Part 7
De heer Allworthy verklaarde nu dat de getuigenis van zulk een slecht mensch als zij bleek te zijn, geen geloof zou verdiend hebben; maar zeide dat hij niet laten kon te gelooven, dat als zij tegenwoordig geweest ware en de waarheid had willen zeggen, zij ook datgene had moeten bevestigen, wat reeds genoegzaam bewezen scheen door zoo vele omstandigheden, door de bekentenis van Partridge zelven en door de verklaring der vrouw, dat zij haar echtgenoot op heeter daad betrapt had. Daarom, vermaande hij Partridge nogmaals ernstig tot bekentenis te komen;—daar deze echter nog steeds zijne onschuld volhield, verklaarde de heer Allworthy zich van zijne schuld overtuigd en dat hij een te slecht mensch was om verder eenige ondersteuning van hem te verdienen. Hij benam hem dus het jaargeld, dat hij van hem kreeg, en beval hem aan berouw te toonen, om den wille van het leven hier namaals, en tevens den meesten vlijt aan den dag te leggen, ten einde in dit leven zich zelven en zijne vrouw te onderhouden.
Er zijn welligt weinige ongelukkiger menschen dan die arme Partridge! Ten gevolge van de getuigenis zijner vrouw, had hij het grootste gedeelte van zijn inkomen verloren, en moest nog dagelijks het verwijt van haar hooren, dat hij haar van dit voordeel beroofd had, en zich aan dat onverdiend oordeel onderwerpen.
Hoewel ik hem nu pas den armen Partridge genoemd heb, wenschte ik echter dat de lezer, dat woord toeschreef eerder aan mijn medelijdenden aard, dan dat hij het opvatte als eene verklaring zijner onschuld. Het zal welligt later blijken, of hij onschuldig was of niet; maar zoo de muze der geschiedenis mij eenig geheim heeft toevertrouwd, zal ik mij wachten het te verklappen eer zij het mij veroorloofd heeft.
Voor het oogenblik moet de lezer dus zijne nieuwsgierigheid beteugelen. Zeker echter blijft het, dat hoe het ook met de waarheid stond, er meer dan voldoende bewijzen waren om hem in Allworthy’s oogen schuldig te doen schijnen;—inderdaad, men had nog met veel minder kunnen volstaan voor eene regtbank, bij eene kwestie van legitimiteit, en toch, niettegenstaande de zekerheid van jufvrouw Partridge, die een eed omtrent de zaak had willen afleggen, is het mogelijk dat de schoolmeester geheel onschuldig was; want hoewel het duidelijk bleek, uit de vergelijking van den tijd van Jenni’s vertrek uit Klein-Baddington, met dien harer verlossing, dat zij daar zwanger van het kind was geworden, behoefde het volstrekt niet als een zeker gevolg aangemerkt te worden, dat Partridge de vader moest zijn. Want, om van geene andere bijzonderheden melding te maken, was er in hetzelfde huis een jongen van bijna achttien jaar, tusschen wien en Jenni er gemeenzaamheid genoeg bestaan had, om er geene ongegronde vermoedens op te vestigen,—en toch, is de ijverzucht zoo blind, dat deze omstandigheid der verwoede vrouw nooit in het hoofd kwam.
Het blijkt niet of Partridge den raad volgde van den heer Allworthy en berouw toonde, of niet. Maar het is zeker dat zijne vrouw berouw kreeg over de getuigenis, welke zij tegen hem afgelegd had, vooral toen zij ontdekte, dat jufvrouw Deborah haar bedrogen had, en nu weigerde een goed woord voor haar te spreken bij den heer Allworthy. Zij was echter eenigzins voorspoediger bij mevrouw Blifil, die, zoo als de lezer opgemerkt zal hebben, eene veel goedaardiger vrouw was, en die zeer vriendelijk op zich nam haar broeder te verzoeken het jaargeld weder te geven. Hoewel nu hare goedheid eenig deel had in deze handelwijze, zal men in het volgende hoofdstuk eene veel krachtiger en natuurlijker beweegreden daartoe vinden.
