Chapter 13 of 84 · 3999 words · ~20 min read

Part 13

Allworthy echter liet zich niet misleiden door hunne kwaadaardigheid. Hij verklaarde, zeer tevreden te zijn met Tom’s handelwijze. Hij zeide dat zijne volharding en standvastige vriendschap zeer lofwaardig waren, en het speet hem, niet meer dergelijke voorbeelden van die deugd te zien.

Maar het noodlot, dat zelden ingenomen is met zulke kwasten als vriend Tom,—misschien omdat zij te weinig hun hof maken aan de godin, gaf nu eene geheel andere rigting aan zijne handelingen, en vertoonde ze aan den heer Allworthy in een veel minder gunstig licht dan hij ze tot dusver gezien had.

HOOFDSTUK VI.

EENE VERONTSCHULDIGING VOOR DE ONGEVOELIGHEID VAN DEN HEER JONES OMTRENT DE BEKOORLIJKHEDEN VAN SOPHIA, WAARDOOR WIJ WELLIGT ZIJN KARAKTER ERNSTIG ZULLEN BENADEELEN IN DE SCHATTING VAN DIE EDELE EN GALANTE MENSCHEN, DIE DE HELDEN BEWONDEREN VAN DE MEESTE ONZER HEDENDAAGSCHE TOONEELSTUKKEN.

Er zijn, vrees ik, reeds twee soorten van menschen, die een laag denkbeeld opgevat hebben van mijn held, wegens zijn gedrag ten opzigte van Sophia. De eersten zullen zijn gedrag berispen, omdat hij de gelegenheid liet voorbijgaan, om zich in het bezit te stellen van het vermogen van den heer Western; en de laatsten zullen hem niet minder verachten wegens zijne onverschilligheid jegens een schoon meisje, dat gereed scheen hem in de armen te vliegen, zoodra hij ze openen wilde om haar te ontvangen.

Hoewel het mij nu welligt niet mogelijk zal wezen hem op een dezer punten vrij te pleiten,—want gebrek aan voorzigtigheid laat geene verontschuldiging toe, en hetgeen ik tegen het tweede punt in te brengen heb, zal, naar ik vrees, weinig voldoen,—zoo zal ik toch, daar men soms verzachtende omstandigheden er in zou kunnen vinden, maar heel eenvoudig de zaak bloot leggen en de beslissing aan den lezer overlaten.

De heer Jones had iets over zich, hetwelk,—ofschoon het mij voorkomt, dat de schrijvers het onderling niet eens zijn in den naam welken, zij daaraan geven—zeker in sommige menschelijke harten woont, en dat dient, niet zoo zeer om regt van onregt te onderscheiden, als om hen tot het eerste aan te zetten, en hen van het laatste af te schrikken en te weerhouden.

Dit kan welligt vergeleken worden bij den bekenden koffermaker in de komedie;—want wanneer iemand, die het bezit, iets goeds doet, is er niemand anders onder de toeschouwers zoo vurig, zoo luid in zijne toejuiching; terwijl, van den anderen kant, als hij verkeerd doet, er niemand meer geneigd is om hem uit te fluiten en weg te jagen.

Maar om een hooger denkbeeld te geven van het door mij bedoelde grondbeginsel, en een, dat meer algemeen verstaanbaar is in deze eeuw, kan men zeggen, dat het als het ware, in het menschelijk hart op den troon zit, even als de groot-kanselier van dit rijk in zijn hof; dat het aldaar bestuurt, regeert, vonnist, vrijspreekt of veroordeelt, volgens regt en wet, met eene kennis, aan welke niets ontgaat, een doorzigt dat door niets misleid, en eene eerlijkheid, welke door niets omgekocht kan worden.

Dit werkzaam grondbeginsel mag welligt beschouwd worden als de groote slagboom tusschen ons en onze buren de dieren; want, ofschoon er sommigen zijn in menschelijke gestalte, die onder zijne leiding niet staan, beschouw ik hen eerder als overloopers van ons tot onze buren, onder wie zij het gewone lot van overloopers zullen ondervinden en niet eens eene eerste plaats verdienen.

