks plaats genomen, toen de aankomst van den reeds vroeger vermelden Pair eene nieuwe stoornis veroorzaakte en eene herhaling van alle pligtplegingen.
Zoodra dit eindelijk afgeloopen was, begon het gesprek (zoo als men het heet), zeer schitterend te worden. Daar er echter niets in voorkwam, dat òf op zich zelf, òf voor deze geschiedenis eenigzins belangrijk was, zal ik het niet opteekenen; te meer, daar ik heel vele deftige gesprekken ken, die verbazend vervelend zijn als men ze in boeken overschrijft, of op het tooneel herhaalt. Inderdaad, is dit feest van het vernuft eene lekkernij, welke even vreemd moet blijven aan diegenen welke uitgesloten zijn van de groote wereld, als de talrijke lekkernijen der Fransche keukens, welke alleen op de tafels der groote lui gevonden worden. En, om de waarheid te zeggen, daar ze geen van allen met ieders smaak overeenkomen, zouden ze dikwerf aan het gemeen slechts verspild zijn.
De arme Jones was eerder een toeschouwer dan een deelgenoot van dit sierlijk tooneel; want ofschoon in den korten tusschentijd vóór het verschijnen van den Pair, eerst Lady Bellaston en later mevrouw Fitzpatrick eenige woorden tot hem gerigt hadden, was naauwelijks de edele Lord binnen gekomen, of hij boeide de geheele oplettendheid der beide dames, en daar hij niet meer notitie van Jones nam, dan alsof zoo iemand niet bestond,—tenzij door hem tusschenbeide aan te gapen,—volgden de dames ook zijn voorbeeld.
De bezoekers bleven zoo lang dat mevrouw Fitzpatrick duidelijk inzag, dat zij het er op toelegden wie het langste zou blijven. Zij besloot dus zich van Jones te verlossen, daar hij de bezoeker was, jegens wien zij de minste pligtplegingen meende te moeten maken. Dus, eene oogenblikkelijke stilte in het gebabbel waarnemende, wendde zij zich zeer deftig tot hem en zeide:
„Mijnheer, het is me onmogelijk u omtrent uwe zaken heden avond antwoord te geven; maar als gij zoo goed wilt wezen te laten weten waar gij woont, zal ik u morgen welligt eene boodschap doen geworden.”
Jones was van nature, maar niet kunstmatig beleefd;—in plaats dus van het geheim van zijn verblijf aan een knecht toe te vertrouwen, maakte hij de dame zelve heel naauwkeurig daarmede bekend en vertrok spoedig daarop na de behoorlijke pligtplegingen.
Naauwelijks was hij weg, of de groote man, die geen acht op hem geslagen had zoo lang hij aanwezig was, schonk hem zijne bijzondere aandacht in zijne afwezigheid; maar als de lezer het ons vergeven heeft dat wij het meer schitterende gedeelte van het gesprek verzwegen hebben, zal hij het ons zeker te goed houden als wij de herhaling van hetgeen men gemeene scheldwoorden noemen kan, verzuimen;—hoewel het misschien van belang is voor ons verhaal te melden, dat Lady Bellaston, weinige minuten nadat Jones wegging, bij haar vertrek, tot mevrouw Fitzpatrick zeide: „Ik ben geheel gerust gesteld omtrent mijne arme nicht;—met zoo’n mensch zal zij geen gevaar loopen!”
Onze geschiedenis zal het voorbeeld van Lady Bellaston volgen en afscheid nemen van het overige gezelschap, dat thans tot op twee personen verminderd was, tusschen wie er niets gebeurde, dat in het minst den lezer aangaat,—zoodat wij ons daardoor niet zullen laten afleiden van andere zaken, die van meerder gewigt moeten schijnen aan al diegenen die eenige belangstelling gevoelen in onzen held.
HOOFDSTUK V.
EEN AVONTUUR DAT DE HEER JONES BELEEFDE IN ZIJNE WONING, MET HET EEN EN ANDER OMTRENT EEN JONGEN HEER, DIE OOK DAAR IN HUIS WAS, EN OOK OMTRENT DE VROUW DES HUIZES EN HARE BEIDE DOCHTERS.
Den volgenden morgen, zoodra de welvoegelijkheid het toeliet, klopte Jones weder bij mevrouw Fitzpatrick aan, en kreeg tot antwoord, dat die dame niet te huis was, wat hem te meer verwonderde, daar hij sedert het aanbreken van den dag op straat heen en weer geloopen was, en hij haar had moeten zien als zij uitgegaan ware. Hij moest zich echter met dit antwoord tevreden stellen, niet slechts nu, maar bij vijf andere bezoeken, welke hij haar dien dag bragt.