Haar verzoek bleef echter zonder gevolg; want hoewel de heer Allworthy zich niet verbeeldde, met sommige nieuwere schrijvers, dat de barmhartigheid zich alleen vertoont in het bestraffen der misdadigers, was hij er ook even ver van verwijderd, om het voor eene eigenschap van deze uitstekende deugd te houden, om zonder eenigen grond aan groote misdadigers willekeurig genade te schenken. Eenige twijfel, of verzachtende omstandigheid, werd nooit door hem over het hoofd gezien; maar het smeeken van den misdadiger, of de tusschenkomst van anderen bleven altijd zonder uitwerking op hem. Met één woord, hij schonk nooit vergiffenis, omdat de schuldige zelf, of diens vrienden, wenschten dat hij niet gestraft zou worden.
Partridge en zijne vrouw moesten zich dus beide schikken in hun lot, dat inderdaad hard genoeg was; want verre van zijn vlijt te verdubbelen nadat zijn inkomen verminderd was, gaf hij zich in zekere mate aan de wanhoop over, en lui van aard zijnde, verergerde die ondeugd nu bij hem, zoodat zijne kleine school verliep en hij zelf, noch zijne vrouw, een stuk brood te eten zouden gehad hebben, als de mildheid van zeker goed christen niet tusschenbeide gekomen ware, om hen van het volstrekt noodzakelijke tot hun onderhoud te voorzien.
Daar deze hulp hun door een onbekende verstrekt werd, verbeeldden zij zich, en dat zal zonder twijfel de lezer ook doen, dat de heer Allworthy hun geheime weldoener was, die, ofschoon hij niet in het openbaar de ondeugd aanmoedigen wilde, toch in stilte de ellende der misdadigers zelve verzachten kon, als die te groot en te weinig geëvenredigd was aan hunne boosheid.
Het noodlot zelf scheen nu hunne ellende uit dit oogpunt te beschouwen, en eindelijk medelijden te hebben met het ongelukkige paar, daar het de rampen van Partridge aanmerkelijk verzachtte, door hem van zijne vrouw te verlossen, die de kinderpokken kreeg en spoedig onder die ziekte bezweek.
De regtvaardigheid, welke de heer Allworthy omtrent Partridge uitgeoefend had, vond aanvankelijk algemeene goedkeuring; maar zoodra de schoolmeester de gevolgen daarvan begon te ondervinden, begonnen ook zijne buren vermurwd te worden, medelijden met hem te gevoelen, en spoedig daarna, dat, wat zij pas regtvaardigheid genoemd hadden, als overdrevene strengheid af te keuren. Zij voeren er tegen uit, dat men in koelen bloede straffen konde, en prezen de deugden van genade en barmhartigheid hemelhoog.
Dit geschreeuw vermeerderde zeer bij den dood van jufvrouw Partridge, welke ofschoon toeteschrijven aan bovengenoemde ziekte, die geen gevolg is van armoede en gebrek, door velen, zeer onbeschaamd, geweten werd aan de strengheid, of zooals zij het nu noemden, de wreedheid van den heer Allworthy.
Daar Partridge nu zijne vrouw, zijne school en zijn inkomen verloren had, en ook de onbekende weldoener de boven vermelde ondersteuning verder naliet, besloot hij van tooneel te veranderen, en verliet de streek, waar hij gevaar liep van te verhongeren, in weerwil van het algemeene medelijden zijner naasten.
HOOFDSTUK VII.
EENE KORTE SCHETS VAN HET GELUK, DAT EEN WIJS GEHUWD PAAR IN DEN HAAT KAN VINDEN; MET EENE VERONTSCHULDIGING VAN DIE MENSCHEN, DIE DE ONVOLMAAKTHEDEN HUNNER VRIENDEN OVER HET HOOFD ZIEN.
Hoewel de kapitein den armen Partridge geheel te grond gerigt had, had hij er toch niet de voordeelen van ingeoogst, welke hij gehoopt had, namelijk om den heer Allworthy den vondeling de deur uit te zien zetten.
