Part 19
Het blijft misschien moeijelijk te beslissen of hij zich meer verried door de kunstgrepen welke hij gebruikte om zijn hartstogt te verbergen, of door de middelen, tot welke zijne eerlijke natuur toevlugt nam om dien te openbaren; want terwijl hij, uit overleg, hoe langer hoe meer ingetrokken werd jegens Sophia, en bijna vermeed een enkel woord tot haar te rigten, ja, zich zelfs de grootste moeite gaf om hare blikken te ontwijken, was de natuur niet minder druk bezig met zijne voornemens te verijdelen.
Vandaar, dat hij, zoodra de jonge dame naderde, verbleekte, en als dit plotseling geschiedde, wezenlijk schrikte. Als zijne oogen toevallig de haren ontmoetten, vloog het bloed naar zijne wangen, en zijn gelaat werd met eene donker roode kleur bedekt. Als de dagelijksche beleefdheid vorderde dat hij het woord tot haar rigtte,—zoo als, bij voorbeeld, om op haar gezondheid te drinken aan tafel, dan stamelde hij zeker. Als hij haar aanraakte, beefde zijne hand,—ja zelfs zijn geheele ligchaam. En als het gesprek, hoe zijdelings ook, op het onderwerp der liefde kwam, ontsnapte hem onwillekeurig een zucht. En de natuur gaf zich bijzonder veel moeite om hem dagelijks aan al deze toevallen bloot te stellen.
Deze voorteekens ontgingen wel de aandacht van den heer Western, maar volstrekt niet die van Sophia zelve. Zij ontwaarde weldra deze ontroering in Jones, en het kostte haar geene moeite de aanleiding daartoe te doorgronden, welke zij ook in haar eigen hart ontdekte. En dit was, dunkt me, het natuurlijke gevolg van die sympathie, welke zoo dikwijls door minnenden opgemerkt is, en die genoegzaam verklaart, waarom zij zoo veel helderder zag dan haar vader.
Maar, om de waarheid te zeggen, er is eene veel eenvoudiger en duidelijker wijze om het meerdere doorzigt te verklaren, hetwelk sommige menschen boven anderen bezitten, en dat niet slechts geldt van minnenden, maar van alle andere stervelingen. Hoe komt het dat de schelm, over het algemeen, zoo spoedig de teekens en uitwerksels der schelmerij ziet, waardoor een eerlijk man, die veel meer verstand bezit, zoo dikwerf gefopt wordt? Er bestaat, voorwaar geene algemeene sympathie onder de schelmen, en zij hebben ook niet, als de vrijmetselaren, eenig bijzonder herkenningsteeken. In waarheid,—het is alleen omdat zij met dezelfde zaak vervuld zijn, en al hunne gedachten dezelfde rigting volgen. Dus is het geen wonder dat Sophia de duidelijke kenmerken der liefde bij Jones zag en dat Western ze niet zag,—vooral als wij bedenken, dat de gedachte aan liefde nooit bij den vader opkwam, terwijl de dochter, voor het oogenblik, aan niets anders dacht.
Toen dus Sophia overtuigd was van de hevigheid der aandoening, welke den armen Jones kwelde, en ook niet minder daarvan, dat zij zelve het voorwerp zijner liefde was, kostte het haar hoegenaamd geene moeite, om zijn gedrag te verklaren. Dit maakte hem haar slechts des te dierbaarder, en wekte in haar hart op twee der beste aandoeningen, die een minnaar wenschen kan bij zijne uitverkorene te doen ontstaan. Deze waren hoogachting en medelijden; want zeker zal de strengste en onbarmhartigste van haar geslacht het haar niet euvel duiden, dat zij een man beklaagde, dien zij om harentwil ellende zag lijden, en zij kan haar ook niet berispen omdat zij iemand achtte, die blijkbaar, slechts om de meest eervolle redenen, de vlam in zijn eigen borst trachtte te smoren, welke, even als de gestolen vos van den jongen Spartaan, hem doodelijk kwetste.