Om den lezer in te lichten, diene dat de edele Lord, om de eene of andere reden,—misschien om den goeden naam der dame,—er op gestaan had, dat zij den heer Jones niet meer ontvangen zou, dien hij een „gemeenen schooijer” noemde en de dame had hem zijn zin gegeven en de belofte afgelegd, welke wij haar thans zoo standvastig zien houden.
Daar echter de lezer welligt een betere meening heeft omtrent den jongen heer dan deze dame, en zelfs eenige vrees kan koesteren dat hij gedurende zijne ongelukkige scheiding van Sophia genoodzaakt was in eene herberg, of op straat te vertoeven, zullen wij nu het een en ander mededeelen omtrent zijne woning, welke in een zeer fatsoenlijk huis was, in eene zeer aanzienlijke buurt.
De heer Jones had namelijk den heer Allworthy dikwerf hooren spreken van de dame in wier huis hij zijn intrek nam, als hij naar de stad moest. Deze dame, die, zooals Jones gehoord had, in Bond-street woonde, was de weduwe van een predikant, en werd bij den dood van haar man in het bezit gelaten van twee dochters en van een bundel geschreven preken.
Van deze twee dochters had thans Nancy, de oudste, den leeftijd van zeventien jaren bereikt, terwijl Betsy, de jongste, tien jaar oud was.
Bij haar had Jones Partridge gevonden, en in dit huis kreeg hij eene kamer voor zich zelven op de tweede en eene voor Partridge op de vierde verdieping.
De eerste verdieping werd bewoond door een van die jonge heeren, die den naam hadden van „voor hun pleizier” te leven;—en niet zonder regt; want daar men de menschen gewoonlijk rangschikt naar hunne bezigheden, of beroep, kan men ook verklaren, dat pleizier maken de eenige bezigheid of beroep was van die heeren, welke door hun vermogen verheven waren boven alle wettige werkzaamheden. Schouwburgen, koffij- en wijnhuizen waren de plaatsen waar zij zich vereenigden. Geestigheid en scherts vermaakten hen in uren van uitspanning, en de liefde was de bezigheid van meer ernstige oogenblikken. De wijn en de Muzen werkten zamen om de schitterendste vlammen in hun hart te doen ontbranden:—zij beperkten zich ook niet slechts tot het bewonderen; maar sommigen waren zelfs in staat om de schoonheid, welke zij bewonderden, te bezingen, en allen waren bevoegd om dergelijke uitboezemingen te beoordeelen.
Zoodanig waren dan vroeger de heeren die „voor hun pleizier” leefden; maar ik twijfel zeer of men even gepast dezelfde benaming zou kunnen geven aan die jonge heeren uit onze dagen, die dezelfde eerzucht koesteren van zich te onderscheiden. Van de geestigheid weten zij zeker niets af. Om hun regt te doen, vliegen zij iets hooger dan hunne voorgangers, en men zou hen „liefhebbers van wijsheid en kunst” kunnen noemen.
Dus, op een leeftijd waarop bovengenoemde heeren bezig waren met op eene schoone vrouw een feestdronk in te stellen, of om sonetten op haar te maken,—met, in den schouwburg hun oordeel te vellen over een tooneelstuk,—of bij Will’s of Button een gedicht te bespreken,—overleggen deze heeren thans hoe zij eene kiezersvereeniging zullen omkoopen,—bedenken eene redevoering voor het parlement, of liever eene verhandeling voor de tijdschriften, terwijl de wetenschap van het spel vooral hunne gedachten bezig houdt. Dit zijn de studiën van hunne ernstige uren, terwijl zij voor hun vermaak het uitgestrekte gebied hebben van den kunstliefhebber: schilderijen, muzijk, beeldhouwkunst, en de natuurlijke, of liever de onnatuurlijke wijsbegeerte, welke het wonderbaarlijke opdischt, en van de natuur niets anders kent dan hare monsters en onvolmaaktheden.