Integendeel, die heer werd bij den dag meer gehecht aan den kleinen Tom, alsof hij zijne strengheid tegen den vader door buitengewone liefde en goedheid voor den zoon wilde vergoeden.
Dit verbitterde zeer het humeur van den kapitein, even als andere, dagelijksche voorbeelden van de mildheid van den heer Allworthy; want hij beschouwde alle dergelijke liefdadige uitgaven, als alleen strekkende om zijn eigen rijkdom te verminderen.
Hierin, zooals wij gezegd hebben, was hij het niet met zijne vrouw eens,—evenmin als in iets anders; want hoewel vele wijze menschen aannemen, dat eene genegenheid die op het verstand berust, duurzamer is dan eene, die op de schoonheid gegrond is, bleek het tegenovergestelde waar te zijn in het onderhavige geval. Ja, het was het wederzijdsche verstand van dit paar, dat de hoofdbron van twist werd, en ééne der voornaamste oorzaken van de veelvuldige oneenigheden, welke, met der tijd, tusschen hen ontstonden; en die eindigden, van den kant der dame, met eene diepe minachting van haar man, terwijl de echtgenoot er toe kwam, zijne vrouw in alle opzigten te verfoeijen.
Daar beide hunne gaven grootendeels besteed hadden aan de studie der godgeleerdheid, werd deze spoedig na hunne eerste kennismaking het hoofd-onderwerp hunner gesprekken. De kapitein, als beleefd man, had, vóór zijn huwelijk, altijd zijn gevoelen opgegeven, als het in strijd was met dat der dame, en dit geschiedde volstrekt niet naar de wijze van een lompen, onhandigen, verwaanden domkop, die, hoewel hij beleefdelijk zwicht voor een gegrond argument, toch begeert, dat men inzie, dat hij gelooft het regt aan zijne zijde te hebben. De kapitein, integendeel, hoewel een der hoogmoedigste menschen ter wereld, liet de overwinning zoo onbepaald aan zijne tegenpartij, dat zij, die in het minst niet twijfelde aan zijne opregtheid, altijd den twist ten einde zag loopen met de meeste bewondering van haar eigen verstand en zeer veel ingenomenheid met het zijne.
Maar hoewel deze toegevendheid jegens iemand, die hij diep verachtte, hem toen niet zoo moeijelijk viel, als het geval zou geweest zijn, wanneer hij om eenig vooruitzigt op bevordering genoodzaakt was geweest zich op dezelfde wijze te onderwerpen aan den Bisschop Hoadley, of eenigen anderen beroemden theologant, kostte ze hem toch te veel, om ze zonder eenige nevenbedoeling te dragen. Zoodra dus het huwelijk deze nevenbedoeling uit den weg geruimd had, verveelde hem zijne vriendelijkheid en hij begon de gevoelens zijner vrouw met dien hoogmoed en die onbeschoftheid te behandelen, welke alleen aan den dag gelegd worden door diegenen, die zelve eenige minachting verdienen, en die alleen kan verdragen worden door diegenen, welke geene minachting verdienen.
Toen de eerste vlagen van teederheid voorbij waren,—en in de kalme en lange tusschenpoozen tusschen de aanvallen daarvan,—toen het gezond verstand der dame de oogen begon te openen, en zij deze verandering in het gedrag van den kapitein opmerkte, die al hare argumenten met „Boe!” en „Bah!” beantwoordde, was zij er ver van daan, deze beleediging met gelaten onderworpenheid te dragen. Integendeel, zij was er in het begin zoo hevig over vertoornd, dat de eene of andere tragische gebeurtenis er uit had kunnen ontstaan, indien haar gevoel geene meer onschuldige wending genomen had, door haar de meest mogelijke minachting voor het verstand van haar man in te boezemen, waardoor haar haat eenigzins gewijzigd werd, ofschoon zij ook hiervan meer dan genoeg koesterde.
