Part 57
Hij leidde dit in door verbazing te veinzen over het voornemen dat Jones geuit had van te willen vertrekken, en na vele uitstekende argumenten daartegen ingebragt te hebben, drong hij er eindelijk op aan, dat het hoegenaamd tot niets leiden kon; want tenzij Jones wist welken kant uit de dame gegaan was, kon iedere stap dien hij deed, hem welligt hoe langer hoe meer van haar verwijderen; „want het is duidelijk, mijnheer,” zeide hij, „uit al hetgeen de menschen hier in huis vertellen, dat zij niet hier voorbij is getrokken. Het zou dus veel beter zijn tot den morgen te blijven, en dan zullen wij wel iemand ontmoeten, die ons betere inlichtingen kan geven.”
Dit laatste argument had eenige uitwerking op Jones, en terwijl hij er nog over nadacht, wierp de waard het gewigt van al de welsprekendheid, welke hij bezat, in dezelfde schaal.
„Zeker, mijnheer,” zeide hij, „is de raad van uw bediende de beste, welken men geven kan; want wie zou in dit jaargetijde des nachts willen reizen?” Daarop ging hij voort, in den gewonen trant, om de heerlijke inrigting van zijn huis te prijzen, en de waardin voegde zich weldra ook bij hem om daarop aan te dringen,—maar om den lezer niet op te houden met de welbekende praatjes van waard en waardin, vergenoegen wij ons met te melden, dat Jones eindelijk overgehaald werd te blijven en zich met eenige uren rust te verkwikken, waaraan hij werkelijk groote behoefte had, want hij had naauwelijks een oog toegedaan sedert hij de herberg verlaten had, waar hem een gat in het hoofd geslagen was.
Zoodra Jones besloten had dien nacht niet verder te reizen, begaf hij zich ter ruste, met zijne twee slaapkameraden, het zakboekje en de mof; maar Partridge, die reeds meermalen zich met een dutje verkwikt had,—gevoelde thans meer behoefte aan eten dan slapen,—en had nog grootere trek in drinken.
En nu, daar de storm, welken Grace had opgeroepen, bedaard, en de waardin met den poppenkast-vertooner verzoend was, die van zijn kant der goede vrouw den smaad vergaf, door haar, in drift, op zijne vertooningen geworpen, heerschte er volmaakte vrede en rust in de keuken. Daar zaten bij elkaar, rondom het vuur, de waard en de waardin, de poppenkast-vertooner, de procureursklerk, de kommies, en de vernuftige heer Partridge,—onder welk gezelschap het aangename gesprek gevoerd werd, dat men in het volgende hoofdstuk lezen kan.
HOOFDSTUK VII.
BEVATTENDE EEN PAAR OPMERKINGEN VAN ONS EN ZEER VELE VAN HET GOEDE GEZELSCHAP IN DE KEUKEN.
Hoewel de hoogmoed van Partridge niet toeliet dat hij bekende een knecht te zijn, verwaardigde hij zich toch in de meeste opzigten de gewoonten van menschen uit dien stand aan te nemen. Een voorbeeld hiervan was dat hij, er behagen in schepte het vermogen van zijn „reisgezel”, zooals hij Jones noemde, zeer te overdrijven,—wat de algemeene gewoonte der dienstboden is onder vreemdelingen, omdat zij niet gaarne hebben dat men hen als volgelingen van een bedelaar beschouwt; want hoe beter de positie is van den heer, des te beter is die van den knecht, naar zijn eigen gevoelen, en de waarheid dezer opmerking blijkt uit het gedrag van alle dienstboden van den adel.
Maar, ofschoon rang en vermogen overal in het rond glans verspreiden, en de knechts van groote heeren zich geregtigd achten tot een gedeelte van den eerbied, welken men bewijst aan den stand en het vermogen hunner meesters, heeft het tegenovergestelde duidelijk plaats ten opzigte van deugd en verstand. Deze voordeelen zijn geheel individueel, en verzwelgen zelve allen eerbied dien ze eischen. En om de waarheid te zeggen, die is zoo gering in hoeveelheid, dat zij er niet best toe komen kunnen, om hem met anderen te deelen. Daar deze dus den knecht geene eer aanbrengen, gevoelt hij zich volstrekt niet onteerd als zijn heer ze ten eenenmale mist. Het is echter weder anders gesteld als het de „deugd” eener meesteresse geldt, zoo als we reeds gezien hebben; want in deze schande is eene soort van besmetting, welke, even als die der armoede zich aan allen mededeelt, die daarmede in aanraking komen.