Nadat Jones den heelen dag in vergeefsche pogingen had aangewend om mevrouw Fitzpatrick te zien, keerde hij eindelijk troosteloos naar zijne kamers terug. Hier, terwijl hij in stilte zijn lot beklaagde, hoorde hij een hevig geraas beneden aan de trap, en eene vrouwenstem, die hem om hulp riep en hem smeekte om een moord te komen beletten. Jones, die nooit eenige gelegenheid verzuimde om de ongelukkigen bij te staan, vloog dadelijk naar beneden, trad in de voorkamer en zag voormelden wijzen en kunstminnenden jongen heer, door zijn eigen knecht vast tegen den muur geklemd, terwijl eene jonge dame die er bij stond, de handen wrong en uitriep: „Moord! Moord! Hij zal hem vermoorden!” en inderdaad de arme man scheen gevaar te loopen van gewurgd te worden, toen Jones tot zijne hulp opdaagde en hem redde juist op het oogenblik dat hij gereed scheen den adem uit te blazen onder de onbarmhartige handen van zijn vijand.
Hoewel deze verscheidene trappen en stompen ontvangen had van den kleinen heer, die meer moed dan kracht bezat, beschouwde de knecht het toch als eene soort van gewetenszaak om zijn meester te slaan, en zou zich te vreden gesteld hebben met hem te wurgen; maar koesterde minder eerbied voor Jones. Zoodra hij zich dan wat ruw aangevallen zag door dezen nieuwen tegenstander, gaf hij hem een van die stompen in de ingewanden, welke, ofschoon, zij op het kampvechters-tooneel van den heer Broughton den toeschouwers oneindig veel genot verschaffen, slechts weinig genoegen doen aan diegenen, welke ze ontvangen.
De krachtige jongeling had naauwelijks dezen slag ontvangen, of hij gaf hem met woeker terug, en thans volgde er een strijd tusschen Jones en den knecht, die woedend maar zeer kort was; want deze kerel was evenmin bestand tegen Jones, als zijn meester tegen hem bestand was geweest.
En nu had Fortuna, volgens hare gewoonte, de zaken omgekeerd. De vorige overwinnaar lag ademloos op den grond uitgestrekt, en de overwonnene heer had adem genoeg gekregen, om den heer Jones voor zijne tijdige hulp te danken, terwijl hij mede hartelijk bedankt werd door de jonge dame die aanwezig was, en die niemand anders bleek te zijn dan jufvrouw Nancy, de oudste dochter des huizes.
De knecht, nu weer opgestaan zijnde, schudde het hoofd tegen Jones en zeide met een sluwen blik: „Neen verd—! Tegen jou zal ik het niet meer opnemen! Gij hebt eene goede school doorgemaakt,—of de drommel zal mij halen!”
En inderdaad, wij mogen hem dit vermoeden te goed houden; want onze held was zoo vlug en sterk dat hij welligt bestand zou zijn geweest tegen een boxer van beroep en gemakkelijk al de met den handschoen gepromoveerden van den heer Broughton zou beschaamd hebben. [16]
De meester nu, schuimbekkende van woede, beval den knecht om dadelijk de liverei uit te trekken, waartoe deze terstond gereed was, mits hij zijn loon kreeg. Die voorwaarde werd dadelijk vervuld en daarmede werd hij ontslagen.
Daarop drong de jonge heer, die Nightingale heette, er sterk op aan dat zijn bevrijder een glas wijn met hem gebruiken zoude, waarin Jones, na zich lang te hebben laten smeeken, toestemde; ofschoon eerder uit beleefdheid dan uit neiging; want zijne ongerustheid maakte hem op dat oogenblik weinig voor de gezelligheid geschikt.
Mejufvrouw Nancy, het eenige vrouwelijke wezen in huis daar hare moeder en hare zuster beiden naar de komedie waren gegaan, verwaardigde zich insgelijks hen met haar gezelschap te vereeren.
Zoodra de flesch en de glazen op tafel stonden, begon de heer Nightingale de aanleiding tot de pas ontstane rustverstoring uit te leggen.
