Chapter 80 of 84 · 3998 words · ~20 min read

Part 80

„Wat?” herhaalde Blifil. „Wel! iets, dat in weerwil van al hetgeen jufvrouw Miller gezegd heeft, het mij zeer spijt te moeten mededeelen, en dat gij nooit van mij vernomen zoudt hebben, als het iets ware, dat geheim kon blijven. Met één woord, hij heeft iemand gedood,—ik wil niet zeggen, vermoord;—want misschien zal de wet het niet zoo uitleggen,—en, om zijnentwil, moeten wij het beste hopen!”

Allworthy ontstelde, riep de hemelsche genade in, en zich daarop tot jufvrouw Miller wendende, riep hij uit:

„Wel, jufvrouw, wat zegt gij nu?”

„Wat ik zeg, mijnheer?” hernam zij. „Wel, dat het de droevigste tijding is, welke ik ooit van mijn leven vernomen heb; maar al blijkt alles waar te zijn, dan ben ik overtuigd dat zijn vijand, wie het ook was, de schuld moet dragen. De hemel weet het, er zijn vele schurken hier in de stad, die er steeds op uit zijn om jonge lieden te tergen. Niets dan de meest verregaande terging zou hem tot zoo iets gebragt hebben;—want van alle heeren, die ik ooit in huis heb gehad, is er geen geweest, die zoo zachtmoedig of goedig was. Iedereen in huis dweepte met hem,—en iedereen ook die den voet over den drempel zette.”

Terwijl zij op deze wijze doordraafde, hoorde men met geweld aan de huisdeur kloppen, wat het gesprek stoorde en haar belette het te hervatten;—want zoodra zij begreep dat het een bezoeker was voor den heer Allworthy, verwijderde zij zich met den meesten spoed, hare kleine dochter met zich nemende, die hard op snikte over de droevige tijding welke zij van Jones vernomen had, die haar zijn vrouwtje plagt te noemen en haar niet slechts veel speelgoed schonk, maar ook wel eens uren lang zelf met haar speelde.

Sommige lezers zullen welligt genoegen scheppen in dergelijke onbelangrijke omstandigheden, welke wij verhalen op het voorbeeld van Plutarchus, een der beste onzer mede-geschiedschrijvers;—en anderen, voor wie ze beuzelachtig mogten schijnen, zullen, naar wij hopen, ze ons ten goede houden, daar wij bij dergelijke gelegenheden nooit langdradig zijn.

HOOFDSTUK III.

EEN BEZOEK VAN DEN HEER WESTERN,—MET HET EEN EN ANDER OVER VADERLIJK GEZAG.

Jufvrouw Miller had pas de kamer verlaten, toen de heer Western binnen trad,—na een korten woordentwist tusschen hem en de mannen van zijn draagstoel;—want die menschen, welke hunne vracht opgenomen hadden bij „de Zuilen van Herkules” koesterde geenen hoop van in het vervolg ook een goeden klant te hebben aan den landjonker, en daar zij bovendien aangemoedigd waren door dat hij hun al van zelf een schelling meer gegeven had, dan zij vergen mogten, eischten ze nu zeer onbeschoft nog een paar schellingen, wat den landjonker zoo boos maakte, dat hij hen niet slechts met eene rist van verwenschingen overlaadde, aan de deur, maar steeds nog driftig bleef toen hij in de kamer trad, zwerende dat alle inwoners van Londen even weinig deugden als het geheele hof en aan niets anders dachten dan om het landvolk af te zetten.

„Wel verd—!” riep hij, „ik loop liever door den regen, dan me weder door hen te laten kruijen! Zij hebben mij die ééne mijl meer door elkaar geschokt dan mijne bruine merrie gedaan zou hebben op een langen jagtdag.”

Nadat zijne drift op dit punt eenigzins bekoeld was, vatte ze dadelijk weêr vuur op een ander onderwerp.