Dus pleitten zijne ingetrokkenheid, zijne zucht om haar te vermijden, zijne koelheid en zijn stilzwijgen, op de vurigste en meest welsprekende wijze ten zijnen voordeele, en werkten zoo krachtig op haar gevoelig en teeder hart, dat zij weldra al die zachte gewaarwordingen gevoelde, die overeen te brengen zijn met een deugdzamen en verhevenen vrouwen-aard. In één woord, zij was bezield met al de gevoelens, welke achting, dankbaarheid en medelijden opwekken kunnen voor een innemend mensch,—en die zoo ver gingen als de uiterste kieschheid dat toeliet;—om kort te gaan,—zij was smoorlijk op hem verliefd.
Op zekeren dag ontmoetten deze jonge lieden elkaar bij toeval in den tuin, aan het einde van twee paden, die beide uitliepen op het kanaal, waarin Jones gevaar geloopen had om te verdrinken, toen hij het vogeltje dat Sophia verloren had, weder wilde vangen.
Deze plek was in den laatsten tijd druk bezocht door Sophia. Hier plagt zij te mijmeren, met een vermengd gevoel van leed en genoegen, over eene gebeurtenis, die hoe beuzelachtig op zich zelve, welligt den eersten kiem had gelegd van die liefde, die nu in haar hart tot rijpheid was gekomen.
En hier ook kwam het jonge paar bijeen. Zij waren reeds digt bij elkaar, eer zij iets van elkaar gezien hadden. Een toeschouwer zou teekenen genoeg van verlegenheid in beider houding opgemerkt hebben; maar zij gevoelden zelve te veel, om iets te kunnen waarnemen. Zoodra Jones van zijne eerste verrassing wat hersteld was, sprak hij de jonge dame met de gewone beleefdheidsvormen aan, welke zij op dezelfde wijze beantwoordde, en hun gesprek begon, als gewoonlijk, over den heerlijk schoonen avond. Hiervan gingen zij over tot de schoonheid van de plek zelve, welke Jones buitensporig roemde. Toen zij bij den boom kwamen, waaruit hij vroeger in het water gevallen was, kon Sophia het niet laten hem daaraan te herinneren en zeide: „Ik verbeeld me, mijnheer Jones, dat ge rillen moet, als gij dat water ziet.”
„Ik verzeker u, mejufvrouw,” hernam Jones, „dat het verdriet door u aan den dag gelegd over het verlies van uw vogeltje, voor mij altijd het belangrijkste van de heele zaak zal schijnen. Het arme diertje! Daar is de tak waarop het zat. Hoe kon het zoo dwaas zijn, om dat geluk te ontvlugten, dat ik de eer had gehad het te schenken? Zijn lot was de regtvaardige straf der ondankbaarheid.”
„Wezenlijk, mijnheer Jones,” zeide zij, „uwe dapperheid had u bijna een even droevig lot bereid. De herinnering daaraan zal u zeker pijnlijk wezen.”
„Als ik eenige reden heb met smart daaraan te denken,” antwoordde hij, „is het misschien alleen dat het water niet iets dieper was, waardoor ik veel hartzeer, dat het noodlot voor mij schijnt op te garen, had kunnen ontgaan.”
„Foei, mijnheer Jones!” hernam Sophia. „Ik ben overtuigd, dat u dat geen ernst is. Deze geveinsde verachting van het leven is slechts eene overmaat van beleefdheid jegens mij. Gij zoudt de verpligtingen, welke ik aan u heb, dat ge twee maal uw leven om mijnentwil gewaagd hebt, willen verminderen. Wacht u het de derde keer op het spel te zetten!”
Deze laatste woorden werden door een onbeschrijfelijk liefelijken glimlach vergezeld.
Jones hervatte, met een zucht: „dat goede raad te laat kwam,” en dan haar teeder en vast in de oogen ziende, riep hij uit: „O, jufvrouw Western,—kunt gij verlangen, dat ik langer leven zoude? Kunt gij mij zooveel onheil toewenschen?”
Sophia, die de oogen nedergeslagen had, hernam eenigzins aarzelend:
„Wezenlijk, mijnheer Jones, ik wensch u niets kwaads toe.”
„O ik ken maar al te goed uw engelachtigen aard,” riep Jones, „uwe hemelsche goedheid, die alle andere bekoorlijkheden overtreft,—”
„Kom, kom!” antwoordde zij, „ik begrijp u niet,—ik moet naar huis.”