De kapitein haatte haar op eene meer onvermengde wijze: want, ten opzigte van gebrek aan kennis of verstand, verachtte hij haar niet meer dan hij had kunnen doen omdat zij geen zes voet lang was.
In zijne gedachten omtrent het vrouwelijke geslacht, overtrof hij Aristoteles zelven in bitterheid. Hij beschouwde eene vrouw als een huisdier, van eenige meerdere waarde dan eene kat, daar hare diensten iets belangrijker van aard zijn; maar het onderscheid tusschen beide was, naar zijne schatting, zoo gering, dat het hem, in zijn huwelijk met de landerijen en onroerende goederen van den heer Allworthy, weinig had kunnen schelen, welke van beide hij op den koop toe mede had moeten nemen. En toch was zijn hoogmoed zoo gevoelig van aard, dat de minachting welke zijn vrouw jegens hem liet blijken, hem kwetste, en dit, gevoegd bij de walging welke hij reeds voor hare liefde gekoesterd had, vervulde hem met afkeer en afschuw in eene mate die misschien zelden overtroffen is.
In den huwelijken staat is er slechts één toestand, die van genoegen ontbloot is, en dat is de toestand van onverschilligheid; maar even als vele mijner lezers, naar ik hoop, het uitstekend genot kennen van een bemind wezen genoegen te doen, zoo zijn er ook, naar ik vrees, eenigen die de voldoening mogen gesmaakt hebben van het voorwerp van hun haat te plagen. Het is, dunkt me, om dit laatste genoegen te smaken, dat wij dikwijls beide partijen die rust in het huwelijk zien opofferen, die zij anders genieten konden, al ware hun levens-gezel hun ook nog zoo onaangenaam. Daarom is het dat de vrouw dikwijls vlagen van liefde en ijverzucht veinst, ja, zich zelve een genoegen weigert, om dat van haar echtgenoot te storen en te beletten, terwijl hij, van zijn kant, zich zelven dikwerf aan banden legt, en te huis blijft, in een gezelschap dat hem verveelt, alleen om zijne vrouw op dezelfde wijze te tergen. Van daar ook dikwijls die stortvloeden van tranen, welke soms de weduwe op de asch van een echtgenoot laat vallen, dien zij een leven van aanhoudende onrust en kwelling bezorgd heeft, en dien zij nu niet meer hopen kan te plagen.
Als ooit echter eenig paar dit genot smaakte, werd het nu ten volle genoten door den kapitein en zijne vrouw. Het was altijd, voor beide, genoeg te weten dat de andere iets beweerde, om juist van het tegenovergestelde gevoelen te zijn. Als de een zekere tijdkorting voorstelde, was de andere er tegen; zij beminden, haatten, prezen of laakten nooit denzelfden persoon. En om deze reden was het dat, wijl de kapitein den kleinen vondeling met leede oogen aanschouwde, zijne vrouw hem bijna als haar eigen kind begon te liefkozen.
De lezer zal gemakkelijk inzien, dat deze verhouding tusschen man en vrouw niet veel bijdragen kon om den heer Allworthy een rustig leven te verschaffen, even als het weinig bevorderlijk was aan dat kalme geluk, hetwelk hij zich, voor alle drie, uit dit huwelijk voorgespiegeld had. Het blijft echter waar, dat, hoewel hij zich in zijne levendige verwachtingen eenigzins teleurgesteld zag, hij toch nog zeer onvolmaakt ingelicht was omtrent de heele zaak, want evenzeer als de kapitein, om zekere duidelijke redenen, genoodzaakt was in zijn bijzijn zeer op zijne hoede te wezen, zoo moest ook de dame, uit vrees voor haar broeders toorn, dezelfde gedragslijn volgen. Inderdaad, het is mogelijk dat een derde persoon lang zeer gemeenzaam kan wezen, of zelfs onder hetzelfde dak leven met een echtpaar, dat slechts tamelijk voorzigtig is, zonder zelfs de verbittering te vermoeden, welke tusschen beide heerscht; want, hoewel soms de heele dag te kort moge zijn voor den haat, even als voor de liefde, leveren de vele uren welke gehuwden in afzondering met elkaar doorbrengen, aan menschen die niet onmatig zijn, zoovele gelegenheden om beide driften bot te vieren, dat, als zij elkaar beminnen, zij eenige uren in het gezelschap van anderen kunnen zijn, zonder te vrijen, of als zij elkaar haten, zonder elkaar in het gezigt te spuwen.
