Part 74
Na eenige aarzeling, liet zich Jones door deze verzekering overhalen; maar zwerende dat hij den moed niet had haar in het aangezigt een dergelijk voorstel te doen, schreef hij haar den volgenden brief, die hem door Nightingale gedicteerd werd.
„Mevrouw,
Tot mijn groot leedwezen was eene afspraak, die me van huis hield, oorzaak dat ik uwe zeer vereerende uitnoodiging niet dadelijk ontving, en het uitstel dat me nu belet mij dadelijk te regtvaardigen, verzwaart zeer deze ramp. O, Lady Bellaston, hoeveel heb ik niet geleden uit vrees dat uw goede naam benadeeld zou worden door al deze ongelukkige omstandigheden! Er is slechts één middel om hem te bewaren. Ik behoef niet te zeggen wat dat is! Veroorloof me slechts hierbij te voegen, dat daar uwe eer mij even dierbaar is als de mijne, het mijne hoogste eerzucht is om mijne vrijheid aan uwe voeten te leggen, en geloof mij als ik u verzeker dat ik nooit geheel gelukkig zal wezen, tot gij mij edelmoedig het regt toekent om u wettig en voor altijd de mijne te noemen.
„Ik verblijf,
Milady,
met den meesten eerbied, uw zeer dankbare, en onderdanige dienaar,
Thomas Jones.”
Op dezen brief zond zij met den meesten spoed het volgende antwoord:
„Mijnheer,
Toen ik uw zeer ernstig schrijven las, had ik me uit de koelheid en stijfheid daardoor kunnen verbeelden, dat gij reeds in het bezit waart van de „wettige regten,” waarvan gij spreekt;—ja zelfs, dat wij al sedert vele jaren werkelijk zamen dat monsterdier, man en vrouw genoemd, uitmaakten.
„Houdt gij mij dan werkelijk voor eene zottin? Of gelooft gij dat gij in staat zijt zoo zeer mijn verstand te benevelen, dat ik mijn geheel vermogen in uwe magt zou stellen, alleen om u de gelegenheid te geven op mijne kosten uwe genoegens na te jagen? Zijn dit de bewijzen, welke ik van uwe liefde verwacht had? Is dit de vergelding voor ——; maar ik acht het beneden mij om u iets te verwijten en ben, in groote bewondering van uwen diepen eerbied, enz.”
„P.S. Ik word belet om mijn schrijven over te lezen.—Misschien heb ik meer gezegd dan ik wel bedoelde.—Kom heden avond om acht uur bij mij.”
Na overleg met zijn raadsman, antwoordde Jones:
„Mevrouw,
Het is me onmogelijk u te zeggen, hoe zeer ik me gegriefd gevoel door de verdenkingen, welke gij omtrent mij koestert. Kan Lady Bellaston hare gunsten geschonken hebben aan een man, dien zij schuldig zou gelooven aan zulk een laag voornemen? Of kan zij minachting koesteren voor de heiligste banden der liefde? Kunt gij u ook verbeelden, Mevrouw, dat als de hevigheid van mijn hartstogt voor een oogenblik de achting vermeesterde, welke ik voor uwe eer koester, ik er aan zou willen denken, om een omgang voort te zetten, die onmogelijk lang voor het oog der wereld verborgen zou kunnen blijven, en die, eens ontdekt, zoo noodlottig zou wezen voor uw goeden naam? Indien gij zulke gedachten van mij koestert, dan moet ik bidden spoedig in de gelegenheid te zijn die geldelijke verpligtingen te kunnen afdoen, welke ik het ongeluk had uit uwe handen te ontvangen, terwijl ik voor die van een meer kostbaren aard, steeds blijven zal, enz.”
Eindigende juist met dezelfde woorden als aan het slot van zijn eersten brief.
De dame antwoordde hierop als volgt:
„Ik zie thans in dat gij een schurk zijt en veracht u van ganscher harte. Als gij hier komt, geef ik niet te huis voor u.”
Hoewel Jones zich zeer gelukkig gevoelde dat hij aldus verlost was van eene slavernij, welke ieder die iets dergelijks ooit ondervonden heeft, bekennen zal dat niet tot de ligtste soort behoort gevoelde, hij zich toch niet geheel gerust gesteld in zijn hart. Er was te veel valschheid in zijn plan geweest om iemand te voldoen, die alles wat naar onopregtheid en oneerlijkheid zweemde, verfoeide,—en inderdaad, hij zou zich er niet aan onderworpen hebben, als hij zich niet in een pijnlijken toestand had bevonden, waarin hij gedwongen was zich oneerlijk te gedragen ten opzigte van eene der beide dames,—en de lezer zal zeker toestemmen, dat alle goede grondbeginselen, zoowel als de liefde zelve, sterk ten gunste van Sophia pleitten.