Om deze redenen dan, moet het ons niet verwonderen, dat dienstboden (wij spreken alleen van mannelijke) zoo veel zorg dragen voor den naam van hunne heeren, wat rijkdom betreft,—terwijl zij in andere opzigten niets geven om hun goeden naam, en dat hoewel zij zich schamen zouden de knechts van een bedelaar te zijn, het hun niet hinderen zou een schelm of een domkop te bedienen;—zoodat zij niet schroomen om de ondeugden en dwaasheden van hunne meesters zoo wereldkundig mogelijk te maken, en dit soms op de grappigste en vrolijkste wijze. Want werkelijk wordt de knecht dikwerf geestig en kwasterig op kosten van den heer, wiens liverei hij draagt.
Nadat Partridge dus behoorlijk uitgeweid had over het groote vermogen, waarvan Jones de erfgenaam zou zijn, deelde hij onbeschroomd de vrees mede, welke hij den vorigen dag was beginnen te koesteren, en die, zoo als wij bij die gelegenheid te kennen gaven, eenigzins verklaarbaar was uit de handelingen van Jones. Met één woord: hij gevoelde zich thans bijna overtuigd dat zijn heer zijn verstand kwijt was, en dit denkbeeld deelde hij zeer ongedwongen aan het gezelschap, dat bij het vuur zat, mede.
De poppenkast-vertooner was het oogenblikkelijk met hem eens.
„Ik beken,” zeide hij, „dat het me dadelijk zeer verwonderde dien heer op zulk eene ongerijmde wijze over de poppenkasten te hooren spreken. Men kan, inderdaad, naauwelijks begrijpen hoe iemand, die zijn gezond verstand heeft, den bal zoo misslaan kan;—maar hetgeen gij ons nu medegedeeld hebt, verklaart best al zijne ontaarde begrippen. De arme man! Het doet me van harte leed zoo iets van hem te hooren. Hij heeft ook werkelijk iets vreemds en woests in de oogen, dat ik dadelijk zag, hoewel ik er niets van zeide.”
De waard stemde hierin toe en verklaarde tevens dat hij ook de slimheid gehad had om dat te zien.
„Het moet ook werkelijk zoo zijn,” zeide hij; „want niemand dan een gek zou het in de hersenen gekregen hebben om zoo’n huis als dit des nachts te verlaten om het land te doorkruisen.”
De kommies nam de pijp uit den mond en zeide: „Hij dacht ook dat die mijnheer iets woests in zijne blikken en gebaren had,” en zich tot Partridge wendende, voegde hij er bij: „Men moest hem zoo niet overal vrij laten rondloopen; want hij zou best in staat zijn het een of ander ongeluk te bewerken. ’t Is jammer dat men hem niet oppakt en naar huis zendt bij zijne bloedverwanten.”
Eene dergelijke gedachte was al bij Partridge opgekomen; want, daar hij zich thans overtuigd hield, dat Jones van den heer Allworthy weggeloopen was, beloofde hij zich zelven eene groote belooning als hij hem op de eene of andere wijze terugbrengen kon. Maar de vrees voor Jones, van wiens woestheid en kracht hij reeds eenige voorbeelden gezien—en zelf ook ondervonden had, deed hem zulk een plan als onuitvoerbaar beschouwen, en had hem ontmoedigd van iets geregelds van dien aard te beramen. Maar, zoodra hij het gevoelen van den kommies vernam, greep hij de gelegenheid aan om het zijne te doen kennen, en drukte den opregten wensch uit, dat zoo iets maar doenlijk ware.
„Doenlijk!” riep de kommies. „Wel! dat is gemakkelijk genoeg!”
„O, mijnheer,” hernam Partridge, „ge weet niet wat voor een duivel in hem steekt! Hij kan mij met de ééne hand opnemen en het raam uitsmijten, en dat zou hij ook doen, als hij zich maar verbeelden kon, dat—”
„Bah!” riep de kommies. „Ik ben niet bang voor hem! En bovendien, zijn wij hier met ons vijven!”