„Wat drommel!” riep hij, „daar is weêr wat fraais aan den gang! De honden zijn nu op een nieuw spoor! Eerst dachten we een vos te jagen,—en nu, zoo waar ik leef, blijkt het een das te zijn!”

„Kom, mijn waarde buurman,” zei Allworthy, „laat de beeldspraak varen, en spreek wat duidelijker!”

„Nu dan,” hernam de landjonker, „om u de zaak helder aan het verstand te brengen,—tot dus ver zijn wij in den angst geweest over een hoerenkind,—een bastaardzoon van iemand, wie dat ook zij,—ik weet het niet!—En nu hebt ge zoo’n beroerde, bedonderde lord,—die voor mijn part ook een bastaard kon wezen,—want mijne dochter zal hij nooit krijgen. Zij hebben het land te gronde gerigt; maar zullen mij niet tot den bedelstaf brengen. Zij zullen mijn land niet aan die Hannoveranen verkoopen!”

„Wel, gij verrast me zeer, waarde vriend!” riep Allworthy.

„Nu! Ik sta zelf ook verstomd!” hernam de landjonker. „Gisteren avond, ging ik, volgens afspraak zuster Western bezoeken, en dáár vond ik de heele kamer vol vrouwen.—Daar was Milady, nicht Bellaston, en Milady Betsy, en Milady Katharina, en Milady ik weet niet wie meer,—verdraaid, als men mij ooit weer snapt onder zulk een troep wijven, met hare hoepelrokken! Om den drommel niet! Ik laat me liever jagen door mijne eigene honden, zoo als die vent, in dat boekje vol fabels, die in een haas veranderd en door zijne eigene honden gedood en opgevreten werd! Zoo waar ik leef, geen sterveling is ooit zoo gejaagd geweest als ik! Als ik den eenen kant uitsnijden wilde, nam me de ééne beet,—als ik omkeerde pakte, me eene andere! „O!” zei de eene nicht, „het is zeker eene der beste partijen in geheel Engeland!” (En hier deed hij zijn best, om de dames na te praten.) „Een prachtig aanbod!” riep de andere nicht (want ge moet weten, dat het alle nichten waren, al had ik haar van mijn leven nog niet gezien). „Wel, neef!” zei die beroerde bl—, die Lady Bellaston,—„wel neef! Ge zijt zeker niet bij zinnen als gij zulk eene partij afslaat!””

„Nu begin ik op de hoogte te komen,” zei Allworthy. „Iemand heeft aanzoek gedaan om de hand van jufvrouw Sophia, die door de dames der familie goedgekeurd wordt, maar die niet naar uw zin is?”

„Naar mijn zin?” riep Western. „Hoe drommel zou hij naar mijn zin zijn? Ik zeg je, dat het een lord is,—en dat is volk, waarmede ik me vast voorgenomen heb, nooit iets te doen te hebben! Is het niet zoo wat veertig jaren geleden, dat ik weigerde aan een van hen een lapje grond te verkoopen, dat hij bij zijn park hebben wilde, alleen omdat ik met geen lord iets te doen wilde hebben;—en gelooft ge nu, dat ik aan een van hen mijne dochter zou willen geven? Bovendien, gij hebt mijn woord, en geen mensch kan zeggen, dat ik ooit van mijn woord afgeweken ben, als ik het eens gegeven had!”

„Wat dat aangaat, buurman,” zei Allworthy, „ik laat u geheel vrij. Geen kontrakt kan verbindend zijn tusschen twee personen, die geen volle magt hadden om het ooit te sluiten, en later de magt niet krijgen om het te vervullen.”

„Allemaal gekheid!” riep Western. „Ik zeg u dat ik de magt heb en dat ik er gebruik van zal maken. Kom maar dadelijk mede naar Doctors’ Commons;—ik zal daar de noodige papieren laten opmaken, en dan zal ik de meid met geweld van mijne zuster gaan afhalen,—en als zij hem niet nemen wil, zal ik haar opsluiten op water en brood,—zoo lang zij leeft.”