Nightingale verheugde zich bovenmatig over het welslagen van zijne list, waarvoor hij veel dank en lof van zijn vriend inoogstte. Hij zei dan ook:
„Mijn waarde Tom, wij hebben elkaar op geheel tegenovergestelde wijzen verpligt. Aan mij dankt gij uwe vrijheid weder;—aan u dank ik het verlies van de mijne. Maar als gij, in uwen toestand, u even gelukkig gevoelt als ik in den mijne, dan verzeker ik u dat wij de twee gelukkigste menschen in geheel Engeland zijn!”
De beide heeren werden thans naar tafel geroepen, waarbij jufvrouw Miller, die zelve kookte, haar uiterste best had gedaan om het huwelijksfeest harer dochter te vieren. Dit geluk schreef zij voornamelijk toe aan de vriendschappelijke bemoeijingen van Jones, en daar zij geheel en la vervuld was met dankbaarheid, en blikken, woorden en handelingen bezigde om ze aan den dag te leggen, sloeg zij niet heel veel acht op hare dochter, of zelfs op haar nieuwen schoonzoon.
Het eten was pas afgeloopen, toen jufvrouw Miller een brief ontving; daar wij echter in dit hoofdstuk brieven genoeg hebben gehad, zullen wij den inhoud er van in het volgende hoofdstuk mededeelen.
HOOFDSTUK X.
BESTAANDE GEDEELTELIJK UIT FEITEN EN GEDEELTELIJK UIT OPMERKINGEN DAAROVER.
De brief van welken wij aan het einde van het vorige hoofdstuk gesproken hebben, was van den heer Allworthy, en meldde zijn voornemen om zeer spoedig naar Londen te komen met zijn neef Blifil en zijn wensch om zijn gewoon kwartier te betrekken, namelijk de eerste verdieping van jufvrouw Miller’s huis voor zich en de tweede voor zijn neef.
De opgeruimdheid, welke tot dus ver op het gelaat der arme vrouw geblonken had, verminderde nu eenigzins. Deze tijding bragt haar inderdaad in groote verlegenheid. Het scheen haar van den éénen kant toe zeer onbillijk jegens haar schoonzoon om zijn belangeloos huwelijk met hare dochter te vergelden, door hem dadelijk de deur uit te jagen; terwijl zij, van den anderen kant, er niet best toe komen kon om zich tegenover den heer Allworthy te verontschuldigen, na al de verpligtingen welke zij aan hem had, en hem te berooven van de woning, welke, stipt genomen, de zijne was;—want die heer, bij het verspreiden zijner tallooze weldaden, handelde lijnregt in strijd met de gewoonte der vrijgevigste menschen. Hij trachtte namelijk, bij iedere gelegenheid, niet slechts zijne weldaad te verbergen voor het oog der wereld, maar zelfs voor hem die ze ontving. Hij bezigde telkens de woorden „leenen,” en „betalen” in plaats van „geven,” en verminderde op elke wijze, die hij bedenken kon, in woorden de gunsten welke hij in daden bewees, terwijl hij ze met beide handen uitdeelde. Toen hij dus aanjufvrouw Miller eene lijfrente van vijftig pond jaarlijks schonk, zeide hij haar, dat het onder voorwaarde was, dat hij altijd, als hij naar de stad kwam (wat slechts heel weinig het geval was), de eerste verdieping bij haar zou kunnen betrekken; maar dat zij die overigens altijd verhuren kon, daar hij haar steeds eene maand van te voren zou waarschuwen. Hij was echter thans zoo gehaast met zijne reis, dat hij geene gelegenheid had gehad om haar te waarschuwen en deze haast belette hem om er bij te voegen,—wat hij anders zeker gedaan zou hebben,—dat hij de kamers slechts hebben wilde als ze open stonden; want hij zou zeker daarvan afgezien hebben om eene veel minder geldige reden dan die welke jufvrouw Miller thans aanvoeren kon.
Maar er zijn zekere menschen, die zoo als de dichter Prior zeer juist opmerkt, hun gedrag regelen naar iets
„Dat boven vastgestelde wet verheven is, Van deugd en ondeugd, naar het schoolsch begrip.”