„Ik,—ik wilde ook niet begrepen worden,” riep hij; „ja—gij kunt mij niet begrijpen. Ik weet niet wat ik zeg. Door u hier zoo onverwacht aan te treffen,—heb ik me laten verleiden,—om—in ’s hemels naam, vergeef me als ik iets gezegd heb, dat u beleedigt;—ik bedoelde dat niet; ik zou liever gestorven zijn;—ja, zelfs de gedachte daaraan zou doodelijk voor mij zijn.”
„Ik sta verstomd!” hernam zij. „Hoe komt gij toch aan de gedachte, dat gij mij hebt kunnen beleedigen?”
„De vrees gaat spoedig over in waanzin,” zeide hij, „en er is niets dat ik zoo zeer vrees als u te beleedigen! Hoe zou ik dan spreken—zie mij maar niet boos aan! Een blik van u zou mij kunnen vernietigen!—Ik bedoel niets. Het is de schuld van mijne oogen,—of van uwe schoonheid!—Wat zeg ik? Vergeef me als ik te veel gezegd heb.—Mijn hart liep over. Ik heb zoo veel mogelijk tegen mijne liefde geworsteld en den gloed willen verbergen, die mijn leven ondermijnt, en, naar ik hoop, het mij spoedig onmogelijk zal maken u ooit weder te beleedigen.”
De heer Jones begon nu te beven, alsof hij de koorts had. Sophia, wier toestand weinig van den zijne verschilde, antwoordde hem als volgt:
„Mijnheer Jones, ik zal niet veinzen u niet te begrijpen;—want inderdaad, ik versta u maar al te goed; maar, om ’s Hemels wil, als gij mij eenige neiging toedraagt, laat mij dan dadelijk naar huis gaan. Ik hoop maar dat ik het zoo ver zal kunnen brengen!”
Jones, die zelf naauwelijks op de beenen kon blijven staan, bood haar den arm, dien zij zich verwaardigde aan te nemen, maar hem tevens smeekende haar voor het oogenblik niets meer van dien aard te zeggen. Hij beloofde dat niet te doen, alleen nog vergiffenis vragende voor hetgeen de liefde hem zoo zeer tegen zijn zin, verleid had te zeggen;—dit, hernam zij, kon hij van haar verkrijgen, door voor de toekomst te beloven meer op zijne hoede te zijn. Op deze wijze drentelden en sidderden de jonge lieden naast elkaar verder, terwijl de minnaar het niet eens waagde zijner beminde de hand te drukken, hoewel die in de zijne lag.
Sophia ging dadelijk naar hare kamer, waar juffer Honour, met het reukfleschje onmiddellijk ter hulp geroepen werd. Wat den armen Jones aangaat, de eenige afleiding voor zijn gekwelden geest, werd hem geschonken door eene onaangename tijding, welke,—daar ze ons op een geheel ander terrein brengt dan wat de lezer in den laatsten tijd hier gezien heeft,—wij hem in het volgende hoofdstuk zullen mededeelen.
HOOFDSTUK VII.
WAARIN DE HEER ALLWORTHY OP EEN ZIEKBED VERSCHIJNT.
De heer Western was zoo verzot geworden op Jones, dat hij ongaarne van hem scheiden wilde, hoewel zijn arm al lang genezen was, en Jones, hetzij uit liefde tot de jagt, of om eenige andere reden, liet zich gemakkelijk overhalen in zijn huis te toeven, wat hij soms deed wel veertien dagen achtereen, zonder een enkel bezoek bij den heer Allworthy af te leggen, of iets van hem te hooren.
De heer Allworthy was sedert eenige dagen verkouden geweest, waarbij een weinig koorts gekomen was. Dit had hij echter verwaarloosd, volgens zijne gewoonte, bij alle ongesteldheden, welke hem niet in bed hielden, of hem beletten zijne gewone leefwijze te volgen. En dit is een gedrag, dat wij volstrekt niet goedkeuren, of ter navolging aanbevelen; want zeker hebben de heeren Aeskulapen groot gelijk, als zij den raad geven, dat zoodra eene ziekte de eene deur inkomt, men den geneesheer door de andere binnenleiden moet. Want wat beteekent anders de oude spreekwijze: „Veniente occurrite morbo,” dan „Ga eene ziekte in hare opkomst tegen.”