Het is echter mogelijk dat de heer Allworthy genoeg zag om zich een weinig te verontrusten; want wij moeten niet altijd gelooven, dat een wijs man zich niet bezeerd heeft, als hij niet hardop schreeuwt en klaagt, zoo als menschen doen, die kinderachtig of verwijfd van aard zijn.
Het kan ook wezen, dat hij enkele gebreken in den kapitein zag, zonder eenige ongerustheid te gevoelen; want waarlijk wijze en goede menschen nemen de menschen en zaken zooals zij ze vinden, zonder over hunne onvolmaaktheden te klagen, of ze allen te willen verbeteren. Zij kunnen een gebrek in een vriend, een bloedverwant, of eene betrekking zien, zonder er ooit gewag van te maken tot die betrekkingen zelve, of iemand anders,—en dikwerf ook zonder eenige vermindering hunner genegenheid. En inderdaad, tenzij er veel scherpzin gepaard ga met deze toegevendheid, moesten wij alleen vriendschap sluiten met dwazen, die men foppen kan; want ik hoop dat mijne vrienden het me vergeven zullen, als ik verklaar dat ik geen onder hen ken, die zonder gebreken is, en het zou mij spijten als ik me verbeelden moest dat ik een vriend had, die de mijne niet zag. Vergiffenis van dezen aard geven en vragen wij wederkeerig. En dat is misschien niet een der onaangenaamste pligten der vriendschap. En wij moeten deze vergiffenis schenken, zonder hoop op beterschap. Er is welligt niets dwazers te bedenken, dan de zucht om de aangeborene zwakheden van diegenen die wij liefhebben, te verbeteren. De fijnste zamenstelling der menschelijke natuur kan, even als het fijnste porselein, een barstje hebben dat niet te herstellen is, ofschoon in weerwil daarvan, de teekening er op hare zeer groote waarde behoudt.
Over het algemeen dan, ontdekte de heer Allworthy, buiten kwestie, eenige gebreken in den kapitein; daar deze echter een zeer sluw mensch was, en altijd op zijne hoede in het bijzijn van zijn zwager, schenen ze hem niets anders toe dan kleine vlekjes in een goed karakter, die hij de goedheid had te vergeven, en de wijsheid om niet aan den kapitein zelven te ontdekken. Zijne meening zou zeer gewijzigd zijn geworden, indien hij alles geweten had, hetgeen welligt met den tijd het geval zou zijn geweest, als man en vrouw lang op denzelfden voet met elkaar geleefd hadden; maar het medelijdende noodlot beraamde de middelen om dit te voorkomen, en dwong den kapitein om iets te doen, waardoor hij weder dierbaar werd aan zijne vrouw, en al hare teederheid en liefde weder verwierf.
HOOFDSTUK VIII.
EEN ONFEILBAAR VOORSCHRIFT, OM, ZELFS IN DE MEEST WANHOPIGE GEVALLEN, DE VERBEURDE LIEFDE EENER ECHTGENOOTE TERUG TE WINNEN.
De kapitein vond ruime vergoeding voor de onaangename oogenblikken welke hij in het bijzijn zijner vrouw moest slijten,—en die zoo weinig in getal waren als hij ze maar maken kon,—in de aangename gedachten, welke hij in de eenzaamheid genoot.