Voor dergelijke menschen is het lang niet genoeg om vrijgesproken te worden voor eene regtbank;—zij zijn zelfs niet voldaan, als het geweten, de strengste van alle regters hen vrijspreekt. Niets dat eenigzins te kort doet aan hetgeen billijk en eervol is zal hen voldoen in hunne kieschheid, en als eenige hunner daden hieraan niet beantwoorden, zuchten en treuren zij, worden zij ongedurig en rusteloos als een moordenaar, die voor een spook of den beul bevreesd is.
Jufvrouw Miller was een van deze menschen, Zij kon hare onrust na ontvangst van den brief niet verbergen, en zoodra zij het gezelschap met den inhoud er van bekend had gemaakt, kwam haar beschermengel Jones haar te hulp en redde haar dadelijk uit den nood.
„Wat mij betreft, jufvrouw,” zeide hij, „mijne kamer is tot uwe beschikking, ook zonder opzeggen, zoodra gij ze noodig hebt, en ik ben overtuigd dat mijnheer Nightingale, daar hij vooralsnog geen huis in orde kan brengen om zijne echtgenoote te ontvangen, er niets tegen zal hebben zijne nieuwe kamers te betrekken, waarheen mevrouw Nightingale hem zeker vergezellen zal.”
Man en vrouw keurden dit voorstel dadelijk goed.
De lezer zal gaarne gelooven dat de wangen van jufvrouw Miller op nieuw begonnen te tintelen van dankbaarheid jegens Jones; maar het zal welligt moeijelijker vallen hem te overtuigen, dat het der liefderijke moeder nog meer genoegen had gedaan den heer Jones hare dochter „mevrouw Nightingale” te hooren noemen, welk zoet geluid nu voor het eerst hare ooren streelde en haar hart meer trof dan het wegnemen van hare ongerustheid.
De volgende dag werd dan vastgesteld voor het vertrek der jonggehuwden en van den heer Jones, die ook hetzelfde huis als zijn vriend betrekken zou. En thans was de rust weder bij het gezelschap hersteld, en zij sleten den dag verder zeer opgeruimd,—behalve Jones, die, hoewel hij uiterlijk het geluk der overigen deelde, inwendig gekweld werd door den angst voor zijne Sophia, welke in geene geringe mate vermeerderd werd door de tijding van Blifils komst naar Londen,—van welke reis hij duidelijk het doel begreep,—en wat zijn verdriet verhoogde, was dat jufvrouw Honour, die beloofd had berigten omtrent Sophia in te winnen, en hem des morgens vroeg tijding te brengen, tot dus ver niet verschenen was.
In den toestand waarin hij en zijne beminde zich thans bevonden bleef hem naauwelijks, nog eenige hoop over, en toch was hij even ongeduldig om mejufvrouw Honour te zien, als of hij verwachten kon dat zij hem een brief zou brengen met eene uitnoodiging om Sophia te ontmoeten,—en hij gevoelde de teleurstelling even sterk als of dit werkelijk het geval ware geweest.
Wij zullen niet beslissen of dit ongeduld ontsproot uit de natuurlijke zwakheid van den menschelijken geest, die ons begeerig doet zijn om het allerergste te weten, en de onzekerheid tot de meest ondragelijke van alle kwellingenmaakt, of dat hij zich nog met eenige geheime hoop koesterde. Maar iedereen die bemind heeft, zal wel begrijpen dat het dit laatste wel kon zijn. Want een der meest verbazende krachten van dezen hartstogt op onzen geest, is dat hij de hoop, te midden der wanhoop voedt. Bezwaren, onwaarschijnlijkheden,—ja zelfs onmogelijkheden, worden vergeten, zoodat op iederen zeer verliefden mensch mag toegepast worden wat Addison van Cezar gezegd heeft:
„Alpen en Pyreneën vergaan voor hem.”