„Ik weet niet van welke vijf gij spreekt,” zei de waardin; „maar mijn man zal er niets mede te maken hebben. Er zal ook tegen niemand onder mijn dak geweld gebruikt worden. Ik heb van mijn leven geen knapper jong mensch gezien dan die mijnheer, en ik geloof dat hij evenmin gek is als een van ons. Wat praat gij van zijne woeste blikken? Hij heeft de mooiste oogen die ik ooit gezien heb, en den vriendelijksten blik ook, en hij is ook een zeer beleefd, aardig jong mensch. Ja, en sedert die heer daar in den hoek ons verteld heeft, dat zijn mijnheer eene ongelukkige liefde heeft, heb ik diep medelijden met hem. Dat is al zeker genoeg om iedereen, vooral zoo’n knap jong mensch als hij is, iets vreemd uit de oogen te doen kijken. Eene dame nog wel! Wat drommel zou die dame liever kunnen wenschen dan zulk een mooijen jongen met een slomp geld er bij? Zij zal eene van die groote dames zijn,—eene van die stadsche freules, die we gisteren avond op het poppentooneel zagen, die niet eens weten wat zij willen!”
De procureursklerk verklaarde ook dat hij niets met de zaak te maken wilde hebben, zonder eerst het advies van een regtsgeleerde ingewonnen te hebben.
„Verondersteld,” zeide hij, „dat men ons vervolgde in regten wegens onwettige inbreuk op de vrijheden van den onderdaan;—hoe zouden we ons kunnen verdedigen? Wie weet wat de Jury beschouwt als een voldoend bewijs van krankzinnigheid? Ik spreek echter alleen voor mij; want het past geen procureur om zich in dergelijke zaken te mengen, tenzij ambtshalve. De Jurys zijn ons altijd minder gunstig dan andere menschen;—daarom raad ik het u, mijnheer Thomson,” (tot den kommies) „noch dien heer, noch iemand anders af.”
De kommies schudde het hoofd bij deze woorden, en de poppenkastman zeide: „dat het soms heel moeijelijk was voor eene Jury te beslissen, of iemand gek was of niet; want ik herinner me,” voegde hij er bij, „dat ik eenmaal bij een regtsgeding over een krankzinnige aanwezig was toen een twintigtal getuigen een eed aflegden dat de persoon in kwestie stapel gek was, terwijl twintig anderen zwoeren dat hij even goed bij zijn verstand was als iemand in het heele land. En werkelijk, de meeste menschen geloofden dat het slechts eene list was van zijne bloedverwanten om den armen vent van zijn vermogen te berooven.”
„Dat is heel waarschijnlijk,” riep de waardin. „Ik zelve heb een armen heer gekend, die zijn leven lang in een gekkenhuis opgesloten werd door zijne familie, die van zijn vermogen teerde;—maar het baatte die menschen toch niet; want hoewel het hun door de wet toegekend werd, behoorde het van regtswege aan iemand anders toe.”
„Bah!” riep de procureursklerk, met de meeste minachting; „niemand heeft eenig regt, dat hem niet door de wet wordt toegekend. Als de wet mij het schoonste vermogen in het heele land schonk, zou het mij niets kunnen schelen, wie er regt op had!”
„In dat geval,” zei Partridge, „felix quem faciunt aliena pericula cautum.”
De waard, die intusschen door de aankomst van een ruiter aan de deur weggeroepen was, kwam nu in de keuken terug, en riep met een verschrikt gelaat uit: „Wat zegt gij er van, heeren? De rebellen hebben den hertog gefopt, en zijn al haast te Londen.—’t Is zeker waar, want ik heb het daar even gehoord van een man te paard, die hier was.”
„Dat verheugt me van ganscher harte,” riep Partridge, „dan zal er hier in de omstreken niet te vechten vallen!”
„Ik heb eene betere reden om mij er over te verheugen,” zei de procureursklerk: „het verheugt mij namelijk altijd als de goede zaak zegeviert.”
„Ja maar,” zei de waard, „ik heb hooren zeggen dat die Pretendent hoegenaamd geene regten heeft—”
„Ik zal u dadelijk het tegendeel bewijzen,” riep de procureursklerk. „Als mijn vader in het bezit van een regt sterft,—let op, ik zeg, in het bezit van een regt, gaat dan dat regt niet op zijn zoon over? En gaat het ééne regt niet even goed over als het andere?”
„Maar,” zei de waard, „hoe kan hij het regt hebben om ons Roomsch te maken?”