„Mag ik u verzoeken, mijnheer Western, naar mij te luisteren terwijl ik mijne gevoelens op dit punt uitleg?” vroeg Allworthy.

„Naar u luisteren!” hernam de andere. „Wel! natuurlijk zal ik dat doen!”

„Nu dan,” hervatte Allworthy, „ik kan naar waarheid getuigen, en zonder compliment voor u of de jonge dame, dat toen dit huwelijk voorgesteld werd, ik mij van harte gaarne daartoe gereed betoonde, uit achting voor u en uwe dochter. Eene verbindtenis tusschen twee familiën, buren van elkaar, en tusschen welke er altijd zulk een vriendschappelijke omgang en goede verstandhouding geheerscht had, beschouwde ik als een zeer wenschelijk iets, en, wat de jonge dame betreft, ik was verzekerd niet slechts door hetgeen ik zelf opgemerkt had, maar door het eenparige oordeel van allen die haar kenden, dat zij een onwaardeerbare schat zou wezen voor een braven man. Ik zal niet spreken van hare uiterlijke hoedanigheden, die zeker bewonderenswaardig zijn;—hare goedaardigheid, hare mildheid, hare zedigheid zijn ook te goed bekend, dan dat ik ze behoefde te roemen; maar zij bezit ééne gave, welke ook in hooge mate geschonken was aan mijne beste vrouw, die thans in den hemel is,—eene gave, welke, omdat zij weinig in ’t oog valt, veelal niet eens gezien wordt,—ja, die zoo zelden opgemerkt wordt, dat ik geen naam kan vinden, waarmede ze te bestempelen. Ik moet ze dus door ontkenningen trachten te kenmerken. Ik heb nooit iets van haar vernomen, dat naar vinnigheid, of wat men noemt de gave van repartie, zweemt.—Zij maakt geene aanspraak op geestigheid, en nog veel minder op die soort van wijsheid, welke slechts verkregen wordt door groote geleerdheid en ondervinding,—en waarvan de aanmatiging bij eene jonge vrouw even bespottelijk is als de navolgingszucht van den aap. Ik heb nooit van haar beslissende vonnissen, afdoende oordeelvellingen en diepzinnig vitten gehoord. Telkens als ik haar in gezelschap met heeren gezien heb, heeft zij zitten luisteren met de bescheidenheid van den leerling eerder dan met de verwaandheid van den leermeester. Gij zult mij dat wel vergeven,—maar eens heb ik, om haar op de proef te stellen, hare meening gevraagd omtrent een punt, waarover de heeren Thwackum en Square onderling twist voerden. Hierop antwoordde zij mij met de meeste zachtheid: „Vergeef me, waarde mijnheer Allworthy, maar ik weet zeker dat gij schertst als gij mij in staat houdt eenig punt te beslissen, waarop twee zulke heeren het oneens zijn.” Thwackum en Square, die zich beide van de overwinning verzekerd hielden, ondersteunden mijn wensch. Zij echter hernam met dezelfde goedaardigheid: „Ik moet me bepaaldelijk verontschuldigen; want ik wil geen van beide beleedigen door partij voor hem te trekken.”—Inderdaad, zij heeft altijd den hoogsten eerbied getoond voor het verstand van den man,—eene hoedanigheid, welke onmisbaar is bij eene goede vrouw. Ik zal slechts hierbij voegen, dat daar zij blijkbaar van alle gemaaktheid vrij is, deze eerbied werkelijk echt moet wezen.”

Hierop zuchtte Blifil zwaar, waarop Western, die de tranen in de oogen kreeg, toen hij Sophia aldus hoorde prijzen, uitriep:

„Wees maar niet bang, hoor!—Want hebben zult ge haar,—dat zeg ik je—ja, verd—! Al ware zij nog twintig maal beter dan zij is!”

„Vergeet maar uwe belofte niet, om mij ten einde toe aan te hooren,” herinnerde Allworthy.

„Nu, ga uw gang maar,” hernam de landjonker. „Ik zal geen woord meer zeggen.”