Maar het is ook even waar, dat dezelfde hartstogt soms bergen in molshoopen ziet, en wanhoop te midden der hoop doet ontstaan; maar, bij gezonde gestellen, duren deze koortsige vlagen nooit heel lang. Wij laten het thans aan den lezer zelven over om te beslissen in welke dezer buijen Jones zich nu bevond, daar wij geene geloofwaardige berigten daaromtrent geven kunnen;—maar, zooveel is zeker, dat hij reeds een paar uren in pijnlijke verwachting doorgebragt had, toen hij, zich buiten staat gevoelende om zijne onrust te verbergen, de vlugt nam naar zijne kamer, waar zijne onrust hem bijna tot krankzinnigheid gebragt had, eer hem de volgende brief van mejufvrouw Honour overhandigd werd, welk schrijven wij woordelijk en letterlijk weer geven:
„Mijnheer,
Ik zou wel wis en zeker, volgens afspraak, bij mijnheer al zijn geweest, als Milady mij dat niet belet had;—want gij weet ook best, mijnheer, dat iedereen eerst verpligt is voor nommer Één te zorgen,—en zeker is het niet alle daag dat ’n mensch zoo iets aangeboden wordt,—reden waarom het zeer verkeerd van mij geweest zou zijn, als ik het niet aangenomen had, toen Milady de beleefdheid had mij aan te bieden kamenier bij haar te worden, zonder dat ik er aan gedacht had zoo iets te vragen.
„Wis en zeker is zij eene der beste dames ter wereld, en menschen, die het tegendeel willen volhouden, moeten in hun hart al zeer slecht zijn. En ’t is waar, dat als ik zelve ooit iets van dien aard gezegd heb, dat het uit onwetendheid geweest is, en daar ben ik hartelijk bedroefd om. Ik weet ook dat mijnheer een mijnheer van eer en fatsoen is, en dat als ik ooit iets van dien aard gezegd heb, hij het niet oververtellen zal om eene arme dienstmeid te benadeelen, die altijd den meesten eerbied voor mijnheer gekoesterd heeft. ’t Is echter waar dat men steeds een slot op den mond moest dragen; want geen mensch weet wat er eens gebeuren kan;—en wis en zeker als iemand me gisteren verteld had dat ik heden zulk eene goede dienst gevonden zou hebben, zou ik hem niet geloofd hebben;—want, ’t is waar, zoo iets had ik niet gedroomd, en ik had ook geen mensch willen onderkruipen; maar toen Milady zoo vriendelijk was, uit haar eigen, om mij die plaats aan te bieden, ongevraagd, zou geen mensch, dan jufvrouw Etoff zelve het me kunnen kwalijk nemen, dat ik ja zeide.
„Ik verzoek mijnheer niets te zeggen van hetgeen ik verteld heb; want ik wensch mijnheer den meesten voorspoed toe, en ik twijfel ook niet dat gij eindelijk jufvrouw Sophia krijgen zult; maar, voor mijn part, zooals mijnheer weet, kan ik u in deze zaak verder van geene dienst wezen, daar ik nu onder de orders van iemand anders sta, en niet van mij zelf afhang. Ik verzoek u, mijnheer, niets over te vertellen van hetgeen nu voorbij is, en mij te gelooven, mijnheer,
Uwe onderdanige en tot in den dood dienstwillige dienaresse,
Honour Blackmore.”
Jones maakte vele gissingen omtrent dezen stap van Lady Bellaston, die werkelijk echter niets anders bedoelde dan in haar eigen huis de persoon te hebben die een geheim kende, dat zij niet verder wilde verspreid hebben dan nu reeds het geval was, en dat zij vooral voor Sophia verlangde te verbergen; want hoewel die jonge dame bijna de eenige was, die het nooit verder zou verteld hebben, kon Milady dat niet gelooven;—want, daar zij nu de arme Sophia met de meeste verbittering haatte, verbeeldde zij zich dat die haat wederkeerig moest zijn in het hart onzer heldin,—waarin echter tot dusver een dergelijke hartstogt nooit had kunnen doordringen.
Terwijl Jones zich dus aftobde met den angst voor duizenderlei vreesselijke listen en diepzinnige kuiperijen, welke hij zich verbeeldde dat achter deze bevordering van Honour verborgen lagen, beproefde vrouw Fortuna, die altijd zulk eene bittere vijandin scheen te zijn geweest van zijn huwelijk met Sophia, een nieuw middel om het onmogelijk te maken, door Jones aan eene verleiding bloot te stellen, waaraan het onmogelijk scheen dat hij weerstand kon bieden in zijn thans zoo noodlottigen toestand.
HOOFDSTUK XI.
BEVATTENDE EENE ZELDZAME, MAAR GEENSZINS VOORBEELDELOOZE ZAAK.