„Wees daar niet bang voor!” riep Partridge. „Wat het regt betreft, dat is helder als het zonnelicht door dien heer bewezen; en wat de godsdienst betreft, die komt hier in het geheel niet in ’t spel. De Roomschen zelve verwachten dat niet. Een Roomsch geestelijke, dien ik ken, en die een zeer eerlijk man is, verzekerde me op zijn woord van eer, dat zoo iets volstrekt niet bij hen opgekomen was.”
„En een andere priester, dien ik ken,” zei de waardin, „heeft me dat ook verzekerd.—Maar mijn man is altijd zoo benaauwd voor die Roomschen. Ik ken een heele boel Roomschen, die beste eerlijke lieden zijn en niet bang om hun geld uit te geven; en het staat altijd bij mij vast, dat het geld van den een zoo goed is als het geld van den ander.”
„Dat is wel waar, jufvrouw,” hernam de eigenaar der poppen. „’t Kan mij niet schelen welke godsdienst boven komt,—als het maar niet die Presbyterianen zijn, die vijanden van de poppenkast!”
„Dus zoudt gij uwe godsdienst aan uw eigenbelang opofferen?” vroeg de kommies; „en gij wenscht de Roomsche kerk hier in het land gevestigd te zien,—niet waar?”
„Wel neen!” riep de andere; „dat waarlijk niet! Ik haat het pausdom evenzeer als iemand dat doen kan; maar het is toch een troost dat men daaronder zou kunnen leven,—wat niet het geval zou zijn onder de Presbyterianen. ’t Is waar, iedereen zorgt eerst voor de huishouding; dat moet men bekennen, en ik sta u er voor in, dat als gij de waarheid spreken wilt, gij bekennen zult, dat gij banger zijt om uwe plaats te verliezen dan voor wat anders ook;—maar daarvoor behoeft ge niet bang te zijn, vriend. Een nieuw bestuur zal evenmin als het oude de kommiezen kunnen missen.”
„Nu ja,” hernam de kommies, „ik zou zeker een gemeene vent zijn als ik den koning niet eerde wiens brood ik eet. Dat is niet meer dan natuurlijk, zou ik zeggen;—want wat kan het mij schelen of er ook kommiezen zijn onder een ander bestuur, daar mijne vrienden hun invloed verloren zouden hebben en ik niet anders verwachten kon, dan er ook uit te moeten gaan? Neen, neen, vriend, ik zal nooit mijne godsdienst laten loopen op hoop van mijne plaats te behouden onder een ander bestuur; want dan zou ik er zeker niets beter aan toe zijn, en welligt veel slechter dan nu.”
„Dat is precies wat ik zeg,” riep de waard. „Wat men ook vertelt, wie weet wat er gebeuren zal? Wel drommel! zou ik niet stapel gek zijn als ik mijn geld leende aan de hemel weet wien, op de kans af dat hij zoo goed zal wezen het me vroeger of later weer te geven? Ik weet zeker dat het veilig is in mijne eigene geldkist—en daar zal ik het laten.”
De procureursklerk was zeer ingenomen met Partridge’s schranderheid. Of dit ontstond uit de gezonde inzigten welke deze toonde te hebben in menschen en zaken, of uit sympathie, omdat beide echte Jakobieten waren in hun hart, weet ik niet; maar zij drukten elkaar nu hartelijk de hand, en ledigden bekers vol zwaar bier op gezondheden, welke wij liefst in de vergetelheid laten.
Op deze gezondheden werd later ook gedronken door alle aanwezigen en den waard zelven, hoewel met tegenzin; maar hij was niet bestand tegen de bedreigingen van den procureursklerk, die zwoer dat hij nooit weer bij hem een voet in huis zou zetten als hij het weigerde.
De volle bekers, welke thans geledigd werden, maakten ook weldra een einde aan het gesprek. En om die reden zullen we ook een einde aan dit hoofdstuk maken.
HOOFDSTUK VIII.
WAARIN VROUW FORTUNA GUNSTIGER GESTEMD SCHIJNT DAN TOT DUS VER TEN OPZIGTE VAN JONES.
Even als er niets gezonder is, is er ook welligt geen krachtiger slaapdrank dan de vermoeijenis. Men kan wel zeggen dat Jones eene tamelijk sterke dosis daarvan ingenomen had, en ze werkte ook krachtig op hem. Hij had reeds negen uren geslapen en had welligt nog langer kunnen slapen, als hij niet gewekt was geworden door een hevig geraas vóór zijne kamerdeur, waar het geluid van vele slagen vergezeld ging van herhaalde kreten van „moord!”