Onze held (of hij het verkregen had van Thwackum of Square laat ik daar), stond in hooge mate onder den invloed van dit grondbeginsel; want hoewel hij niet altijd goed handelde, handelde hij nooit verkeerd zonder het te gevoelen en daardoor te lijden. Het was dit grondbeginsel dat hem leerde, dat de beleefdheden en de kleine vriendschapsbewijzen der gastvrijheid te vergelden door het huis te bestelen waar men ze ontvangt, zoo veel is, als zich te verlagen tot den meest verachtelijken en gemeenen dief. Hij verbeeldde zich niet dat de laagheid van de misdaad verminderd werd door de grootte van het toegebragte nadeel; integendeel, als het stelen van iemands tafelzilver met dood en schande bestraft werd, scheen het hem moeijelijk eene geëvenredigde straf te bedenken voor het ontstelen van iemands geheel vermogen met zijne dochter er bij.

Dit grondbeginsel belette hem dus eenige gedachte te koesteren van op deze wijze fortuin te maken,—want, gelijk ik gezegd heb, is het een zeer werkzaam grondbeginsel en stelt zich niet alleen tevreden met weten en gelooven. Als hij zeer verliefd was geweest op Sophia, zou hij welligt anders gedacht hebben; maar, vergun me op te merken, dat er een groot verschil bestaat tusschen iemands dochter uit liefde te schaken, of dat te doen alleen uit geldzucht.

Hoewel nu deze jongeling niet ongevoelig was voor de bekoorlijkheden van Sophia; hoewel hij hare schoonheid zeer bewonderde, en al hare overige goede hoedanigheden wist te schatten, had zij toch geen diepen indruk op zijn hart gemaakt;—en dit zullen wij nu, daar het hem bloot stelt aan de beschuldiging van domheid, of te minnste, van gebrek aan smaak, trachten te verklaren.

De waarheid is dan, dat zijn hart al in het bezit was van iemand anders. Hier twijfel ik niet, dat de lezer verbaasd zal staan over ons lang stilzwijgen op dit punt,—en onmogelijk kunnen gissen wie die vrouw was, daar wij tot dus ver geen woord gesproken hebben van iemand, die als mededingster van Sophia kon optreden; want wat mevrouw Blifil aangaat, hoewel wij genoodzaakt waren onze vermoedens te uiten omtrent hare neiging tot Tom, hebben wij tot dus ver geen de minste vrijheid gegeven, om te veronderstellen dat hij iets voor haar gevoelde; en inderdaad, het spijt mij te moeten zeggen, dat de jeugd, van beide geslachten, slechts al te zeer geneigd is ondankbaar te zijn voor die toegenegenheid waarmede menschen van meer gevorderden leeftijd soms zoo goed zijn haar te vereeren.

Ten einde den lezer niet langer in onzekerheid te houden, herinneren wij hem, dat wij dikwijls melding gemaakt hebben van het huisgezin van George Seagrim (den jager,—gewoonlijk de Zwarte George genoemd), welk gezin op dit oogenblik bestond uit man, vrouw en vijf kinderen.

Het tweede dezer kinderen was eene dochter, Molly geheeten, die voor een der schoonste meisjes in den omtrek doorging.

Congreve merkt te regt op, dat er in de schoonheid iets is dat gemeene zielen niet bewonderen kunnen;—en evenmin, zijn morsigheid of lompen in staat dit iets te verbergen voor die zielen, welke boven het gemeene verheven zijn.