„Nu, waarde vriend,” hervatte Allworthy, „Ik heb uitgeweid over de verdiensten der jonge dame, gedeeltelijk omdat ik wezenlijk verrukt ben over haar karakter en gedeeltelijk om te beletten dat men zich verbeelden zou dat haar vermogen,—want het huwelijk zou ook uit dat oogpunt zeer voordeelig zijn voor mijn neef,—beschouwd werd als eene mijner voorname beweegredenen om het huwelijk te begeeren. Inderdaad dan wenschte ik ook zoo’n schat van eene vrouw in mijne familie te zien; maar hoewel ik vele schoone dingen begeeren moge, mag ik ze daarom niet stelen, of mij aan geweld of onregtvaardigheid schuldig maken, ten einde ze in mijn bezit te krijgen. Nu is het eene daad van geweld en dwingelandij, om een meisje tegen haren zin en zonder hare toestemming tot een huwelijk te dwingen, en ik wenschte wel dat de wetten van ons land zoo iets verboden;—maar een goed geweten stelt zich zelf de wet, ook in den meest ongeregelden staat, en zal zich aan die banden leggen, welke de wetgever verzuimd heeft. En dit is zeker een geval van dezen aard; want is het niet wreed, ja zelfs ongodsdienstig, om eene vrouw te dwingen tegen hare neiging in, zich in eene positie te brengen waarin zij voor den allerhoogsten en meest ontzagwekkende regter, en op gevaar van haar zieleheil, haar gedrag verantwoorden moet? Het is geene gemakkelijke taak om de pligten van het huwelijksleven op eene behoorlijke wijze na te komen, en moeten wij dezen last eene vrouw opleggen, terwijl wij haar tevens berooven van allen steun, welken zij daarbij zoo hoog noodig heeft? Durven wij het wagen haar het hart te breken, terwijl wij haar pligten opleggen, tot welker vervulling zij haar geheele hart wel noodig heeft? Ik moet trachten hier zeer duidelijk te zijn: ik geloof dat ouders, die zoo iets doen, medepligtig worden aan al de misdaden later door hunne kinderen bedreven, en dat zij dus natuurlijk, voor een regtvaardigen regter, verwachten moeten ook deel aan hunne straf te hebben;—maar, al konden zij die ontgaan,—goede hemel! dan vraag ik, of er iemand ter wereld is, die de gedachte zou kunnen verdragen om tot het eeuwige ongeluk van zijn kind bijgedragen te hebben?

„Om deze reden, waarde buurman, daar ik begrijp, dat de jonge dame, ongelukkig, een bepaalden afkeer van mijn neef heeft, moet ik afzien van eenig verder vooruitzigt op de eer, welke gij hem wildet aandoen, ofschoon ik u verzekeren kan, dat ik u steeds in den hoogsten graad dankbaar daarvoor zal blijven.”