„Ik hoop, mijnheer,” zeide hij tot Jones, „dat gij uit hetgeen gebeurd is, niet besluiten zult dat het mijne gewoonte is om mijne dienstboden te slaan; want ik kan u verzekeren dat, zoolang ik me herinneren kan, dit de eerste keer is dat ik me aan zoo iets schuldig heb gemaakt, en juist dezen kerel had ik vele lastige gebreken vergeven, eer hij mij zoo ver bragt;—maar, als gij verneemt wat er heden avond gebeurd is, zult gij denkelijk gelooven dat ik wel te vergeven ben. Bij toeval kwam ik een uur of wat vroeger dan gewoonlijk te huis, en vond vier heeren in liverei bezig met whist te spelen bij mijn vuur,—en mijn „Hoyle’s Whistspeler,” mijnheer,—mijn nieuwen Hoyle, die me een guinje gekost had, open op tafel, met een glas bier gestort op een der gewigtigste bladzijden van het boek. Gij zult bekennen dat dit eigenlijk al genoeg was; maar ik zei niets, tot het lieve gezelschap zich verwijderd had, toen ik den kerel een zacht verwijt deed, die, in plaats van eenig leedwezen te betoonen, mij het onbeschofte antwoord gaf, „dat dienstboden, even goed als andere menschen, hunne genoegens moeten hebben; dat het hem speet, dat er iets aan het boek gekomen was; maar dat vele zijner kennissen zoo’n boek voor een shilling gekocht hadden, en dat ik hem die som van zijn loon korten mogt, als ik dat verkoos.” Ik verweet hem nu zijn gedrag strenger dan te voren, en de schelm had toen de onbeschaamdheid om,—met één woord, hij zeide dat ik alleen vroeger naar huis was gekomen om,—om,—hij drukte zich met de meeste onbeschaamdheid uit;—hm,—hij zeide iets, met één woord, ten nadeele dezer jonge dame, dat mij bovenmate vertoornde en mijn geduld uitputte, en in mijne drift gaf ik hem een slag.”
Jones hernam, „dat hij geloofde dat geen mensch ter wereld hem zoo iets kwalijk kon nemen; en wat mij betreft,” zeide hij, „zou ik hem, als hij mij zoo getergd had, ook op dezelfde wijze behandeld hebben.”
Ons gezelschap was nog niet lang bijeen geweest toen het vermeerderd werd door de moeder en dochter, die van den schouwburg te huis kwamen. Zij sleten nu allen een zeer aangenamen avond; want allen, behalve Jones, waren zeer opgeruimd, en zelfs hij deed zijn best om zoo vrolijk mogelijk te schijnen. Inderdaad, de helft van zijn natuurlijken levenslust, gevoegd bij zijne groote goedaardigheid, was genoeg om hem zeer beminnelijk in den omgang te maken, en in weerwil van zijne droefgeestigheid, maakte hij zich nu zoo aangenaam dat, toen zij scheidden, de jonge heer ernstig smeekte om nader kennis met hem te mogen maken. Jufvrouw Nancy was ook zeer met hem ingenomen, en de weduwe, geheel bekoord door den nieuwen huisgenoot, noodigde hem, met den andere, den volgenden morgen op het ontbijt.
Jones was, van zijn kant, niet minder voldaan. Wat jufvrouw Nancy betreft, hoewel een heel klein ding, was zij zeer mooi, en de weduwe prijkte met al de bekoorlijkheden, welke eene vrouw van bijna vijftigjarigen leeftijd versieren kunnen. Zij was ook tevens een der onschuldigste en meest opgeruimde wezens ter wereld. Zij dacht, noch sprak, noch begeerde iets kwaads, en was bezield met dien gestadigen wensch om te behagen,—die in zoo ver de gelukkigste aller wenschen is, dat hij zelden,—zoo hij niet door gemaaktheid, verijdeld wordt,—zijn doel mist. Met één woord hoewel, er slechts weinig in hare magt was, bleef zij in haar hart steeds eene zeer getrouwe vriendin. Zij was eene uiterst liefderijke echtgenoote geweest, en was thans ook eene zorgzame en teedere moeder.
Daar onze geschiedenis geene courant is, die luide den roem verkondigt van menschen van welke men vroeger nooit iets gehoord heeft en van wie men nooit verder iets vernemen zal, moet de lezer inzien dat deze uitstekende vrouw later blijken zal eene belangrijke rol te spelen in ons verhaal.
Jones was ook niet weinig ingenomen met den jongen heer, die hem op een glas wijn verzocht had. Hij dacht dat hij veel gezond verstand bij hem ontdekt had, hoewel het een weinig bedorven was door de kwasterigheid der hoofdstad; maar hetgeen hem het meest aan Jones aanbeval, waren eenige zeer edelmoedige en menschlievende gevoelens, die hij zich tusschenbeide liet ontvallen, en vooral vele uitdrukkingen omtrent het in acht nemen der grootste onbaatzuchtigheid in alle liefdezaken. Over dit onderwerp drukte zich de jonge heer uit in eene taal die een Arkadischen herder uit den ouden tijd zich niet zou hebben behoeven te schamen, en welke zeer verwonderlijk scheen als men ze hoorde vloeijen van de lippen van een hedendaagschen man van de wereld;—maar dit laatste was hij alleen uit navolgingszucht;—de natuur had hem tot iets veel beters bestemd.