Jones sprong dadelijk uit het bed, en vond den poppenkast-vertooner bezig met zijn armen Hansworst zonder genade of barmhartigheid af te ranselen.
Jones kwam dadelijk ten behoeve der lijdende partij tusschenbeide en klemde den overmoedigen meester tegen den muur; want de poppenkastman was evenmin in staat zich tegen Jones te verzetten, als de arme, bontgekleede Hansworst tegen zijn heer.
Maar hoewel de Hansworst slechts een klein kereltje was, en niet zeer sterk, was hij toch eenigzins driftig van aard. Zoodra hij zich dus van zijn vijand bevrijd zag, begon hij hem aan te vallen met het eenige wapen, waarmede hij zich met hem meten kon. Hiermede vuurde hij eerst eene geheele reeks algemeene scheldwoorden af en ging toen over tot eenige bijzondere beschuldigingen.
„Jou vervloekte gemeene schelm!” riep hij, „niet alleen heb ik u den kost gegeven; want al het geld dat gij verdient, hebt gij aan mij te danken; maar ik heb u ook van de galg gered! Het was slechts gisteren dat gij de dame dáár in die donkere laan van haar mooi rijkleedje wildet berooven! Ge kunt niet loochenen, dat gij wenschtet haar alleen in het bosch te vinden, om haar uit te kleeden,—om een der schoonste meisjes die ik ooit gezien heb, uit te kleeden! En nu valt ge mij aan en hebt me bijna vermoord, omdat ik de meid hier niets kwaads gedaan heb, maar alleen omdat zij mij de voorkeur geeft boven u!”
Zoodra Jones deze woorden hoorde, liet hij den baas los, met het strengste bevel om geen geweld meer te bezigen tegen den armen Hansworst; en dien ongelukkige met zich nemende op zijne kamer, kreeg hij weldra van hem berigten van zijne Sophia, die de arme drommel, terwijl hij den vorigen dag zijn meester met de trom volgde, had zien voorbij trekken. Hij haalde den knaap spoedig over om hem de juiste plaats der ontmoeting te wijzen, en daarop, Partridge geroepen hebbende, hervatte hij zijn togt, met den meesten spoed.
Het was echter bijna acht uur des morgens eer alles klaar was; want Partridge had geen haast om te vertrekken en de rekening was ook niet spoedig opgemaakt,—en toen eindelijk dit alles gedaan was, wilde Jones het huis niet verlaten eer hij den Hansworst met zijn meester verzoend had.
Zoodra dit gelukkig volbragt was, trok hij op en werd door den getrouwen Hansworst naar de plek geleid waar Sophia voorbij gegaan was, en na zijn gids zeer mild beloond te hebben, haastte hij zich met de meeste drift om verder te komen, zeer verrukt over de toevallige wijze waarop hij zijne inlichtingen verkregen had.
Zoodra Partridge dit vernomen had, begon hij zeer ernstig te voorspellen en Jones te verzekeren dat hij eindelijk slagen zou, „want,” zeide hij, „twee zulke toevallige omstandigheden om hem op het spoor zijner beminde te brengen, zouden zeker niet gebeurd zijn, als de Voorzienigheid niet voornemens ware hen eindelijk bijeen te brengen.”
En dit was de eerste keer dat Jones eenig gewigt hechtte aan de bijgeloovige leerstellingen van zijn makker.
Zij waren nog geen uur ver gekomen toen zij overvallen werden door een hevige regenbui, en daar zij op dit oogenblik in het gezigt waren van eene herberg, haalde Partridge, na lang smeeken, Jones eindelijk over om daar eene schuilplaats te zoeken.
De honger is een vijand (als men hem zoo noemen kan), die meer van den Engelschman dan van den Franschman in zijn aard heeft; want hoe dikwijls men hem ook overwint, met der tijd verzamelt hij steeds weder nieuwe krachten;—en dit gebeurde thans ook met Partridge, die naauwelijks in de keuken was gekomen, of hij herhaalde dezelfde vragen welke hij den vorigen avond gedaan had. Het gevolg daarvan was dat een heerlijk stuk koud ossenvleesch op tafel verscheen, waarvan niet slechts Partridge maar ook Jones zelf een zeer ruim ontbijt nam, hoewel de laatste zich begon te verontrusten, daar de menschen in de herberg hem geene nieuwe tijdingen van Sophia konden geven.