„Best, mijnheer,” brulde Western, met het schuim op de lippen, zoodra hij den mond opendeed; „best! Nu kunt gij niet zeggen dat ik u niet tot het einde toe aangehoord heb, en thans verwacht ik dat gij naar mij zult luisteren;—en als ik niet het tegendeel bewijs van elk woord dat gij gezegd hebt, stem ik er in toe, om een einde aan de zaak te maken! Ten eerste dan, eisch ik antwoord op ééne vraag: is zij niet mijne dochter? Ik vraag; is zij niet mijne dochter? Men zegt wel, ’t is een wijze vader, die zijn eigen kind kent;—maar in elk geval heb ik de meeste aanspraken op haar; want ik heb haar groot gebragt! Maar denkelijk, zult gij wel toestaan, dat zij mijn eigen kind is,—en in dat geval: heb ik geen regt om van mijn eigen kind gehoorzaamheid te vergen?—Ja, zeg ik, gehoorzaamheid te vergen? En als zij mij in andere zaken gehoorzamen moet,—moet zij mij ook in deze zaak gehoorzamen, welke van zoo veel belang is voor haar. En wat is het, dat ik van haar begeer? Vraag ik dat zij iets om mijnentwil zal doen?—Vraag ik, dat zij mij iets geven zal?—Wel juist het, tegendeel! Al wat ik vraag, is dat zij nu de ééne helft van mijn vermogen zal aannemen,—en de andere helft bij mijn dood! Nu—en waarom moet dit alles gebeuren? Wel! Alleen tot haar eigen geluk! ’t Is om dol te worden als men de menschen zoo hoort praten! Als ik zelf trouwen wilde, dan zou zij reden genoeg hebben om te janken en huilen;—maar, integendeel,—heb ik niet aangeboden mijne bezittingen zoo op haar vast te maken, dat ik niet eens trouwen kon, al wilde ik het nog zoo gaarne, daar geene vrouw ter wereld mij zou willen nemen! Wat drommel, kan ik meer doen? Ik zou er toe bijdragen, om haar in de eeuwigheid ongelukkig te maken?—Verd—! De geheele wereld zie ik liever naar den bl—— loopen, dan dat men haar één haar op het hoofd zou krenken! Neem het me niet kwalijk, vriend Allworthy; maar ik sta verstomd als ik u zoo hoor praten! Ik moet ook zeggen, hoe ge het verkiest op te nemen, dat ik me verbeeldde, dat ge meer gezond verstand hadt!”

Allworthy antwoordde slechts met een glimlach op dit verwijt, en zou, al had hij het gewenscht, noch kwaadaardigheid noch minachting in dien glimlach hebben kunnen mengen. Inderdaad, hij glimlachte om de dwaasheid op dezelfde wijze waarop wij veronderstellen mogen dat de engelen glimlagchen om de ongerijmdheden der menschen.

Thans verzocht Blifil eenige woorden te mogen spreken: „Wat dwangmiddelen betreft, zeker zou ik er nooit in toestemmen, dat die tegen de jonge dame gebezigd werden. Mijn geweten laat niet toe, tegen wien ook dwang te gebruiken en nog veel minder tegen eene dame, voor wie, hoe wreed zij ook zij ten mijnen opzigte, ik steeds de zuiverste, meest opregte liefde koesteren zal. Ik heb echter gelezen, dat de vrouwen zelden bestand blijven tegen de volharding. Waarom zou ik dus ook niet mogen hopen door vol te houden, eindelijk die neiging te verwerven, waarin ik voor het vervolg welligt geen mededinger zal behoeven te duchten;—want, wat dien Lord betreft, mijnheer Western heeft de goedheid mij boven hem te verkiezen, en zeker, oom, zult gij niet loochenen, dat een vader ten minste eene ontkennende stem bezit, in deze zaken;—ja, ik heb zelfs de jonge dame herhaaldelijk hooren verklaren, en verzekeren, dat zij het onvergeefelijk beschouwde als kinderen regtstreeks tegen den zin hunner ouders in het huwelijk traden. Bovendien, hoewel de overige dames der familie de aanspraken van Milord schijnen te begunstigen, zie ik niet, dat de dame zelve geneigd is om hem eenigzins de voorkeur te geven;—helaas, ik ben zelfs van het tegendeel overtuigd;—ik weet maar al goed, dat die andere booswicht steeds nog in haar hart heerscht.”

„Ja, ja, dat is ook het geval,” riep Western.

„Maar,” hervatte Blifil, „het is toch buiten kwestie, dat als zij den moord verneemt, welken hij begaan heeft,—al spaart zelfs de wet zijn leven—”

„Hoe! Wat?” riep Western, „een moord? Heeft hij een moord begaan? En is er eenige hoop om hem te zien opknoopen?—Bravo! Hoera! Tra-la-li-ri!” En hij begon te zingen en door de kamer te dansen.

„Neef,” zei Allworthy, „uwe ongelukkige liefde doet me opregt leed. Ik heb van harte medelijden met u en zou alles wat billijk is, willen doen om uw geluk te verzekeren.”

