Part 67
„Van haar fatsoen weet ik niets af,” hernam jufvrouw Miller, „maar ik ben toch overtuigd, dat geene dame, tenzij eene der allernaaste bloedverwanten, om tien uur ’s avonds een bezoek zou brengen bij een jongen heer, en vier uren lang alleen bij hem op de kamer blijven. Bovendien, mijnheer, bewijst de houding van de stoeldragers wat zij eigenlijk was; want zij deden niets den geheelen avond dan gekheden praten onder de poort, en vroegen den heer Partridge, in het bijzijn van mijne eigene meid, of mevrouw van plan was den geheelen nacht bij mijnheer te blijven;—met veel andere leelijke dingen, die ik niet herhalen zal. Ik koester werkelijk, mijnheer Jones, de meeste achting voor u, om uw eigen wil;—ja, ik heb zelfs groote verpligtingen jegens u, wegens uwe mildheid ten opzigte van mijn neef. Wezenlijk, het is pas onlangs dat ik vernomen heb, hoe uitstekend goed gij voor hem geweest zijt. Ik had slechts eene flaauwe voorstelling van de verschrikkelijke uitersten waartoe de nood den armen man gedreven had. Ik dacht volstrekt niet, toen gij mij de tien guinjes gaaft, dat gij ze aan een straatroover geschonken hadt! Mijn hemel! Wat zijt ge goed geweest! Gij hebt wel dat ongelukkig huisgezin gered!—Ja! De heer Allworthy heeft me vroeger uw karakter goed geschilderd!—En werkelijk, al ware ik u zelve niets verpligt, ik zou u om zijnentwil met de meeste achting behandelen!—Ja, geloof me, waarde mijnheer, al was er geene sprake van den goeden naam van mij en van mijne dochters, zou het me toch spijten dat zulk een best jong mensch zich met dergelijke vrouwen ophield;—en als gij vast besloten hebt zoo voort te gaan, dan moet ik u verzoeken naar eene andere woning om te zien; want ik houd er niet van dat dergelijke dingen onder mijn dak gebeuren;—vooral om den wille mijner meisjes, die, dat weet de hemel, weinig meer hebben dan haar goeden naam om haar door de wereld te helpen.”
Jones was verschrikt en verbleekte bij de vermelding van den naam van Allworthy.
„Wezenlijk, jufvrouw Miller,” hernam hij eenigzins driftig, „ik neem dit niet best van u op. Ik zal nooit eenige schande onder uw dak brengen; maar ik sta op het regt, om welk gezelschap ik verkies op mijne kamer te ontvangen, en als gij u daardoor beleedigd acht, zal ik, zoodra ik in staat daartoe ben, eene andere woning zoeken.”
„Het spijt me zeer, mijnheer, dat wij scheiden moeten,” hernam zij; „maar ik ben overtuigd, dat de heer Allworthy zelf nooit een voet over den drempel zou zetten, als hij eens vermoedde dat mijn huis in een kwaden reuk stond.”
„Best, best, jufvrouw!” riep Jones.
„Ik hoop toch, mijnheer, dat gij niet boos op mij zijt,” hervatte zij; „want om alles ter wereld zou ik geen lid van de familie van den heer Allworthy willen beleedigen.—Deze zaak heeft me al een slapeloozen nacht gekost.—”
„Het spijt me zeer uwe nachtrust gestoord te hebben, jufvrouw,” zei Jones; „maar ik moet u verzoeken Partridge dadelijk naar boven te zenden.”
Zij beloofde dit te doen en vertrok na eene diepe neiging.
Zoodra Partridge boven kwam, viel hem Jones met de meeste drift en hevigheid aan.
„Hoe dikwerf,” riep hij uit, „moet ik door uwe dwaasheid (of eerder door de mijne, dat ik u bij me houd) lijden? Hebt gij besloten mij door uw gewawel te gronde te rigten?”
„Wat heb ik nu begaan?” vroeg de verschrikte Partridge.