Deze gedachten liepen bij uitsluiting over het vermogen van den heer Allworthy; want eerst had hij veel werk, met in zijn hoofd, zoo goed hij kon, de juiste waarde van het geheel na te gaan,—welke berekeningen hij telkens, steeds in zijn eigen voordeel veranderde; en in de tweede plaats, vermaakte hij zich hoofdzakelijk met voorgenomene veranderingen in het huis en de tuinen, en in het ontwerpen van vele andere plannen, zoowel ter verbetering van de bezittingen als om iets grootsch aan het geheel te geven. Tot dit einde, hield hij zich bezig met de studie van bouwkunde en van het aanleggen van buitenplaatsen, en las vele werken over beide onderwerpen; want deze wetenschappen namen zijn geheelen tijd in beslag en waren zijne eenige uitspanning. Eindelijk had hij een alleruitmuntendst ontwerp gereed, en het spijt mij zeer, dat ik niet bij magte ben het aan mijne lezers te laten zien, daar het, naar ik meen, zelfs bij al de weelde onzer dagen, naauwelijks zijns gelijken heeft. Het bevatte inderdaad in den hoogsten graad de twee voornaamste bestanddeelen, welke alle grootsche en edele ontwerpen van dezen aard ter aanbeveling strekken, namelijk, het eischte buitengewone uitgaven, en zeer veel tijd om het eenigzins tot volmaking te brengen. In de eerste dezer behoeften, zouden de onmetelijke rijkdommen, welke de kapitein veronderstelde dat in het bezit waren van den heer Allworthy,—en die hij zeker wachtte zelf van hem te erven,—best voorzien; en wat de tweede betrof, zijn gezond gestel en zijn leeftijd, die niet boven de middelbare was, benamen hem alle vrees dat hij niet lang genoeg leven zou om zijn wensch vervuld te zien.
Niets ontbrak er dus aan de onmiddellijke uitvoering zijner plannen dan de dood van den heer Allworthy, en in het berekenen daarvan had hij een groot gedeelte van zijne kennis der Algebra uitgeput, na alle bestaande boeken gekocht te hebben, die handelen over den duur van het menschelijk leven, de betrekkelijke waarde van verwachte erfenissen, enz. Uit dit alles maakte hij op, dat daar er elken dag kans bestond dat het gebeuren zou, het ook zeer waarschijnlijk was dat zijn zwager binnen weinige jaren sterven zou.
Maar, terwijl de kapitein op zekeren dag meer dan gewoonlijk verdiept was in beschouwingen van dezen aard, werd hij overvallen door een der droevigste en ontijdigste gebeurtenissen mogelijk. Inderdaad, het kwaadaardigste noodlot had niets kunnen bedenken dat zoo wreed, zoo mal-à-propos, zoo bepaaldelijk verpletterend was voor al zijne plannen. Met één woord, om den lezer niet lang in onzekerheid te laten, juist op het oogenblik dat hij zich in zijn hart verheugde, in beschouwingen over het geluk dat hem te wachten stond bij den dood van den heer Allworthy,—stierf hij zelf aan eene beroerte.
Deze overviel den kapitein ongelukkig op zijne avondwandeling, in de eenzaamheid, zoodat er niemand bij was, om hem hulp te verleenen,—gesteld zelfs dat eenige hulp hem had kunnen redden. Hij nam dus op deze wijze de maat van den grond, die nu groot genoeg zou zijn voor al zijne toekomstige behoeften en lag dood uitgestrekt, een groot (ofschoon geen levend) voorbeeld van de waarheid van hetgeen door Horatius opgemerkt is:
„Tu secanda marmora Locas sub ipsum funus: et sepulchri Immemor, struis domus.”
Welk denkbeeld ik op deze wijze vertolk: „Gij schaft de prachtigste bouwstoffen aan, terwijl niet meer dan eene spade en een houweel noodig zijn, en ge bouwt huizen, vijfhonderd voet lang en honderd breed, vergetende de woning die maar zes voet lang en twee breed is.”
HOOFDSTUK IX.
HET BEWIJS VAN DE ONFEILBAARHEID VAN HET REEDS OPGEGEVEN VOORSCHRIFT, IN DE KLAGTEN VAN DE WEDUWE; TEGELIJK MET ANDERE GEPASTE ATTRIBUTEN VAN DEN DOOD, ZOOALS DAAR ZIJN: GENEESHEEREN, ENZ. EN EEN MODEL-GRAFSCHRIFT.