De schoonheid van dit meisje maakte echter geen indruk op Tom, tot zij bijna zestien jaren oud was, toen Tom, die bijkans drie jaren ouder was, voor het eerst een liefderijk oog op haar begon te slaan. En zijne liefde was al lang op dit meisje gevestigd eer hij er toe komen kon om eenige poging te doen om haar te bezitten; want ofschoon zijne driften hem zeer daartoe aanspoorden, werd hij niet minder door zijne grondbeginselen teruggehouden. Een jong meisje, van welken lagen stand ook te verleiden, scheen hem eene zeer schandelijke misdaad te zijn, en de toegenegenheid, welke hij voor den vader koesterde, tegelijk met zijn medelijden voor het geheele huisgezin, versterkten hem zeer in zijne wijze voornemens, zoodat hij eenmaal besloot om zijne liefde te overwinnen en zich wezenlijk drie maanden lang onthield van Seagrim’s huis te bezoeken, of diens dochter te zien.

Hoewel nu Molly, gelijk gezegd is, over het algemeen voor een zeer schoon meisje doorging, en dat wezenlijk ook was, was hare schoonheid echter niet van den meest beminnelijken aard. Er was inderdaad slechts zeer weinig vrouwelijks in, en ze zou een man even goed als eene vrouw gepast hebben; want, om de waarheid te zeggen, jeugd en eene bloeijende gezondheid waren er de hoofdbestanddeelen van.

Ook haar innerlijk beantwoordde geheel aan dit uiterlijk. Even als het laatste groot en sterk was, zoo was het eerste stout en onbeschaamd. Zij bezat zoo weinig zedigheid, dat Jones meer bekommerd was om hare deugd dan zij zelve. En daar zij waarschijnlijk evenveel zin had in Tom als hij in haar, drong zij zich, zoodra zij zijne terughouding bespeurde, hoe langer hoe meer op en toen zij ontwaarde dat hij haar vermeed, vond zij de middelen om zich in zijn weg te plaatsen en gedroeg zich zóó, dat de jongen òf heel veel, òf heel weinig van een held had moeten hebben, als hare pogingen bij hem mislukt waren. Met één woord, zij zegevierde spoedig over al de deugdzame voornemens van Jones; want hoewel zij op het laatste oogenblik den meest betamelijken weerstand bood, moet ik toch haar de zege toekennen; daar zij, inderdaad, haar oogmerk bereikte.

In de leiding dezer zaak, zeg ik, speelde Molly hare rol zoo goed, dat Jones zich zelven de overwinning toeschreef, en inderdaad geloofde dat het meisje alleen bezweek voor zijne hevige aanvallen. Hij schreef hare toegevendheid ook toe aan de onweerstaanbare magt harer liefde tot hem, en de lezer zal bekennen, dat dit eene zeer natuurlijke en waarschijnlijke veronderstelling was, daar wij reeds meer dan eens zijn goed voorkomen vermeld hebben, en inderdaad, weinige jonge lieden evenaarden hem in schoonheid.

Even als er sommige karakters zijn, welker genegenheden, even als die van den jongen Blifil, alleen gevestigd zijn op één enkel mensch, wiens belangen en genoegens zij bij elke gelegenheid raadplegen, en het geluk of ongeluk van anderen als geheel onverschillige zaken beschouwen, ten zij deze eenigzins bijdragen tot het genot of het voordeel van dien eenen persoon, zoo bestaat er ook een andere gemoedsaard, die eene zekere mate van deugd zelfs aan het egoïsme ontleent. Deze menschen kunnen nooit eenig genoegen ondervinden van wien ook, zonder het schepsel te beminnen, dat hun dit genoegen schenkt, en zonder het welzijn van dat wezen zich eenigzins tot eene behoefte te maken, als zij zelve in rust zullen leven.

Tot deze laatste soort van menschen behoorde ook onze held. Hij beschouwde het arme meisje als iemand wiens geluk of ongeluk hij geheel en al van zich zelven afhankelijk had gemaakt. Hare schoonheid werkte nog steeds op zijne hartstogten, hoewel grootere schoonheid, of een nieuw voorwerp, dat welligt in hoogere mate gedaan zou hebben; maar als hij een weinig afgekoeld was door haar bezit, werd dit ruimschoots opgewogen door de gedachte aan de liefde, welke zij hem toedroeg, en aan den toestand waarin hij haar gebragt had. De eerste dezer beweegredenen stemde hem tot dankbaarheid, de laatste tot medelijden, en beide te zamen, met zijne ingenomenheid met hare schoonheid, onderhielden bij hem een hartstogt, die, zonder groot misbruik van het woord, liefde mogt genoemd worden, hoewel die misschien niet van den meest verstandigen aard was.