Er was zekere dame, mevrouw Hunt genaamd, die Jones dikwerf bij zijne hospita gezien had, bij wie zij zeer gemeenzaam in huis kwam als eene vertrouwde vriendin van jufvrouw Miller. Zij was van omstreeks dertigjarigen leeftijd,—want zij zeide dat zij zes en twintig was;—hare gelaatstrekken en gestalte waren fraai,—alleen wat veel naar lijvigheid zwemende. Zij was in hare jeugd gehuwd geweest met een bejaarden koopman, die op de Levant handelde, en die na een groot vermogen verworven te hebben, zijne zaken opgaf. Zij leefde onberispelijk, maar niet gelukkig met hem, en betoonde de meeste zelfverloochening gedurende ongeveer twaalf jaren, en hare deugd werd bij zijn dood beloond, toen hij haar in een zeer welvarenden toestand naliet. Het eerste jaar harer weduwschap was juist voorbij, en zij had het in volstrekte afzondering gesleten, daar zij slechts eenige goede vrienden zag, en haar tijd verdeelde tusschen hare godsdienstoefeningen en het lezen van romans, waarop zij altijd zeer verzot was geweest. Eene uitmuntende gezondheid, een zeer vurig temperament en veel godsdienstzin, maakten het tot eene bepaalde noodzakelijkheid voor haar om weder een man te nemen en zij besloot ditmaal, in de keuze van een echtgenoot, haar eigen zin te volgen, even als zij den eersten keer, hare familie den zin gegeven had. Van haar werd het onderstaande briefje aan Jones gerigt.
„Mijnheer,
Sedert ik u voor den eersten keer zag, vrees ik dat mijne oogen u maar al te duidelijk verraden hebben, dat gij me niet onverschillig waart; maar mond noch hand zouden dat ooit verraden hebben, zoo de dames van het huis waar gij woont, u niet zoo geroemd hadden, wat uw karakter betreft, en mij zulke bewijzen gegeven hadden van uwe deugd en goedheid, dat ik overtuigd ben dat gij niet slechts de innemendste, maar ook tevens de waardigste der mannen zijt. Ik heb ook het genoegen van haar te vernemen dat ik wat uiterlijk, verstand en karakter aangaat, u niet ongevallig ben. Ik heb vermogen genoeg om ons beide gelukkig te maken;—maar dat mij, zonder u, niet gelukkig maken kan. Door mij aldus aan te bieden, weet ik wel, dat ik mij de berisping van de wereld op den hals zou halen; maar als ik u niet meer beminde, dan ik het oordeel der menschen vrees, zou ik uwer onwaardig zijn.
„Slechts één bezwaar schrikt me af. Ik verneem dat gij eene intrigue hebt met zekere voorname dame. Als gij het de moeite waard acht, om dat alles om mijnentwil op te offeren ben ik de uwe;—zoo niet vergeet mijne zwakheid en laat dit een eeuwig geheim blijven tusschen u en
Arabella Hunt.”
Bij het lezen van dezen brief ontstelde Jones hevig. Zijne geldmiddelen waren toen haast uitgeput, daar de bron waaruit ze tot dus ver gevloeid hadden, op eens afgesneden was. Van al wat hij van Lady Bellaston ontvangen had, bleven hem geene vijf guinjes over, en juist dien morgen was hij door een leverancier om het dubbele van die som gemaand. Het meisje, dat hij eerlijk beminde, was in haar vaders magt, en hij kon naauwelijks eenige hoop koesteren om haar ooit weder te verlossen. Om op hare kosten te leven van het kleine vermogen, dat zij onafhankelijk van haar vader bezat, was in strijd met zijn hoogmoed zoowel als met de kieschheid zijner liefde. Daarentegen zou het vermogender andere dame hem best te pas komen, en hij kon ook in geenerlei opzigt iets tegen haar hebben. Integendeel, hij hield even veel van haar als van iedere andere vrouw, behalve Sophia. Maar om Sophia op te geven en met eene andere te huwen, was eene onmogelijkheid voor hem;—hij kon volstrekt niet daaraan denken.—Maar waarom zou hij het toch niet doen, daar het duidelijk was, dat Sophia nooit de zijne kon worden? Zou het ook niet om harentwil beter zijn, dan haar verder gebonden te houden aan eene hopelooze liefde tot hem? Moest hij, om harentwil, niet toestemmen? Dit denkbeeld dreef boven voor eenige oogenblikken, en hij had bijna besloten om trouweloos te worden aan Sophia, alleen uit eergevoel;—maar hij bleef niet lang bestand tegen de stem der natuur, die hem toeriep, dat zulke vriendschapsdienst hoogverraad was aan de liefde gepleegd. Eindelijk greep hij naar pen en papier en schreef aan mevrouw Hunt als volgt:
Mevrouw,
Het zou slechts eene zeer geringe vergelding zijn van de gunst welke gij mij bewijst, om eenige intrigue op te offeren ten einde u te bezitten,—en dat zou ik ook dadelijk doen, ware ik niet geheel vrij, wat thans het geval is, van iets van dien aard. Maar ik zou de eerlijke man niet zijn, waarvoor gij mij houdt, als ik u niet beleed dat ik mijne liefde geschonken heb aan eene andere, deugdzame dame,—iemand die ik nooit verzaken kan, hoewel het waarschijnlijk is dat zij nooit de mijne zal worden.