„Ik verlang ook niets anders,” hernam Blifil. „Ik ben overtuigd dat mijn beste oom te goed over me denkt om te kunnen veronderstellen dat ik zelf iets anders verlangen zou!”

„Hoor dan,” antwoordde Allworthy. „Ik geef u verlof om haar te schrijven,—zelf om haar te bezoeken, als zij dat toestaan wil;—maar ik blijf er bij:—ik wil van geen dwang weten. Van opsluiting, of iets van dien aard, wil ik niets hooren!”

„Nu ja,” riep de landjonker; „niets van dien aard zal ook beproefd worden; wij zullen nog een tijdlang zachte middelen beproeven; en als die kerel maar eens aan de galg is—tra—la—la! Ik heb van mijn leven geen betere tijding ontvangen;—dan zal wel alles verder naar mijn zin gaan. Kom, mijn waarde Allworthy,—zeg niet neen! Kom heden bij me eten in de „Zuilen van Herkules;”—ik heb een gebraden schapenbout besteld, met een varkensribbetje en een kip met eijerensous. Wij zullen heel alleen wezen,—tenzij wij lust krijgen om den waard zelven er bij te vragen; want ik heb dominé Supple naar Basingstoke gezonden, om mijne tabaksdoos te zoeken, welke ik daar heb laten liggen in de herberg, en die ik om alles ter wereld niet zou willen verliezen; want ik heb ze al meer dan twintig jaren gehad. Ik verzeker je, dat die waard een komieke vent is, die u best bevallen zal!”

De heer Allworthy liet zich eindelijk overhalen om deze uitnoodiging aan te nemen, en kort daarop vertrok de landjonker, springende en dansende, bij de prettige gedachte om weldra het tragische uiteinde van den armen Jones te beleven.

Zoodra hij weg was, hervatte Allworthy, op zeer ernstigen toon, het gesprek. Hij verzekerde zijn neef, „dat hij van ganscher harte wenschte dat hij een hartstogt trachtte te overwinnen, die u,” zeide hij, „naar ik vrees, geenerlei vooruitzigt op geluk oplevert. Het is ongetwijfeld eene dwaling, al is ze nog zoo algemeen, te gelooven, dat de afkeer van eene vrouw door volharding te overwinnen is. De onverschilligheid moge welligt soms daarvoor bezwijken; maar een minnaar zegeviert gewoonlijk door volharding alleen over grillen, onvoorzigtigheid, gemaaktheid, en soms over een buitensporigen graad van ligtzinnigheid, welke eene vrouw, die niet zeer vurig van gestel maar eenigzins ijdel is, kon bewegen om den duur der vrijaadje te verlengen, zelfs wanneer zij al redelijk ingenomen is met haren vrijer, en haar eindelijk doen besluiten,—als zij ooit tot een besluit komen kan,—om hem eene zeer geringe vergoeding te schenken voor al wat hij geleden heeft. Maar een bepaalde afkeer, zooals, naar ik vrees, in dit geval heerscht, zal eerder versterkt dan verminderd worden door den tijd. Bovendien, waarde neef, heb ik nog een twijfel, welken gij mij ten goede houden moet. Ik vrees namelijk dat de liefde, welke gij voor dat beminnelijke meisje koestert, te veel gegrond is op bewondering van haar uiterlijk schoon, en eigenlijk onwaardig is om den naam van die liefde te dragen, welke de eenige grondslag is van het huwelijksgeluk. Het is, ik erken het, niet meer dan natuurlijk om eene schoone vrouw te bewonderen, haar gaarne te zien en naar haar bezit te verlangen; maar naar ik meen, wordt de liefde alleen uit de liefde geboren;—ten minste, ik weet tamelijk zeker, dat het niet in de menschelijke natuur ligt om iemand te beminnen, van wie wij weten, dat hij ons haat toedraagt. Onderzoek dus goed uw hart, mijn waarde jongen, en als gij, na rijp overleg, slechts den minsten zweem van zulk eene gezindheid in u zelven ontdekt, dan ben ik overtuigd, dat uwe deugd en uw godsdienstzin, u nopen zullen zulk een onwaardigen hartstogt uit uw hart te bannen, en uw gezond verstand zal u spoedig in staat stellen dat te doen zonder pijn.”