HOOFDSTUK VI.
HETGEEN ER GEBEURDE TERWIJL HET GEZELSCHAP BIJ HET ONTBIJT ZAT, MET EENIGE WENKEN OMTRENT DE OPVOEDING VAN DOCHTERS.
Ons gezelschap kwam den volgenden morgen bijeen, even vriendschappelijk gezind als het den vorigen avond gescheiden was; alleen de arme Jones was zeer mistroostig; want hij had pas van Partridge vernomen, dat mevrouw Fitzpatrick plotseling verhuisd was, zonder dat het hem gelukte te vernemen waar zij heen gegaan was. Dit nieuws trof hem zeer en zijn gelaat, zoo wel als zijne houding gaven, in weerwil van al zijne pogingen om het te verbergen, de duidelijkste blijken van zijne hevige ontroering.
Het gesprek liep nu weder, even als vroeger, over de liefde, en de heer Nightingale uitte op nieuw vele van die hartstogtelijke, edelmoedige en onbaatzuchtige gevoelens op dit punt, welke door wijze en bedaarde mannen „romanesk” genoemd worden, maar die wijze en bedaarde vrouwen gewoonlijk uit een gunstiger oogpunt beschouwen. Mejufvrouw Miller (zoo als de vrouw des huizes heette), keurde deze gevoelens zeer goed; maar als de jonge heer zich op hare dochter Nancy beriep, gaf deze slechts ten antwoord, „dat zij geloofde dat de mijnheer die het minst gesproken had, juist het diepste gevoelde.”
Dit compliment was zoo blijkbaar tot Jones gerigt, dat het ons gespeten zou hebben als hij het stilzwijgend had laten voorbij gaan. Hij gaf haar dan ook een zeer beleefd antwoord, en eindigde met een zijdelingschen wenk, dat haar eigen stilzwijgen haar zelve aan een dergelijke opmerking blootstelde; want zij had inderdaad den vorigen avond, noch thans, de lippen haast niet open gedaan.
„Ik ben blijde, Nancy,” zei jufvrouw Miller, „dat mijnheer dat opgemerkt heeft;—en ik verklaar dat ik bijna van zijne meening ben. Wat scheelt u toch, kind? Ik heb nooit zoo’n verandering gezien. Waar is al uwe vrolijkheid gebleven? Zoudt gij het gelooven, mijnheer?—Ik noemde haar altijd de kleine praatster. En nu heeft zij de geheele week geen tien woorden gesproken!”
Hier werd het gesprek gestoord door het binnentreden van eene dienstmeid met een pakje in de hand, hetwelk, naar zij zeide, door een kruijer afgegeven was voor den heer Jones. Zij voegde er bij, dat de man dadelijk weer weggegaan was, zonder op antwoord te willen wachten.
Jones gaf eenige verwondering hierover te kennen en verklaarde dat er eene vergissing bij plaats gevonden moest hebben; maar daar de meid volhield dat zij zeker was den naam goed gehoord te hebben, begeerden de vrouwen het pakje te openen, wat eindelijk, door de kleine Betsy gedaan werd,—met toestemming van den heer Jones, en men ontdekte dat de inhoud bestond uit een domino, een masker, en een kaartje voor eene maskerade.
Jones gevoelde zich thans nog meer dan vroeger overtuigd dat het pakje bij vergissing voor hem afgegeven was en jufvrouw Miller zelve drukte eenigen twijfel uit en zeide, „dat zij niet precies wist wat zij er van denken moest.”
Maar de heer Nightingale, toen men hem zijn gevoelen vroeg, uitte zich in een geheel tegenovergestelden zin. „Al wat ik er uit opmaak, mijnheer, is dat gij een zeer gelukkig mensch zijt; want ik koester hoegenaamd geen twijfel, dat deze dingen u gezonden zijn door de eene of andere dame, die gij het genoegen zult hebben op het gemaskerd bal te ontmoeten.”
Jones was niet ijdel genoeg om zich met zulk een vleijend denkbeeld te streelen, en jufvrouw Miller stemde ook niet sterk in met wat door den heer Nightingale beweerd werd, totdat, toen jufvrouw Nancy den domino op nam, er een kaartje uit de mouw viel, waarop geschreven stond:
„Aan den heer Jones.
„De feeënkoningin, die u haar gaven biedt, Roept met die gift u toe: misbruik haar goedheid niet.”