„Wie gaf u het regt om iets van die aanranding op den straatweg te vertellen, en te zeggen dat de man, dien gij hier ontmoet hebt, daarin betrokken was?”
„Zou ik dat gedaan hebben, mijnheer?” vroeg Partridge.
„Maak u niet aan een leugen schuldig door het te ontkennen!” riep Jones.
„Nu, mijnheer, als ik iets van dien aard gezegd heb,” zei Partridge, „weet ik zeker dat ik er geen kwaad meê bedoelde; want ik heb er geen woord van over mijne lippen laten komen, tenzij tot zijne eigene vrienden en betrekkingen, die, naar ik meende, wel daarvan zouden weten te zwijgen.”
„Maar ik heb eene nog veel ernstiger beschuldiging tegen u,” vervolgde Jones. „Hoe waagdet gij het na al de waarschuwingen, welke ik u gegeven heb, den naam van mijnheer Allworthy hier te noemen?”
Partridge ontkende met vele eeden dat ooit gedaan te hebben.
„En hoe anders dan,” vroeg Jones, „zou jufvrouw Miller weten dat hij in eenige betrekking tot mij stond? Slechts een oogenblik geleden vertelde zij mij, dat het zijnentwege was dat zij mij zoo hoogachtte,—”
„Mijn hemel, mijnheer!” riep Partridge, „ik verlangde maar aan het woord te komen, dan zoudt gij gehoord hebben, hoe verkeerd gij mij beschuldigt;—hoor maar, of er ooit iets ongelukkiger had kunnen zijn! Toen jufvrouw Honour gisteren avond naar beneden kwam, ontmoette zij mij in den gang, en vroeg me wanneer mijnheer het laatst van mijnheer Allworthy gehoord had, en jufvrouw Miller hoorde haar dat zeggen, en zoodra jufvrouw Honour weg was, riep zij mij bij zich op de kamer. „Mijnheer Partridge,” zeide zij, „wie is die mijnheer Allworthy, van wien het meisje sprak? Is het de groote mijnheer Allworthy uit Somersetshire?” „Op mijn woord, jufvrouw,” zei ik, „daar weet ik niets van.” „Wel,” zeide zij: „zou uw meester de mijnheer Jones zijn, van wien ik mijnheer Allworthy zoo dikwerf heb hooren spreken?” „Op mijn woord, jufvrouw,” zei ik weer, „daar weet ik niets van!” „Nu dan,” hervatte zij, zich tot hare dochter Nancy wendende, „zoo waar ik leef, is dit zeker de jonge heer; want hij is juist zoo als mijnheer hem beschreef!”—De hemel weet wie haar dat verteld heeft; maar houd mij voor den grootsten schurk ter wereld, als ik het verklapte!—Neen, mijnheer! Ik verzeker u dat ik een geheim kan bewaren, als het noodig is!—Ja, mijnheer,—verre van haar iets van mijnheer Allworthy te vertellen, verzekerde ik haar juist het tegendeel; want ofschoon ik haar op dat oogenblik niet tegensprak, na rijp overleg, wat altijd goed is, naar men zegt, daar ik begreep dat iemand haar dat verteld moest hebben, dacht ik bij mij zelven, dat ik een einde aan hare praatjes zou maken;—dus ging ik wat later in de kamer terug en ik zei, „op mijn woord, zei ik, wie u ook verteld heeft, zei ik, dat mijn mijnheer mijnheer Jones is, zei ik, dat is, dat deze mijnheer Jones de andere mijnheer Jones was, zei ik, is een vervloekte leugenaar geweest, zei ik; en ik verzoek u; zei ik, om nooit van uw leven zoo iets weer te zeggen: want mijnheer, zei ik, zal denken dat ik het u verteld heb, en ik zet het, wien ook in huis te bewijzen, dat ik ooit zoo iets gezegd heb. ’t Is zeker, mijnheer, al heel raar, en ik heb er van dat oogenblik af over nagedacht, hoe zij er achter zou gekomen zijn;—evenwel zag ik een dag of wat geleden, eene oude bedelaarster aan de deur hier, die precies op dat wijf geleek, dat wij in Warwickshire ontmoetten, en dat ons zoo veel tegenspoed berokkende. ’t Is wezenlijk waar, het deugt niet om zoo’n oud wijf voorbij te trekken, zonder haar een aalmoes te geven,—vooral als zij opkijkt;—want niemand ter wereld zal mij wijs maken, dat zoo’n mensch niet de magt heeft om een boel kwaad te doen, en ik, voor mij, zal van mijn leven geen oud wijf kunnen aanzien, zonder in mij zelven te denken, „Infandum, regina, jubes renovare dolorem!””