De lezer kan gemakkelijk begrijpen wat Blifil hierop antwoordde; maar als hem dat moeijelijk valt, hebben wij voor het oogenblik den tijd niet om hem dienaangaande in te lichten, daar onze geschiedenis nu dringende zaken van meer belang mede te deelen heeft en wij het ook niet langer volhouden kunnen, zonder Sophia weder te ontmoeten.

HOOFDSTUK IV.

EEN MERKWAARDIG TOONEEL TUSSCHEN SOPHIA EN HARE TANTE.

De loeijende vaars en het blatend ooilam mogen, temidden der kudde, veilig en onbewaakt door de weilanden dwalen. Ze zijn wel later gedoemd om den mensch ten prooi te vallen; maar mogen jaren lang ongestoord de vrijheid genieten. Als echter eene vette hinde uit het bosch ontsnapt en ontdekt wordt terwijl zij in veld of struik uitrust, geraakt spoedig de geheele gemeente op de been; iedereen is gereed om met zijne honden jagt op haar te maken, en als zij door den heer van het dorp beschermd wordt tegen al de overigen, doet hij dat alleen met het doel om haar op zijne eigene tafel te zien pronken.

Ik heb me dikwerf verbeeld, dat een schoon jong meisje, van goeden huize en met eenig vermogen, als zij voor het eerst over den drempel van de kinderkamer komt, ongeveer in denzelfden toestand verkeert als de hinde. De stad is dadelijk in de weer; zij wordt gejaagd uit het park naar den schouwburg, van het hof naar de soirées, van de soirée naar hare eigene kamer en doorleeft zelden één saizoen zonder den een of anderen ten prooi te vallen; want, als hare vrienden haar tegen sommigen bewaken, doen zij dat alleen om haar aan iemand anders over te leveren, dien zij zelve uitgezocht hebben, en die haar dikwerf meer gehaat is, dan al de overigen; terwijl geheele kudden, of troepen van andere vrouwen in de meeste veiligheid, en haast zonder dat men naar haar ziet, het park, de opera en de partijen bezoeken, en, hoewel ook zij eindelijk meestal verslonden worden, een tijdlang, vrij en ongedwongen overal in het rond dartelen.

Onder al deze slagtoffers, werd er nooit een meer vervolgd dan de arme Sophia. Het booze noodlot, niet tevreden met hetgeen zij door Blifil geleden had, zond nu een nieuwen pijniger, die, naar het scheen, haar niet minder kwellen zou, dan de andere reeds gedaan had. Want ofschoon hare tante minder driftig was, bleef zij niet minder volhouden dan vroeger haar vader, met zijne kwellingen.

De dienstboden hadden naauwelijks na tafel de kamer verlaten, toen mejufvrouw Western, na eene korte inleiding, aan Sophia mededeelde, „dat zij dienzelfden namiddag Milord wachtte, en zich voorgenomen had om hem met haar alleen te laten.”

„Als dat geschiedt, tante,” antwoordde Sophia, met eenigen moed, „zal ik ook dadelijk de gelegenheid waarnemen om hem aan zich zelven over te laten.”

„Hoe! Wat!” riep hare tante; „wilt gij mij op die wijze mijne goedheid vergelden, dat ik u uit de gevangenschap bij uw vader verlost heb?”

„Gij weet best, tante,” hernam Sophia, „dat ik dáár opgesloten werd, juist omdat ik weigerde een man te nemen, dien ik haatte, en zou mijne lieve tante, die mij uit dien nood gered heeft, mij een nieuw ongeluk willen berokkenen, dat niet minder erg is?”

„En verbeeldt gij u dan, mejufvrouw,” hernam hare tante, „dat er geen onderscheid bestaat tusschen Lord Fellamar en mijnheer Blifil?”