Op deze wijze ontmoeten elkaar de geneesheer en de ziekte in een eerlijken, gelijken strijd, terwijl door aan deze laatste te veel tijd te gunnen, wij haar dikwerf in de gelegenheid stellen, zich als een Fransch leger te verschansen en te versterken, zoodat de geleerde heer het zeer moeijelijk en soms onmogelijk vindt, bij den vijand te komen. Ja, door tijd te winnen, gelijkt soms de ziekte op de Fransche politiek en koopt de natuur om, die haar dan hulp verleent,—en alle mogelijke geneesmiddelen baten niet meer. Overeenkomstig deze opmerkingen, luidde, naar ik me herinner, de klagt van den grooten geneesheer Misaubin, die zeer aandoenlijk plagt te zuchten wanneer men zoo laat zijn bijstand inriep: „Waarlijk, ik geloof dat men mij houdt voor een doodgraver; want de zieken laten me nooit halen tot de dokters hen gedood hebben.”
Door eene dergelijke verwaarloozing, nam de ziekte van den heer Allworthy dermate toe, dat toen de hevige koorts hem noopte geneeskundige hulp in te roepen, de dokter, bij zijn eerste bezoek, het hoofd schudde, en zeide dat men hem vroeger had moeten laten komen, tevens te kennen gevende, dat hij den toestand van den zieke voor zeer gevaarlijk hield. De heer Allworthy, die al zijne wereldsche zaken geregeld had, en die zoo goed op eene betere wereld voorbereid was als iemand wezen kan, ontving deze mededeeling met de meeste kalmte en onverschilligheid. Hij kon, inderdaad, als hij insliep, met Cato in het treurspel zeggen:
„Geen schuld of vrees kent Cato; Hem is het eens: te slapen of te sterven!”
Naar waarheid, kon hij dit met tienmaal meer regt zeggen dan Cato, of eenige andere hoogmoedige sterveling onder de oude of nieuwere helden: want hij kende niet slechts geene vrees, maar men kon van hem zeggen dat hij was als de trouwe arbeider, die na afloop van den oogst opgeroepen wordt om de belooning te ontvangen uit de handen van een milden meester.
De waardige man gaf dadelijk bevel, dat zijne geheele familie bijeen geroepen zou worden. Niemand was afwezig dan mevrouw Blifil, die sedert eenigen tijd in Londen was; en de heer Jones, dien de lezer pas verlaten heeft bij mijnheer Western en die de boodschap van huis ontving op het oogenblik dat Sophia hem verliet.
De tijding van het gevaar waarin de heer Allworthy verkeerde (want de knecht vertelde dat hij stervende was), verdreef alle gedachten aan liefde uit zijn brein. Hij sprong dadelijk in het rijtuig, dat men voor hem gezonden had, beval den koetsier zoo hard mogelijk te rijden, en geen enkele gedachte aan Sophia, naar ik meen, kwam den geheelen weg over bij hem op.
En nadat de gezamentlijke familie, namelijk de heer Blifil, de heer Jones, de heer Thwackum, de heer Square en eenige der dienstboden (op bevel van den heer Allworthy) rondom het ziekbed verzameld was, rigtte zich de zieke daarin op, en wilde beginnen te spreken, toen Blifil hardop met snikken uitbarstte, en luide en bittere klagten liet hooren. Hierop drukte hem de heer Allworthy de hand en zeide:
„Treur maar niet, waarde neef, om eene der meest dagelijksche van alle menschelijke gebeurtenissen. Als onze vrienden door rampen getroffen worden, zijn we met regt bedroefd; want deze zijn toevallen, welke men dikwerf had kunnen voorkomen en die het lot van den eenen mensch ongelukkiger schijnen te maken dan dat van den andere; maar de dood is zeker onvermijdelijk—hij is het algemeene lot dat allen gelijkelijk beschoren is;—en het is ook niet van groot belang op welk tijdstip het ons treft. Als de wijsste der menschen het leven slechts een span groot noemde, dan mogen wij het wel als niets meer dan éénen dag beschouwen. Het is mijn lot geweest tot den avond te leven; maar diegenen, welke vroeger weggeroepen worden, hebben slechts weinige uren gemist, die op zijn best iets waard waren, en zeer dikwerf slechts uren zouden geweest