Part 29
Ten gevolge dus van de bepaalde bevelen van haar vader, moest Sophia nu den heer Blifil ontvangen. Wij hebben opgemerkt dat tooneelen van dezen aard, als ze zeer uitvoerig beschreven worden, den lezer slechts weinig vermaak opleveren, en wij zullen ons dus bij deze gelegenheid streng houden aan den regel van Horatius, die den schrijver den raad geeft om alles over te slaan, wat hij geene kans ziet in een helder licht te doen uitkomen. Een regel, naar wij ons verbeelden, die uitmuntend is, evenzeer voor den geschiedschrijver als den dichter, en die, als men er nooit van afweek, ten minste één heerlijk gevolg zou hebben, namelijk dat menig groot kwaad (zoo als elk dik boek wel eens heet), tot een klein kwaad teruggebragt zou worden.
Het is mogelijk dat de list, door Blifil bij deze bijeenkomst ten toon gespreid, Sophia overgehaald zou hebben bij een anderen man in zijne omstandigheden, om hem tot haar vertrouweling te maken, en haar hart voor hem open te leggen. Maar zij had zulk een ongunstig denkbeeld omtrent dezen jongeling opgevat, dat zij vast besloten had geen vertrouwen in hem te stellen;—want als de eenvoudigheid eens op hare hoede is, is die dikwerf tegen alle list bestand. Hare houding tegenover hem was dus zeer gedwongen en inderdaad van dien aard, welken men gewoonlijk bij eene jonge dame eischt, bij het tweede deftige bezoek van iemand, die tot haar aanstaanden echtgenoot bestemd is.
Maar ofschoon Blifil tegen haar vader verklaarde dat hij zeer tevreden was over zijne ontvangst,—was echter die heer, die door zijne zuster vergezeld, alles afgeluisterd had wat er voorgevallen was, niet zoo zeer in zijn schik. Hij besloot dan, op raad van die wijze dame, om de zaken zooveel mogelijk te verhaasten, en zich tot zijn aanstaanden schoonzoon wendende, sprak hij hem, na een luid, hola! in zijne jagerstaal, op de volgende wijze aan:
„Ks! ks! mijn jongen! Zit haar achterna! Ks! ks! Pak maar! Ks! ks! Vat maar aan! Wees niet bang! Pak maar aan! Allworthy en ik kunnen heden namiddag alles regelen en morgen zal het huwelijk zijn!”
Blifil riep eene uitdrukking van de meeste voldoening op zijn gelaat en hernam:
„Daar er niets ter wereld is, mijnheer, dat ik meer begeer dan eene verbindtenis met uwe familie, en mijn huwelijk met de beminnelijke en deugdzame Sophia, kunt gij u gemakkelijk verbeelden, hoe ongeduldig ik uitzie naar de verwezenlijking mijner twee dierbaarste wenschen. Zoo ik u dus op dit punt niet lastig gevallen ben, wil dat alleen toeschrijven aan mijne vrees van de dame te beleedigen, door te trachten zulk eene gelukkige gebeurtenis eerder door te drijven dan voegen zou met de strengste voorschriften der betamelijkheid en welvoegelijkheid. Maar, als men door uw invloed, mijnheer, haar overhalen kon eenige formaliteiten te—”
„Formaliteiten. Wat drommel!” riep de landjonker, „allemaal gekheid en onzin! Ik zeg je, dat zij jou morgen trouwen zal. Als ge zoo oud zijt als ik, zult ge de wereld beter kennen. De vrouwen zeggen nooit ja, jongen, als zij het laten kunnen. Dat is zoo de mode. Als ik op hare moeders toestemming had gewacht, was ik heden ten dage nog jonggezel! Toegetast maar! Toegetast maar, mijn jongen! Daar komt het op aan! Ik zeg, dat gij haar morgen hebben zult!”
Blifil liet zich overtuigen door de krachtige redenatiën van den landjonker, en daar men overeen kwam, dat Western dienzelfden namiddag alles met Allworthy regelen zou, ging de minnaar huiswaarts, na zeer ernstig gesmeekt te hebben, dat men de dame met deze overhaasting volstrekt geen geweld zou aandoen,—ongeveer op dezelfde wijze als een Inquisiteur de wereldsche autoriteiten smeekt volstrekt geen geweld te gebruiken tegen den leek, die aan haar overgeleverd wordt, nadat de kerk hem gevonnisd heeft.
En, om de waarheid niet te verbloemen, Blifil had het vonnis over Sophia uitgesproken; want ofschoon hij zich aan Western volmaakt tevreden verklaarde met zijne ontvangst, was hij eigenlijk van niets overtuigd, dan dat hij het voorwerp van den haat en der verachting der dame was, en dit had geen minderen haat en verachting bij hem opgewekt. Men zal welligt vragen, waarom hij dan in dit geval niet onmiddellijk een einde maakte aan hunne vrijaadje, en ik antwoord, dat het juist om die reden was, en om verscheidene anderen, die even deugdelijk waren, en welke ik nu uitleggen zal.
Hoewel mijnheer Blifil niet van hetzelfde gestel was als Jones, gereed om iedere vrouw, die hij zag, aan te vliegen, was hij echter ver van ontbloot te zijn van die driften, welke, naar men zegt, aan alle dieren eigen zijn. Daarbij bezat hij dien geest van onderscheid, welke de menschen in het voorwerp hunner keuze leidt, als zij aan hunne lusten willen voldoen, en deze leerde hem Sophia te beschouwen als een heerlijk brokje, en voor haar bezield te zijn met dezelfde gevoelens waarmede een lekkerbek een ortolaan aanziet. En de kwellingen welke Sophia’s hart ontroerden, verhoogden hare schoonheid eerder dan dat zij ze verminderden; want de tranen maakten hare oogen nog schitterender en haar boezem golfde van hare zuchten. Werkelijk ook, heeft niemand de schoonheid in haren grootsten luister gezien, als hij haar niet in het ongeluk gezien heeft. Blifil bekeek dus nu deze menschelijke ortolaan met meer verlangen dan toen hij haar de laatste keer gezien had; en zijne begeerte werd volstrekt niet verminderd door den afkeer welken zij voor hem aan den dag legde. In tegendeel, dit diende eerder om het genot te verhoogen dat hij zich voorstelde van haar bezit, daar de wellust door de overwinning verhoogd zou worden;—ja, hij had zelfs nog andere oogmerken met zijn wensch om haar te bezitten, die wij te zeer verfoeijen om ze zelfs te noemen, en onder de genoegens, welke hij zich voorspiegelde, nam ook de wraak hare plaats in. Den armen Jones te verdringen en hem uit haar hart te bannen, was nog een spoorslag voor hem, en beloofde zijn genot ten hoogsten top te voeren.
Behalve deze plannen, welke sommige naauwgezette menschen wat al te kwaadaardig zullen vinden, had hij ook iets anders op het oog, dat zeer weinige mijner lezers met groote afkeuring zullen vernemen. En dit was het vermogen van den heer Western, dat op zijne dochter en hare kinderen gevestigd zou zijn; want zoo buitensporig was deze dwaze vader in zijne liefde, dat mits zijn kind slechts daarin toestemde om een ellendig leven te leiden met den echtgenoot zijner keuze, hij er niet om gaf hoe duur die hem te staan kwam.
Om deze redenen verlangde de heer Blifil zoo zeer naar het huwelijk, dat hij zich voornam om Sophia te bedriegen, door haar in den waan te brengen dat hij haar beminde, en om haar vader en zijn eigen oom te misleiden door voor te geven dat hij door haar bemind werd. Tot dit einde maakte hij gebruik van de leer van den heer Thwackum, die het er voor hield, dat als het doel heilig was (wat zeker het geval is met het huwelijk), het er niet op aankwam hoe slecht de middelen waren. Bij andere gelegenheden plagt hij de wijsbegeerte van Square toe te passen, die beweerde dat het doel onverschillig was, mits de middelen slechts eerlijk en bestaanbaar waren met de zedelijke regtschapenheid. Om de waarheid te zeggen, er waren slechts weinige gevallen in dit leven, waarop hij niet met groot voordeel de leerstellingen van een van deze twee groote wijsgeeren toepassen kon.
Het was echter niet noodig om veel bedrog te plegen bij den heer Western, die niet meer gewigt hechtte aan de neigingen zijner dochter dan Blifil zelf; daar de heer Allworthy echter er heel anders over dacht, was het bepaaldelijk noodig om hem te misleiden.
Hierin werd Blifil echter zoo uitmuntend geholpen door Western, dat het hem zonder bezwaar gelukte; want daar de heer Allworthy van haren vader de verzekering ontving, dat Sophia zeer ingenomen was met Blifil, en dat alles wat hij omtrent Jones verondersteld had heel verkeerd was, behoefde Blifil niets anders te doen dan deze beweringen te bekrachtigen,—wat hij met zooveel dubbelzinnigheid deed, dat hij zijn geweten redde, en de voldoening smaakte om zijn oom een leugen te doen gelooven, zonder er bepaaldelijk zelf een verteld te hebben. Toen hij ondervraagd werd aangaande Sophia’s gevoelens door Allworthy, die zeide, „in geen geval er deel aan te willen hebben, dat de jonge dame tegen haar zin tot een huwelijk gedwongen werd,” antwoordde Blifil: „Dat het zeer moeijelijk was achter de ware gevoelens der jonge dames te komen; dat hare houding tegenover hem zoo voorkomend was als hij maar wenschen kon, en dat, als hij haar vader mogt gelooven, zij juist die neiging tot hem koesterde, welke eenige minnaar ooit verlangen kon.”
„Wat Jones aangaat,” vervolgde hij, „dien ik ongaarne een schurk noem, hoewel zijn gedrag ten uwen opzigte, oom, die benaming wel regtvaardigde, zijne ijdelheid, of misschien eenige booze oogmerken, heeft hem welligt doen bogen op iets dat niet bestaat; want als er iets van aan ware, dat mejufvrouw Western wezenlijk van hem hield, zou de grootte van haar vermogen hem nooit overgehaald hebben haar te verlaten, zoo als u bekend is, dat hij nu gedaan heeft. Eindelijk, oom, verklaar ik u, dat ik zelf om geene reden, neen, niet eens om alles ter wereld, er in toestemmen zou om deze jonge dame tot mijne vrouw te nemen, als ik niet overtuigd was, dat zij, wat hare liefde betreft, in alle opzigten aan mijne wenschen voldoet.”
Deze uitmuntende wijze om eene onwaarheid in te kleeden, wat geschiedt door middel van dubbelzinnigheid en bedrog, zonder den mond aan een logen schuldig te maken,—heeft het geweten van menigen grooten schelm gerust gesteld, en toch, als wij bedenken, dat het den Alwetende is, dien men tracht te bedriegen, zal men inzien, dat ze slechts een zeer oppervlakkigen troost kan opleveren, en dit kunstige en fijne onderscheid tusschen het doen gelooven aan eene onwaarheid, en het vertellen van een logen, is naauwelijks de moeite waard, die het kost.
Allworthy was tamelijk voldaan door hetgeen de heer Western en Blifil hem vertelden, en alle afspraken waren nu, na verloop van twee dagen, gemaakt. Niets bleef dan over om de kerkelijke inzegening te doen uitstellen, dan het werk der notarissen, hetwelk zooveel tijd dreigde te kosten, dat Western zich gereed verklaarde zich met de plegtigste eeden tot alles te verbinden, eerder dan het geluk van het jonge paar te vertragen. Inderdaad, hij was zoo vol ijver en zoo dringend in deze zaak, dat een onverschillige toeschouwer hem voor den hoofdpersoon daarbij zou hebben kunnen aanzien; maar deze drift was hem bij alle gelegenheden eigen, en elk plan dat hij beraamde, ondernam hij op eene wijze, die scheen aan te toonen dat het welslagen daarvan het geluk van zijn leven zou verzekeren.
De vereenigde smeekingen van vader en schoonzoon zouden waarschijnlijk den heer Allworthy overgehaald hebben, daar deze er niet aan denken kon het geluk van anderen te vertragen, zoo Sophia zelve dit niet belet had, door maatregelen te beramen, die de geheele verbindtenis verijdelden en kerk en wet beroofden van de belastingen, welke die wijze ligchamen goedgevonden hebben te leggen op de wettige voortplanting van het menschelijke geslacht. Hierover nader in het volgende hoofdstuk.
HOOFDSTUK VII.
EEN VREEMD BESLUIT VAN SOPHIA EN EENE NOG VREEMDER LIST VAN JUFVROUW HONOUR.
Hoewel jufvrouw Honour voornamelijk op haar eigen belang gesteld was, bleef zij niet zonder eenige weinige liefde tot Sophia. Om de waarheid te zeggen, was het zeer moeijelijk voor iemand om die jonge dame te kennen zonder haar lief te hebben. Zoodra zij dus het groote nieuws hoorde, dat zij van zoo veel gewigt achtte voor hare meesteresse, vergat zij den toorn, welke bij haar ontstaan was een paar dagen te voren, toen zij zoo zonder complimenten door Sophia uit de kamer gezonden werd, en haastte zich om haar de tijding mede te deelen.
Het begin van hare redevoering was even onverwacht als haar binnentreden.
„O mijne lieve jufvrouw!” riep zij, „zoudt gij het kunnen gelooven? ’t Is waar, het heeft mij een schrik gegeven, daar ik nog niet van hersteld ben,—en toch hield ik het voor pligt om het u te zeggen, al mogt gij er boos om worden; want wij dienstboden weten niet altijd wat onze meesters behagen zal of niet; en, dat is zeker, wat er ook gebeure, dat wordt ons ten laste gelegd! Als onze dames uit haar humeur zijn, knorren zij op ons,—en het is waar,—het zou mij niet verwonderen als gij nu uit uw humeur kwaamt,—want verrassen zal het u zeker,—ja, en u doen schrikken ook—”
„Mijne goede Honour,” zei Sophia, „laat me het zonder meer omhaal van woorden weten. Ik verzeker u dat er slechts weinig is, dat me nu verrassen, en nog minder dat mij verschrikken kan!”
„Wel, jufvrouw,” hernam Honour, „verbeeld u dat ik mijnheer hoorde praten met dominé Supple over het klaarmaken van de papieren heden namiddag, ten einde u morgen vroeg te doen trouwen!”
Sophia verbleekte bij deze woorden en herhaalde: „Morgen vroeg?”
„Ja, jufvrouw,” zei de trouwe dienstmeid, „ik wil er op sterven, dat ik mijnheer dat hoorde zeggen.”
„Honour,” riep Sophia, „ge hebt me zoodanig verschrikt en verrast, dat ik naauwelijks spreken of denken kan! Wat moet ik in dezen verschrikkelijken nood doen?”
„Ik wilde maar dat ik in staat was u goeden raad te geven,” hernam Honour.
„O geef me toch raad,” riep Sophia; „lieve Honour, help me toch! zeg maar wat ge doen zoudt als gij in dit geval waart!”
„Wezenlijk, jufvrouw,” hernam Honour, „ik wilde maar dat gij en ik nu van plaats ruilen konden; dat is, zonder de jufvrouw te willen beleedigen; want natuurlijk ik wenschte niet dat gij u vernederen zoudt om dienstbode te worden; maar, omdat als de zaak mij aanging, ik er geen bezwaar in zou vinden; want, naar mijn gevoelen, is mijnheer Blifil een allerliefst lief, bekoorlijk, schoon jong mensch,—”
„Zwijg toch met dien onzin!” riep Sophia.
„Onzin!” herhaalde Honour, „daar hebt ge het al!—Maar ’t is waar, wat de eene graag lust is vergif voor den andere,—en dat is ook het geval met ons vrouwen.”
„Honour,” zei Sophia, „eerder dan mij er aan te onderwerpen om dien ellendeling te trouwen, zou ik me een dolk door het hart stooten!”
„Mijn hemel, jufvrouw,” hernam de andere, „gij jaagt me een mooijen schrik aan! Laat me u smeeken u zulke booze gedachten uit het hoofd te zetten! Mijn tijd! Ik beef aan alle ledematen! Lieve jufvrouw, bedenk toch,—men zou u eene christelijke begrafenis weigeren;—uw lijk, met een paal er door heen, zou langs den kant van een sloot begraven worden,—even als met den boer Halfpenny geschiedde, te Ox Cross,—en hij spookt er nog altijd;—vele menschen hebben hem daar gezien. Zeker kan de Satan, en niemand anders, een mensch zulke booze gedachten ingeven, want het is waarlijk minder boos om alle menschen ter wereld kwaad te doen, dan zich zelven,—en dat heb ik dikwijls van den dominé gehoord. Als gij, jufvrouw, zulk een hevigen afkeer van den jongen heer koestert en er niet aan denken kunt hem tot man te nemen;—want, het is waar, er bestaan dergelijke antipathiën in de natuur, en men zou liever een pad dan zekere menschen aanraken,—”
Sophia was al te zeer in hare eigene gedachten verdiept geweest, om veel acht te slaan op bovenstaande uitnemende redevoering van hare kamenier, en viel haar dus nu in de rede, zonder er op te antwoorden, terwijl zij zeide:
„Honour, ik heb een besluit genomen. Ik heb me vast voorgenomen mijns vaders huis heden nacht te verlaten, en als het waar is, dat ge me zoo lief hebt als ge dikwerf gezegd hebt, zult ge me wel vergezellen.”
„Ik zal u tot het einde der wereld volgen, jufvrouw,” hernam Honour; „maar ik bid u wel de gevolgen eener zoo vermetele handeling te overwegen eer het te laat is. Waarheen zoudt gij toch bij mogelijkheid kunnen gaan?”
„Er woont in Londen,” zei Sophia, „eene dame van aanzien, eene aanverwante van mij, die eenige maanden bij tante buiten gelogeerd heeft, gedurende welken tijd zij mij met de meeste vriendelijkheid behandelde, en zooveel genoegen vond in mijn omgang, dat zij tante ernstig smeekte mij met haar naar Londen te laten gaan. Daar het iemand is van hoogen stand, zal ik haar gemakkelijk weten te vinden, en ik twijfel er niet aan, dat zij mij goed en liefderijk ontvangen zal.”
„Daar zou ik niet te veel op rekenen, jufvrouw,” antwoordde Honour; „want de eerste dame bij wie ik diende, was gewoon om de menschen zeer dringend bij zich te noodigen; maar als zij later hoorde dat zij kwamen, zorgde zij altijd niet te huis te zijn. Bovendien, hoewel deze dame zeker blijde zou zijn de jufvrouw te zien,—zooals iedereen zich verheugen zou u te zien,—evenwel, als zij hoort dat gij weggeloopen zijt,—”
„Ge vergist u, Honour,” zei Sophia; „zij heeft lang niet zooveel eerbied voor het vaderlijk gezag als ik; want zij drong er hevig op aan, dat ik haar naar Londen zou vergezellen, en toen ik weigerde dat te doen zonder vaders toestemming, lachte zij om mij en noemde me een dwaas landmeisje, en zeide dat ik zeker eene trouwe, liefhebbende echtgenoote zou worden, omdat ik zulk eene gehoorzame dochter was. Dus twijfel ik niet dat zij me ontvangen en beschermen zal, totdat mijn vader, als hij eens ziet, dat hij mij niet meer in zijne magt heeft, naar rede zal willen luisteren.”
„Maar, jufvrouw,” antwoordde Honour, „op welke wijze denkt gij van hier te ontsnappen? Van waar zult gij paarden of rijtuig krijgen? Want, wat uw eigen paard betreft, daar al de dienstboden meer of minder ingelicht zijn omtrent hetgeen er gaande is tusschen u en mijnheer, zou de stalknecht zich liever laten doodslaan, dan uw paard uit de stal te brengen zonder bepaalden last van mijnheer.”
„Ik ben voornemens te ontsnappen,” zei Sophia, „door eenvoudig de deur uit te gaan zoodra die openstaat. Ik dank den hemel dat mijne voeten sterk genoeg zijn om mij te dragen. Ze hebben me menigen langen avond gedragen,—na overdag gereden te hebben, als ik in geen zeer aangenaam gezelschap heb moeten dansen,—en zeker zullen ze me nu niet begeven, dat ik zulk verachtelijk gezelschap voor het geheele leven tracht te ontloopen.”
„Mijn hemel!” riep Honour, „weet de jufvrouw wel wat zij zegt? Gij denkt er toch niet aan, des nachts en alleen door het land rond te loopen?”
„Neen, niet alleen,” hernam de dame, „Gij hebt immers beloofd mij te vergezellen.”
„Wel zeker,” riep Honour; „ik wil de jufvrouw wel de heele wereld door volgen; maar gij zoudt bijna even goed alleen kunnen wezen; want ik zal niet in staat zijn u te verdedigen, als roovers of ander gespuis u aanvallen.—Neen! ik zou even benaauwd zijn als de jufvrouw zelve,—en zij zouden ons beide kunnen verkrachten,—dat is zeker. Bovendien, vergeet niet, jufvrouw, hoe koud het nu ’s nachts is, en dat wij zeker dood vriezen zouden.”
„Een flinke stap,” hernam Sophia, „zal ons beletten de koude te gevoelen, en als gij buiten staat zijt, Honour, om mij te verdedigen tegen een schurk, dan zal ik u beschermen; want ik zal een pistool medenemen. Er hangen er altijd twee, geladen, in den gang.”
„Lieve jufvrouw!” riep Honour; „gij jaagt me hoe langer hoe meer schrik aan! Gij zoudt het toch niet wagen een pistool af te schieten? Ik zou liever alles laten begaan, dan dat!”
„Hoe?” zei Sophia, met een glimlach, „zoudt gij, Honour, geen pistool op iemand losbranden, die uwe eer aanrandde?”
„’t Is waar, jufvrouw,” hernam Honour, „de eer is een kostelijk iets, vooral voor ons, arme dienstboden; want ze is zoo te zeggen, onze broodwinning;—maar ik ben doodelijk bang voor vuurwapenen;—men hoort er zoo vele ongelukken van.”
„Nu, nu,” antwoordde Sophia, „ik geloof, zonder groot gevaar, voor uwe eer te kunnen instaan;—en zelfs zonder wapens; want ik zal paarden nemen in de eerste stad die wij bereiken, en men zal ons wel niet op weg daarheen aanranden. Hoor eens, Honour; ik heb vast besloten te gaan, en als ge me vergezellen wilt, beloof ik u mijn best te doen om u daarvoor te beloonen.”
Deze laatste belofte werkte meer uit op Honour dan al het voorafgaande; en daar zij hare meesteresse aldus besloten zag, hield zij op met haar verder tegen te spreken. Zij begonnen nu te overleggen welke middelen zij gebruiken moesten om haar plan ten uitvoer te brengen.
Hierbij deed zich dadelijk een zeer groot bezwaar op, en dit was het wegbrengen harer zaken;—een bezwaar dat minder woog bij de dame dan bij de kamenier;—want als eene vrouw eens besloten heeft zich in de armen van een minnaar te werpen, of om hem te ontloopen, worden alle moeijelijkheden zeer weinig geteld.
Maar Honour was door geene beweegredenen van dezen aard bezield; zij ging geen liefde-geluk te gemoet, en had ook niemand te ontloopen;—buiten en behalve de wezenlijke waarde harer kleederen, waaruit haar vermogen grootendeels bestond, was zij hartstogtelijk verzot op sommige japonnetjes, omdat zij haar bijzonder goed stonden, of haar door den een of anderen gegeven waren, of omdat zij ze pas gekocht had, of omdat zij ze al zoo lang gehad had;—of om eenige andere even geldige reden, zoodat zij er niet aan denken kon ze achter te laten aan de genade van Western, die, zooals zij stellig verwachtte, in zijne woede ze tot zijne slagtoffers zou maken.
De slimme jufvrouw Honour echter, na al hare welsprekendheid verspild te hebben in de poging om hare meesteresse van haar voornemen af te brengen, bedacht nu eindelijk de volgende list om hare kleederen te redden. Zij wilde zich namelijk reeds dien avond de deur doen uitzetten. Sophia keurde dit plan dadelijk goed; maar betwijfelde zeer of het uitvoerbaar zou zijn.
„O, jufvrouw,” zei Honour, „dat kunt gij gerust aan mij overlaten. Wij dienstboden weten best hoe die gunst van onze heeren en dames te verkrijgen; hoewel, soms, als zij ons meer loon schuldig zijn, dan zij dadelijk betalen kunnen, zij al onze beleedigingen verdragen, en er moeijelijk toe gebragt kunnen worden om te verstaan als wij hun de dienst opzeggen;—maar zóó is mijnheer niet, en daar de jufvrouw bepaaldelijk heden avond vertrekken wil, sta ik u er borg voor, dat ik me heden namiddag de deur laat uitzetten.”
Zij spraken nu af dat zij wat linnengoed en een nachttoilet voor Sophia bij hare eigene zaken zou inpakken;—en wat hare overige kleeren betrof, daarvan zag de jonge dame af, met even weinig berouw als de zeeman gevoelt, wanneer hij vreemd goed over boord werpt, om zijn eigen leven te redden.
HOOFDSTUK VIII.
BEVATTENDE TWISTEN VAN GEEN BUITENGEWONEN AARD.