„De hemel verhoede dat ik u ooit uwe goedheid vergelden zou door u mijne hand zonder mijn hart aan te bieden. Neen! Liever zou ik van honger sterven, dan mij aan zoo iets schuldig maken. Al ware zelfs mijne beminde de echtgenoote van een ander, ik zou u mijne hand niet bieden, eer iedere herinnering aan haar uit mijn hart gewischt ware. Wees verzekerd dat uw geheim niet veiliger kan zijn in uw eigen hart dan in dat van
uw zeer verpligten, dankbaren en onderdanigen dienaar,
T. Jones.”
Zoodra onze held dezen brief opgesteld had, liep hij naar zijn secretaire, haalde de mof van mejufvrouw Western er uit, kuste ze herhaaldelijk, en stapte in de kamer heen en weêr met meer zelfvoldoening dan een Ier ooit gevoelde, die eene vrouw met vijftig duizend pond sterling geschaakt heeft.
HOOFDSTUK XII.
EENE ONTDEKKING, DOOR PARTRIDGE GEDAAN.
Terwijl Jones zich nog verheugde in het bewustzijn zijner eerlijkheid, kwam Partridge springende en dansende in de kamer, volgens zijne gewoonte, als hij goede tijdingen bragt, of zich verbeeldde die te brengen. Zijn meester had hem dien morgen vroeg uitgezonden met het bevel om te trachten door de dienstboden van Lady Bellaston, of op welke andere wijze dan ook, te ontdekken waarheen men Sophia gevoerd had, en hij keerde nu terug en vertelde onzen held, met een van vreugde schitterend gelaat, dat hij den verloren vogel gevonden had.
„Ik heb,” zeide hij, „den Zwarten George gezien, den jager, een der dienstboden, die mijnheer Western mede naar Londen heeft gebragt. Ik herkende hem dadelijk, hoewel ik hem in vele jaren niet gezien had;—want, zoo als gij weet, mijnheer, is hij een zeer merkwaardig mensch,—of beter gezegd, hij heeft een zeer opmerkingswaardigen baard, den zwartsten dien ik ooit gezien heb. Het duurde echter een heelen tijd eer de Zwarte George wist wie ik was.”
„Nu ja!” riep Jones; „maar welke tijding brengt gij? Wat hebt gij van Sophia vernomen?”
„Dat zult gij dadelijk hooren, mijnheer;—ik vertel u alles geregeld. Gij, echter, zijt zoo ongeduldig, mijnheer,—gij begint dadelijk met de gebiedende in plaats van de onbepaalde wijs! Zoo als ik zeide, mijnheer, het duurde een heelen tijd eer hij zich mijn gelaat—”
„De drommel hale uw gelaat!” riep Jones; „wat is er van Sophia?”
„Wel, mijnheer,” hernam Partridge, „ik weet niets meer van jufvrouw Sophia, dan hetgeen ik u vertellen wilde;—en ik zou u al alles verteld hebben als gij mij niet telkens in de rede gevallen waart;—maar als gij zoo kwaad begint te kijken, zult gij mij geheel in de war brengen,—of liever, mijn geheugen zal me begeven. Ik heb u nooit zoo kwaad zien kijken sedert dien dag toen wij uit Upton vertrokken,—en dien dag zal ik me herinneren, al worde ik honderd jaar oud!”
„Nu, ga uw gang maar,” zei Jones. „Ge hebt u voorgenomen mij tot razernij te brengen,—dat zie ik—”
„Om alles ter wereld, niet!” riep Partridge; „daar heb ik genoeg van gehad! En, zoo als ik straks zeide,—dat vergeet ik niet tot het laatste uur van mijn leven!”
„Nu ja,—maar die Zwarte George!” smeekte Jones.