zijn van arbeid en vermoeijenis, van pijn en verdriet. Ik herinner me dat een der Romeinsche dichters ons sterven vergelijkt bij het opstaan van een feestdisch. En dit woord is mij dikwerf voor den geest gekomen als ik de menschen heb zien worstelen om een gastmaal te rekken, ten einde nog eenige oogenblikken het gezelschap hunner vrienden te genieten. Helaas! hoe kort toch duurt het langst gerekte feest! Hoe onbelangrijk is het verschil tusschen hem die het eerst weggaat, en hem die het langst blijft. Dit is de beste wijze waarop men het leven beschouwen kan, en deze tegenzin om onze vrienden te verlaten, is nog de beste reden die wij vinden kunnen voor de vrees van den dood; en toch is het langste genot van dezen aard dat wij smaken kunnen, van zoo korten duur, dat het voor den wijze waarlijk niets beteekenend is. Ik beken, dat weinige menschen dit inzien; want, inderdaad, slechts weinige menschen denken aan den dood, eer het graf voor hen gaapt. Hoe reusachtig en verschrikkelijk de dood hun ook toeschijne als die nadert, zijn zij echter buiten staat hem op eenigen afstand te zien;—ja, al waren zij welligt beangst en verschrikt als zij zich in doodsgevaar waanden, naauwelijks waren zij van dien angst bevrijd, of zelfs de herinnering aan die vrees verdween. Maar, helaas, hij die den dood tijdelijk ontgaat, loopt daarom nog niet vrij;—hij heeft slechts uitstel verkregen—en een zeer kort uitstel!
„Treur dus niet meer, kindlief, op dit oogenblik!—Eene gebeurtenis, die elk uur, die elk element, ja, bijna elk stofdeeltje dat ons omringt, veroorzaken kan, en die ons onvermijdelijk eens treffen moet, moest ons niet verrassen of doen klagen.
„Daar de geneesheer (waarvoor ik hem zeer dankbaar ben), mij aangekondigd heeft dat ik u welligt binnen zeer korten tijd zal moeten verlaten, heb ik besloten u bij ons scheiden eenige woorden toe te spreken, eer mijne ziekte, die sterk toeneemt, mij de magt daartoe beneemt.
„Maar ik moet mijne krachten wat sparen. Ik wilde u spreken over mijn testament, van hetwelk, ofschoon alles reeds lang geleden bepaald is, ik het noodig acht u die beschikkingen mede te deelen, welke u afzonderlijk aangaan,—ten einde den troost te hebben van te weten dat gij allen tevreden zijt met hetgeen ik voor u gedaan heb.
„Neef Blifil, ik benoem u tot mijn universelen erfgenaam, behalve vijfhonderd pond sterling ’s jaars, in vruchtgebruik aan uwe moeder, die na haar dood u weder toevallen, en een landgoed dat ook vijfhonderd pond ’s jaars oplevert, alsmede een kapitaal van zes duizend pond, waarover ik op de volgende wijze beschikt heb.
„Het goed dat de vijfhonderd pond ’s jaars opbrengt, heb ik u geschonken, Jones. En daar ik weet hoe men in verlegenheid kan komen door gebrek aan wat baar geld, heb ik er duizend pond in klinkende munt bijgevoegd. Ik weet niet of ik hiermede uwe verwachtingen te boven ben gegaan, of ze te leur gesteld heb. Welligt zult gij denken, dat ik u te weinig gegeven heb, en de wereld zal even gereed zijn mij te veroordeelen omdat ik u te veel heb geschonken; maar ik veracht hare afkeuring, en wat de uwe betreft,—tenzij gij die algemeene dwaling koestert, welke ik dikwijls heb hooren aanvoeren ter verontschuldiging van een volstrekt gemis aan christelijke liefde,—namelijk, dat wij door mildheid in plaats van op dankbaarheid te mogen rekenen, slechts aanleiding geven tot overdrevene eischen, die moeijelijk, zoo niet onmogelijk te voldoen zijn—maar vergeef me dat ik van zoo iets spreek; bij u vermoed ik niets van dien aard.”
Jones wierp zich aan de voeten van zijn weldoener, en zijne hand vattende, verzekerde hij hem dat zijne goedheid van nu en vroeger, niet slechts zoo oneindig zijne verdiensten, maar ook zijne verwachtingen te boven was gegaan, dat hij geene woorden kon vinden, om zijne erkentelijkheid daarvoor te uiten.