Dit was dan de ware reden van zijne onverschilligheid omtrent de bekoorlijkheden van Sophia, en omtrent hare houding, welke men, niet zonder reden, had kunnen beschouwen als aanmoedigend voor hem; want evenmin als hij er aan denken kon om de arme en hulpelooze Molly te verlaten, kon hij ooit de gedachte koesteren om zoo iemand als Sophia te misleiden. En zeker, als hij aan eenige neiging tot die jonge dame had willen toegeven, zou hij zich bepaaldelijk schuldig hebben gemaakt aan de eene of andere dezer misdaden, waarvan slechts ééne, naar mijn gevoelen, hem met regt onderhevig zou gemaakt hebben aan dat noodlottige uiteinde, dat bij zijne eerste optreding in deze geschiedenis hem zoo vrij algemeen voorspeld werd.

HOOFDSTUK VII.

HET KORTSTE HOOFDSTUK IN DIT BOEK.

Hare moeder was de eerste, die de verandering in Molly’s gestalte merkte, en ten einde alles voor de buren te verbergen, stak zij haar zeer dwaas in den hoepelrok, welken zij van Sophia gekregen had.

Natuurlijk had die jonge dame volstrekt niet verondersteld, dat de arme vrouw zwak genoeg zou zijn om eene harer dochters dat stuk in dien vorm te laten dragen.

Molly was verrukt met de gelegenheid, die haar nu voor het eerst gegeven werd, om hare schoonheid op de meest voordeelige wijze te doen uitkomen; want hoewel zij er nog al van hield zich in den spiegel te bekijken, zelfs als zij in lompen gehuld was,—en ofschoon zij in dien tooi het hart van Jones veroverd had,—en misschien ook van enkele anderen,—dacht zij, dat de bijgevoegde opschik hare bekoorlijkheden zeer zou verhoogen en hare veroveringen uitbreiden.

Molly dus met den hoepelrok opgeschikt, met eene nieuwe muts met kanten, en eenige andere sieraden, welke zij van Tom gekregen had, ging den eerstvolgenden zondag, met den waaijer in de hand, naar de kerk. De grooten vergissen zich deerlijk, als zij zich verbeelden, dat zij, bij uitsluiting, bezield zijn met eerzucht en ijdelheid. Deze edele hoedanigheden bloeijen even weelderig in eene dorpskerk en op een dorpskerkhof, als in de receptie-zaal of het kabinet.

Inderdaad, er worden soms plannen gesmeed in de kerkeraadskamer, die een conclave niet onteeren zouden. Daar vindt men een ministerie en eene oppositie;—daar vindt men mijnen en tegenmijnen, partijen en factiën, die niet onderdoen voor die, welke men aan het hof ziet.

De vrouwen uit de volksklasse zijn ook niet minder ervaren dan hare meerderen in stand en vermogen, in de beoefening van al de hoogste kunsten der vrouw. Men vindt er preutschen en coquettes;—men vindt er opschik, verliefde lonkjes, valschheid, nijd, kwaadaardigheid, laster;—in één woord, al wat te huis behoort in de schitterendste cirkels, of de beschaafdste kringen. Menschen dus uit de groote wereld, moeten niet meer de onwetendheid hunner minderen verachten, en de geringen niet meer klagen over de ondeugden der grooten.

Molly had al eenigen tijd op hare plaats gezeten eer zij door hare buren herkend werd. Toen hoorde men een gefluister onder het geheele gehoor: „Wie is dat?” dat gevolgd werd, zoodra men haar herkende, door zooveel gegrijns en gegigchel, gesnap en gelach, onder de vrouwen, dat de heer Allworthy genoodzaakt werd zijn gezag te doen gelden, ten einde haar eenige welvoegelijkheid te doen bewaren.

HOOFDSTUK VIII.

EEN SLAG, DOOR DE MUZE IN DEN TRANT VAN HOMERUS BEZONGEN, EN DIE DUS ALLEEN DOOR DEN KLASSIEK GEVORMDEN LEZER GEWAARDEERD ZAL WORDEN.

De heer Western bezat een landgoed in deze gemeente, en daar zijn huis bijna even digt bij deze als bij zijne eigene kerk was, woonde hij er ook dikwijls de godsdienstoefening bij,—en hij en de bekoorlijke Sophia waren er op dit oogenblik tegenwoordig.

Sophia was zeer ingenomen met de schoonheid van het meisje, dat zij om haren eenvoud beklaagde, welke haar daartoe gebragt had zich op die wijze op te schikken en den nijd harer gelijken op te wekken.

Zoodra zij dus te huis kwam, ontbood zij den jager, en beval hem zijne dochter bij haar te zenden, zeggende, dat zij haar daar in huis wilde verzorgen en mogelijk het meisje als kamenier nemen, zoodra hare eigene meid, die nu wegging, haar verlaten had.

De arme Seagrim stond als verpletterd toen hij dit vernam; want hij wist zeer goed waaraan de verandering in de gestalte zijner dochter toe te schrijven was. Hij hernam dus, stamelende, „dat hij vreesde dat Molly te onhandig zou zijn om de jufvrouw van dienst te kunnen wezen, vooral daar zij nog nooit in betrekking was geweest.”

„Dat doet er niet toe,” hernam Sophia. „Zij zal het wel spoedig aanleeren. Ik ben met het meisje ingenomen en heb besloten het met haar te wagen.”

De Zwarte George ging nu bij zijne vrouw, op wier goeden raad hij hoopte om hem nu uit dezen nood te redden; maar toen hij zijn huis bereikte, vond hij daar de boel eenigzins in de war. De hoepelrok had zooveel nijd opgewekt, dat zoodra de heer Allworthy en de andere groote luî uit de kerk weggegaan waren, de woede, welke zoolang onderdrukt was geweest, losbarstte, en na zich lucht gegeven te hebben eerst in scheldwoorden, hoongelach, gefluit en beleedigende gebaren, nu overging tot het werpen met zekere stof, welke, ofschoon, uit haar kleverigen aard voor leven noch ledematen gevaarlijk, verschrikkelijk genoeg was voor eene welgekleede dame. Molly bezat te veel moed om deze behandeling lijdelijk te ondergaan. Zich dus———maar wacht! Daar wij geen genoegzaam vertrouwen stellen in onze eigene krachten, moeten wij hier eene hoogere magt inroepen.

Gij Muzen dan, wie gij ook zijt, die u er op toelegt om veldslagen te bezingen, en voornamelijk gij, die vroeger de slagting beschreeft op die velden, waar Hudibras en Trulla streden;—als gij niet met uw vriend, den dichter Butler, van honger gestorven zijt,—verleen mij uwe hulp bij deze gewigtige gelegenheid! Het is niet een ieder gegeven alles te vermogen!

Even als eene groote kudde koeijen, op het erf van een rijken boer, loeijen en brullen als zij, terwijl zij gemolken worden, hare kalveren in de verte over den diefstal hooren klagen, zoo brulde dan ook het graauw van Somerset, met even zooveel soorten van kreten, gillen en andere geluiden als er verschillende personen of hartstogten onder hen waren. Sommigen waren bezield door toorn, anderen door vrees, en anderen waren vervuld met niets dan lust tot kattenkwaad;—maar het was voornamelijk de nijd, de zuster van den Satan, welke hem aanhoudend vergezelt, die onder de menigte rondvloog en de woede der vrouwen opstookte, die zoodra zij Molly bereikten, haar met vuil en drek smeten.

Molly, die te vergeefs gepoogd had te vlugten, keerde zich nu om, en de in lompen gehulde Bet grijpende, die den vijand aanvoerde, velde zij haar met één slag ter neder. Het geheele vijandige leger,—hoewel bijna een honderdtal strijders tellende,—het lot van zijn aanvoerdster ontwarende, week eenige passen achteruit en nam positie achter een pas gedolven graf,—want de strijd viel voor op het kerkhof, waar dienzelfden avond iemand begraven zou worden.

Molly maakte gebruik van haar voordeel, en een schedel opgrijpende, die aan den rand van het graf lag, smeet zij hem met zooveel kracht, dat zij een kleermaker daarmede op het hoofd raakte, en de beide schedels bij hunne ontmoeting een dof geluid gaven, waardoor de kleêrmaker de maat nam van den grond, en waar de twee hoofden nu naast elkaarlagen, zoodat het moeijelijk te beslissen was, welk van beide het meeste waard was. Molly daarop een dijbeen opvattende, viel de vlugtende gelederen aan, en deelde naar alle kanten hare milde slagen uit, zoodat menige dappere held en heldin nedergeveld werden.

Verkondig, o Muze, de namen van diegenen, welke op dezen noodlottigen dag vielen!

Eerst gevoelde Jakob Tweedle het onheil brengende been op zijn achterhoofd. Hem hadden de aangename oevers van de schoon kronkelende Stour gevoed, waar hij eerst des zangers kunst leerde, waarmede hij, op kermissen en feesten heen en weer trekkende, de landelijke nimfen en herders bekoorde als zij op het groene perk den opwekkenden dans beoefenden, terwijl hij zelf stond te fiedelen en bij zijne eigene muzijk te springen. Wat baat hem nu die viool? Zijn ligchaam valt neder op de groene zoden. Na hem viel de grijze Echepole, de varkenssnijder, die van de heldhaftige Amazone een slag op het voorhoofd ontving. Hij was lijvig en groot van ligchaam en viel zwaar als een huis. Op dit oogenblik gleed hem de tabaksdoos uit den zak, welke Molly, als wettigen buit, opgreep.

Daarop struikelde, ongelukkig, Kaat van den molen, over een grafsteen, waaraan haar neerhangende kous haakte, en de natuurlijke orde der dingen omkeerde, daar hare hielen hooger dan haar hoofd kwamen te staan. Betsi Pippin, met den jeugdigen Roger, haar minnaar, vielen beide ter aarde, waar, o ongunstig noodlot, zij den grond kuste en hij ten hemel keek. Tom Freckle, des hoefsmids zoon, werd nu het eerstvolgende slagtoffer harer woede. Hij was een kunstige werkman en maakte heerlijke ijzeren beugels voor de houten overschoenen der vrouwen:—en de overschoen waarmede hij nedergeveld werd, was zijn eigen werk! Als hij op dat oogenblik in de kerk gebleven ware om psalmen te zingen, zou hij die ramp ontgaan zijn. Mejufvrouw Crow, de dochter van een boer; Jan Giddish, zelf een boer, Nancy Slouch, Hester Codling, Willem Spray, Tom Bennet; de drie jonge dochters van Potter, wier vader de herberg, „in den rooden Leeuw” houdt, Betje, de werkmeid en Jan, de stalknecht, met vele anderen van minderen naam lagen te wentelen onder de grafsteenen.

Niet allen echter door den krachtigen arm van Molly bereikt; maar velen, op de vlugt, wierpen anderen omver.

Maar nu keerde Fortuna, vreezende haar karakter ontrouw te worden als zij te lang dezelfde partij begunstigde, vooral als die voor de goede zaak vocht, zich om, en voerde vrouw Brown aan,—haar, die Zedekiël Brown als vrouw omhelsde,—en niet hij alleen, maar de halve gemeente ook, zoo beroemd was zij in de heldenfeiten van Venus, zoowel als in die van Mars. Haar man droeg altijd op hoofd en gelaat hare trofeën rond; want zoo ooit een menschelijk hoofd, dan heeft dat van Zedekiël door zijne horens de zegepralen zijner vrouw op het gebied der liefde verkondigd, terwijl zijn diep gegroefd gelaat geene mindere sporen droeg van hare krijgshaftige talenten.

Niet langer wilde deze Amazone de schandelijke vlugt harer partij verdragen. Zij bleef staan en de vlugtenden luide toeroepende, sprak zij:

„Gij mannen van Somersetshire, of liever, gij vrouwen van Somersetshire, schaamt gij u niet aldus voor ééne enkele vrouw te vlugten? Maar, zoo niemand anders haar weerstaan durft, zal ik zelve, met Johanna Top, hier de eer der overwinning wegdragen!”

Zij sprak, vloog Molly Seagrim aan, ontwrong haar gemakkelijk het dijbeen en rukte haar ter zelfder tijd de muts van het hoofd. Daarop Molly met de linkerhand in het haar grijpende, sloeg zij haar zoo hevig in het gezigt met de regter, dat het bloed spoedig uit haar neus vloeide. Molly inmiddels bleef niet lijdelijk. Weldra rukte ook zij den doek van het hoofd van vrouw Brown, greep haar tevens met de eene hand in het haar en deed insgelijks met de andere hand een bloedstroom vloeijen uit de neusgaten harer vijandin.

Toen de beide strijdenden genoegzamen buit geroofd hadden uit elkanders hoofdhaar, keerde zich hare woede tegen de kleêren. In dezen aanval legden zij zoo veel vuur aan den dag, dat binnen weinige minuten beide tot haar midden ontbloot werden.

Gelukkig voor de vrouwen, dat als zij elkaar met de vuisten slaan, zij dat niet doen op dezelfde plaatsen als de mannen;—want ofschoon men zeggen kan, dat zij eenigzins haar geslacht vergeten als zij ten strijde trekken, heb ik toch opgemerkt, dat zij het nooit in zoo ver doen, dat zij elkaar op de borsten slaan, waar een enkele slag voor de meeste vrouwen noodlottige gevolgen zou hebben. Het is mij bekend, dat sommigen dit toeschrijven aan de omstandigheid, dat zij bloeddorstiger zijn dan de mannen. Om deze reden beginnen zij met den neus, die het gemakkelijkst aan het bloeden te krijgen is. Maar dit schijnt mij toe eene zeer gezochte en onregtvaardige veronderstelling te zijn.

Vrouw Brown had op dit punt een groot voordeel boven Molly, daar zij inderdaad geene borsten had, terwijl haar boezem, als men dien zoo noemen mag,—zoowel in kleur als in vele andere opzigten op een stuk oud perkament geleek, waarop men lang had kunnen trommelen zonder haar veel kwaad te doen.

Molly, buiten en behalve haren bijzonderen ongelukkigen toestand, was in deze ligchaamsdeelen anders geschapen, en de nijd van vrouw Brown zou deze welligt er toe gebragt hebben haar een noodlottigen slag te geven, als de gelukkige aankomst van Tom Jones op dit oogenblik niet plotseling een einde had gemaakt aan dit bloedig tooneel.

Dit gelukkige toeval was te danken aan den heer Square; want hij, de jonge Blifil en Jones waren, na kerktijd, te paard gestegen om een ridje te doen, en waren ongeveer een kwartier ver gereden, toen Square, van zin veranderde (niet uit grilligheid, maar om eene reden, welke wij ter gelegener tijd zullen uitleggen), en de jonge heeren verzocht een anderen weg in te slaan, dan dien, welken zij eerst gevolgd waren. Daar beiden hierin toestemden, kwamen zij noodzakelijk het kerkhof weder voorbij.

De jonge Blifil, die voorop reed, de verzamelde menigte ziende en twee vrouwen in de positie, waarin wij de strijdenden lieten, hield zijn paard in en vroeg wat er gaande was? Een boeren lummel krabde zich achter het oor en hernam:

„Wel, mijnheer, ik weet er niets van,—ik—; maar als u ’t niet kwalijk neemt, mijnheer, er is eene kloppartij geweest, geloof ik, tusschen vrouw Brown en Molly Seagrim.”