De eenvoudigheid van Partridge wekte weder den lachlust van Jones op en bluschte zijn toorn, die werkelijk ook zelden lang brandde, en in plaats van eenige aanmerking te maken op al wat Partridge verteld had, zeide hij hem slechts dat hij voornemens was om deze woning te verlaten en beval hem om er op uit te gaan om andere kamers voor hem te zoeken.
HOOFDSTUK IV.
HETWELK, NAAR WIJ HOPEN, MET DE MEESTE OPLETTENDHEID GELEZEN ZAL WORDEN DOOR JONGE LIEDEN VAN BEIDER GESLACHT.
Partridge had naauwelijks den heer Jones verlaten toen de heer Nightingale, met wien hij nu op een zeer vertrouwelijken voet stond, bij hem kwam en na een korten groet zeide:
„Wel Tom, naar ik hoor, hadt gij gisteren avond nog al laat bezoek! Op mijn woord, gij zijt een geluksvogel, gij, die ter naauwernood veertien dagen in de stad zijt en dames draagstoelen tot twee uur ’s morgens aan uwe deur laat wachten!” Hij ging voort met allerlei aardigheden in dezen trant, tot Jones hem eindelijk in de rede viel en zeide:
„Ge zult dit alles wel vernomen hebben van jufvrouw Miller, die pas naar boven gekomen is, om mij de huur op te zeggen. Naar het schijnt, is de goede vrouw bevreesd voor den goeden naam harer dochters.”
„O, zij is nog al heel moeijelijk op dat punt,” zei Nightingale; „gij zult u wel herinneren, dat zij niet hebben wilde dat Nancy met ons naar de maskerade ging.”
„Daarin geloof ik werkelijk, dat zij groot gelijk had,” zei Jones; „maar ik heb haar bij haar woord genomen en heb Partridge er op uitgezonden om andere kamers te zoeken.”
„Als gij verkiest,” hernam Nightingale, „kunnen wij toch bij elkaar blijven;—want, om u een geheim te ontdekken,—dat ik u verzoek voor de menschen hier te verzwijgen,—ik ben zelf voornemens om heden nog dit huis te verlaten.”
„Hoe, vriend?” riep Jones, „heeft jufvrouw Miller u ook de huur opgezegd?”
„Neen,” hernam de andere, „dat niet. Maar de kamers zijn niet ruim genoeg.—Bovendien, begint me dit gedeelte van de stad te vervelen. Ik moet meer in de nabijheid wezen van de plaatsen der openbare vermakelijkheden;—ik ga naar Pall-Mall.”
„En waarom wilt gij uw vertrek geheim houden?” vroeg Jones.
„Wat dat betreft,” hernam Nightingale, „ik beloof u dat ik niet voornemens ben te vertrekken zonder de huur te betalen; maar ik heb eene geheime reden om geen bepaald afscheid hier in huis te nemen.”
„Die is niet zoo geheim,” antwoordde Jones „of ik heb ze wel ingezien, sedert den tweeden dag van mijn verblijf hier in huis.—Daar zullen tranen gestort worden bij uw vertrek!—Die arme Nancy! Ik heb werkelijk medelijden met haar! Wezenlijk, Jaap, gij hebt te veel gekheid gemaakt met dat meisje.—Ik vrees dat gij haar eene neiging hebt ingeboezemd, waarvan zij nooit genezen zal!”
„Wat drommel wildet ge hebben dat ik doen zou?” vroeg Nightingale. „Moet ik haar trouwen,—om haar te genezen?”
„Neen,” hernam Jones; „maar gij hadt haar niet zóó het hof moeten maken, als ik u heb zien doen in mijn bijzijn. Ik heb verbaasd gestaan over de verblinding der moeder, die het niet ontdekte.”
„Bah! Ontdekken? Wat zou zij ontdekken?” vroeg Nightingale.
„Wel, ontdekken dat gij hare dochter tot gekwordens toe op u verliefd hebt gemaakt,” zei Jones. „Het arme meisje kan het geen oogenblik verbergen. Zij wendt de oogen niet van u af, en krijgt eene kleur telkens als gij in de kamer komt. Wezenlijk, ik beklaag haar opregt, want ik houd haar voor een zeer goed, lief meisje!”
„Dus,” zei Nightingale, „volgens uwe leer, moet men zich niet eens vermaken met eenige dagelijksche beleefdheden jegens de vrouwen, uit vrees dat zij op ons verliefd zullen worden?”
„Wezenlijk, Jaap,” zei Jones, „ge schijnt me voorbedachtelijk verkeerd te willen verstaan. Ik verbeeld me volstrekt niet dat alle vrouwen zoo zeer geneigd zijn om op ons verliefd te worden;—maar gij zijt veel verder gegaan dan alledaagsche beleefdheden.”
„Veronderstelt ge dan dat wij al te ver gegaan zijn?” vroeg Nightingale.
„Neen,” hernam Jones, zeer ernstig; „dat niet—op mijn woord! Zoo slecht denk ik niet van u. Ja, ik wil me zelfs niet verbeelden dat gij een geregeld plan gesmeed hebt om dit arm, goed schepseltje te gronde te rigten,—of dat gij zelfs over de gevolgen van zoo iets nagedacht hebt; want ik weet zeker dat gij een zeer goedaardig mensch zijt, en zoo iemand zou zich nooit schuldig maken aan iets dergelijks; maar, inmiddels hebt ge uwe eigene ijdelheid gestreeld, zonder te overleggen dat gij het arme meisje daaraan opgeofferd hebt, en terwijl ge aan niets anders dacht dan u een uurtje of wat te vermaken, hebt ge haar werkelijk reden gegeven om zich te vleijen met de hoop, dat gij het ernstig met haar meendet. Ik bid u, Jaap, zeg me eerlijk: waartoe strekten al die prachtige en wellustige beschrijvingen van het geluk, dat ontstaat uit hevige en wederkeerige liefde;—al die vurige betuigingen van teederheid, van edele en belangelooze liefde? Dacht gij, dat zij ze niet op zich zelve toepassen zoude? Of, om opregt te zijn, wenschtet gij niet, dat zij dat doen zou?”
„Op mijn woord, Tom,” riep Nightingale, „zóó iets had ik bij u niet verwacht! Gij zoudt een uitstekende dominé worden! Dus veronderstel ik, dat als Nancy u ’s nachts bij zich toelaten wilde, gij daarvoor bedanken zoudt?”
„Dat zou ik doen, zoo waar ik leef!” riep Jones.
„Tom! Tom! Denk aan gisteren avond!” hernam Nightingale.
„Toen alle menschen sliepen En slechts de maan nog waakte.”
„Hoor eens, mijnheer Nightingale,” zei Jones. „Ik ben geen huichelaar en ik wend niet voor kuischer te zijn dan mijne naasten. Ik beken wel, dat ik mij met de vrouwen bezondigd heb;—maar ik weet niet dat ik er ooit eene benadeeld heb.—Ik wilde ook niet wien, ook ongelukkig maken, alleen om mijzelven een kort genot te verschaffen.”
„Nu ja,” antwoordde Nightingale, „ik wil u wel gelooven, en ben overtuigd dat gij mij ook van iets van dien aard vrijspreken zult.”
„Ik spreek u van ganscher harte vrij van het meisje te hebben verleid,” hernam Jones; „maar niet van hare toegenegenheid verworven te hebben.”
„Als ik dat gedaan heb,” zei Nightingale, „dan spijt het me zeer. Maar tijd en afwezigheid zullen spoedig alle dergelijke gevoelens doen slijten. Dat is een voorschrift, dat ik zelf gebruiken moet; want, om u de waarheid te bekennen,—ik heb nooit van mijn leven half zooveel van eenig ander meisje gehouden:—maar, Tom, ik moet u het geheele geheim mededeelen. Mijn vader heeft een huwelijk voor mij klaar gespeeld, met eene vrouw die ik nog nooit gezien heb, en zij komt nu naar de stad om zich door mij het hof te laten maken.”
Bij deze woorden proestte Jones van lagchen, en Nightingale riep uit:
„Neen! Wat ik u bidden mag, lach niet om mij! De drommel hale mij, als ik niet half gek ben! O mijne arme Nancy! Jones, Jones! Wat gaf ik er niet om een onafhankelijk vermogen te bezitten!”
„Ik wenschte van ganscher harte dat gij er een hadt!” zei Jones; „want nu ik het geval ken, heb ik diep medelijden met u beiden. Maar gij kunt er toch niet aan denken om weg te gaan, zonder afscheid van haar te nemen?”
„Ik zou om alles ter wereld mij aan de pijn van het afscheid-nemen niet willen blootstellen,” hernam Nightingale; „bovendien ben ik overtuigd, dat in plaats van tot iets te dienen, het alleen daartoe strekken zou, om mijne arme Nancy nog meer op te winden. Ik bid u dus heden er geen woord van te zeggen en in den loop van den avond, of morgen vroeg, ben ik voornemens het huis te verlaten.”
Jones beloofde hem zijn zin te geven, en zeide, dat bij nader inzien, het hem voorkwam, dat daar hij besloten had en genoodzaakt was om haar te verlaten, hij den meest voorzigtigen weg had ingeslagen. Daarop verzekerde hij Nightingale dat hij heel blijde zou zijn hetzelfde huis met hem verder te bewonen, en zij spraken zamen af, dat Nightingale de benedenste verdieping, of de tweede voor Jones zou huren, daar hij zelf de tusschenliggende verdieping wilde betrekken.
Deze Nightingale, omtrent wien wij later meer te vertellen zullen hebben, was in alle dagelijksche zaken een man van de stiptste eer, en wat nog zeldzamer is onder jonge heeren, die in de wereld leven, ook stipt eerlijk; maar in liefdezaken waren zijne grondbeginselen eenigzins los,—zonder dat hij echter zoo geheel van alle eerlijkheid ontbloot was als sommige heeren wel eens zijn,—of veinzen te wezen;—maar zeker is het dat hij zich ten opzigte van enkele vrouwen aan onvergeefelijke ontrouw had schuldig gemaakt, en in zeker geheim „de liefdekunst” genaamd, veel bedrog gepleegd had, dat in den handel hem den naam van den grootsten schurk ter wereld berokkend zou hebben.
Daar men echter in de wereld, om eene reden die mij onbekend is, overeen gekomen is, om deze soort van bedrog uit een veel gunstiger oogpunt te beschouwen, was hij zoo ver van zich te schamen over zijne schanddaden van dezen aard, dat hij er roem op droeg, en dikwerf pochte op zijne behendigheid in de kunst van de vrouwen te winnen en hare harten te veroveren. Jones had hem dit dikwerf verweten, daar hij zelf altijd den meesten afkeer uitdrukte van elk wangedrag tegenover de schoonen, die, behandeld gelijk hij zeide, zoo als haar toekwam, als onze beste vriendinnen, vereerd, gekoesterd en gestreeld moesten worden met de meeste teederheid;—en, indien wij er toe kwamen haar als onze vijandinnen te beschouwen, moest een man zich eerder schamen dan zich beroemen op eene overwinning ten haren koste.