„Ik betuig u, mijnheer,” voegde hij er bij, „dat uwe tegenwoordige mildheid mij buiten staat stelt om aan iets anders te denken dan aan de droevige aanleiding daartoe!—O mijn vriend! Mijn vader!” De woorden bleven hem in de keel, en hij wendde zich af om zijne tranen te verbergen.
Allworthy drukte hem thans liefderijk de hand en hervatte:
„Ik ben overtuigd, mijn jongen, dat gij veel goedheid, edelmoedigheid en eergevoel bezit;—als gij hierbij wat voorzigtigheid voegt en godsdienstzin, moet gij ook gelukkig worden; want de drie eerste hoedanigheden, dat is zeker, maken u het geluk wel waardig; maar slechts door de beide laatsten kunt gij het verkrijgen.
„De som van één duizend pond heb ik u nagelaten, mijnheer Thwackum,—een bedrag, dat, naar ik overtuigd ben, evenzeer uwe wenschen als uwe behoeften overtreft. Gij zult het echter wel willen aannemen als een blijk mijner vriendschap, en als u daardoor het overvloedige toevalt, zal uwe strenge deugd u leeren, hoe dat anderen mede te deelen.
„Mijnheer Square, ik heb u eene dergelijke som bestemd;—ik hoop dat die u in staat zal stellen uw beroep met meer voorspoed dan tot dusver te volgen. Ik heb dikwerf met leedwezen opgemerkt, dat behoeftigheid eerder verachting dan medelijden doet ontstaan, vooral onder mannen van zaken, bij wie de armoede aangemerkt wordt als een blijk van onbekwaamheid. Maar het weinige, dat ik u heb kunnen nalaten, zal u uit die bezwaren redden, waartegen gij vroeger te worstelen hadt, en dan, twijfel ik niet, gij zult al den voorspoed vinden, welken iemand van uw wijsgeerigen aard wenschen kan.
„Ik gevoel echter dat mijne krachten zoodanig afnemen, dat ik u op mijne laatste wilsbeschikkingen moet wijzen, om inlichtingen te verkrijgen omtrent al het overige. Mijne dienstboden zullen daaruit zien, dat ik hen niet vergeten heb, en er zijn nog enkele kleine liefdegiften, welke mijne executeurs niet vergeten zullen. De Heere zegene u allen! Ik verlaat u voor korten tijd—”
Hier trad een knecht met grooten haast in de kamer, en zeide dat er een zaakwaarnemer uit Salisbury was overgekomen, met een boodschap, welke hij aan den heer Allworthy zelven mededeelen moest; dat hij zeer gehaast scheen, en verklaarde zooveel te doen te hebben, dat als hij op vier plaatsen tegelijk kon zijn, hij toch niet klaar zou komen.
„Ga, mijn jongen,” zei Allworthy tot Blifil, „en vraag wat die heer wil. Ik ben nu niet in staat mij met zaken op te houden, en hij kan ook niets noodig hebben, waarin gij nu niet meer betrokken zijt dan ik. Bovendien ik ben nu wezenlijk buiten staat—ik kan niemand ontvangen;—ik kan mijne gedachten niet meer bijeen houden.”
Hij nam nu weder van hen afscheid en zeide dat hij naar rust verlangde, daar het praten hem al te zeer uitgeput had.
Eenigen der aanwezenden stortten vele tranen toen zij de kamer verlieten en zelfs de wijsgeer Square, hoewel niet aandoenlijk van aard, veegde zich de oogen af. Wat jufvrouw Wilkins betreft, de parelen ontvielen hare oogen even snel als de kostbare gomdroppels den arabischen boom; want dit was eene ceremonie, welke de goede vrouw bij geene gelegenheid ooit verzuimde.
Hierop legde de heer Allworthy het hoofd neder en trachtte eenige rust te nemen.
HOOFDSTUK VIII.
ZAKEN BEVATTENDE DIE MEER NATUURLIJK DAN AANGENAAM ZIJN.
Behalve de droefheid over den toestand van haar meester, was er nog een andere bron van dien zilten stroom, die zoo weelderig vloeide van de bergachtige wangbeenderen der huishoudster. Zij was ook ter naauwer nood de kamer uit, toen zij op de volgende stichtelijke wijze voor zich heen begon te mompelen: