Part 46
De vreemdeling dacht eerst dat hij zich vergist had, en wilde vergiffenis vragen en zich verwijderen, toen hij plotseling ontdekte bij den helderen maneschijn, een keurslijf, een japon, onderrokken, mutsen, linten, kousen, kousenbanden, schoentjes, overschoenen, enz., alles door elkander op den grond.
Dit alles diende slechts om zijn ijverzuchtig gemoed aan te vuren; hij werd zoo woedend, dat hij geen woord uitbrengen kon, en zonder Jones te antwoorden, trachtte hij het bed te naderen.
Daar Jones zich dadelijk verzette, ontstond er eene hevige worsteling, die weldra van weerskanten door slagen gevolgd werd. En nu begon mevrouw Waters,—want wij moeten bekennen dat zij ook in het bed lag,—denkelijk uit den slaap gewekt zijnde en twee mannen aan ’t vechten ziende op hare kamer,—hevig te gillen: „Moord, roof!” en nog harder „geweld!” uitroepende. En slechts diegenen zullen zich verwonderen dat zij dit laatste woord gebruikte, die vergeten dat zulke uitroepingen door verschrikte dames gebezigd worden even als tra-la-riri! in het gezang, alleen om den wille van het geluid, zonder dat men er eenig bepaald denkbeeld aan hecht.
Naast de kamer van de dame, lag ook een Iersche heer, die te laat was aangekomen in het logement, om vroeger vermeld te worden. Deze mijnheer was hetgeen de Ieren een „cavalier,” noemen: dat wil zeggen, hij was de jongere broeder, uit eene goede familie, en daar hij van huis geen vermogen had, moest hij het ergens elders zoeken: om die reden, was hij op weg naar Bath, om met de kaarten en de vrouwen zijn geluk te beproeven.
Dit jong mensch lag te bed, bezig met een van mevrouw Behn’s novellen te lezen; want een vriend had hem gezegd, dat de meest krachtdadige wijze om zich bij de vrouwen aan te bevelen, daarin bestond dat hij zijn verstand beschaafde en zijn geest ontwikkelde door goede lektuur.
Zoodra hij echter het geweldige leven hoorde in de aangrenzende kamer, sprong hij van zijn bed op, greep den degen in de eene hand en het licht in de andere, en liep dadelijk naar het vertrek van mevrouw Waters.
Zoo het gezigt van een derden man, in zijn hemd, eerst op nieuw de kieschheid der dame schokte, werd dit echter vergoed door de vermindering harer vrees; want zoodra de cavalier in de kamer trad, riep hij uit:
„Wat drommel! mijnheer Fitzpatrick, wat beteekent dat?”
Hierop gaf de andere dadelijk tot antwoord:
„O, mijnheer Maclachlan, wat ben ik blijde dat gij hier zijt! Deze schurk heeft eerst mijne vrouw verleid en is daarop met haar naar bed gegaan!”
„Vrouw! Welke vrouw?” riep de andere; „ik ken toch uwe vrouw, mevrouw Fitzpatrick, best, en ik zie wel dat de dame, bij wie de heer hier in zijn hemd slaapt, iemand anders is!”
Daar Fitzpatrick ook nu uit hetgeen hij van de dame gezien had, en ook uit hare stem, die wel op een grooteren afstand dan waarop hij zich nu van haar bevond, had kunnen herkend worden, begreep dat hij zich ten zeerste vergist had, begon hij de dame vergiffenis te vragen, en zich daarop tot Jones wendende, voegde hij er bij: „Maar wat u betreft, ik verzoek u op te letten, dat ik u geene vergiffenis vraag; want ge hebt me een slag gegeven, en dat eischt bloed morgen vroeg!”
Jones behandelde deze bedreiging met de meeste minachting, en de heer Maclachlan hernam: „Werkelijk, mijnheer Fitzpatrick, ge moest u schamen de menschen zoo midden in den nacht te storen; want als alle menschen in het logement niet sliepen, zoudt ge hen wakker gemaakt hebben, even goed als mij. Die mijnheer heeft u naar verdienste behandeld! Op mijn woord, ik, die geene vrouw heb, als gij haar zoo mishandeld hadt, zou u den nek omgedraaid hebben!”
Jones was zoodanig vervuld met vrees voor den goeden naam zijner dame, dat hij niet wist wat hij zeggen of doen zou; maar, gelijk opgemerkt is, de vindingrijkheid der vrouwen is veel vlugger dan die der mannen. Zij herinnerde zich dan dat er gemeenschap bestond tusschen hare kamer en die van Jones, en vertrouwende op zijne eer en hare eigene stoutheid, riep zij:
„Ik weet niet wat ge wilt, ellendeling! Ik ben de vrouw van geen uwer! Hulp! Hulp! Geweld! Moord!—” En daar de waardin op dit oogenblik in de kamer trad, viel haar mevrouw Waters met de meeste drift aan, zeggende, „dat zij zich verbeeld had in een fatsoenlijk logement te zijn, en niet in een publiek huis; maar dat een bende schurken haar overvallen had in hare kamer, die hare eer, zoo niet haar leven hadden willen aanranden;—die haar beide (naar zij verzekerde), even dierbaar waren.”
De waardin begon nu even hard te gillen als de arme vrouw, die te bed gelegen had, pas gedaan had.
Zij riep uit, „dat men haar te gronde rigtte, dat men den goeden naam van haar huis, waarop tot dusver nooit een smet gerust had, geheel vernietigd had.” Zich daarop tot de heeren wendende, vroeg zij: „Wat drommel, zij daar te maken hadden in de kamer van de dame, met hun spektakel?”
Fitzpatrick, die het hoofd liet hangen, herhaalde dat hij zich vergist had, en dat hij ootmoedig vergiffenis vroeg; waarop hij zich met zijn landsman verwijderde.
Jones, die te slim was om den wenk niet te verstaan, die hem door de schoone gegeven was, beweerde stout, „dat hij tot hare hulp was komen aansnellen zoodra hij de deur had hooren openbreken, wat, naar hij zich verbeeldde, alleen had kunnen geschieden met het voornemen om haar te bestelen,—en als dat zoo was, verheugde hij zich,” gelijk hij zeide, „dat te hebben belet.”
„Er is nooit een diefstal hier in huis gepleegd zoo lang ik er ben, mijnheer,” riep de waardin; „ik verzoek u te bedenken dat ik geene straatroovers,—God vergeve mij dat leelijke woord!—bij mij opneem! Niemand dan brave, eerlijke lieden worden hier in huis ontvangen, en tot mijn geluk mag ik zeggen, dat ik nog nooit gebrek heb gehad aan dergelijke klanten. Neen, ik had er altijd zooveel als ik maar bergen kon. Daar is hier geweest Milord—” en zij begon met eene lijst van namen en titels op te dreunen, die wij de onbescheidenheid niet zullen hebben om hier op te sommen.
Na lang met geduld geluisterd te hebben, viel haar Jones eindelijk in de rede, en verontschuldigde zich bij mevrouw Waters dat hij zoo ongekleed bij haar verschenen was, haar verzekerende „dat alleen de vrees, welke hij omtrent hare persoonlijke veiligheid gekoesterd had, hem tot zoo iets zou hebben kunnen verleiden.”
De lezer kan zich haar antwoord voorstellen, en inderdaad haar geheel gedrag, tot het einde van het tooneel toe, als hij maar bedenken wil in welken toestand zij veinsde te zijn,—namelijk, in dien van eene zedige vrouw, die door drie vreemde mannen op hare kamer uit den slaap opgewekt wordt. Dit was de rol, welke zij op zich nam te spelen, en inderdaad het gelukte haar zoo goed, dat geene onzer echte tooneelspeelsters in wat ze ook doen, op of van het tooneel, haar zouden kunnen overtreffen.
En daarin mogen wij denkelijk zeer billijk het bewijs zien, hoe natuurlijk de deugd is bij het schoone geslacht; want hoewel welligt onder tienduizend er geen eene is, die eene goede tooneelspeelster zou worden,—en er zelfs onder die weinigen zelden twee gevonden worden die dezelfde rol even goed weten te spelen,—kunnen alle vrouwen de rol van eene deugdzame op zich nemen, en diegenen die werkelijk deugdzaam zijn—en die het niet zijn, spelen allen even volmaakt die rol.
Zoodra de heeren weg waren, herstelde mevrouw Waters van hare vrees, en tevens van haar toorn, terwijl zij de waardin op een veel zachteren toon aansprak, die echter niet zoo spoedig tot bedaren kwam over den goeden naam van haar huis, om welken te bewijzen zij weder de vele groote luî begon op te sommen, die onder haar dak geslapen hadden;—maar de dame sneed het kort af, sprak haar volmaakt vrij van eenig deel te hebben gehad aan hetgeen gebeurd was, en smeekte verder hare rust te mogen nemen, welke zij voor het overige van den nacht ongestoord hoopte te genieten; waarop de waardin, na vele pligtplegingen en buigingen, de kamer verliet.
HOOFDSTUK III.
EEN GESPREK TUSSCHEN DE WAARDIN EN SUZE DE WERKMEID, DAT GELEZEN MOEST WORDEN DOOR ALLE LOGEMENTHOUDERS EN HUNNE DIENSTBODEN,—ALSMEDE DE AANKOMST EN DE VRIENDELIJKHEID VAN ZEKERE SCHOONE JONGE DAME, WAARUIT MENSCHEN VAN HOOGEN STAND LEEREN MOGEN HOE ZIJ ZICH ALGEMEEN BEMIND KUNNEN MAKEN.
De waardin, zich herinnerende dat Suze de eenige was die niet te bed lag toen de deur opengebroken werd, ging dadelijk bij haar, om naar de aanleiding van het schandaal te vernemen, en te vragen naar den vreemden heer en op welke wijze hij aangekomen was.
Suze vertelde alles wat de lezer al weet; de waarheid slechts in enkele gevallen, waar zij zulks noodig achtte, verdraaijende, en het geld dat zij ontvangen had, verzwijgende. Daar echter hare meesteresse, bij het begin van haar onderzoek, met veel deelneming gesproken had over den angst, welken de dame uitgestaan had, wegens een aanval op hare deugd, kon Suze niet nalaten te trachten de schijnbare ongerustheid harer meesteresse te sussen, door opregt te verklaren, dat zij Jones uit haar bed had zien springen.
Bij deze woorden werd de waardin woedend: „Een waarschijnlijk verhaal, inderdaad!” riep zij, „dat eene vrouw aan het gillen zou gaan en zich in zulk een geval zelve verraden! Ik woû wel weten welk beter bewijs van hare deugd eene vrouw geven kan, dan door gillen! En ik geloof wel dat ik twintig getuigen bij kan brengen, dat zij dat deed. Ik verzoek u zulke lastertaal van mijne gasten niet verder te verspreiden; want dat zou niet slechts hen zelven, maar ook den goeden naam van het huis benadeelen; en ik weet zeker dat er geene landloopers, of gemeen, laag volk hier komen!”
„Nu”, hernam Suze, „dan moet ik mijne eigene oogen niet meer gelooven!”
„Neen, dat moet ge ook niet altijd doen,” antwoordde hare meesteresse: „ik zou mijne eigene oogen niet gelooven tegen zulke echt fatsoenlijke lieden! Er is in geen half jaar zulk een goed souper besteld als door hen gisteren avond, en zij waren zoo gemakkelijk en vriendelijk, dat zij volstrekt niet klaagden over den bessenwijn, welken ik hun als champagne verkocht,—en ’t is waar, het goed is even lekker en gezond als de beste champagne in het land;—anders zou ik er voor bedanken het te schenken; en zij dronken er twee flesschen van. Neen, neen, ik zal nooit iets kwaads gelooven van zulke goede, bescheidene menschen.”
Daar Suze nu tot stilzwijgen gebragt was, ging hare meesteresse tot iets anders over. „En ge zegt,” hervatte zij, „dat die mijnheer met postpaarden gekomen is, en dat er een knecht buiten staat bij de paarden;—nu, dan zal hij ook wel een deftige mijnheer zijn. Waarom hebt ge hem niet gevraagd, of hij niet souperen wilde? Ik geloof dat hij bij den anderen heer op de kamer is. Ga naar boven en vraag of hij geroepen heeft? Misschien zal hij iets bestellen als hij merkt dat er nog menschen op zijn, om het voor hem klaar te maken. En bega geene van uwe gewone domheden door hem te vertellen dat het vuur uit is en dat de kippen nog niet geslagt zijn! En als hij schapenvleesch wil, verklap niet dat wij het niet in huis hebben. Ik weet dat de slagter pas een schaap geslagt heeft eer ik naar bed ging en hij heeft er nooit iets tegen het stuk te hakken terwijl het nog warm is, als ik iets noodig heb. Ga maar, en vergeet niet dat er schapenvleesch en kippen genoeg zijn! Ga maar, zeg ik; doe de deur open en begin met: „Heeren, hebt gij geroepen?” en als zij niets bestellen, vraag dadelijk, wat mijnheer voor zijn avondeten verkiest te gebruiken? Vergeet dat niet zoo beleefd mogelijk te doen;—als ge iets daarvan vergeet, zult gij het nooit ver brengen in de wereld!”
Suze vertrok en keerde weldra terug met het berigt dat de beide heeren het bed met elkaar deelden.
„Twee heeren,” riep de waardin, „in hetzelfde bed! Dat is onmogelijk! Ik wed dat het twee gemeene schooijers zijn! En ik verbeeld me dat de jonge mijnheer Allworthy het bij het regte einde had toen hij giste dat die twee kerels de dame wilden bestelen; want als de ééne de deur van de dame open gebroken had met eenige van de booze bedoelingen van een fatsoenlijk man, zou hij zich nooit uit de voeten gemaakt hebben en op de kamer van iemand anders zich schuil houden, om zelf de onkosten van een bed en een souper uit te winnen. Het zijn zeker dieven, en al dat zoeken naar eene vrouw is slechts een voorwendsel!”
Met deze verdenking van den heer Fitzpatrick deed de waardin hem groot onregt; want hij was wezenlijk van fatsoenlijke afkomst, hoewel hij geen duit bezat, en ofschoon hij eenige gebreken van hoofd en hart had, behoorden laagheid en schrielheid daar niet onder. Inderdaad, hij was zulk een mild mensch, dat hij een aanzienlijk vermogen met zijne vrouw gekregen hebbende, er nu bijna elken stuiver van uitgegeven had, behalve een karig jaargeld dat op hem gemaakt was, en ten einde in het bezit daarvan te komen, had hij haar zoo wreedaardig behandeld, en zich zoo woest en ijverzuchtig betoond, dat de arme vrouw zich eindelijk genoodzaakt had gezien van hem weg te loopen.
Deze heer nu, zeer vermoeid zijnde door de lange reis van Chester, welke hij in één dag afgelegd had, en die, met de slagen, welke hij in den strijd gekregen had, hem aan alle leden pijnlijk maakte, terwijl de zedelijke pijn, waaraan hij leed, daardoor nog vermeerderd was, gevoelde hoegenaamd geen eetlust, en daar hij zich zoo teleurgesteld zag in de vrouw, welke hij op het zeggen der meid voor zijne eigene echtgenoote had gehouden, kwam het volstrekt niet bij hem op dat zij wèl in huis kon wezen, hoewel hij zich nu in den persoon vergist had. Hij luisterde dus naar den raad van zijn vriend, om van alle verdere vervolging dien avond af te zien, en nam het vriendelijke aanbod aan om zijn bed met hem te deelen.
De knecht en de postiljon waren anders gestemd. Zij waren vlugger in het bestellen dan de waardin in het opdragen, die echter eindelijk door hen omtrent de waarheid van de zaak ingelicht, en overtuigd dat de heer Fitzpatrick geen dief was, zich liet overhalen om hun wat koud vleesch voor te zetten, dat zij bezig waren met groote graagte te verslinden, toen Partridge in de keuken trad. Hij was eerst gewekt door al het leven, dat wij beschreven hebben, en toen hij zich weder ter rust begeven wilde, had een nachtuil hem zulk eene serenade gebragt onder zijn venster, dat hij in den grootsten angst uit het bed sprong en de kleeren met den meesten spoed aantrekkende, naar beneden liep om de bescherming te zoeken van het gezelschap, dat hij in de keuken hoorde praten.
Zijne aankomst belette de waardin om weder naar bed te gaan; want zij was juist op het punt om de beide anderen aan Suze’s zorg over te laten; maar de vriend van den jongen heer Allworthy mogt niet op die wijze verwaarloosd worden, vooral daar hij een pintje warmen wijn bestelde. Zij gehoorzaamde onmiddellijk door die hoeveelheid bessenwijn op het vuur te zetten; daar dit vocht de plaats van allerlei soorten van wijn verving.
De Iersche knecht was al naar bed gegaan, en de postiljon wilde hem volgen; maar Partridge noodigde hem uit om te blijven en wat wijn mede te drinken,—wat de jongen zeer dankbaar aannam. De schoolmeester vreesde inderdaad om alleen weer naar zijn bed te moeten gaan, en daar hij niet wist hoe spoedig hij van het gezelschap der waardin zou kunnen beroofd worden, besloot hij zich van den postiljon te verzekeren, in wiens bijzijn hij spook noch duivel vreesde.
Op dit oogenblik verscheen er een tweede postiljon aan de poort, waarop Suze bevolen werd naar buiten te gaan, en terug kwam met twee jonge dames in rijkostuum, waarvan het eene zoo rijk geborduurd was, dat Partridge en de postiljon dadelijk van hunne stoelen opsprongen en de waardin niet diep genoeg buigen, of eerbiedige complimenten genoeg vinden kon.
De dame in het geborduurde gewaad zeide met een vriendelijken glimlach:
„Met uw goedvinden, jufvrouw, zal ik me een paar minuten hier bij het keukenvuur warmen; want het is waarlijk zeer koud;—maar ik sta er op dat ik niemand hier van zijne plaats jaag.”
Dit laatste voegde zij er bij om den wille van Partridge, die, met het diepste ontzag en bewondering over de rijke kleeding der dame, in een hoek der kamer gevlugt was. Maar bovendien, had zij wel andere aanspraken op eerbied; want zij was een der schoonste vrouwen die men zich verbeelden kan.
De dame smeekte Partridge ernstig naar zijne plaats terug te keeren; maar kon dit niet van hem verkrijgen. Daarop trok zij de handschoenen uit, en hield twee handjes vóór het vuur, welke, behalve dat ze niet smolten, alle eigenschappen van den sneeuw bezaten. Hare gezellin, die hare kamenier was, trok ook de handschoenen uit, en liet handen zien, die volmaakt, wat koude en kleur aangaat, op een stuk bevroren rundvleesch geleken.
„Ik zou u toch in bedenking geven,” sprak de kamenier tot de dame, „om heden nacht niet verder te gaan:—ik vrees wezenlijk dat de jufvrouw niet meer tegen de vermoeijenis bestand zal wezen.”
„Wel, mijn tijd!” riep de waardin; „de dame denkt daar zeker niet aan! Mijn hemel! Heden nacht nog doorreizen! Och! laat ik toch de dame smeeken niet daaraan te denken!—Maar dat zal ook wel niet noodig wezen! Wat zullen de dames voor het souper gelieven te gebruiken? Ik heb schapenvleesch genoeg en heerlijke kippen!”
„Ik geloof, jufvrouw,” zei de dame, „dat gij ons eerder van ontbijten dan van souperen moest spreken; maar ik heb hoegenaamd geen trek in eten, en als ik blijf, zal het slechts zijn om een paar uren rust te nemen. Als het u echter niet te veel moeite kost, zou ik gaarne een weinig warme Madera met water hebben;—maar zeer weinig wijn er in, als het u belieft!”
„O, jufvrouw!” riep de waardin; „wij hebben heerlijken witten wijn!”
„Dus hebt ge geen Madera?” zei de dame.
„O ja! Madera genoeg! Betere is in het heele land niet te krijgen!—maar, laat me u toch overhalen om iets daarbij te gebruiken!”
„Wezenlijk;—ik heb geen trek in eten,” hernam de dame, „en ik zou u zeer dankbaar wezen als gij zoodra mogelijk eene kamer voor mij in gereedheid wildet laten brengen; want ik heb me vast voorgenomen om na een uur of drie weder te paard te zijn.”
„Wel, Suze,” riep de waardin; „brandt het vuur nog niet in de „Wilde Gans?”—Het spijt me, dames, maar de beste kamers in huis zijn al bezet. Eenige menschen van de deftigste soort liggen al hier te bed. Wij hebben een rijken jongen landjonker hier, en vele andere groote luî.”
Suze gaf tot antwoord, „dat de Iersche heeren in „de Wilde Gans” waren.”
„Wel, hoe ongelukkig!” riep de waardin. „Wat drommel! Waarom hebt ge niet een paar van de beste vertrekken open gehouden voor de groote lui, die, zoo als ge weet, bijna dagelijks hier komen?—Als het maar echt fatsoenlijke heeren zijn, zullen zij zeker dadelijk met genoegen opstaan als zij hooren dat de dame de kamer noodig heeft.”
„Ik wil volstrekt niet dat iemand om mijnentwil gestoord worde,” hernam de dame. „Als ge maar eene redelijk goede kamer voor mij hebt, kan ik me best behelpen;—hoe eenvoudig alles ook zij. Ik verzoek u slechts, jufvrouw, om mijnentwil zooveel drukte niet te maken.”
„O, wat dat betreft,” riep de andere, „wij hebben goede vertrekken in overvloed;—maar geen een er van is goed genoeg voor u, mejufvrouw! Daar de jufvrouw zich echter verwaardigen wil om het voor lief te nemen, met het beste dat ik aan te bieden heb, loop, Suze, vlug, en leg vuur aan in de Roos. Zal de jufvrouw nu dadelijk naar boven gaan, of zoo lang wachten tot het vuur brandt?”
„Ik gevoel me nu al weêr wat verkwikt,” hernam de dame, „dus, zal ik maar dadelijk gaan, als ’t u belieft. Ik vrees dat ik eenige menschen en vooral dien heer,” (Partridge bedoelende), „reeds te lang van het vuur beroofd heb. Ik kan er wezenlijk niet toe besluiten om wien ook bij deze verschrikkelijke koude van het vuur af te houden.”
Hierop verwijderde zij zich met hare kamenier, terwijl de waardin met twee opgestoken kaarsen haar vóór ging.
Toen de goede vrouw in de keuken terugkeerde, liep het heele gesprek over de bekoorlijkheden der jonge dame. Er is ook werkelijk in de volmaakte schoonheid eene betoovering, waartegen haast niemand bestand is; want de waardin, hoewel zij niet in haar schik was over de weigering van een souper, verklaarde dat zij nooit zoo’n bekoorlijk wezen gezien had. Partridge roemde op de meest overdrevene wijze hare gelaatstrekken, ofschoon hij niet nalaten kon ook eenigen lof te besteden aan de rijke gouden borduursels van haar kleed; de postiljon roemde hare goedheid, wat bevestigd werd door den anderen postiljon, die nu binnen gekomen was.
„’t Is eene echte dame, daar durf ik voor in staan,” zeide hij; „want zij heeft ook medelijden met de stomme dieren, en vroeg me telkens onderweg, of het de paarden geen kwaad zou doen om zoo hard te rijden, en toen we hier aankwamen, gelastte zij mij om hun volop haver te voeren.”
De ware vriendelijkheid is zoo bekoorlijk, dat ze zeker aan iedereen loftuitingen afperst. Ze mag zelfs vergeleken worden bij de beroemde jufvrouw Hussey; [9] want ze weet iedere vrouwelijke volmaaktheid in het prachtigste licht te doen uitkomen en elk gebrek te verzachten en te verbergen. Wij konden deze korte opmerking niet achterwege houden op deze plaats, waar de lezer in de gelegenheid is geweest te zien hoe schoon de beminnelijkheid is,—en de waarheid dwingt ons dit nu des te sterker te doen uitkomen door juist het tegenovergestelde daarvan te laten zien.
HOOFDSTUK IV.
BEVATTENDE ONFEILBARE MIDDELEN OM ZICH ALGEMEEN VERACHT EN GEHAAT TE MAKEN.
De dame had zich pas ter rust begeven, toen de kamenier naar de keuken terugkeerde om zich op eenige van die lekkernijen te onthalen, welke hare meesteresse versmaad had.
Zoodra zij binnentrad, bewees haar het gezelschap denzelfden eerbied, als aan hare meesteresse, door op te staan; maar zij vergat die dame na te volgen en allen te verzoeken weer plaats te nemen. Inderdaad, het was hun naauwelijks mogelijk dat te doen; want zij plaatste haren stoel zoodanig, dat zij bijna het geheele vuur innam. Daarop beval zij dadelijk een kip voor haar te braden, verklarende, dat als het eten niet binnen een kwartier klaar was, zij er niet op wachten zou. Hoewel nu de arme kip op dat oogenblik in den stal zat te slapen, en gevangen, geslagt en geplukt moest worden eer ze op het vuur kwam, had de waardin op zich genomen alles binnen den bepaalden tijd te doen;—daar echter de nieuw aangekomene ongelukkig achter de schermen toegelaten was, had zij getuige moeten wezen van de foppaadje, en dus was de arme waardin genoodzaakt te bekennen dat zij geen kip in huis had; „maar, jufvrouw,” zeide zij; „ik kan dadelijk een heerlijk stukje schapenvleesch bij den slager laten halen.”
„Verbeeldt ge u dat ik eene paardenmaag heb,” hernam de kamenier, „om op dit uur van den nacht schapenvleesch te kunnen eten? Wel! Gij menschen die logementen houdt, schijnt u wel te verbeelden dat uwe meerderen niet anders geschapen zijn dan gij zelve! Maar ik dacht wel dat er niets te krijgen zou zijn in dit ellendig nest. Ik was er al verbaasd over dat de jufvrouw hier blijven wilde! Ik kan me best voorstellen dat er nooit iemand anders dan vetweiders en winkeliers hier komen.”