De heer Allworthy, zijne zuster en eene andere dame, waren op het gewone uur bijeengekomen in de eetzaal om het avondmaal te gebruiken, en na veel langer dan gewoonlijk gewacht te hebben, verklaarde de heer Allworthy het eerst, dat hij begon ongerust te worden over het uitblijven van den kapitein, (want deze was altijd zeer stipt op het etensuur) en beval met de schel te luiden in den tuin en vooral langs die paden, welke de kapitein gewoonlijk bezocht.
Daar al dit levenmaken vruchteloos bleek te zijn,—omdat de kapitein dezen avond, ongelukkig, een geheel nieuwen weg opgegaan was,—verklaarde nu ook mevrouw Blifil, dat zij zich ernstig ongerust maakte. Hierop deed de andere dame, eene harer meest vertrouwde vriendinnen,—die den waren toestand harer verhouding tot haren man kende,—haar best om haar tot bedaren te brengen,—met de verzekering, dat hoewel zij niet nalaten kon ongerust te zijn, zij toch het beste moest hopen. Welligt had de schoonheid van het weder den kapitein verleid om iets verder dan gewoonlijk zijne wandeling uit te strekken,—of, hij kon ook bij een buurman opgehouden zijn.
Mevrouw Blifil zeide van neen! Zij was overtuigd dat het een of ander ongeluk hem overkomen was; want dat hij zeker niet uitblijven zou zonder haar te laten waarschuwen, daar hij wel wist hoe ligt zij zich ongerust maakte. De andere dame, die geene meerdere argumenten wist aan tevoeren, nam nu hare toevlugt tot de gebruikelijke smeekingen bij zulke gelegenheden en verzocht haar zich toch niet onnoodig ongerust te maken, daar zoo iets zeer nadeelig op hare gezondheid werken kon,—en een groot glas wijn inschenkende, ried zij haar,—en haalde haar eindelijk over,—om het leêg te drinken.
De heer Allworthy trad nu weder in de kamer; want hij was er zelf op uit geweest om den kapitein te zoeken. Zijn gelaat teekende genoegzaam zijne vrees, welke hem inderdaad bijkans van de spraak beroofd had;—daar echter de smart op verschillende menschen verschillend werkt, verlevendigde de vrees, welke zijne stem onderdrukt had, de stem van mevrouw Blifil. Zij begon nu bitter te klagen, en stortvloeden van tranen vergezelden hare woorden, welke hare vriendin verklaarde dat volstrekt niet te berispen waren, terwijl zij haar echter terzelfder tijd den raad gaf er niet aan toe te geven, en den angst harer vriendin poogde te verminderen door wijsgeerige opmerkingen omtrent de vele rampen waaraan het menschelijke leven dagelijks blootgesteld is,—wat, zeide zij, genoeg was om ons sterkte te verleenen in alle omstandigheden, hoe onverwacht of verschrikkelijk ook. Zij verzocht haar ook geduld te leeren van haar broeder die, hoewel men niet veronderstellen kon, dat hij zich zóó ongelukkig gevoelde als zij, toch, zonder twijfel, zich zeer ongerust maakte, ofschoon zijne onderwerping aan den goddelijken wil, zijne aandoeningen matigde.
„Spreek me niet van mijn broeder!” riep mevrouw Blifil.
„Ik alleen verdien medelijden! Wat is de ongerustheid der vriendschap, vergeleken bij de kwellingen eener vrouw in dergelijke gevallen? O! Hij is verloren! Iemand heeft hem vermoord—ik zal hem nooit weêr zien!”
Hier had een nieuwe stortvloed van tranen dezelfde uitwerking bij haar als het onderdrukken er van op den heer Allworthy, en ook zij zweeg.
Op dit oogenblik kwam een knecht, buiten adem, de kamer binnenloopen en riep uit: „De kapitein is gevonden,—” maar eer hij er iets bijvoegen kon, werd hij door twee anderen gevolgd, die het lijk droegen.