HOOFDSTUK V.
DE KORTE GESCHIEDENIS VAN JUFVROUW MILLER.
Jones gebruikte dien dag, voor een zieke, een tamelijk goed middagmaal, dat wil zeggen, de grootste helft van een schapenbout. Des namiddags ontving hij eene uitnoodiging van jufvrouw Miller op de thee; want die goede vrouw, hetzij door Partridge, of op eene andere natuurlijke of bovennatuurlijke wijze vernomen hebbende, dat hij eene betrekking was van den heer Allworthy, kon er niet aan denken in toorn van hem te scheiden.
Jones nam de uitnoodiging aan, en zoodra de theeboel opgeruimd was en de meisjes de kamer verlaten hadden, begon de weduwe, zonder verdere inleiding, als volgt:
„Nu, er gebeuren wel eens vreemde dingen in de wereld;—maar niets is zoo vreemd dan dat ik eene betrekking van mijnheer Allworthy onder mijn dak zou ontvangen hebben, zonder er iets van te weten. Helaas, mijnheer, gij kunt u niet verbeelden welk een vriend voor mij en de mijnen die heer geweest is! Ja, mijnheer, ik schaam me niet te bekennen, dat ik het alleen aan zijne goedheid te danken heb, dat ik niet reeds lang geleden van gebrek omkwam, en mijne beide kinderen achterliet als twee beroofde, hulpelooze, verlatene weezen,—aan de zorgen, of liever aan de wreedheid van de wereld.
„Gij moet namelijk weten, mijnheer, dat hoewel ik er nu toe gebragt ben om den kost te verdienen door kamers te verhuren, ik in een fatsoenlijken stand geboren en opgevoed ben. Mijn vader was officier bij het leger en had een aanzienlijken rang bereikt bij zijn dood; maar hij had steeds zijn traktement verteerd, en daar dat met zijn leven ophield, werd zijn gezin bij zijn sterven tot den bedelstaf gebragt. Wij waren drie zusters. Eene van ons had het geluk kort daarna aan de pokken te sterven;—eene dame had de goedheid om de tweede bij zich te nemen, uit christelijke liefde, gelijk zij zeide, om haar te bedienen. De moeder van deze dame was dienstmeid geweest bij mijne grootmoeder, en een groot vermogen geërfd hebbende van haar vader, die lombardhouder was, huwde zij een heer van hoogen rang en aanzien. Zij behandelde mijne zuster met zooveel wreedheid,—haar dikwerf hare afkomst en hare armoede verwijtende, en haar uit spot „eene dame” heetende, dat, naar ik geloof, zij eindelijk het arme meisje het hart brak. Met één woord, ook zij stierf binnen het jaar na mijn vader.
„Het behaagde de Voorzienigheid beter voor mij te zorgen, en binnen ééne maand na zijn dood, was ik gehuwd met een dominé, die mij al lang bemind had, en die om die reden zeer slecht behandeld was geworden door mijn vader;—want hoewel de arme man ons geen van allen een duit mede geven kon, bragt hij ons even weelderig groot, en beschouwde ons,—en wilde dat wij ons ook beschouwden,—als rijke erfgenamen.—Maar mijn beste man vergat deze slechte behandeling en zoodra wij ouderloos waren, hernieuwde hij zijn aanzoek met zooveel vuur, dat ik, die altijd van hem gehouden had, en hem thans meer dan ooit hoogachtte, weldra bezweek. Ik leefde vijf jaren volmaakt gelukkig, met dien besten man,—toen eindelijk—o wreed, wreed lot, dat mij van den liefderijksten echtgenoot en mijne arme meisjes van den besten vader beroofde!—O mijne arme meisjes, die nooit den zegen hebt gekend, welken gij missen moest!—Ik schaam mij over deze vrouwelijke weekheid, mijnheer Jones;—maar ik kan hem nooit zonder tranen noemen!”