Zoodra hun maaltijd gedaan was, wilde Jones zich weêr op weg begeven, hoewel de storm nog hevig woedde; maar Partridge smeekte aandoenlijk om nog ééne kan bier, en eindelijk het oog werpende op een jongen die bij het keukenvuur stond en die hem op dat oogenblik ook strak aankeek, keerde hij zich plotseling tot Jones en riep uit:
„Mijnheer! Geef me de hand! Ditmaal komt ge er niet met ééne kan af! Wel! Daar hebben wij meer nieuws van jufvrouw Sophia! De jongen, die dáár bij het vuur staat, is de postiljon, achter wien zij reed. Ik herken hem aan den pleister, dien ik hem zelf op het gezigt gelegd heb!”
„De hemel zegene u, mijnheer,” riep de jongen, „’t is waar, het is uw pleister. Ik zal steeds met dankbaarheid aan uwe goedheid denken, want ze heeft me haast genezen.”
Bij deze woorden sprong Jones van zijn stoel op, en den jongen bevelende hem te volgen, ging hij dadelijk uit de keuken naar eene afzonderlijke kamer; want hij was zoo kiesch omtrent Sophia dat hij zeer ongaarne haar naam noemde in het bijzijn van andere menschen, en hoewel hij, toen zijn hart, als het ware, overvloeide, op Sophia gedronken had onder de officieren, zich verbeeldende dat men haar onmogelijk herkennen zou, zal toch de lezer zich herinneren hoe zwaar het toen viel om hem over te halen haar familienaam te noemen.
Het was dus zeer hard, en welligt volgens de meening van vele schrandere lezers, ongerijmd en bespottelijk, dat hij zijn tegenwoordig ongeluk voornamelijk toeschrijven moest aan het veronderstelde gebrek aan kieschheid, van hetwelk hij geheel vrij te pleiten was; want werkelijk was Sophia veel meer beleedigd door de vrijheden, welke zij, niet zonder reden, veronderstelde dat hij met haar naam en faam genomen had, dan door eenige vrijheden welke hij zich veroorloofd had ten opzigte van de persoon eeniger andere vrouw. En werkelijk, ik geloof dat jufvrouw Honour haar nooit overgehaald zou hebben om Upton te verlaten voor dat zij Jones gezien had, zonder die twee sterke voorbeelden van ligtzinnigheid, welke inderdaad zoo geheel onbestaanbaar waren met de liefde en teederheid, die men bij een grootmoedigen en kieschen man verwachten mogt.
Maar dit was de loop der zaken geweest, en zóó moet ik ze ook verhalen, en als de eene of andere lezer zich daarover ergert, omdat ze onnatuurlijk schijnen, kan ik het niet helpen. Ik moet dergelijke menschen herinneren dat ik geen stelsel schrijf, maar alleen eene geschiedenis, en ik ben dus niet verpligt alles met de aangenomene begrippen omtrent waarheid en natuur overeen te brengen. En al ware dat nog zoo gemakkelijk, zou het misschien toch voorzigtig zijn als ik het vermeed. Bij voorbeeld: zoo als het feit in kwestie nu staat, zonder dat ik zelf er eenige aanmerking op maak, hoewel het misschien in het begin sommige lezers hinderen moge, zal het toch, na rijp overleg, iedereen bevallen; want wijze en goede menschen zullen hetgeen Jones te Upton overkomen is, beschouwen als de regtvaardige straf voor zijne ligtzinnigheid ten opzigte der vrouwen—waarvan ze ook, inderdaad, het onmiddellijke gevolg was, en dwaze en slechte menschen kunnen zich troosten in hunne ondeugd, door zich in stilte wijs te maken dat de goede naam der stervelingen meer van toeval dan van deugd afhangt.
Welligt zouden echter onze gevolgtrekkingen, als wij ze hier wilden maken, met beide deze besluiten in strijd zijn, en aantoonen dat zulke gebeurtenissen alleen er toe bijdragen om de groote, nuttige en ongewone leer te bevestigen, welke het ons voornaamste doel is bij dit werk in te prenten, en met welker herhaling wij deze bladzijden niet vullen mogen, zoo als een gewone dominé zijne preek vol krijgt, door aan het einde van iedere paragraaf zijn tekst te herhalen.