„Ik moest mij eerder schamen,” zei Jones, „dat mijne tranen niet met de uwen vloeijen.”
„Nu, mijnheer,” hervatte zij: „ik was thans ten tweeden male in een veel ergeren toestand dan de eerste keer;—behalve de smart, die ik overwinnen moest, had ik nu twee kinderen te verzorgen, en zoo mogelijk, was ik nog armer dan vroeger, toen die groote, goede, heerlijke mijnheer Allworthy, die eenigzins bekend was met mijn echtgenoot, toevallig van mijn ongeluk hoorde en mij dadelijk dezen brief zond.—Zie hier, mijnheer, ik heb hem op zak gestoken, om hem u te doen lezen. Daar is de brief, mijnheer: ik zal, ik moet hem u voorlezen.”
Mejufvrouw!
Met u betreur ik uw pas geleden onherstelbaar verlies, hetwelk uw eigen gezond verstand en de uitnemende lessen, welke gij van den waardigsten der mannen zeker ontvangen hebt, u beter zullen helpen dragen dan eenige raad, welken ik u geven kan. Ik twijfel ook niet of gij, die, naar ik verneem, de teederste moeder zijt, zult perken weten te stellen aan uwe droefheid, zoodat ze u niet ongeschikt maakt om uw pligt waar te nemen ten opzigte van de arme kleinen, die nu alleen behoefte gevoelen aan uwe liefde.
„Daar men echter veronderstellen moet, dat gij op dit oogenblik ongeschikt zijt voor vele wereldsche berekeningen, zult gij het mij ten goede willen houden, dat ik iemand belast heb u de som van twintig guinjes uit te betalen voor mij, welke ik u smeek te willen aannemen tot ik het genoegen heb van u te zien, terwijl ik blijf, enz.
„Dezen brief ontving ik, mijnheer, nog geen veertien dagen na het onherstelbaar verlies dat ik geleden had,—en nog geen veertien dagen later, kwam de heer Allworthy,—die voortreffelijke heer Allworthy, mij een bezoek brengen, vestigde mij in dit huis, gaf me eene zware som gelds om het te meubeleren, en verzekerde me daarenboven een jaarlijksch inkomen van vijftig pond, dat ik sedert dien tijd onafgebroken ontvangen heb. Oordeel dus, mijnheer Jones, hoeveel eerbied ik koesteren moet voor een weldoener, wien ik het behoud van mijn eigen leven en van die lieve kinderen, om welker wil alleen het leven voor mij eenige waarde heeft, te danken heb.—Geloof dus niet dat het ongepaste vrijmoedigheid van mij is,—daar ik achting koesteren moet voor iemand, die, zoo als mij bekend is, zoo zeer bemind wordt door den heer Allworthy,—als ik u smeek niet meer om te gaan met die slechte vrouwen! Gij zijt nog jong en kent de helft harer listige streken niet! Wees ook niet boos op mij, mijnheer, wegens hetgeen ik u zeide over den goeden naam van mijn huis;—gij moet gevoelen, dat het verlies daarvan het ongeluk zou wezen van mijne arme meisjes. Bovendien, mijnheer, moet het u bekend zijn, dat de heer Allworthy het mij nooit vergeven zou, als hij vernam, dat ik zoo iets oogluikend toeliet,—vooral met u!”
„Op mijn woord, jufvrouw,” zei Jones, „gij behoeft u niet verder te verontschuldigen; en ik neem u ook al wat gij gezegd hebt, in het minst niet kwalijk; maar veroorloof mij,—daar niemand den heer Allworthy hooger achten kan dan ik,—om u eene dwaling te benemen, welke hem welligt niet tot eer zou strekken;—ik verzeker u dat ik volstrekt geen bloedverwant van hem ben!”